Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract

Fatimahuis Weert. Marij Coenen, mei 2016.
Het Fatimaraam van Charles Eyck in het Fatimahuis (voorheen de Fatimakerk) te Weert, uit 1957. Als Eyck de figuren had weggelaten, zou het glas niets aan zeggingskracht hebben ingeboet. Het bleek niet eenvoudig om een begaanbaar pad te kiezen tussen figuratief, decoratief of abstract in de na-oorlogse kerkelijke kunst. Foto Marij Coenen, mei 2016.

_______________

Na de Tweede Wereldoorlog pakten de kunstenaars vrijwel allemaal hun figuratieve stijl op van voor 1940. Maar de nieuwe abstracte kunst drong op. Wat betekende dit voor de kerkelijke kunst? 

Je zou denken dat dit een theoretisch probleem is, maar dat is allerminst het geval. Los van hoe dit de kunstenaars aan het hart ging, heeft dit consequenties voor hoe wij hun werk waarderen. En dat heeft weer gevolgen voor het toekomstige lot van de fysieke objecten.

Zoals ik in de mirror* ‘De kerk als buit’ heb uitgelegd, zullen de komende jaren veel – erg veel – kerkgebouwen gesloten worden.* En waar blijft dan de uitmonstering? Sterker nog, in hoeverre zijn die inrichtingen geïnventariseerd of gewaardeerd? Want als we als maatschappij willen besluiten welke kerken wel of niet behouden blijven, tellen de uitmonsteringen natuurlijk mee. Dat betekent registreren wat je in huis hebt en de waarden daarvan vaststellen. Dat laatste kan alleen als we voldoende weten van de kunst in kwestie. Op dit gebied bestaat echter een behoorlijk grote kennisleemte die onder meer ontstaan is, doordat kunsthistorisch Nederland lange tijd alleen oog had voor de avant-gardekunst. Maar er is heel wat meer gemaakt tijdens de wederopbouw en de daarop volgende decennia.

In Breda hebben ze op deze problematiek een voorschot genomen met het project #KunstinBreda, waarover ik eerder al enkele blogs schreef. De afgelopen maanden ben ik bezig geweest met de waardering van een groot aantal religieuze kunstwerken in kerken, publieke gebouwen en de openbare ruimte. Een behoorlijk groot aantal hiervan dateert uit de periode 1935-1965, de tijdspanne waarover dit thema in het bijzonder gaat. In de jaren 1930 was het barok expressionisme wat de klok sloeg, zoals ik heb uitgelegd in het item over het wegkruis van Leen Douwes. Veel kunstenaars zetten dit voort na de oorlog, waardoor nog tot in de jaren zestig hiervan voorbeelden zijn te zien, zoals het tableau van Joep Nicolas in de Koninklijke Militaire Academie van Breda (1964). Daarnaast had je onder de glaskunstenaars de sterke invloed van Heinrich Campendonk, hoogleraar aan de Rijksacademie in Amsterdam, wiens invloed in naoorlogs Breda onder meer doorwerkte via het oeuvre van Marius de Leeuw, Jan Dijker en Gerrit de Morée. Met name hier zie je dat manoeuvreren met de kool en de geit tussen figuratief, decoratief of abstract.* Collega-onderzoeker Monique Dickhaut, bezig met een promotieonderzoek naar naoorlogse Limburgse kunst, wees me erop dat veel van wat als abstract gepresenteerd werd in feite decoratief was.* Zelf viel me op dat veel van wat abstract wordt genoemd vanzelf weer figuratief wordt – of lijkt te worden – als gevolg van de spontane mimesis. Ik zal dit hieronder toelichten, maar hier kan al opgemerkt worden dat je in beide gevallen zou kunnen spreken van een ontsnappingsclausule. Dat had niet alleen met esthetische of maatschappelijke vraagstukken te maken – figuratief werd op een bepaald moment geassocieerd met het realisme van de totalitaire staten – maar ook, of liever opnieuw met de kerk.

De kerk en de kunst: figuratief, decoratief of abstract

Wie meer over de strijd van de kerk tegen de moderne kunst wil weten moet het boeiende artikel lezen van Jos Pouls, ‘Tussen Rome en Parijs’.* Hierin bespreekt hij onder meer de reuring rond de eerste tentoonstelling over moderne kerkelijke kunst in Nederland in het Van Abbemuseum in 1951. Onder het motto dat Nederland wakker geschud moest worden, had Edy de Wilde deze overgenomen van Musee d’Art Moderne in Parijs. Dat wakker schudden lukte, want heel Nederland kwam er op af. Niemand die ook maar iets met kerkelijke kunst te maken had ontbrak. Was het dan zo schokkend wat er was te zien? Vandaag zouden we zeggen van niet – gelet op de expressionistische en kubistische signatuur – maar toen bleek het een graadmeter te zijn voor wat de Kerk (met een hoofdletter) accepteerde.


Kort en goed was er nauwelijks iets veranderd ten opzichte van de situatie van voor de oorlog, ook al was de sterke vernieuwingsbeweging vanuit Frankrijk – waarvan de bovenstaande diaserie een indruk geeft – evenmin te stuiten. Ik heb de belangrijkste jaartallen aan de hand van Pouls in een kroniek gerangschikt.* Wat blijkt als we ze langslopen:

  • 1920 | De veroordeling van de expressionistische kruisweg van Albert Servaes (hierover vertelde ik al iets bij het wegkruis van Leen Douwes). De waardigheid van Christus was in het geding.
  • 1931 | De veroordeling van de tentoonstelling van expressionistische moderne religieuze kunst in Essen als ‘arte blasfema’: met name de vertekening en misvorming van de door God geschapen ‘werkelijkheid’, die in de visie van de kerk geïdealiseerd hoorde te worden in vorm, factuur en kleur, was onacceptabel.
  • 1946 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Pablo Picasso en Henri Matisse.
  • 1947 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Piet Mondriaan (2.9).
  • 1947 | De encycliek Mediator Dei stelt dat ‘moderne voorstellingen en vormen niet uit vooringenomenheid mochten worden verworpen en dat kerkelijke kunstenaars vrij moesten worden gelaten’. Dit ging niet zonder mitsen en maren, want opnieuw klinkt het verzet tegen moderne kunstwerken die immers ‘misvormingen en verkrachtingen zijn van de gezonde kunst en bovendien menigmaal flagrant in strijd met de christelijke betamelijkheid, zedigheid en vroomheid’.
  • 1947-1949 | Met het voorgaande was de toon gezet voor de strijd rond de ‘blasfemische’ kruisweg van Aad de Haas in Wahlwiller die hij tenslotte zelf verwijderde uit de kerk. Omdat hier nooit een officieel verbod op is gelegd door Rome, kon deze in tegenstelling tot die van Albert Servaes, teruggeplaatst worden.
  • 1947-1948 | De dominicanen M.A. Couturier en P. Regamey – bevriend met onder meer de filosoof Jacques Maritain en zijn netwerk van hedendaagse kunstenaars – starten in hun tijdschrift Art sacré een offensief voor de toepassing van moderne kunst in de kerk.
  • 1948 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: De experimenteelen (Cobra) (dia 2.9).
  • 1948 | P. Régamey is als spreker aanwezig op het con­gres over ‘Nederland’s Nieuwe Kerken’ in Rotterdam, waar hij vernieuwing bepleit. Zijn lezing wordt gepubliceerd in het Katholiek Bouwblad.
  • 1948 | In het Gildeboek (een periodiek voor kerkelijke kunst) wordt verslag gedaan van het congres over moderne religieuze kunst in Parijs, opgezet door M.A. Couturier en P. Regamey.
  • 1950 | Onder invloed van Art sacré worden de eerste moderne kerken in Frankrijk gebouwd en ingericht met behulp van – deels niet-katholieke – kunstenaars. Een van de meest aansprekende voorbeelden hiervan is Notre Dame de Toute Grâce in Assy, waar de dominicaan Couturier onder meer als glaskunstenaar bij betrokken was (dia 1.2). Hier vind je tegeltableaus van Henri Matis­se (dia 1.7) en Marc Chagall (dia 1.4), glazen van onder meer Georges Rouault (dia 1.3) en een bijzonder crucifix van Germaine Richier (dia 1.6). De voorgevel is gesierd met een reusachtig mozaïek van Fernand Léger (dia 1.1). Een ander voorbeeld in dit medium komen we tegen aan de binnenkant en dat is van een kunstenaar die ook in Breda heeft gewerkt: Théodore Stravinsky (dia 1.5). Als we de monumentale kunst in deze kerk onder een stilistische noemer willen samenvatten, dan is het expressionisme, en wel in een vorm die voor de oorlog al gangbaar was. Wat dat betreft hoeft alleen gewezen te worden op George Raoult, van wie werk opgenomen is in het toonaangevende naslagwerk van de kunsthandelaar Clemens Meuleman – Hedendaagsche religieuse kunst – uit 1936.
  • 1950 | Recensie in Limburgsch Dagblad van de tentoonstelling van ‘moderne Franse religieuze kunst in het Palazzetto Venezia’ te Rome, ‘welker welsprekende woordvoerder, de Dominicaner pater Pie Régamey is’: met onder meer werk van Marc Chagall, Alfred Manessier (dia’s 2.4 en 2.8). Henri Matisse, Georges Raoult en Georges Braque. De recensent verwijst onder andere naar Jacques Maritain en meent: ‘ook deze expositie herbergt haar deformaties, haar extremiteiten’, maar het zijn er relatief weinig.
  • 1951-1955 | In een van de meest progressieve bisdommen van Frankrijk, Besançon, kwam hèt icoon van de moderne kerkbouw tot stand: Notre-Dame-du­-Haut in Ronchamp van Le Corbusier (dia 2.2). Hij ontwierp zowel het gebouw als de monochrome glazen die hij zelf gebrand zou hebben.
  • 1951 | Tentoonstelling ‘Moderne religieuze kunst uit Frankrijk’ in het Van Abbe­museum in Eindhoven met een sterke expressionistische nadruk. De reacties varieerden van uitgesproken positief tot negatief. Apart is de vaak positieve aandacht die Alfred Manessier(dia’s 2.4 en 2.8) krijgt die als een van de weinigen met haast volledig abstracte doeken aanwezig is. Hij past bij uitstek in de visie van Couturier en Regamey dat met name de abstracte kunst goed ingezet kon worden om het religieuze ‘binnenleven’ uit te drukken.
  • 1950-1953 | Reactie Vaticaan: veroordelingen, anti-modernistische richtlijnen en verplaatsing kunstvoorwerpen. Casus: crucifix van Germaine Richter werd verwijderd uit de kerk van Assy (dia 1.6).
  • 1951-1955 | Katholieke kunstenaars en hun organisaties omarmen het voorbeeld uit Frankrijk. Exponenten in Nederland zijn onder meer de glaskunstenaar Daan Wildschut (dia 2.5) en beeldhouwer Nic Tummers (dia 2.6).
  • 1957-1958 | Omslag in het Vaticaan met de bedevaartkerk Madonna della Lacrime in Syracuse (Italië) in een futuristische kegelvorm uit gewapend beton (1957) (dia 2.7). Voorts werd het semi-abstracte werk ‘Doornenkroon’ van Alfred Manessier uit 1954 door de kerk in 1958 bekroond (dia 2.8).
  • 1962-1965 | Tweede Vaticaans Concilie.

Ik zou de lijst nog wel wat verder kunnen uitbreiden, maar dit is voldoende om te begrijpen waarom datgene wat we standaard als het gevolg van Vaticanum II karakteriseren, vaak al enige jaren ouder is, terwijl opnieuw duidelijk is dat de uitgesproken en dramatische versie van het expressionisme na de oorlog niet alleen opnieuw ‘modern’ was, maar onveranderd de gebeten hond bleef van Rome. Dit kan een extra aansporing zijn geweest voor al die kunstenaars om vast te houden aan de barokke variant die na 1931 tot ontwikkeling kwam, zoals Leen Douwes en Jacob Ydema.* Tegelijkertijd valt op dat maar weinig artiesten zich aan de abstracte kunst waagden, zelfs al was deze door de twee dominicaner pioniers was gepromoveerd tot volwaardig medium voor de uitdrukking van kerkelijke kunst en religieuze gevoelens. Een van de weinigen die daarin heel ver ging was Alfred Manessier die hier voor de oorlog al mee experimenteerde. Zijn werk geeft aan dat het de mannen van Ars sacré ook echt te doen was om abstract in de zin van optimaal non-figuratief.

Mimesis trouvé

De goede verstaander hoort het al: optimaal non-figuratief. Waarom ik deze nuance introduceer? Omdat het bijna ondoenlijk is pure abstracte kunst te maken. Óf het werk gaat in de richting van de geometrische abstractie, waarbij al snel een decoratieve boventoon doorklinkt. Óf de lijnen en vlakken hergroeperen zich in onze ogen tot herkenbare vormen: de spontane mimesis of mimesis trouvé die vaak geassocieerd wordt met Leonardo Da Vinci. Hij beschreef als eerste (?) hoe zich uit de wolken en – minder romantisch – bevlekte en vol gespogen muren figuren losmaakten.* De moraal van het verhaal is duidelijk: het menselijk oog kan zichzelf niet beletten om in de chaos van vormen het herkenbare naar voren te halen en de meest elementaire daarvan zien we bij de vroegste tekeningen van ieder kind: de kopvoeters die Cobra tot een artistiek leidmotief maakten (dia 2.9).*

Wat het met onze waarneming doet valt goed te illustreren aan de hand van het ‘moderne’ hoogaltaar van de heilig Hartkerk in Breda (dia 2.10). Toen het onder invloed van Vaticanum II regel werd om de mis te vieren met het gezicht naar het kerkvolk toe, was een nieuw hoogaltaar nodig. Het bestaat uit een tombe en altaarblad uit natuursteen met een zeer eenvoudige, maar weloverwogen ornamentiek. De inkepingen in de mensa suggereren stenen plooien. Op de tombe is het kruis in het midden het enige herkenbare embleem dat omringd wordt door omhooggaande, ‘zittende’ lijnen die vanuit de mimesis trouvé geïnterpreteerd kunnen worden als gelovigen rondom Christus. Het is duidelijk een van die voorbeelden waarbij de kerkelijke kunst de zwenking naar het abstracte maakt, maar wel op die manier dat het ook als decoratief geïnterpreteerd kan worden, zodat het geen aanstoot zou geven. Tegelijkertijd wordt de spontane mimesis geprikkeld die tot een figuratieve beleving leidt.

Toets: de Fatimakerk in Weert

In dit verband is het interessant om een uitstapje te maken naar Weert, naar de Fatimakerk van Pierre Weegels (1953) (dia 2.1). Hier ontwierp Hugo Brouwer in 1959 – naar verluidt – de eerste abstracte ramen voor een kerk, nadat Charles Eyck in 1957 zijn grote Fatimaraam boven de orgeltribune zag geplaatst. Dit laatste oogt als een explosie van wervelende zonnen die het centrum vormen van uitschietende vleugels van kleur, waarin de futuristisch beïnvloede zaagtandlijnen voor nog meer snelheid zorgen. Te midden van deze nagenoeg volledig abstracte dynamiek bewegen zich enkele figuren als dragers van het verhaal. De uitdrukking van dit machtige gebeuren gaf de kunstenaar een – mogelijk ook in zijn ogen – legitieme gelegenheid om over de grenzen van zijn figuratieve idioom te kijken. En een sterke expressionistische flair is het resultaat.

Wanneer Hugo Brouwer een paar jaar later, in 1959, opdracht krijgt voor de beglazing van het schip kiest hij voor een heel andere route dan Charles Eyck. Ze hebben dan al eerder aan een project gewerkt: de Catharinakerk van Pierre J.H. Cuypers te Eindhoven, waar door het oorlogsgeweld alle glazen verdwenen waren.* Eyck heet daar onder meer abstracte roosvensters ontworpen te hebben, maar die zijn nu net bij uitstek decoratief en borduren voort op de geometrische ontwerpmethode waarin de generatie van Joseph Cuypers zo sterk was (dia 2.11). De twee voorbeelden van Charles Eyck vormen een pittig contrast met het werk van Brouwer. In de Fatimakerk ontwierp de kunstenaar liefst twee maal vijf ramen in de lichtbeuk van het schip en twee in die van de apsis, terwijl hij voorts op het niveau van de zijbeuk verschillende medaillons met glas bezette. Hij koos hierbij voor een wisselend palet in verschillende combinaties, waarbij vooral de optische kwaliteit van het gekleurde glas werd benut, met naast elkaar geplaatst vlakken van gelijke kwaliteit. Grisaille werd achterwege gelaten om plastische suggesties van schaduwen te vermijden (dia’s 2.14-2.17).

Opzet was om het lineaire, tweedimensionale karakter van het ontwerp optimaal tot uitdrukking te laten komen. Daardoor wordt ook het decoratieve karakter van dit werk bepaald. De vernieuwing ligt in de stap die Brouwer vervolgens zet. Hij laat zich inspireren door het idioom van toonaangevende kunstenaars uit de Parijse scene om vervolgens met eigen oplossingen te komen. Het is fascinerend hoe hij omgaat met de surrealistische beeldtaal van Joan Miró (dia 2.12). Maar de meest veelzijdige invloed die hij ondergaat is die van Pablo Picasso (dia 2.13). Zo ontstonden ramen, waarin het motief van de stromende lijnen van Miró of Matisse is overgenomen. Hiertussen zijn basale geometrische figuren gevlochten die je bij Miró als geïsoleerde schema’s tegenkomt, ieder met hun eigen archetypische lading. Brouwer heeft duidelijk een voorkeur voor cirkels, driehoeken en ellipsen (dia 2.14). De invloed van Picasso herken je onder meer in een raam, waar uit de lijnen en gesloten omtrekken een grotendeels naakte, gedeformeerde vrouwenfiguur tevoorschijn komt. Hierbij wordt duidelijk ingespeeld op de mimesis trouvé. Dat gaat nog sterker op voor een van de andere glazen, waarin je een soort geabstraheerde, zij het geheel geklede Venus van Milo kunt herkennen. Iconografisch zou je die twee kunnen herleiden tot Eva en Maria of Judith (dia 2.15). Of dat correct is vraagt om een ander type onderzoek.

Behalve de twee vrouwenfiguren zijn er ook enkele dieren te herkennen, evangelistensymbolen nog wel: de vogel (adelaar) van Johannes, de stier van Lucas en de leeuw van Marcus (dia 2.16). Met elkaar maken ze deel uit van een oeuvre waarin de mimesis trouvé voor een groot deel is losgelaten en het decoratieve karakter van de abstracte kunst weer naar voren treedt. Wat bij dit segment opvalt, is de – vermoedelijke – toepassing van het automatische handschrift dat zich vaak uit in enkele alles verbindende lijnen (dia 2.17). Hoewel op dit gebied nog veel vergelijkend onderzoek gedaan moet worden, is het wel duidelijk dat Hugo Brouwer een bijzondere prestatie heeft neergezet in Weert, waarbij een serieuze stap is gezet om de eigentijdse abstracte beeldtaal te implementeren in de kerkelijke kunst.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

De * in bovenstaande tekst verwijst naar de volgende bronnen, samengesteld met behulp van Zotero.

  • De mirror op ifthenisnow.nl is een digitale constructie waarmee then en now tegenover elkaar geplaatst worden. Volg daarvoor de link onder de volgende bullet point.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “De kerk als buit | if then is now”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2g4EuZd.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Spolia”. if then is now. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2f4Bvkq.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Uitmonstering”. if then is now. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2dPFUas.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “#KunstinBreda | Religieuze kunst, Waardestellingen van uitmonsteringen en clusters.” Ohé en Laak, 2017.
  • “Monique Dickhaut | LinkedIn”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZfuCd.
  • Poels, Jos. “‘Tussen Rome en Parijs’, De context van een omstreden tentoonstelling van moderne religieuze kunst in Eindhoven (1951).” Trajecta. Tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden 11 (2002): 129–54.
  • De kroniek aan de hand van Pouls is aangevuld met significante momenten, ontleend aan Jobse, Jonneke. De schilderkunst in een kritiek stadium?: critici in debat over realisme en abstractie in een tijd van wederopbouw en Koude Oorlog: 1945-1960. Kunstkritiek in Nederland 1885-2015. Rotterdam: nai010 uitgevers, 2014.
  • “Surrealisme”. Geraadpleegd 1 januari 2017. http://kunst-modernisme.blogspot.com/p/surrealisme.html.
  • “Fatima Huis Historie”. Fatima Huis. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZjrqE.
  • Reliwiki. “Weert, Coenraad Abelsstraat 31a – Onbevlekt Hart van Maria – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZc1nb.
  • Thoben, Peter. “De ramen van de St.Catharinakerk – De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven”. Geraadpleegd 26 december 2016. http://bit.ly/2ixF16t.
  • Brouwer, Jos, Sybrand Zijlstra, en Hugo Brouwer. Hugo Brouwer. Eindhoven: (Z)OO producties, 2013.
  • Reliwiki. “Tilburg, Ringbaan West 300 – Margarita Maria Alacoque – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZ5sRw.

Jan Dijker, glazen apsis Margarita Maria Alacoquekerk, Ringbaan West 300, Tilburg. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.
Jan Dijker, De abstract-decoratieve glazen in de apsis van de Margarita Maria Alacoquekerk aan de Ringbaan West te Tilburg dateren van 1961. Ik heb hier veel herinneringen liggen, omdat dit mijn parochiekerk was. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.

_________

Dit webartikel kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract’, op: vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/2folRjT (2016).
Het item ook te vinden op ifthenisnow.eu. Op deze site is het zowel geplaatst in het hoofdstuk #kerkverhalen als – door middel van een doorverwijzing – op #glas.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2folRjT

Terug naar de hoofdpagina #Kerkverhalen!
Terug naar de hoofdpagina #Glas!

 

 

BewarenBewaren

BewarenBewaren

#Kerkverhalen


Augustijnenklooster Eindhoven Charles Eyck circa 1933
Tijdens het onderzoek naar de Paterskerk ontdekte ik deze muurschildering van Charles Eyck in de refter van het augustijnerklooster Marienburg te Eindhoven (circa 1933). Het werk is dubbel onbekend: in het klooster wist men niet meer dat het van Charles Eyck is en in zijn tot dusver bekende oeuvrelijst komt het niet voor. Vergelijkbaar met wat Eyck in de kapel van de kweekschool te Zeist heeft gedaan, past hij een vorm van het historisch presens toe door de de gekruisigde Verlosser te omringen met augustijnen (links) en augustinessen (rechts) in de jaren dertig. Het opschrift op de banderol luidt: Ante omnia fratres carissimi, diligatur Deus, deinde proximus (Voor alles, zeer beminde broeders, wordt God bemind en vervolgens uw naaste). Liefde is het sleutelwoord van  Augustinus, zoals prachtig verwoord op de site van de orde, waar deze schildering eveneens staat afgebeeld. Aan het monumentale werk van Charles Eyck heb ik overigens veel aandacht besteed in De genade van de steiger.

Sint Jozef op 19 maart

Dit verhaal draag ik op aan mijn vader Wolter Adriaan Joan Jozef van Hellenberg Hubar (1916-1996) die vandaag 100 jaar zou zijn geworden!


In de Jozefkapel van de nieuwe Bavo te Haarlem.
Het altaar in de Jozefkapel, ontworpen door Joseph Cuypers en uitgevoerd door Johannes Maas (1896-circa 1898). Foto Stephan van Rijt 2008.

Vandaag is het sint Jozef, of zoals we in het zuiden zeggen, sint Joep. Voor mij een heiligendag om nooit te vergeten, want het is de geboortedag van mijn vader. Stel dat we nu een eeuw terug zouden kunnen kijken, dan hadden we misschien niet alleen bij mijn grootouders de vlag uit zien hangen, maar hier in Haarlem horen vertellen dat de architect van de nieuwe Bavo zijn naamdag vierde. Wie weet was hij die dag toevallig in de kathedraal en heeft hij een kaarsje opgestoken bij het altaar in de Jozefkapel, dat hij zelf ontworpen had.

De historische Jozef — Wie was Jozef nu eigenlijk en wat weten we van hem. Als we afgaan op de bronnen valt dat behoorlijk tegen. Een boeiend verhaal kwam ik tegen op de site van J.P. van de Giessen – Aantekeningen bij de Bijbel – die zich afvroeg welk beroep Christus had:

  • ‘“Hij is toch die timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?” Markus 6:3 (NBV) In bovengenoemde tekst wordt gesteld dat Jezus timmerman is, in Mattheüs 13:55 wordt gesteld dat hij de zoon van de timmerman Jozef is. Gezien de leeftijd van Jezus toen Hij ging optreden, namelijk ~30 jaar, is het zeer goed mogelijk dat hij enkele jaren samen met Jozef heeft gewerkt als timmerman. De vraag die ik me stelde is wat betekent het Griekse woord tektōn wat in alle vertalingen met ‘timmerman’ wordt vertaald. Volgens de verschillende woordenboeken is het iemand die werkt met hout of steen, in tweede instantie wordt aangegeven een handwerker (als tegenpool van een metaalbewerker of smid). Het is iemand die huizen bouwt of construeert, waarbij wij in het laatste geval zouden zeggen een architect.’*

Timmerman of architect? Ambachtsman of denker? Het is interessant om te zien wat de geschiedenis ervan heeft gemaakt.


De bruiloft van Maria en Jozef op het altaar in de Jozefkapel, ontworpen door Joseph Cuypers en uitgevoerd door Johannes Maas (1896-circa 1898). Foto Stephan van Rijt 2016.
De bruiloft van Maria en Jozef op het altaar in de Jozefkapel, ontworpen door Joseph Cuypers en uitgevoerd door Johannes Maas (1896-circa 1898). Foto Stephan van Rijt 2015.

Legenda aurea — Vergeleken met andere heiligen, komt de verering van Jozef relatief laat op gang. Tot ver in de middeleeuwen verschijnt hij vaak als een wat anekdotische oude man bij kerstscènes. Maar dat is slechts één beeldtraditie, want vanaf het verschijnen van de Legenda aurea tegen het einde van de dertiende eeuw, komt de bruidegom van Maria meer in het licht te staan. Door toedoen van bisschop van Genua, Jacopo da Voragine, werden de tot dusver bekende heiligenlevens in deze Gouden legenden – al dan niet opgesierd – gebundeld. Het idee was om een naslagwerk te produceren met bruikbaar materiaal voor preken. Door het grote succes verschenen al snel over heel West-Europa vertalingen, ook in Nederland. Het geeft maar aan dat de markt behoefte had aan een meer gedetailleerd beeld van deze idolen van de katholieke kerk. Zo raakten scènes populair als de bruiloft van Jozef en Maria, die we ook in het Jozefaltaar van de nieuwe Bavo tegenkomen.*


Charles Vos, Theresa van Avila, pijlerbeeld bij de Barbarakapel aan de zuidelijke zijbeuk in de nieuwe Bavo. Foto RCE beeldbank/Margaretha Svensson 2013.

Charles Vos, Theresa van Àvila, pijlerbeeld bij de Barbarakapel aan de zuidelijke zijbeuk in de nieuwe Bavo. Foto RCE beeldbank/Margaretha Svensson 2013.

Theresa van Àvila — De verering van Jozef kreeg een krachtige impuls door de inzet van Theresa van Àvila (1515-1582), een van de stuwende krachten tijdens de contrareformatie. Dankzij Jozefs tussenkomst – zo vertelde ze later – ontwaakte ze uit een coma dat drie jaar had geduurd. Theresa was wat je noemt een vrouw met drive, en wat voor een drive. Tijdens haar leven reorganiseerde en stichtte zij verschillende kloosters, waarvan ze er een onder de bescherming van Jozef plaatste. Ze was niet alleen beroemd vanwege haar organisatievermogen, maar vooral om haar mystieke geschriften. Zo wordt ze in de nieuwe Bavo afgebeeld door Charles Vos (1952-1953). Net als bij Augustinus wordt haar hart doorboord met een pijl, hier als teken van de consumptie van het mystieke huwelijk met God als hemelse bruidegom. Bij haar oor bevindt zich de heilige Geest als duif die haar liefdesgezangen influisterde en haar zo inspireerde tot het schrijven van een eigen Hooglied, dat ze in haar hand houdt. Vergelijkbaar met het oudtestamentische bruidspaar in dit Canticum canticorum Salomonis (Lied der liederen van Salomon)*, viert zij haar extatische eenwording met haar goddelijke bruidegom. Dankzij deze mystica die aan de ene kant voor contemplatie en meditatie koos en aan de andere kant zeer krachtdadig was, promoveerde Jozef tijdens de contrareformatie tot een heilige met persoonlijkheid. Dat bleek de opmaat voor de negentiende eeuw, toen hij klaargestoomd werd voor het grote publiek.


Jozef als beschermvorst van de kerk, centraal op het altaar in de Jozefkapel, ontworpen door Joseph Cuypers en uitgevoerd door Johannes Maas (1896-circa 1898). Foto Stephan van Rijt 2014.
Jozef als beschermvorst van de kerk, centraal op het altaar in de Jozefkapel, ontworpen door Joseph Cuypers en uitgevoerd door Johannes Maas (1896-circa 1898). Foto Stephan van Rijt 2014.

Patroon van de kerk — De verering van Jozef was niet meer te stuiten, toen paus Pius IX hem in 1877 uitgeroepen had tot beschermer van de R.K. Kerk. Hoger kon je als heilige nauwelijks stijgen, want als patroon van de kerk stond Jozef zelfs boven Petrus, de eerste paus. Vandaar dat hij op het altaar in de nieuwe Bavo wordt weergegeven als een vorst met in de ene hand de bloeiende tak als symbool van de zuiverheid (ook uit de Legenda aurea) en in de andere hand een boek.*

De kerk had eeuwen ervaring in het promoten van heiligen en men deed dat op een manier waarop menige marketeer vandaag de dag jaloers zou zijn. Rome probeerde in te spelen op wat men meende dat de achterban nodig had. In de eeuw van het opkomende socialisme, de maatschappelijke onzekerheid als gevolg van de op scherp gezette gezagsverhoudingen en een groeiende verpaupering, waar de traditionele armenzorg geen antwoord meer op had, was dat Jozef: hij was de archetypische vaderfiguur die als summum van betrouwbaarheid gold omdat hij Jezus had opgevoed. Omdat hij ondanks deze vooraanstaande taak eenvoudig was gebleven, konden grote groepen gelovigen zich goed met hem identificeren. De boodschap was dat eenvoud, trouw en bescheidenheid niettemin tot een hoge positie konden leiden en dus het navolgen waard waren. De timmerman Jozef werd van meet af aan ingezet om de werkbijen onder het kerkvolk aan de kerk te binden en op die manier een tegenwicht te bieden aan moderne stromingen die het heil buiten de kerk zochten. Erger nog, die een paradijs op aarde verkondigden, zonder verlossing van de ziel of koppeling aan Gods rijk in het hiernamaals. In dit opzicht vond de kerk het liberalisme net zo bedreigend als het socialisme.

Tegenwicht in de sociale kwestie — Dit betekende niet dat de kerk, zoals wel wordt gesuggereerd, met de rug naar de maatschappelijke noden stond. Toen men zich eenmaal realiseerde dat de traditionele armenzorg niet langer voldeed, werd de ontwikkeling van een eigen sociaal beleid ter hand genomen. Een goed voorbeeld hiervan is de latere bisschop van Haarlem, J.D.J. Aengenent die zich hier vanaf 1898 mee bezighield en een belangrijke speler op nationaal niveau was.* De functie die Jozef als rolmodel toebedeeld had gekregen, bleek moeiteloos in deze transitie op te gaan. Hij bleef het tegenwicht tegen het niet-kerkelijke socialisme: hij getuigde hoe eenvoud en grootsheid samengingen door simpelweg zijn bijrol als voedstervader – degene die Christus opvoedde – te accepteren. Hij stelde een voorbeeld door de hem door God toegewezen taak eerlijk, maar zonder valse ambities of borstklopperij uit te voeren. In die eenvoud werd de brug naar het volk geslagen door hem als een nederige timmerman te profileren. Vader, werkman, echtgenoot, maar niettemin beschermvorst van de kerk. Hoe veel dichter bij huis kon je het hebben? Deze opgang benadrukte nog maar eens dat de eersten de laatsten zouden zijn, zoals Christus zijn leerlingen voorhield, en de laatsten de eersten.*


De heilige Familie op het Jozefaltaar van de gebroeders Custers in de Paterskerk in Eindhoven (1909)
De heilige Familie op het Jozefaltaar van de gebroeders Custers in de Paterskerk in Eindhoven (1909): vader, werkman, echtgenoot!

Icoon — Hoe pakte dat nu uit in de praktijk van de kunstproductie? Omdat, zoals gezegd, over het optreden van Jozef nauwelijks authentieke bronnen bekend waren, werd het plaatje geleidelijk aan zelf tot in detail ingevuld. Het doet denken aan de fanfictions vandaag de dag: hordes fans storten zich als ware scriptschrijvers op populaire series om daar extra episodes voor te bedenken. De voorstelling van de heilige Familie op het Jozefaltaar van de gebroeders Custers in de Paterskerk in Eindhoven is hier een goed voorbeeld van.* Op gezag van Rome werd een quasi-fictief plot uitgewerkt volgens de regels van de historieschilderkunst, waarin waarheid en verbeelding tot een verhaal werden gecombineerd: Jozef wàs een timmerman, althans ‘tektōn’ (bouwer, maker, schepper, et cetera), hij wàs met Maria getrouwd en wàs de pleeg- of voedstervader van Jezus, haar kind. Dit zijn de onomstotelijke historische ingrediënten die men combineerde in een imaginair tafereel, waarbij de geschiedkundige werkelijkheid verbeterd werd door het kind als helper van zijn vader voor te stellen en Maria met spinrokken in de hand af te beelden. Zoals de schildering van Gebhard Fugel in weekblad Sint Bavo van 1900 laat zien, werd dit thema in allerlei  variaties getoond.* De moraliserende boodschap is die van het gehoorzame, behulpzame kind en het eenvoudige, nijvere gezin dat de hoeksteen was van de katholieke samenleving.

Het geeft te denken. Je kunt er niet om heen om je af te vragen hoe het verhaal zou zijn afgelopen als tektōn als architect was vertaald. Dan had de bouwmeester van de nieuwe Bavo nog dichter bij zijn patroonheilige gestaan.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Het ‘zalige’ sterfbed van Jozef te midden van zijn gezin. Rechterpaneel op het altaar in de Jozefkapel, ontworpen door Joseph Cuypers en uitgevoerd door Johannes Maas (1896-circa 1898). Foto Stephan van Rijt 2014.
Het ‘zalige’ sterfbed van Jozef te midden van zijn gezin. Zoals weekblad ‘Sint Bavo’ uitlegt: ‘De H. Josef wordt vereerd als de Patroon der kerk, van het Vaderland, van het christelijk huisgezin en van een zaligen dood’.* Rechterpaneel op het altaar in de Jozefkapel, ontworpen door Joseph Cuypers en uitgevoerd door Johannes Maas (1896-circa 1898). Foto Stephan van Rijt 2014.

Meer informatie & bestelgegevens van Ad orientem

Het teken * in de bovenstaande tekst verwijst naar de bronnen die hieronder staan vermeld.

  • Giessen, P.J. van der, ‘Welk beroep had Jezus’, op: http://bit.ly/1ihkyyl, verwijst naar Mattheüs 13:55 en Markus 6:3.
  • Voor de Legenda aurea zie Wikipedia.
  • Voor Theresa van Àvila zie heiligen.net en Wikipedia.
  • Voor het Canticum canticorum Salomonis (Lied der liederen van Salomon), zie Hubar, De genade van de steiger, p. 414. → bibliografie. Ook te vinden op deze site: http://bit.ly/VHH-Jonas1.
  • Hubar, De genade van de steiger, pp. 197-198. → bibliografie.
  • Vergelijk de definitie van marketing op Wikipedia.
  • Voor de kerk en het anti-modernisme zie onder meer: http://nl.wikipedia.org/wiki/Paus_Pius_IX. Voorts het bijzondere artikel van Salemink, ‘Liberale waan’ (2002). Een beeld van de weerzin van de kerk tegen – een overdreven – individualisme, dat geassocieerd werd met romantiek en pantheïsme, is ook te vinden in: Hubar, ‘“Eerdienst en kunst op het naauwst vereenigd”’, pp. 151-176. → bibliografie
  • Voor de iconografische details van Jozef zie: Timmers,  Symboliek en iconographie, pp. 185-186; 501. Voorts: Nieuwbarn, Het Roomsche kerkgebouw, pp. 120-121. → bibliografie.
  • Voets, B., ‘Aengenent, Johannes Dominicus Josephus (1873-1935)’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland, op: resources.huygens.knaw.nl, http://bit.ly/1RqGPgl (1985; 2013).
  • Zowel te vinden in Matteüs 19, 30; Marcus 10, 31 als Lucas 13, 30, op onder meer willibrordbijbel.nl.
  • Hubar, De mantel der liefde, De Paterskerk te Eindhoven, 17, 46, 50, 53, 58-59, 63. → bibliografie.
  • Voor spinrokken zie Wikipedia.
  • Sint Bavo, Godsdienstig weekblad van het bisdom Haarlem 3 (1898), p. 280. Voor dit werk van Gebhard Fugel zie: https://flic.kr/p/Fjud3c
  • Sint Bavo, Godsdienstig weekblad van het bisdom Haarlem 3 (1898), p. 168.
  • Meer weten over het beeldprogramma van de nieuwe Bavo? Bestel dan mijn boek: Bernadette van Hellenberg Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, Ad orientem | Gericht op het oosten, WBOOKS-Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo, op initiatief van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Zwolle-Haarlem 2016. Voor een samenvatting surf naar http://bit.ly/Ifthenisnow-Bavo.

Om mijn boek over de kathedraal te bestellen, klik je op deze link: http://bit.ly/Bavo-Ao.

Specificaties:

  • Uitgever: WBooks in samenwerking met Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo te Haarlem
  • Aantal pagina’s: 400
  • Illustraties: circa 250 afbeeldingen in kleur en zwart-wit
  • Uitvoering: gebonden
  • ISBN 978 94 625 8119 7
  • Meer informatie: WBOOKS of http://bit.ly/Bavo-Ao.

De nieuwe Bavo wordt gerestaureerd door Van Hoogevest Architecten te Amersfoort (http://bit.ly/Hoogevest-Bavo) in opdracht van de Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo te Haarlem: http://bit.ly/Bavo2Ao.

Dit item maakt deel uit van de serie ‘Kunst met de kleine en de grote K in de nieuwe Bavo’ en is verkort gepubliceerd op de Facebookpagina van de kathedraal, 19 maart 2016. Verkorte link van deze blog: http://bit.ly/VHH-Jozef

Weefsel

Geschilderde weefsel op het beeld van Nicolaas van Tolentijn van atelier Custers (circa 1909) in de Paterskerk te Eindhoven.

Het lijkt wel een zoekplaatje, maar wat je hier ziet, is het gewaad van de hoofdfiguur van het altaarretabel in de kapel van Nicolas van Tolentijn, een van de belangrijkste augustijner heiligen in de Paterskerk te Eindhoven.* Het beeld komt uit het atelier van de gebroeders Custers te Eindhoven, wier werk tot de top van de houtsnijkunst uit de vroege twintigste eeuw behoorde.

Waarom ik dit detail laat zien? Omdat het zo’n mooi voorbeeld is van hoe weefsel werd gesuggereerd op een beeld. Vaak had een atelier voor dit werk in specialist in huis, een polychromeur die bedreven was in het beschilderen van sculptuur. Moet je kijken hoe knap hij dit heeft gedaan! Via een goud gestikt steentjesmotief op donkerblauwe stof accentueert hij de val van het gewaad: dat doet hij door de steentjes te verkorten en zelfs te vervormen, met name bij de scherpere plooien en op de plaatsen waar het been zich aftekent onder het weefsel. We hebben te maken met een echte verleider, want deze handwerksman verlokt het oog om als het ware te surfen over de golven van de stof die vol dik bollende toppen en holtes zit. Toen hij dit beeld onder handen nam, circa 1909, en er al zijn vaardigheden op los liet, zal deze polychromeur zich ongetwijfeld niet hebben gerealiseerd dat hij een uitstervend metier beoefende. De generatie beeldsnijders na hem zou afstappen van dat bonte palet, die horreur van de neogotiek, zoals dat door de kunstcritici en -historici vanaf de jaren dertig werd geformuleerd.

Nog een fase verder en dit soort beelden zou via rommelmarkten verdwijnen. Met name na Vaticanum II* daalde de waardering voor dit type kerkelijke kunst tot een absoluut dieptepunt, met alle gevolgen van dien. Zo kon het gebeuren dat de beelden van de Munsterkerk te Roermond, waar ieder atelier in de stad een exemplaar aan had bijgedragen, in de jaren zestig van de vorige eeuw volledig opgeruimd werden. Daarom is het ook zo bijzonder dat de Paterskerk in Eindhoven nog haar complete interieur heeft, waarvan de beelden een indruk geven van de veelzijdigheid van atelier Custers.

Als je een keer in de gelegenheid bent, moet je de kerk zeker gaan bezoeken!

B. *

Geschilderd weefsel in het retabel boven het altaar van Nicolaas van Tolentijn van atelier Custers (circa 1909) in de Paterskerk te Eindhoven.  Het altaar van Nicolaas van Tolentijn van atelier Custers (circa 1909) in de Paterskerk te Eindhoven.
Met één klik ga je naar ….

Post scriptum

Het teken * in de bovenstaande tekst staat voor de volgende informatie:

  • De informatie in deze blog is ontleend aan het waardenstellend cultuurhistorisch onderzoek naar de Paterskerk dat geciteerd kan worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, De mantel der liefde, De Paterskerk te Eindhoven, ErfgoedSWOT©, onderdeel waardenstelling, Ohé en Laak 2014. Meer over dit project is te vinden onder deze link.
  • De foto’s zijn gemaakt door Barbara Bonfrer van Franken Projectmanagement. Voor meer surf naar http://bit.ly/Paterskerk2franken-pm.
  • Vaticanum II duidt op het Tweede Vaticaans Concilie dat van 1962 tot 1965 werd gehouden en leidde tot de modernisering van de R.K. Kerk. Hoe goed en opportuun ook, in Nederland leidde de implementatie tot een tweede beeldenstorm in Nederland. Voor meer achtergrondinformatie zie de lemmata op Wikipedia: http://nl.wikipedia.org/wiki/Tweede_Vaticaans_Concilie en http://nl.wikipedia.org/wiki/Tweede_beeldenstorm.
  • Voor een uitgebreide fotodocumentatie van de Paterskerk volg deze link.
  • Voor de Open Monumentendag van 2015 volg deze link.
  • De verkorte link van dit item is http://wp.me/p4eh3s-19U.

Volg deze link naar de hoofdpagina van de Paterskerk

Sacramentskerk Tilburg (2005)

Omslag Res nova Sacramentskerk 2005

De omslag van de rapportpublicatie over de Sacramentskerk in Tilburg. Onderaan dit item wordt uitgelegd hoe je het kunt bestellen.

Inleiding

In 2005 is Res nova gevraagd om een waardenstellend onderzoek naar de Sacramentskerk uit te voeren met als doel dit in te zetten voor het behoud van de kerk. De bisschop van ‘s-Hertogenbosch, mgr A. Hurkmans, had namelijk besloten de Sacramentskerk te verkopen met als doel de hieruit voortkomende opbrengst aan te wenden voor het behoud van andere Tilburgse kerken. Wanneer immers een kerkgebouw haar liturgische functie verliest, zo meende hij, ‘[blijft] er weinig ruimte over […] voor alternatief gebruik van Rooms-katholieke kerkgebouwen’. Verkoop betekende toen sloop, want het gebouw had geen status als rijksmonument noch als gemeentelijk monument. Na jaren procederen, waarbij ik eenmaal bij de rechtbank en eenmaal bij een slopende zitting van de monumentencommissie aanwezig was – die zich volledig had ingegraven – is dat spijtig genoeg niet gelukt.1 Ten onrechte, want uit het onderzoek van Res nova zijn ontegenzeggelijk de waarden van gebouw en inrichting gebleken.

Twaalf jaar later, anno 2017, mag de Sacramentskerk nog heel even haar stempel drukken op het stadsbeeld van Tilburg. In de loop van de zomer zal ze grotendeels gesloopt worden. Het meest actuele plan is om de beeldbepalende gevel van de Sacramentskerk met de toren te behouden en op de plaats van het schip daarachter vijftien woningen te bouwen.2

Anno 2017 blijkt het onderzoek naar de Sacramentskerk een van de meest gewilde titels uit het educatieve fonds dat Vanhellenberghubar.org namens Res nova heeft voortgezet. En terecht, want het blijft een rapport met verrassende vondsten, zoals hierna uit de samenvatting zal blijken. Het onderzoek is uitgevoerd door Don Rackham. Zelf zorgde ik voor de begeleiding, de completering en finetuning van de waardenstelling en de eindredactie van de tekst.

Sacramentskerk2

De Sacramentskerk en de pastorie na de sloop van de spits in 1992.

Samenvatting

De Sacramentskerk werd gebouwd op een belangrijke locatie, het kruispunt van de pas voltooide Ringbaan-Oost en de Nieuwe Bosscheweg. Vanuit beide wegen doemt de Sacramentskerk op als een fraai visueel baken, en is het geworden tot een belangrijk oriëntatiepunt voor de gemeente Tilburg en een herkenningspunt voor de Armhoefse Akkers, ook wel de Sacramentsparochie genoemd.

De door de Eindhovense architect M. van Beek in 1931 ontworpen Sacramentskerk is niet alleen een gaaf en geslaagd voorbeeld van de wijze waarop een kerk werd gebouwd als het middelpunt van een nieuwe parochiewijk, ook de intrinsieke waarden van de kerk zijn van belang. Geheel volgens de Christocentrische idealen uit het interbellum heeft Van Beek alle middelen aangewend om de aandacht van de parochianen op het koor te vestigen. De gordelbogen en triomfbogen die in versneld perspectief tot achter het altaar doorlopen, de enorme overspanning van het schip, waarbij geen zichtverstorende kolommen zijn geplaatst, het verhogen van het vloerniveau van het koor en de wijze waarop Van Beek gebruik heeft gemaakt van de natuurlijke lichtinval zorgen voor een dramatisch en doeltreffend effect.

_DSC1404

Het interieur van de Sacramentskerk. Door de repetitie en de exponentiële verkleining van de spitsboog wordt ons oog naar het altaar geleid. Foto Jack Janssen (2013).3

Ook aan het exterieur heeft hij de aandacht op het priesterkoor weten te vestigen: dit gebeurde door middel van een massief volume dat als een gesloten baldakijn over de locus sanctus staat en deze accentueert. De subtiele manier waarop Van Beek met de bouw van de kerk ruimtelijk op de plek heeft ingespeeld, blijkt uit de symmetrische opzet van de voorgevel. Door een trapsgewijze vergroting van de elkaar opvolgende bouwelementen is een fraai lijnenspel ontstaan. De detaillering versterkt dit: de Sacramentskerk is geheel in baksteen opgetrokken. Niet alleen de opgaande muren en de gewelven zijn hierbij van baksteen, maar ook de decoratieve elementen zoals rollagen, gootlijsten en plint. Door afwijkende tinten te gebruiken ontstond een verfijnde baksteenpolychromie.

Res novae

Omdat de besluitvorming eerder aan de marginale kant is gebleven en er voorheen geen integrale waardenstelling is opgesteld, is het onderhavige rapport geproduceerd. Hieruit blijkt dat de Sacramentskerk zowel cultuurhistorisch, architectonisch als stedenbouwkundig een groot aantal bijzondere waarden kan worden toegekend. Uit grondig onderzoek is een beeld naar boven gekomen, dat in eerder gevoerde discussies helemaal niet of onvoldoende ter sprake is gekomen. Een aantal aspecten daarvan kan als res novae (nieuwe zaken) worden beschouwd. We laten deze hieronder de revue passeren:

  • Het belangrijkste novum betreft de wijze waarop Van Beek bij de Sacramentskerk gebruik heeft gemaakt van het versneld perspectief, zowel bij het exterieur als aan de binnenzijde. Door dit optische spel dat in de renaissance is ontwikkeld door architecten als Bramante en Michelangelo, ontstaat aan de buitenzijde een nog rijziger en monumentaler gebouw, dat intern aan diepte wint. Deze toepassing is binnen de huidige stand van het onderzoek een unicum: op dit punt zijn er verder geen gebouwen bekend uit de periode 1900-1940, laat staan uit de jaren dertig.
  • De Sacramentskerk vormt het slotakkoord van een wijk die is opgezet als resultaat van de kruisbestuiving binnen een select netwerk aan stedenbouwkundigen, waartoe behalve ‘locale’ vakmensen als Johan Rückert in Tilburg en Louis Kooken in Eindhoven, grote namen behoren als G.J. de Jongh, H.P. Berlage, K.P.C. de Bazel en Jos.Th.J. Cuypers, naast omstreden figuren als de Delftse hoogleraar administratief recht J.H. Valckenier Kips die juridisch als een van de eerste planologen kan gelden.
  • Het betreffende netwerk liet zich leiden door met name de ideeën over de natuurlijk gegroeide stad van Camillo Sitte en de Engelse tuindorpgedachte van Ebenezer Howard, waarbij een sterk sociaal gevoel de idealistische ondertoon bepaalde.
  • Van Beek heeft de ideale – Christocentrische – volkskerk uit het interbellum gerealiseerd, hetgeen vooral blijkt uit de opzet van het ruime schip en de nadruk op het priesterkoor. Hierbij liet hij zich leiden door ideeën van de liturgist A.F. van Beukering, die architect A.J. Kropholler in de Antonius-Abtkerk te Rotterdam als prototype verwerkte.
  • De manier waarop Van Beek bij het volume van het priesterkoor een gelaagd beeld weet op te roepen, waarbij in- en exterieur zich naar de toeschouwer totaal anders manifesteren, getuigt van een subtiel architectonisch gevoel voor compositie: aan de buitenkant wordt het rijzige, gesloten ‘baldakijn’ getoond dat Van Beek aan Kropholler ontleende. Intern blijkt dit te functioneren als een soort toneeltoren om indirect licht op het priesterkoor te verkrijgen. Dit indirecte licht zorgde voor een ‘theatraal’, mystiek karakter dat er toe bijdroeg alle aandacht naar het altaar te trekken, geheel conform het Christocentrische ideaal.
  • Het belang van de Sacramentskerk in het oeuvre van een architect, waarvan verschillende werken op de Rijkslijst en onder meer in zijn geboorteplaats en domicilie – Eindhoven – op de gemeentelijke monumentenlijst staan, is pas met dit onderzoek aan het licht gekomen.
Tilburg-Bosscheweg-002

De Sacramentskerk gezien vanaf de Bosscheweg voor de oorlog.4

Overige waarden

Andere aspecten die wel bekend waren, maar eerder niet of onvoldoende in het besluitvormingsproces zijn meegenomen, zijn:

  • De hoge waarde van het kerkgebouw als centrum van de parochiewijk. Zowel visueel als sociaal-cultuurhistorisch neemt de kerk een prominente positie in de Armhoefse Akkers in.
  • De esthetische werking van de symmetrie van de voorgevel als gevolg van de ligging. Het lijnenspel dat ontstaat door de afgewogen compositie van de opeenvolgende bouwelementen zorgt voor een fraai schouwspel en benadrukt de belevingswaarde.
  • Het gevoel van detail van Van Beek dat zich vooral manifesteert door de toepassing van baksteen als deels sierend, deels accentuerend en deels geledend element.
  • Het interieur vormt een prachtig gesamtkunstwerk uit de jaren dertig waaraan namen als Charles Eyck en Joan Collette verbonden zijn.
  • Ook de wederopbouw is vertegenwoordigd, zoals het glas-in-lood van Jan Dijker laat zien (1951-1954). De herwaardering van kunst uit deze tijd heeft anno 2014 haar weerslag gekregen in de website die aan het oeuvre van deze kunstenaar is gewijd.5

Postcriptum

Naar aanleiding van dit item liet architectuurhistoricus Guido Hoogewoud in 2015 het volgende weten: ‘het versneld perspectief is ook toegepast door K.P. Tholens in het koor van de Chassékerk in Amsterdam (1924-1926). In de zich verjongende bogen zijn de namen van de engelenkoren aangebracht’. Maar er blijken er meer te zijn geweest: tijdens de excursie van het Cuypersgenootschap van 4 juni 2016 naar het voormalige kleinseminarie Hageveld, bleek ook architect Jan Stuyt van deze kunstgreep gebruik gemaakt te hebben; niet in de kapel, maar in de kolonnade van de hal van het hoofdgebouw (1925). Het is dus kennelijk iets dat in die tijd weer opgepakt werd in de eigentijdse architectuur en dus wel degelijk van architectuurhistorische waarde is. Maar juist de betekenis van het toepassen van het versneld perspectief is destijds door de monumentencommissie van Tilburg snerend van de tafel geveegd! Zo’n gremium heeft zelf te weinig ervaring met onderzoek om te beseffen dat wanneer eenmaal iets is gesignaleerd – zoals Don Rackham heeft gedaan met het versneld perspectief in de Sacramentskerk – er daarna meer voorbeelden volgen.

Een groot aantal jaren sprak ik op deze plaats de hoop uit dat zich hier niettemin een modelherbestemming zou ontwikkelen. Alle voorwaarden daartoe waren immers aanwezig.

Juli 2017 valt het doek dan toch definitief. De waardevolle onderdelen van de kerk worden ‘gered’, zoals de glazen van Jan Dijker en de beelden van Charles Eyck en Frans Mandos, maar over een maand is het silhouet van de Sacramentskerk voorgoed verdwenen. Het zal een vreemde gewaarwording zijn als ik met de trein vanuit het zuiden Eindhoven binnenrijd op weg naar een ander project of naar familie in de stad van mijn jeugd.

:-( B.6

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

 


Bronnen

  • De rapportpublicatie over de Sacramentskerk kan besteld worden bij het virtuele loket van Bibliodoc.
  • Het onderzoek is voor een deel in te zien via Google boeken.
  • Voor de voorgeschiedenis van de sloop zie het artikel van Petra Robben. “Erfgoed Tilburg: Behoud erfgoed Sacramentskerk Tilburg”. Erfgoed Tilburg, juli 2017. http://bit.ly/2uMX9kF.
  • Voor de overige vermeldingen zie de noten hieronder.
Sacramentskerk Tilburg Jan Dijker

In de Tilburgse Sacramentskerk bevindt/bevond zich ook naoorlogs glas-in-lood van Jan Dijker. Meer hierover vertelt Judith Kuipéri op de site van de stichtingjandijker.nl.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewarenBewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren


  1. Zie mijn pleitnotities bij die gelegenheid: http://bit.ly/1WIdX1e

  2. Zie het betreffende lemma op Wikipedia

  3. Ontleend aan het album Sacramentskerk Tilburg binnen

  4. Ontleend aan vandunstamboom.nl

  5. Uit de gegevens op deze site blijkt dat de ramen van Jan Dijker (1913-1993) voor een deel inmiddels verwijderd en opgeslagen zijn: stichtingjandijker.nl

  6. Verkorte link van dit item: http://wp.me/P4eh3s-T6 | http://bit.ly/1QPaAGJ.

    ← Terug naar Voorheen Res nova. 

Luciferterrein Eindhoven (2009)

Opmaat

Het begon met een enthousiast berichtje op Facebook dat ondertussen ook voor enige verwarring zorgde.

Voor de workshop Van Luciferfabriek tot start upfabriek kun je je opgeven bij de gemeente Eindhoven.

Voor de workshop ‘Van Luciferfabriek tot start upfabriek’ kun je je opgeven bij de gemeente Eindhoven.

Nu is de ene luciferfabriek de andere niet! In Eindhoven waren er namelijk twee die wel tot dezelfde firma behoorden. Met mijn vorige bedrijf, Res nova, hebben we cultuur- en bouwhistorisch onderzoek verricht naar het oudste complex dat op het Luciferterrein lag in Eindhoven. Bovenstaande fabriek aan de Vestdijk maakt daar géén deel van uit. Maar op een briefhoofd van de firma – hiervoor moet je even naar beneden scrollen – staan ze wel als eenheid naast elkaar weergegeven.1

Dit item gaat dus over het onderzoek naar het Luciferterrein dat je via deze link kunt bekijken en downloaden: https://vanhellenberghubar.box.com/Lucifersfabriek-2009.

Zoals je in de inleiding kunt zien, hebben we dit project met een hele ploeg uitgevoerd die ik – ere wie ere toekomt – hier graag wil vermelden:

Dit rapport is van de hand van drs Silvia Pellemans in samenwerking met drs Don Rackham. Het historisch kadastrale onderzoek is uitgevoerd door Jos en Bauke
Hüsken. Het is collegiaal getoetst door drs Margreeth Bangert en dr Bernadette van
Hellenberg Hubar. De eindproductie was in handen van Marij Coenen.

Op het inmiddels statische forum van Res nova staat een projectomschrijving van de hand van Don Rackham die hierna grotendeels is overgenomen.

Complex Lucifersfabriek met lay-out

Overzicht van het Luciferterrein met de verdwenen en de in 2009 nog bestaande gebouwen.

Samenvatting van het onderzoek

De gemeente Eindhoven gaf in 2009 opdracht om een cultuur- en bouwhistorische analyse uit te voeren naar het binnenterrein tussen de Bergstraat, Grote Berg en Kleine Berg, het zogenaamde Luciferterrein. De aanleiding voor dit onderzoek is het plan van Holland Art Gallery om op het binnenterrein een hotel met restaurant en galerie te ontwikkelen.2 Op grond van beleid wil de gemeente Eindhoven, dat er voorafgaande aan de ontwerpfase, informatie ligt over de historische waarden van het gebied en de daarbinnen aanwezige bestaande en verdwenen bouwvolumes. Het onderzoek kan tevens dienen als referentiekader en inspiratiebron voor de op handen zijnde ontwikkeling.

Luciferterrein of Van der Schootterrein

Het projectgebied wordt in de volksmond aangeduid als Luciferterrein, genoemd naar de lucifersfabriek die in 1870 op deze locatie werd opgericht door de heren Mennen en Keunen. Het projectgebied omvat echter een terrein dat aanzienlijk groter is dan de kavel van de voormalige fabriek. Het gebied behelst verschillende panden aan de Bergstraat, de Kleine Berg en nog enkele volumes op het binnenterrein tussen deze straten. Momenteel is van de lucifersfabriek alleen nog het volume van het oorspronkelijke poortgebouw aanwezig in de vorm van het rijksmonument Bergstraat 26-30. Dit pand valt echter niet binnen de contouren van het plangebied.

Omdat de naam Luciferterrein de lading dan ook niet dekt, heeft Res nova voorgesteld om het projectgebied Van der Schootterrein te noemen. In de tweede helft van de twintigste eeuw was het overgrote deel van de bebouwing binnen het projectgebied, waaronder het rijksmonument Kleine Berg 45, de oude lucifersfabriek en nog enkele opstallen aan de Bergstraat, onderdeel van de ijzerwarenhandel van W. van der Schoot.

Res novae

Uit het onderzoek zijn de volgende nieuwe gegevens – res novae – naar voren gekomen:

  • Door diverse kaartprojecties is de ontwikkeling van het Van der Schootterrein vanaf de bouw van de lucifersfabriek in 1870 tot aan de huidige situatie inzichtelijk gemaakt.
    De industriële ontwikkeling op het binnenterrein tussen de Bergstraat, Grote en Kleine Berg start met de bouw van de lucifersfabriek van de heren Mennen en Keunen. Deze industriële activiteit wordt echter door de ijzerhandel W. Van der Schoot tot ver in de twintigste eeuw doorgezet.
  • Het onderzoek heeft aan het licht gebracht hoe de lucifersfabriek zich heeft ontwikkeld en welke functies waar in het complex waren ondergebracht.
  • Uit het kadastraal onderzoek is gebleken dat het pand Bergstraat 10a is opgericht als koperslagerij.
  • Het metselwerk van de zijgevel van Kleine Berg 45, het Van der Schootpand, vertoont diversiteit in verband en baksteenkleur. Historisch bronnenmateriaal laat zien dat het aangrenzende pand niet tegen de gevel was gebouwd, maar dat altijd sprake is geweest van een doorgang. De gevel geeft inzicht in de ontwikkeling van Kleine Berg 45 en toont de buitengevel van het negen¬tiende-eeuwse pand, de uitbreiding uit circa 1910 en de bouw van het huidige volume uit 1932.

Hieronder wordt kort ingegaan op de ontwikkelingsgeschiedenis en verschijningsvorm van de twee belangrijkste complexen op het terrein: de voormalige lucifersfabriek en het Van der Schootpand.

Briefhoofd van de firma Mennen en Keunen uit 1884.

Briefhoofd van de lucifersfabriek van Mennen en Keunen, 1884.

De Lucifersfabriek

Tot 1970 was het terrein achter de Bergstraat, Grote Berg en Kleine Berg onbebouwd. In 1870 kopen de heren Mennen en Keunen een groot perceel met de intentie hier een lucifersfabriek op te richten.

De bebouwing had een U-vormige plattegrond en volgde de contouren van het niet volledig orthogonale kavel. Het open voorterrein was bedoeld als sorteerplaats voor de aangevoerde boomstammen. Het betrof hier dan meestal populierenhout dat in de omgeving van Eindhoven ruimschoots voorhanden was. In het noordoostelijke deel van het complex, een smal langwerpig eenlaags bouwvolume onder zadeldak, stonden het stoomwerktuig en de ketel. Op deze machinerie waren de zaag- en schilmachines aangesloten, die in het gebouw direct naast het hierboven genoemde ketelhuis stonden.

Geheel in de zuidhoek van het perceel stond een eenlaags volume met een tongewelven dakconstructie met over de gehele lengte een ventilatiestrook. In dit gebouw was de eest, de droogkamer van de lucifers gevestigd. Rechts hiervan bevond zich een volume waar, door het hele gebouw, verticale ventilatieopeningen waren aangebracht en brandmuren waren geplaatst. Het gehele gebouw was gecompartimenteerd zodat in geval van uitslaande brand deze makkelijker kon worden beheerst. Dit volume was, gezien de vele ventilatieopeningen waarschijnlijk in gebruik voor het dompelen van de stokjes in de ontvlamvloeistof, ofwel de witte fosfor.

Het gebouw aan de noordoost zijde van het terrein bestond uit vier ruimtes: twee bergplaatsen, een ruimte voor de fabricage van schoensmeer en een kantoorvertrek.

In 1871, een jaar na de oprichting van de fabriek, gingen de heren Mennen en Keunen over tot het vervaardigen van veiligheidslucifers, de zogenaamde ‘Zweedsche lucifers’. De benaming ‘Zweedsche lucifers’ verwijst naar het patent op het vervaardigen van lucifers met rode fosforkoppen dat in Zweedse handen was. In datzelfde jaar wordt het poortgebouw aan de Bergstraat opgericht. Aangezien het pand het perceel aan de voorzijde afsluit en los staat van de fabrieksgebouwen is het oude erfachtige karakter van het perceel verdwenen, nu heerst er meer de allure van een door gebouwen omsloten werkterrein.

In 1872 volgt er een nieuwe uitbreiding. Ditmaal wordt er een rechthoekig volume aangebouwd aan de achterzijde van de bestaande fabriek. Vermoedelijk betreft het hier een tweede dompelruimte. Aan de voorzijde van het fabrieksgebouw wordt aan de zuidoost zijde een klein rechthoekig volume opgericht. De functie van het gebouw is onbekend.

In de jaren achttientachtig sluit de fabriek haar deuren en in 1890 wordt het complex verkocht. Het poortgebouw wordt opgedeeld in twee wooneenheden. In 1977 wordt het overgrote deel van de fabrieksgebouwtjes afgebroken. Alleen het poortgebouw en het kleine bijgebouwtje uit 1872 zijn behouden.

De ruimtelijke ontwikkeling van de Lucifersfabriek is in het onderzoek via historische kaarten in beeld gebracht.

De ruimtelijke ontwikkeling van de Lucifersfabriek is in het onderzoek via historische kaarten in beeld gebracht.

Van der Schootpand

Het rijksmonument Kleine Berg 45, het Van der Schootpand, is in 1932 gebouwd naar ontwerp van C.H. de Bever in een functionalistische stijl, in opdracht van W. van der Schoot. Het betreft hier een volume met rechthoekige plattegrond dat is opgesplitst in drie delen. Aan de Kleine Bergzijde bevindt zich het vierkante hoofdvolume dat vier bouwlagen telt onder rollaag en plat dak. Achter het hoofdvolume ligt een drie bouwlagen hoog bouw¬deel. Het geheel wordt aan de achterzijde afgesloten door een eenlaags volume.

De voorgevel van het hoofdvolume is opgetrokken in okerkleurige baksteen in Vlaams verband onder plat dak. Deze gevel wekt de suggestie dat hij als een scherm tussen de zijgevels hangt. De iets voor de voorgevel uitstekende zijgevels zijn op de hoeken in functionalistische stijl als hoeklisenen uitgewerkt. De voorgevel is op de begane grond voorzien van een zwart marmeren basement waarop een glazen winkelpui is geplaatst. Voor deze pui zijn metalen hekken aangebracht. Erboven is over de gehele breedte van de voorgevel een band met glazen bouwstenen aangebracht. Het bovenste gedeelte van de voorgevel (meer dan de helft van de totale hoogte) is blind. Het plat dak is voorzien van een grote piramidevormige lichtkoepel die dankzij een grote vide het winkelpand over alle verdiepingen van veel daglicht voorziet. Deze koepel is de primaire lichtbron van het complex en maakte het mogelijk dat het overgrote deel van de gevels blind konden worden uitgevoerd.

Lucifersterrein - Van der Schootpand

Kleine Berg 45 te Eindhoven: het Van der Schootpand van architect Kees (C.H.) de Bever.

De zijgevel van het pand is geheel blind. Nadat het aangrenzende pand werd afgebroken, kwam een gevel in het zicht die wordt gekenmerkt door een grote diversiteit in baksteenkleur en metselverband. Het is gebleken dat de gedurende de ontwikkelingen op deze locatie de bestaande zijgevel telkens werd opgenomen in de ver- of nieuwbouw. Op deze locatie stond tot circa 1920 een klein eenlaags arbeidershuisje. Rond 1920 werd hier een tweelaags kosthuis gebouwd om in 1932 te worden vervangen door het Van der Schootpand. Hoewel het hier telkens om nieuwe bebouwing gaat, nam men de bestaande zijgevel op in de plannen: deze was toch niet zichtbaar en hoefde daarom niet te worden afgewerkt.

Colofon en downloadlink

Het cultuur- en bouwhistorisch onderzoek naar het Luciferterrein werd in 2009 uitgevoerd door een team onder leiding van Res nova in opdracht van de gemeente.

Link om het rapport te downloaden: https://vanhellenberghubar.box.com/Lucifersfabriek-2009.

B.3

Voetnoten


  1. Onderzoeksrapport Luciferterrein, pp. 29-30 

  2. Voor de laatste stand van zaken zie dit artikel van Eindhovens Dagblad van 22 mei 2014 

  3. Verkorte link van bovenstaand item: http://wp.me/P4eh3s-CH.

    ← Terug naar de inhoudsopgave

Paterskerk te Eindhoven


De Paterskerk te Eindhoven

Voor een eerste indruk van dit herbestemmingsproject, scrol je naar beneden. Je kunt natuurlijk ook meteen surfen naar mijn presentatie om een beeld te krijgen van het interieur.

Paterskerk_BASE_01_20140416 (Large)
De Paterskerk te Eindhoven (1896-1898) met het heilig Hartbeeld hoog in de top van de toren. Deze riskante positie heeft het beeld de bijnaam bezorgd van Jezus waaghals, of Jezus de springer. Van een aangetrouwde oom hoorde ik dat de Amerikaanse soldaten die Eindhoven op 18 september 1944 bevrijdden, dachten dat het mr Philips was. Foto: Bas Gijselhart | BASEPHOTOGRAPHY (2014).

De Paterskerk maakt deel uit van het Augustijner klooster Mariënhage te Eindhoven. De Augustijnen en de gemeente Eindhoven trekken gezamenlijk op om een gedeeltelijke herbestemming te realiseren. Uitgangspunt is de marktconsultatie die in 2013 heeft plaatsgevonden. Als gevolg hiervan zijn coöperatie DELA uit Eindhoven en Kapellerput Conferentiehotel te Heeze uitgenodigd om een haalbaarheidsonderzoek op te stellen. Doordat een waardenstelling van de kerk nodig was, raakte ik bij het project betrokken. In principe gaat het om een erfgoedSWOT©, waarin niet alleen de waarden in kaart worden gebracht, maar ook een perspectief van de mogelijkheden wordt geschetst.1

Onlangs is een cassette opgeleverd met de volgende onderdelen:

  • Hubar, Bernadette van Hellenberg, De mantel der liefde, De Paterskerk te Eindhoven, ErfgoedSWOT©, onderdeel waardenstelling, Ohé en Laak 2014.
  • Hubar, Bernadette van Hellenberg, Met hart en ziel, De Paterskerk te Eindhoven, ErfgoedSWOT©, onderdeel perspectief, Ohé en Laak 2014.
  • Hubar, Bernadette van Hellenberg, Op de achtergrond, Werkdocument Paterskerk te Eindhoven, Bouwstenen erfgoedSWOT©, onderdeel waardenstelling, Ohé en Laak 2014.

De kern van het onderzoek is samengevat in de presentatie:

Inmiddels is het integrale haalbaarheidsonderzoek zover voltooid dat men kan starten met de besluitvorming over de voortzetting van het herbestemmingsvraagstuk. Dat dit een spannend moment is in het hele proces, is duidelijk. Wie geïnteresseerd is in dit project kan alvast zijn licht opsteken bij de Kennis- en projectbank Herbestemming van de RCE en de site van de gemeente Eindhoven.

Paterskerk te Eindhoven, altaar Nicolaas van Tolentino.
Paterskerk te Eindhoven, altaar van Nicolaas van Tolentijn (gedateerd circa 1900-1910). Hij was de heilige die de meeste bezoekers trok, met name vanwege de wonderbare genezingen van mens en dier (foto: Barbara Bonfrer van franken-pm.nl).

Wordt vervolgd!

B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


  1. Voor de erfgoedSWOT© zie dit item op deze site. 

Fotodocumentatie Paterskerk

De Paterskerk te Eindhoven met het heilig Hartbeeld

De Paterskerk te Eindhoven (1896-1898) met het heilig Hartbeeld hoog in de top van de toren. Deze riskante positie heeft het beeld de bijnaam bezorgd van Jezus waaghals, of Jezus de springer. Van een aangetrouwde oom hoorde ik dat de Amerikaanse soldaten die Eindhoven op 18 september 1944 bevrijdden, dachten dat het mr Philips was. Foto: Bas Gijselhart | BASEPHOTOGRAPHY (2014).

Soms bof je met een project en dat geldt zeer beslist voor de Paterskerk in Eindhoven. Afgezien van het genoegen dat ik beleef aan het schrijven over zo’n mooi gebouw met zo’n bijzondere uitmonstering, heb ik het ook getroffen met de fotografen. Terwijl ik bezig was met de waardenstelling, was ondertussen een ploegje druk in de weer met de opname van alle bijzondere onderdelen van het interieur.

Want dat was de gedachte die er achter zat: de Paterskerk zal – als alles goed loopt – herbestemd worden, en dan kun je niet vroeg genoeg beginnen met de documentatie. Een goede documentatie is nog altijd de achilleshiel van alles wat in Nederland aan cultuurgoed verdwijnt. Vaak heeft dat te maken met een kwaad geweten, niet omdat mensen per definitie de kwader trouw zijn, maar omdat iedereen zich toch diep in zijn hart schaamt als iets waardevols vernietigd wordt.

Nu gaat het daar met de Paterskerk helemaal niet om. Er wordt op dit moment uitermate prudent met het gebouw en zijn inrichting omgegaan. Bij dit project ben ik er dan ook eerder bang voor dat op een gegeven moment het proces in zo’n krachtige versnelling raakt dat zoiets als documentatie over het hoofd wordt gezien.

Daarom ben ik heel blij dat fotoclub De Gender in Eindhoven, en wel meer in het bijzonder Bas Gijselhart van BASEPHOTOGRAPHY en Anke Spijkers zich over de Paterskerk ontfermd hebben. Ze hebben prachtig werk verricht. Daarnaast hebben Barbara Bonfrer en Bart van Gestel van Franken Projectmanagement opnames gemaakt. Eigenlijk zou een centraal orgaan deze digitale collectie moeten beheren, maar zover is het nog niet.

De foto’s van Bas Gijselhart en Anke Spijkers staan grotendeels on line via de site van BASEPHOTOGRAPHY. Van het werk van het tweetal van Franken Projectmagagement heb ik zelf een selectie in een lage resolutie op Flickrgezet, die bekeken kan worden via http://bit.ly/Paterskerk2franken-pm.

Ik zou zeggen, ga een kijkje nemen en geniet, maar respecteer het auteursrecht van de makers!

B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Detail van het Augustinusaltaar in de Paterskerk

Detail van het Augustinusaltaar van de gebroeders Custers te Eindhoven (vóór 1908). Afgezien van de bijzondere iconografie is de uitvoering van een zeer hoog niveau. Het reliëf was bedoeld om in steen gerealiseerd te worden, maar daar gaven de augustijnen geen toestemming voor. Om toch die indruk te wekken werd het gedaan in wit beschilderd hout. Foto: Barbara Bonfrer van franken-pm.nl (2014).

Meer weten?

Het onderzoek over de Paterskerk wordt opgeleverd in twee delen:

  • Hubar, Bernadette van Hellenberg, De mantel der liefde, De Paterskerk te Eindhoven, ErfgoedSWOT©, onderdeel waardenstelling, Ohé en Laak 2014.
  • Hubar, Bernadette van Hellenberg, Met hart en ziel, De Paterskerk te Eindhoven, ErfgoedSWOT©, onderdeel perspectief, Ohé en Laak 2014.

Opdrachtgever is coöperatie DELA te Eindhoven die met succes heeft deelgenomen aan marktconsultatie van de gemeente Eindhoven en de augustijnen:

‘De Orde der Augustijnen en de gemeente Eindhoven hebben naar aanleiding van de marktconsultatie Mariënhage besloten om verkennende gesprekken te voeren met coöperatie DELA over de verkoop van het gehele complex. DELA gaat een haalbaarheidsstudie doen naar het renoveren en exploiteren van gebied Mariënhage (exclusief het klooster) als ceremoniële locatie en daarmee opnieuw invulling geven aan de ‘hart en ziel’ gedachte. Verder wordt bekeken of er een samenwerking tussen DELA en Kapellerput (als beoogd huurder) mogelijk is om er zo ook ontmoetings- en overnachtingsfaciliteiten te realiseren ten behoeve van zakelijke en particuliere bijeenkomsten’.1

Het project wordt gecoördineerd door Karl Franken van Franken Projectmanagement en namens Dela begeleid door Peter Hoesbergen Advies. Als architecten zijn Diederendirrix en Architecten|en|en, beide te Eindhoven, bij dit initiatief betrokken. Projectleider vanuit de gemeente Eindhoven is Sandra Janssen-Poelman.

Door naar het hoofditem


  1. Persbericht van de gemeente Eindhoven d.d. 21 november 2013, ontleend aan de gemeentelijk website

De erfgoedSWOT©

Vanaf 1996 houd ik me onder meer bezig met waardenstellend onderzoek en het uitvinden van methodes om de brug te slaan tussen dat onderzoek en de dagelijkse praktijk. Dit leidde in 2010 tot de geboorte van de erfgoedSWOT© die ontstond tijdens de spannende opdracht van het ministerie van OC&W om kernkwaliteiten te ontwikkelen voor wederopbouwgebieden.* Een creatieve exercitie pur sang, waar ik nog altijd veel plezier aan beleef! Wat ik dan doe, wordt hieronder samengevat in een infogram.

De erfgoedSWOT©.

Infogram van de erfgoedSWOT© Ontwerp: www.wolthera.info

Nu moet een infogram door zijn beeldtaal de boodschap duidelijk maken, maar ik vind het toch leuk om te vertellen waar wolthera.info en ik aan hebben gedacht:

  • De gewichtheffer maakt duidelijk wat de sterke kanten zijn, waarbij de bouwsculptuur staat voor het onroerende erfgoed en de kop voor de roerende kunstvoorwerpen. Het gaat daarbij niet alleen om cultuurhistorische waarde of betekenis voor de wetenschap, maar ook om schoonheid: de drie hoofdcriteria uit de monumentenwet en vrijwel iedere erfgoedverordening. Gelukkig durft een handjevol deskundigen daar tegenwoordig weer – geobjectiveerde – uitspraken over te doen.
  • Heel anders is het met de zwakke plekken, die het thema hebben van onbekend maakt onbekend. Omdat niemand de stijl – noch de kwaliteiten – van dit gebouw kan plaatsen is er botweg een GSM-mast opgezet. Wat niet weet, wat wél deert! Omstanders weten niet wat ze hierin moeten zien, hetgeen betekent dat er weinig draagvlak is. Een mooie uitdaging voor de cultuurhistoricus om daar verandering in aan te brengen.
  • Het thema van de kansen betreft de potenties van leegstaande gebouwen om herbestemd te worden. Dan moet je wel door het verval en de spinnenwebben heen kunnen kijken en als in een droombeeld de nieuwe situatie kunnen visualiseren. Dat werkt overigens het beste door te spiegelen met een architect of een andere creatieve specialist. Out of the box-denken is daarbij onmisbaar!
  • Tenslotte staat het lekkende bad voor de bedreigingen. Hoe belangrijk water ook is, vocht is een van de grootste problemen bij oude gebouwen en je kunt dat in symbolische zin doortrekken. Alleen al de ‘schimmel’, veroorzaakt door hardnekkige vooroordelen of verbouwingen een aanbouwen van ondermaats niveau kan desastreus werken.

Graag vertel ik je binnenkort meer over dit instrument in relatie tot de Paterskerk te Eindhoven die deel uitmaakt van het augustijner klooster Mariënhage. Er wordt gewerkt aan een haalbaarheidsonderzoek voor gedeeltelijke herbestemming van het complex. Dit vindt plaats op basis van de marktconsultatie die de augustijnen en de gemeente in 2013 hebben georganiseerd. Als gevolg hiervan zijn coöperatie DELA uit Eindhoven en Kapellerput Conferentiehotel te Heeze uitgenodigd om de mogelijkheden verder te verkennen. Meer informatie is te vinden bij de Kennis- en projectbank Herbestemming van de RCE en de site van de gemeente Eindhoven.

Overigens kan de erfgoedSWOT© ingezet worden voor verschillende doelen, zoals:

  • Een effectief en overzichtelijk beheersysteem voor erfgoed, of het nu om een object gaat of een ruimtelijk ensemble. Dit laatste is onder meer gedaan voor enkele bestemmingsplannen in Maastricht, Eindhoven en Bunschoten.
  • De positionering van erfgoed binnen het ontwikkelingsproces van het restauratie- en/of herbestemmingsplan. De meest recente voorbeelden hiervan zijn de nieuwe Bavo (alhoewel daar het accent op de waardenstelling lag) en de Paterskerk te Eindhoven.
  • Het besluitvormingsproces van initiatiefnemer en overheid (zie de twee voorgaande punten).

Heb je belangstelling voor de erfgoedSWOT©, aarzel dan niet om contact met me op te nemen.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Bronnen

Het teken * in de bovenstaande tekst verwijst naar bronnen die hierna verkort vermeld worden:

  • Hubar, Bernadette van Hellenberg, M. Bangert en D. Rackham (Res nova), Wederopbouwerfgoed geborgd & geborgen, AMvB Ruimte – tranche 2, Advies & erfgoedSWOT© met kernkwaliteiten, Ohé en Laak 2010.
  • Over het voorgaande project schreef ik een dubbelartikel in vakblad Vitruvius: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Retort in het borgingsproces, De erfgoedSWOT© en de Wederopbouwkernkwaliteiten in de AMvB Ruimte’, in: Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 4, nummer 13 (2010), pp. 16-21 en 5, nummer 14 (2011), pp.18-25. Dit kan gedownload worden via: http://bit.ly/VHH2Kernkwaliteiten4Wederopbouw
  • Verkorte link van dit item: http://bit.ly/1QPbfb3

Biografie

In de Picardie
Bernadette van Hellenberg Hubar geeft uitleg bij een monument in Frankrijk (foto: Poul de Haan)

Bernadette van Hellenberg Hubar (1956) studeerde kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit te Utrecht en promoveerde aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen op het proefschrift Arbeid & Bezieling, De esthetica van P.J.H. Cuypers, J.A. Alberdingk Thijm en V.E.L. de Stuers, en de voorgevel van het Rijksmuseum in 1995. De handelseditie van 1997 werd bekroond met de Karel van Manderprijs van de Nederlandse vereniging van kunsthistorici. November 2013 verscheen van haar hand De genade van de steiger, monumentale kerkelijke schilderkunst uit het interbellum, dat naar een idee en onder leiding van Gerard van Wezel van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) werd uitgevoerd en door de Walburg Pers wordt uitgegeven.

Het project, waaraan ze de afgelopen jaren heeft gewerkt, is de monografie over de nieuwe Bavo te Haarlem, die in september 2016 is verschenen. Het boek over het kerkelijke meesterwerk van Joseph Th.J. Cuypers, zoon van Pierre J.H. Cuypers is geschreven in opdracht van de Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo – op initiatief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) – en uitgegeven door WBOOKS te Zwolle.

Nieuwe Bavo bestelformulier 'In de steiger'
Het boek over de nieuwe Bavo is tot en met december 2016 voor € 39,95 (dus met 10 euro korting) te bestellen via deze link

Expertise Bernadette van Hellenberg Hubar profileerde zich als cultureel ondernemer en productontwikkelaar op het raakvlak van cultuurhistorie en juridisch instrumentarium. De basis hiervoor is gelegd gedurende 15 jaar secretariaat van het Cuypersgenootschap dat in 1997 de Prins Bernhardfondsprijs toegekend kreeg voor de combinatie van wetenschappelijk onderzoek en juridisch optreden. Vanaf de entree van de nota Belvedere in 1999 is Bernadette op zoek gegaan naar methodes die inzetten op ruimtelijke bescherming en ontwikkeling. Een van deze producten – Praktijkboek en Concordans Atlas Sint Geertruid (Margraten) – die ze met Margreeth Bangert heeft uitgewerkt, werd in 2003 onderscheiden. Met name op het gebied van het stellen van waarden heeft Bernadette een bijzondere expertise die onder meer resulteerde in de erfgoedSWOT©, bedacht bij het traceren van kernkwaliteiten voor wederopbouwgebieden in opdracht van het ministerie van OC&W (2010). Door haar kennis van beleid en regelgeving, kan ze als weinig anderen waardestellingen synchroniseren met erfgoedprocedures. Dat is ook van pas gekomen bij grootschalige projecten als de herbestemming van Landgoed Rhederhof in samenwerking met Friso Woudstra Architecten te Vorden.

Uitvinder — Bernadette van Hellenberg Hubar staat voor de inhoudelijke kant van het vak. Naast haar eigen projecten, begeleidt ze onderzoekers, verzorgt collegiale toetsen en participeert als coauteur. Daarnaast heeft ze grote interesse in het bedenken van nieuwe producten. Ze ontwikkelde in 2003 de formule voor Fiscaal verhaal© voor Rijksmonumenten en in 2004 het Planologisch erfgoedregime (PER©) voor gemeenten, dat een modern alternatief biedt voor de klassieke monumentenverordening. De afgelopen jaren is dit bij bestemmingsplangebieden in Maastricht en Eindhoven ingevoerd. Het vernieuwende denken achter het (PER©) is gehonoreerd door minister Plasterk in de beleidsbrief MoMo (september 2009). Het beleid dat toen is ingezet heeft tot een wijziging van het B(esluit)ro geleid, waardoor het PER© per 1 januari 2012 voortaan direct wettelijk verankerd was. Vanaf dat moment had het bovengrondse erfgoed heeft in het bestemmingsplan dezelfde status als het bodemarchief. Met de nieuwe omgevingswet wordt deze lijn doorgezet in de opvolger van het bestemmingsplan, het omgevingsplan.  In 2013 heeft ze met haar vroegere bureau Res nova een variant van het PER© voor de gemeente Bunschoten afgerond.

PER© brochure
Een van de uitvindingen is het Planologisch erfgoedregime of PER© dat al vanaf 2005 in Maastricht wordt gebruikt. De brochure kan gedownload via http://bit.ly/PER-brochure.

Erfgoedspel — In het kader van de verdere ontwikkeling van de portfolio in de erfgoedsector heeft Bernadette van Hellenberg Hubar samen met Lost again in 2008 deel 2 van de Cuyperscode voltooid, een erfgoedspel dat vanaf de lancering in oktober 2007 ruim 80.000 bezoeken heeft getrokken. Bernadette tekende voor het script en schreef hiervoor enkele gedichten en fanfictions (historische korte verhalen), Lost again bouwde de engine. De Cuyperscode is op verschillende middelbare scholen gespeeld.

Gedichten — Als homo ludens kreeg Bernadette van Hellenberg Hubar in 2008 de gelegenheid om een nieuwe weg in te slaan met cultuurhistorie. Tijdens verschillende excursies, georganiseerd door Kunst der Vormen en haar reis naar China, kwam ze op het idee om gedichten op locatie te schrijven. Heel apart was de opdracht van de Rechtbank Roermond voor een bundel over rechtspraak in Roermond, die werd uitgevoerd in samenwerking met kunstenares Annelei Engelberts (2013-2014). Meer informatie daarover is te vinden onder deze link.

Interbellumboek — Eind 2013 is het boek De genade van de steiger, Monumentale kerkelijke schilderkunst uit het interbellum, verschenen, dat geschreven is in opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Ter introductie schreef Bernadette van Hellenberg Hubar hierover:

‘Zo’n verzameling schilders kan je aardig bezig houden. Tijdens het onderzoek regende het vondsten. Iedere keer weer kwamen er verrassende zaken tevoorschijn. Omdat ook de aanloop naar het interbellum in kaart is gebracht, hebben we nu een goed beeld gekregen van de invloed van de Beuroner school op de monumentale schilderkunst. Die was niet alleen veel groter dan algemeen wordt gedacht, maar vooral héél anders. Dat valt op als je het werk van Anton Derkinderen plaatst naast dat van Jan en Kees Dunselman, of F.H. Bach vergelijkt met Joan Collette en Piet Gerrits. Zowel de verschillen als de overeenkomsten maken het heel spannend. Onder meer hierdoor kunnen we nu voor de eerste keer de vinger leggen op de betekenis van het katholieke werk van Jan Toorop. Naast de kunstenaars die tot zijn richting horen – met grote namen als Anton Molkenboer en Chris Lebeau – heb je de kunstenaars van de expressionistische stam met figuren als Joep Nicolas, Henri Jonas, Matthieu Wiegman, Otto van Rees, Charles Eyck, Jaap Mes et cetera. Via de kunstkritiek is het gelukt meer greep op dit gezelschap te krijgen, waarbij vooral de rol van de Franse filosoof Jacques Maritain tevoorschijn komt. Daarnaast heeft ook de liturgische stijlstrijd grote gevolgen gehad. De veelheid van invloeden en factoren heeft in het interbellum tot een indrukwekkende variëteit aan artistieke producten geleid, waaronder veel monumentaal werk met een grote K’.

Een beknopt overzicht van de inhoud van het boek is te vinden in de samenvatting op deze site. Daar wordt ook duidelijk gemaakt wat de kunstenaars Joan Collette en Anton Molkenboer nu precies bedoelden met ‘de genade van de steiger’.

(Foto BvHH 2 juli 13-50)
De beelden rond de apsis van de nieuwe Bavo te Haarlem tijdens de restauratie. Foto auteur 2013.

Nieuwe Bavo — Was De genade van de steiger al zo’n bijzonder project, het onderzoek naar de nieuwe Bavo weet dat te evenaren, zo niet te overtreffen.  Zelden is over het programma van een kerk zo diepgaand nagedacht, in dit geval met name door Joseph Cuypers en de bouwheer, de latere bisschop A.J. Callier. Hoewel er vrijwel voortdurend geldgebrek was, slaagden zij er toch in hun kathedraal te realiseren zonder al te veel concessies aan de kwaliteit. Die wordt niet alleen door het artistieke niveau bepaald, maar ook door de hoge mate van ambachtelijkheid, waarmee het gebouw en zijn inrichting zijn uitgevoerd. De ideeën die vóór 1900 ontwikkeld werden over de boodschap die de nieuwe Bavo in architectuur en uitmonstering moest uitdragen zijn tot na de jaren 1950 actueel gebleven. Ook de nieuwe tijdslagen die in het kader van de huidige restauratie aan de kathedraal worden toegevoegd zijn daar voor een belangrijk deel op geënt.  Zo vormt de nieuwe Bavo het podium van ruim een eeuw artistieke uitdrukkingsvormen, waarin beeld, uitvoering en inhoud elkaar completeren.

Meer informatie over het boek Ad orientem | Gericht naar het oosten, dat medio 2016 verschijnt, staat onder deze link.

Recent — Een overzicht van de activiteiten waar Bernadette van Hellenberg Hubar verder mee bezig is, is te vinden op LinkedIn en op deze site onder het tabblad Projecten.1

Joep Nicolas, Hubertusraam pastorie Obrechtkerk Amsterdam (Sjaan van der Jagt-Pixelpolder 2011)
Een van de meest bijzondere kunstenaars van het interbellumonderzoek is Joep Nicolas. Op deze site is een fragment uit ‘De genade van de steiger’ geplaatst, waarin ook bovenstaand werk ter sprake komt; het Hubertusraam (1928) in de de pastorie van de Obrechtkerk te Amsterdam. De twee linker (noordelijke) ramen zijn aan Maria gewijd: linksboven zien we de Kroning van Maria, Koningin van de Rozenkrans. Linksonder staat een rozenstruik met rozenkrans, verwijzend naar de naam van de kerk: de vijf witte rozen staan voor de blijde geheimen van de rozenkrans, de vijf rode rozen voor de droevige geheimen en de vijf gouden rozen voor de glorievolle geheimen. Centraal is de parabel van goede herder weergegeven die verwijst naar pastoor Hoosemans als herder van de parochie. De ramen rechts (zuidelijk), waar je Jozef zou verwachten, zijn hier gewijd aan de patroon van de pastoor, Hubertus: rechtsboven zien we de bekering van Hubert met het hert dat in zijn gewei een kruis draagt; rechtsonder figureert de heilige als bisschop van Luik. (Foto: RCEPixelpolder).2

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/Biografie-VHH-org


  1. Voor LinkedIn surf naar dit adres

  2. Voor de datering en de iconografie zie de site obrechtkerk.nl