Matthieu Wiegman schildering in de Obrechtkerk

Nota bene — Het fragment uit het boek volgt na deze kleine terugblik op de aanbieding van het boek aan Henk van Os in 2013.



Heilig Hart schildering van Matthieu Wiegman in de Obrechtkerk te Amsterdam. De centrale Christusfiguur met het heilig Hart wordt omringd door engelen die de passiewerktuigen dragen (1930). Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2012.

Bij de presentatie van De genade van de steiger, november 2013, kreeg Henk van Os het eerste exemplaar aangereikt vanwege zijn inzet voor de restauratie van de schilderingen in de Obrechtkerk te Amsterdam. Hij was aangenaam verrast door het boek, zoals ook uit bijgaand signalement in Kunstschrift blijkt.

Over de heilig Hartschildering van Matthieu Wiegman vertelt Van Os:

Toen ik in 1990 voor het eerst in die kerk kwam samen met wijlen Wim Beeren, overviel me de totale onverschilligheid waarmee een halve eeuw lang met de kunst in die kerk was omgegaan. Een kapel met muurschilderingen van Otto van Rees – een van zijn belangrijkste werken – was volledig ontmanteld. De schilderingen waren grotendeels overgeschilderd. Schilderingen van Matthieu Wiegman en anderen waren vrijwel verdwenen onder het vuil. Wim en ik knielden tijdens de misviering voor een Christusgestalte met zo veel zoutuitbloei (die eufemistische benaming heb ik uit het boek gehaald!) dat zijn gelaat bijna onzichtbaar was geworden.

Wat Van Os betreft, is de moraal van het verhaal:

Misschien zal er niet veel van de monumentale kerkelijke kunst uit het interbellum overblijven. Eén ding is zeker: zo’n voortreffelijk boek als dit helpt om de winter van verguizing en verwaarlozing door te komen. Deze kunst is dankzij dit boek waardig gebleken kunstgeschiedenis te worden. En ook nog goede en interessante kunstgeschiedenis. Ooit zal de geschiedenis van de kunstproducten van de negentiende en twintigste eeuw geheel bevrijd worden van de letterlijk verwoestende vooroordelen die het modernisme met zich mee heeft gebracht. Aan dat proces van vrijmaking levert dit werk van Bernadette van Hellenberg Hubar en kompanen een belangrijke bijdrage.

Het boek is inmiddels uitverkocht!

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Fragment uit ‘De genade van de steiger’ (pp. 422-423)


Heilig Hart schildering Matthieu Wiegman in de Obrechtkerk te Amsterdam uit 'De genade van de steiger' (2013). Screenshot bvhh.nu 2014.
De pagina met de Heilig Hart schildering van Matthieu Wiegman in de Obrechtkerk te Amsterdam uit ‘De genade van de steiger’ (2013). Screenshot bvhh.nu 2014.

7.5.4 Reflectie op de beeldspraak

In de inleiding van dit hoofdstuk werd al opgemerkt dat Wiegman op een eigen manier invulling gaf aan de traditionele iconografie door deze te transformeren tot persoonlijke duidingen en dragers. Van de manier waarop hij dat deed, wist hij ook anderen te overtuigen, zoals blijkt uit zijn gesprek met de sociale priester Henricus Poels die onder de mijnwerkers in Limburg werkte. Aalmoezenier Poels bezocht met een aantal van hen in 1929 de tentoonstelling die Jean Adams op Rolduc had georganiseerd:

  • ‘Hij zei toen tegen zijn mijnwerkers: “De kunstenaar was vast dronken toen hij deze schilderijen maakte!” Matthieu, die op de tentoonstelling aanwezig was, hoorde dit, ging naar PoeIs toe en stelde zich voor als de schilder van deze werken. “Wat U vertelt over mijn dronkenschap”, zei Matthieu, “zou ik graag willen toelichten”. Zo wees Matthieu hem op het spel van de muggen in het zonlicht; het spel van de paring en het rythmisch spel van de vruchtbaarheid. “De kunst”, zo ging Matthieu verder, “is het rythmisch spel van de vruchtbaarheid van alles wat leeft, het rythme van de drift en [423] met die drift kristalliseert de kunstenaar een hogere wereld”. Toen vroeg Mgr. Poels: “Waarom schilder je de bloemen die daar staan niet precies zoals ze zijn?” Matthieu antwoordde: “Waarom zegt U in uw gebeden tot Maria: Geestelijke Roos, Toren van David, Deur des hemels, Morgenster? Bent U dan niet even dronken als ik? Ook U stijgt met die woorden boven Uzelf uit, U wordt een dichter, die met de beeldspraak zijn gevoelens onder woorden brengt!” Toen zei Poels: “Wiegman, je hebt een tien!” “ja”, ging Matthieu verder: “De doelstelling van de kunst is een moeilijk onderwerp. Een boom kun je tweeërlei zien: als een zakelijk object waar je planken uit kunt zagen, maar ook als een verbinding tussen hemel en aarde. De doelstelling van de kunst is zwarter dan zwart en witter dan wit, dus uitersten. Dan hindert het niet of je heiligen of appeltjes schildert!”’[152]

Niet alleen onthult het antwoord van de schilder de fel zinnelijke en puur metafysische visie op de kunst, die ook Engelman en Maritain graag naar voren brachten, maar ook de rol van de beeldspraak bij het vertolken van gevoelens. Of die beeldspraak nu traditioneel en talig van inhoud was, of dat zij een beroep deed op letterlijk klassieke sentimenten als de pathos, of dat ze berustte op het intuïtieve stemmingsteken dat de kunstenaar uit de ritmische driften van de natuur naar boven haalt, maakte voor Wiegman niet uit. Voor beide, heiligen én appeltjes, ritme én drift, het apollinische en het dionysische, het klassieke én het barokke, en vooral niet te vergeten, het optische en het haptische is plaats.[153] Zijn werk in de Obrechtkerk vormt daar een bijzondere getuigenis van. Deze paragraaf wordt dan ook afgesloten met de apotheose van Wiegman in de H. Hartkapel (1930) (afb. 361).

De H. Hartkapel vormt als ruimte eigenlijk niet meer dan een apsidiool in de noordoostelijke transeptarm. Wiegman buitte hier de ronding van de concha uit die benadrukt wordt door de belijning van de penseelstreken in de factuur van de achtergrond. De beschouwer ervaart de centripetale kracht van de holling door de bijna minimalistische compositie. Deze start met de figuren links en rechts aan de voet, die als het ware de voorhoede vormen van de kerkgangers rond het altaar. Zij leiden het oog naar het hart van de apsidiool waar Christus, zwevend in de concaaf, op een bolvormige kosmos is weergegeven. Rond is het aureool om zijn hart, rond is zijn nimbus, terwijl de engelen om hem heen cirkelen in een ovaal die deels in goudachtige en deels zilverachtige schakeringen is weergegeven. Alles is erop afgestemd om de bezoeker dit concave universum binnen te trekken, waarin de onvoorwaardelijke – mystieke – liefde centraal staat. De opzet daarvan legde Wiegman aan Poels uit in het hierboven gegeven citaat. De kunstenaar brengt in een persoonlijke, religieuze beeldspraak – stemmingsdragers – zijn gevoelens bij dit thema over, waarbij hij zuiver ‘schilderlijk’ te werk gaat, om een term van Engelman te gebruiken, en zich optimaal van de architectonische ambiance bedient om de toeschouwer te bereiken. In dit werk heeft Wiegman de barokke opmaten op superbe wijze tot klassieke rust gesublimeerd. De beoogde, intieme sfeer van devotie, van mens tot God, was bereikt.

 


Postscriptum

Voor een beter begrip van de tekst hierboven, is het handig om de inleiding van dit hoofdstuk te lezen, waarin een herzien beeld wordt geschetst van de expressionisten in de monumentale kunst. Dit wordt gedragen door de criteria die met name uit het kunstkritische onderzoek van hoofdstuk 4 naar voren kwamen.

Noten
  • 152) Worm en Wiegman, Matthieu, pp. 105, 180
  • 153) Voor dat laatste zie paragraaf 5.6.3 Aardse en hemelse stijl: Riegls dichotomie.

De verkorte titel verwijst naar de bibliografie in het boek.