Aparte verloding apsisramen Begijnhofkapel Breda

Bernadette van Hellenberg Hubar. “#Kerkverhalen | Aparte verloding glas in lood Begijnhofkapel Breda”. if then is now.

Een van de meest sfeervolle kerkinterieurs van #KunstinBreda zit bij nader inzien – ook – vol geheimen. De meeste in deze intieme kapel op het Begijnhof in Breda heb ik dankzij een artikel uit 1997 van een van de docenten uit mijn studietijd, Wim Bergé, aardig kunnen ontsluieren. Overigens niet altijd tot mijn genoegen, want als je ziet wat er in anderhalve eeuw met de polychromie is gebeurd, word je niet blij. Karakteristiek voor het gebrek aan waardering in de jaren 1970 is dat, wat er aan oorspronkelijke afwerklagen op de houten beelden zat, volledig verdwenen, waarschijnlijk door ze in loogbaden onder te dompelen.

Het verhaal over de verloding van de apsisramen is gelukkig niet zo somber, al blijven de vragen daarover vooralsnog onbeantwoord.

Wie het weet, mag het zeggen! Ga het maar eens lezen op ifthenisnow.eu: http://bit.ly/2nZoZXJ.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen
  • Bergé, Willem. “Negentiende-eeuwse gebouwen op het Begijnhof te Breda”. Evernote | deoranjeboom.nl, 1997. http://bit.ly/2laGa8D.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “#Kerkverhalen | Aparte verloding glas in lood Begijnhofkapel Breda”. if then is now. Geraadpleegd 2 april 2017. http://bit.ly/2nZoZXJ.

Annemiek Punt

Artikel #AnnemiekPunt klaar, @Glaskunst! Sublieme Thomas More in kathedraal Roermond, @ifthenisnow @EMFVerheggen

Een interessante uitdaging om een artikel te schrijven over een levende kunstenaar. De eerste ervaringen heb ik daarmee opgedaan in het Bavoboek, maar toen ging het erom om te laten zien hoe de eigentijdse kunstwerken zich verhouden tot het iconografische gedachtegoed dat bouwheer en architect inspireerde, toen ze de kathedraal ontwierpen. Nu gaat het om het positioneren van een persoon en haar oeuvre, vergelijkbaar met wat ik in De genade van de steiger heb gedaan. Na het gesprek wat ik met Annemiek Punt en Astrid Vroemesse heb gehad buitelen de ideeën door mijn hoofd. Omdat ik vrijwel altijd schrijf op mijn intuïtie, zal dat vast ook hier gebeuren. Ik ben benieuwd waar het me brengt.

Inmiddels is het artikel ingeleverd en zowel Joost de Wal, de eindredacteur van het boek, als de persoon om wie het tenslotte gaat, Annemiek Punt, is tevreden. De eerste vond het ‘een rijk en wijs verhaal’: ‘helder & compleet en logisch van opbouw’. De kunstenaar schreef me: ‘Erg indrukwekkend! Het is net of ik mezelf beter ken nu’. Dat laatste is heel mooi en kernachtig gezegd, want dat is wel wat er kan gebeuren als iemand bij wijze van spreken drie stappen naar achteren zet en jouw oeuvre bekijkt als deel van de geschiedenis. Of misschien beter, een geschiedenis, want iedereen heeft nu eenmaal als vertrekpunt zijn of haar visie op het verleden; hoe wetenschappelijk ook. En ja, je hebt het al in de gaten, ik werp met deze volzinnen ook wat rookgordijnen op, omdat ik op een plezierige manier verlegen ben met de complimenten.

Heb ik je nieuwsgierig gemaakt? Volg de wording van dit boek via Twitter. Je kunt er zelfs aan bijdragen door in je tweet de hashtag #APu16 te gebruiken.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2eoB83F

Wat is dat, pyrophotographie?

Klik om naar het erfgoedverhaal te gaan over 'Pyrophotographie'. Foto van Marjanne Statema, 2014.

Wat dat is, pyrophotographie? Je leest het in mijn nieuwe erfgoedverhaal onder deze link: http://bit.ly/2ewTUE8

Heb je zelf voorbeelden van pyrophoto’s in glas in lood, laat het me weten via bernadette@vanhellenberghubar.org.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Joseph Cuyperscollectie

Benieuwd waar dit over gaat? Klik op de afbeelding of op deze link.

Joseph Cuypers in De Limburger (11 februari 2016).

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Kunst met een kleine en een grote K in de nieuwe Bavo | 5 feb 2016

Het valt toch werkelijk niet altijd mee voor Joseph Cuypers. Zit je al met die zware schaduw van je vader, aan wie een groot deel van je oeuvre wordt toegeschreven, en dan wordt ook nog eens voortdurend je naam verhaspelt. Daar heb ik zelf nog aan meegedaan, zoals je kunt lezen in deze blog op de Facebookpagina van de nieuwe Bavo: http://bit.ly/Facebook-nBavo-Jo.

Jos, Jos. of Joseph?

Het hele verhaal lezen? Surf dan naar: http://bit.ly/Facebook-nBavo-Jo.

Ben je geïnteresseerd in meer van dit soort blogs, ga dan naar ‘Kunst met de kleine en de grote K in de nieuwe Bavo‘ op deze site.

O ja, en ik ben natuurlijk héél benieuwd of iemand die andere plaats in de kathedraal met bouwvaksymbolen kan vinden.

;-) B.1

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


  1. Zie ook What’s in a name: Jos, Jos. of Joseph? op deze site. 

Joseph Cuypers in De Limburger

Het zoemde in de pers over de nieuwe Bavo deze week. Enkele dagen geleden werd het nieuws bekend dat prinses Beatrix op 4 maart bij de afsluiting van de derde fase van de restauratie zal zijn. Dat was hét moment voor de stichting Kathedrale Basiliek om de schijnwerper op de nieuwe glazen van Jan Dibbets te richten, waarvan de laatste van de week op 9 februari zijn geplaatst.1 De blog die ik zo’n anderhalf jaar geleden over dit project schreef, heeft de afgelopen dagen opvallend veel bekijks gehad.2

Ondertussen heeft journalist Peter Janssen in De Limburger aandacht besteed aan het archief van Joseph Cuypers dat de nazaten in bewaring hebben gegeven aan het gemeentearchief in Roermond.3 De nieuwe Bavo komt hierin prominent aan de orde. Als voorbeeld van de ‘kathedraal vol potentie’ wordt het glas in lood van Dibbets, gemaakt door Glasatelier Hagemeier in Tilburg, hierin eveneens besproken.4

Het artikel vind je in het scherm hieronder. Om het makkelijk te lezen kun je het artikel vergroten met de knop in de werkbalk.

Joseph-Cuypers-De-Limburger-11-feb-2016-Peter-Janssen

Het proefschrift dat in deze tekst is vermeld, wordt voorbereid door Gert van Kleef, Cuyperskenner en oud-penningmeester van het Cuypersgenootschap.

Overigens is voor het project van Joseph Cuypers in Roermond aanvullende financiering nodig, dus ik ben bezig met de voorbereiding van een projectomschrijving waarmee het Cuypershuis fondsen gaat benaderen. Wie suggesties heeft …

Wordt vervolgd!

B.5
Monogram van Joseph Cuypers circa 1925 (bouwtekening nieuwe Bavo, Noord-Hollands Archief; foto BvHH 2014).


  1. Zie het bericht op de site van Van Hoogevest Architecten. 

  2. Zie ‘Jan Dibbets ontmoet Joseph Cuypers’. 

  3. Peter Janssen, ‘Joseph, de (nog) te onbekende zoon van Pierre Cuypers’, in De Limburger van 11 februari 2016. 

  4. Zie de site van Glasatelier Hagemeier. 

  5. Geïnteresseerd in het boek over de nieuwe Bavo? Ga dan naar de bestelpagina http://bit.ly/Bavo-Ao.
    Verkorte link van dit item: http://bit.ly/1PHUJ7J. 

Kunst met een kleine en een grote K in de nieuwe Bavo

Eind november ben ik gestart met een serie over kunst met een kleine en een grote K voor de Faceboekpagina van de nieuwe Bavo en het platform if then is now. Er valt voor een verhalenverteller zoveel te doen bij de kathedraal, zelfs als je klaar bent met de kopij van een boek van ruim 300 pagina’s. Via de pictografie hieronder kom je terecht bij de ene na de andere blog. Gaat het niet over het gebouw, dan gaat het wel over de architect, gaat het niet over de architect, dan wel over de inrichting, gaat het niet … ach, ik zou zeggen, klik eens wat aan en neem een kijkje. Je bent van harte welkom!

Recent geplaatst en druk bezocht

Klik op het plaatje of de link onder de afbeelding en je komt vanzelf bij het verhaal terecht.

De sluitsteen van de apsis van de nieuwe Bavo (Beeldbank RCE-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2015). 'De heilige Geest' van Huib Luns uit: F.R. Hazenberg, Landgoed Hageveld, Heemstede (2012). Stairway to heaven. Ontwerp Sarah Dikker. Constructie Van Hoogevest Architecten. Foto Bram Bos, Vocoza Kamerkoor 2016.

Links en midden: de items over Pinksteren brachten weer de nodige verrassingen, ook op LinkedIn (midden). Rechts: de presentatie ‘Flora in steen’ bij gelegenheid van ‘De nieuwe Bavo bloeit’ staat on line

De items op de Facebookpagina van de nieuwe Bavo

Klik op het plaatje of de link onder de afbeelding en je komt vanzelf bij het verhaal terecht.

Detail van een van de glazen in de lucida van de nieuwe Bavo van Pierre J.H. Cuypers (figuratie) en Joseph Th.J. Cuypers (ornamenten). Foto BvHH 2015.  Bloemen voor sint Jozef op 19 maart (foto BvHH 2015)

Links: het openingsconcert/lezing van ‘De nieuwe Bavo bloeit’. Rechts: de feestdag van Sint Jozef op 19 maart trok veel bekijks!

Joseph Cuypers in De Limburger van 11 februari 2016.  Joseph Cuypers 75 jaar, artikel De Tijd 9 juni 1936, herkomst Delpher.
Links: het artikel over Joseph Cuypers in De Limburger kreeg op Facebook veel aandacht. Rechts: is het nu Jos, Jos. of Joseph Cuypers (herkomst: Delpher)?

Ambachtsman of trapezewerker in de nieuwe Bavo (foto BvHH 2016).  Feestcantate voor bisschop Bottemanne met blazoen.
Links: ambachtsman of trapezewerker in de nieuwe Bavo (foto BvHH 2016)? Rechts: wat heeft deze feestcantate met Driekoningen te maken (foto BvHH 2014)?

Op zoek naar de monsters in de nieuwe Bavo (foto BvHH 2015).  De Kerstkapel van de nieuwe Bavo (foto BvHH 2014).
Links: op zoek naar de monsters (foto BvHH 2015). Rechts: de Kerstkapel van de nieuwe Bavo (foto BvHH 2014).

Marc Mulders met de koepelschaal van de doopkapel van de nieuwe Bavo (foto Stephan van Rijt 2013).   Hogepriester op het Sacramentsaltaar nieuwe Bavo (foto BvHH 2015)
Links: Marc Mulders met de koepelschaal van de doopkapel van de nieuwe Bavo (foto Stephan van Rijt 2013). Rechts: de hogepriester op het Sacramentsaltaar van de nieuwe Bavo (foto BvHH 2015).

Op de steigers van de nieuwe Bavo  Joseph Cuypers, monogram van Cecilia in de sluitsteen (1898)
Links: introductie van de serie ‘Kunst met een kleine en een grote K in de nieuwe Bavo’ (foto BvHH 2013). Rechts: d
e sluitsteen met Cecilia (foto Beeldbank RCE-Margaretha Svensson)

De items bij ‘if then is now’

Klik op het plaatje of de link onder de afbeelding en je komt vanzelf bij het verhaal terecht.

Dibbets straalt in de nieuwe Bavo. Het schip is klaar!

Links: hoe Jan Dibbets en Glasatelier Hagemeier in de Bavo stralen. Rechts: het schip van de nieuwe Bavo te Haarlem is klaar!

Historische opname van het kleimodel van het poepertje, voordat het in steen gehakt werd. Herkomst Noord-Hollands Archief haarlem, Parochiearchief nieuwe Bavo (collage en foto BvHH 2016 en 2014).  Driekoningenfeest op Ifthenisnow
Links: Het poepende mannetje op de nieuwe Bavo. Rechts: het bisdom Haarlem had veel aandacht voor volksgebruiken, zoals het Driekoningenfeest (Hoofdfoto: Cornelis Troost, Driekoningenzangers (1750). Met dank aan Teylersmuseum Haarlem).

De beelden boven de Kerstkapel van de nieuwe Bavo.  Nieuwe Bavo tijdens kerstvakantie geopend (foto's screenshot Marij Coenen, 2014)
Links: de beelden boven de Kerstkapel (foto BvHH 2013). Rechts: Nieuwe Bavo tijdens kerstvakantie geopend (foto’s screenshot Marij Coenen, 2014).

De glazen de lucida van de nieuwe Bavo.  nBavo-torenkalender-Jo Kunnen-P1110895
Links: De glazen van vader en zoon Cuypers in de lucida van de nieuwe Bavo (foto’s BvHH 2014). Rechts: het kalendarium in de noordertoren van de nieuwe Bavo (foto Jo Kunnen 2015).

Joseph Cuypers, Opstand van de oostpartij van de nieuwe Bavo (1895)  Nieuwe Bavo Ad orientem omslag WBOOKS
Links: ontwerpen aan de nieuwe Bavo te Haarlem (foto BvHH 2014). Rechts: waar gaat ‘Ad orientem‘ eigenlijk over? (ontwerp Marjo Starink, foto RCE beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder).

KathedraalMuseum nieuwe Bavo fthenisnow  Bundels licht: Niels Polak en Joseph Cuypers in de nieuwe Bavo.
Links: KathedraalMuseum nieuwe Bavo (foto’s screenshot Niels Polak, 2015).  Rechts: het grote artikel uit 2014 over de atmosferische lichtval in de nieuwe Bavo naar aanleiding van de fototentoonstelling van Niels Polak (foto Niels Polak 2014).

Verder op deze site en op LinkedIn

Vanaf het moment dat ik bezig ben met de nieuwe Bavo heb ik verschillende stukjes geschreven voor deze website.
Een paar heb ik hieronder geplaatst, terwijl je de rest kunt vinden in de rubriek De nieuwe Bavo in verhalen.
Ook op LinkedIn wordt via de ‘long post’ aandacht op de nieuwe Bavo gevestigd.

Klik op het plaatje of de link onder de afbeelding en je komt vanzelf bij het verhaal terecht.

Lettertekens en emblemen in de galerij onder de lichtbeuk van de apsis. Wat is wat?  Ruskin Dirk Bogarde mooiste erfgoedverhaal
Links: hommage aan het team (collage met foto’s BvHH 2013). Rechts: de puzzel rond Ruskin in de nieuwe Bavo

De nieuwe Bavo is een onuitputtelijke bron, dus voorlopig ben ik nog niet klaar met deze korte stukjes.

Ondertussen hoop ik dat het velen van jullie zal aanmoedigen om mijn boek over de kathedraal te bestellen!
Klik daarvoor op deze link: http://bit.ly/Bavo-Ao.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/nieuweBavo-kunst

Nota bene — In het geval van doublures tussen de Facebookpagina en ‘If then is now’ wordt alleen het eerst geplaatste item vermeld.

Samenvatting ‘De nieuwe Bavo te Haarlem’

De nieuwe Bavo te Haarlem, Ad orientem | Gericht op het oosten

Het boek dat tijdens de restauratie geschreven werd

Op 9 september 2016 wordt de jongste publicatie over de Haarlemse kathedraal om 16:00 uur feestelijk gepresenteerd in de nieuwe Bavo bij gelegenheid van de start van de Open Monumentendagen in Haarlem, na een korte inleiding van professor dr Paul van den Akker van de OU te Heerlen. Iedereen is welkom: http://bit.ly/9sep-Bavoboek.

Ad orientem | Gericht op het oosten onthult hét leidmotief van het nieuwe boek over de Haarlemse kathedraal, beter bekend als de nieuwe Bavo van architect Joseph Th.J. Cuypers (1861-1949). De subtitel slaat zowel op de oriëntatie van het gebouw – met de apsis gericht op het oosten – als de lichtsymboliek van de dageraad en de oriëntaalse invloeden in de vormgeving. Dat heeft Joseph Cuypers niet allemaal alleen bedacht. Geen bouwmeester zonder bouwheer, dus ook zijn opdrachtgever hoort hier genoemd te worden. Dat was de bisschop van Haarlem, die vertegenwoordigd werd door zijn vicaris-generaal A.J. Callier (uit te spreken als rijmend op lier). Callier die als de programmamaker van de kathedraal beschouwd kan worden, werd in 1903 tot bisschop benoemd, tijdens de tweede bouwfase. De nieuwe Bavo kwam namelijk in drie fasen tot stand:

  • De oostpartij tot en met een deel van de viering in 1893-1898.
  • Het schip, de onderbouw van de westtorens, de rest van de viering en de koepel in 1902-1906.
  • De twee westtorens in 1925-1930, door Josephs zoon, Pierre J.J.M. Cuypers.


Nieuwe Bavo actoren web
afb. 1 De bouwheren en bouwmeesters van de nieuwe Bavo: bisschop Caspar Bottemanne, zijn opvolger vicaris-generaal Augustinus Callier, Joseph Cuypers en Jan Stuyt.

De architect en zijn ploeg

Wie de naam Cuypers hoort, zal waarschijnlijk in eerste instantie denken aan de ontwerper van het Rijksmuseum en het Centraal Station te Amsterdam. Dat ook zijn zoon Joseph en kleinzoon Pierre junior actief waren in het bouwvak is minder bekend. Hoewel er inmiddels verschillende publicaties aan Joseph Cuypers zijn gewijd – waarvan de meest recente van pastoor Crutzen over de kerk van Klimmen – is er nog veel dat niet bekend is over zijn visie en zijn creativiteit. Wat dat betreft zal met dit boek de achterstand ingelopen worden; en dat is vooral mogelijk gebleken doordat het hier om het meesterwerk gaat van Joseph Cuypers als kerkenbouwer. Bij de totstandkoming van de kathedraal waren overigens meer mensen betrokken: zijn vader kon het niet laten om in het begin zelf wat schetsen op tafel te leggen; bijna dertig jaar daarvoor was hem immers deze opdracht in het vooruitzicht gesteld. Behalve als klankbord is zijn inbreng verder beperkt gebleven tot het glas-in-lood in de lucida (de ramen in de apsis). Verder had je daar Jan Stuyt die aanvankelijk als opzichter werkzaam was, maar vanaf 1899 als vennoot van Joseph Cuypers. Ook met hem zal de architect vaak gespiegeld hebben over zijn ontwerpen. En ten slotte was daar Pierre junior die onder de hoede van zijn vader tekende aan de westtorens en het noorderportaal.[1] Los van deze creatieve mensen had je in het bouwteam bazen en onderbazen waarvan de belangrijksten in de galerij van de apsis in symbolen en initialen vereeuwigd zijn.[2]

Waarom een nieuw boek?

Nu zijn er sinds de kerkwijding van 1898 al verschillende publicaties aan de nieuwe Bavo gewijd, waarvan de laatste uit 1997: in Getooid als een bruid is uitvoerig aandacht besteed aan de ontwikkeling van het bouwplan, de iconografie en de verschillende kunstenaars die aan de inrichting werkten. Wat maakt ‘mijn’ boek anders, en sterker nog, waarom is er nog een boek nodig? Heel eenvoudig: de nieuwe inzichten als gevolg van de restauratie.[3] Het anders en nodig heeft namelijk te maken met de ontdekkingen die vooral vanaf de steiger zijn gedaan. Als een van de betrokken onderzoekers stond ik daar oog in oog met de verschillende onderdelen die van de grond af niet waren te zien. Daar kreeg ik uitleg over de vondst van minieme kleursporen wat er toe heeft geleid dat de buitenpolychromie voor een groot deel is hersteld. Daar werd ik op een wel heel directe manier geconfronteerd met onvoltooide, brute halffabricaten en zelfs misbaksels die bij zo’n verheven bouwwerk als een kathedraal eigenlijk niet passen. Daar zag je ook het vakmanschap van de baksteenpolychromie en het spannende verschiet waarin verschillende elementen hand over hand in een klimmende beweging omhoog stuwen naar het meest majestueuze onderdeel: de groenkoperen koepel. Alleen al het complexe spel van architectonische hoofdlijnen en verfijnde detaillering is een studie waard.


Nieuwe Bavo steigers web
afb. 2 Op de steiger zie je de dingen in heel andere dimensies. Maar het is vooral de sfeer die je niet loslaat. Een bijzondere plek tussen hemel en aarde.

Wat kan ik zoal vinden in ‘De nieuwe Bavo te Haarlem’?

Licht — Niet alleen de twee genoemde thema’s komen aan bod, want er speelt meer dan alleen de polychromie en de onvoltooide elementen. Ze gaven wel de richting aan van enkele andere bijzonderheden. Allereerst de opmerkelijke visie van Joseph Cuypers op licht in architectuur. Ik haal een klein stukje aan uit een van zijn belangrijkste artikelen over de nieuwe Bavo. Eerst vertelt hij over de sterke horizontale lijnen in de historische gebouwen van Nederland. Ons land is vlak en dat geldt ook voor de architectuur.

  • ‘Moet daarin niet worden erkend de weerspiegeling van wat het Hollandsche landschap dien ouden bouwmeesters te zien en te voelen gaf — eene groote ruimte, afgeteekend door fijne, teere profielen aan den horizon, zonder scherpe kleuren of harde contrasten: eene ruimte niet omschreven door krachtige bergruggen, maar voelbaar door de tinteling der atmosfeer en de afbleekende tonen van ’t geboomte onzer polders?’[4]

Pas toen ik dit las, realiseerde ik me dat Joseph geen Limburger is, maar een Hollandse jongen! Zijn vader, ja, dat was een echt ‘Remunsje jung’, maar Joseph had een Amsterdamse moeder, grootvader en overgrootvader en voelde zich dus ook Hollander. Zelf zou hij zeggen dat hij van zijn moeder een ‘Hollandsch gemoed’ erfde en van zijn Limburgse vader het ‘harmonisch kunst-inzicht’.[5] Het beste dus van twee werelden.

Wat betekende dit in de praktijk? Dat hij brak met het ideaal van de zwaar gekleurde, donkere Chartresachtige glazen omdat hij het licht van het Hollandse polderlandschap naar binnen wilde halen. Zo ontwikkelde hij een nieuw concept dat je als de architectonische variant van het impressionisme zou kunnen betitelen. Want lichtinval is iets dat elk moment verandert. En daardoor heb je eigenlijk niet met één gebouw te maken, maar met een hele serie gebouwen die ieder moment van aanzien veranderen. Een belangrijke inspiratiebron hiervoor was vrijwel zeker de beroemde reeks van Monet, van de kathedraal van Rouen. Die laat prachtig zien hoeveel verschillende gebouwen één kathedraal vormt op de verschillende momenten van de dag.[6]


Nieuwe Bavo collectie Monet web
afb. 3 Claude Monet, Cathédrale de Rouen (1892-1894)

De Unvollendete — De onvoltooide elementen, misbaksels en halffabricaten worden in het boek behandeld als onderdeel van de Unvollendete, onder verwijzing naar de beroemde symfonie van Schubert. Nu was Joseph Cuypers een beelddenker, geen filosoof. Ook al zou je het niet (of misschien juist wel) zeggen na het poëtische stukje dat ik net aanhaalde: hij dacht vooral in beelden en niet in woorden. En dat is wat al die onvoltooide stukken steen laten zien: hoe Joseph Cuypers als beelddenker een filosofisch concept wist te verwerken. In dit geval gaat het om een denkbeeld van Thomas van Aquino die hierbij weer steunde op Aristoteles. Kort door de bocht kun je stellen dat alles wat bestaat één grote bulk potentie is: alleen zo kun je verklaren hoe het mogelijk is dat iets is en op hetzelfde moment iets anders aan het worden is. Als we alleen al naar ons zelf kijken zijn we voortdurend in staat van verandering: we zijn niet helemaal meer wat we waren, maar ook nog niet helemaal wat we het aan het worden zijn. En het mooie hiervan is dat we ieder moment keuzes kunnen maken. Dat is precies wat uitgedrukt wordt door de Unvollendete: de potentie om na het wordingsproces tot een bepaald stadium doorlopen te hebben, iets anders te worden. En dat iets anders maakt deel uit van een eindeloos scala aan mogelijkheden. Al die mogelijkheden zitten in ons, net zoals in de steen direct uit de groeve een eindeloze hoeveelheid beelden zit besloten.[7]


Nieuwe Bavo Unvollendete web
afb. 4 De Unvollendete bestaat uit rudimentair beeldhouwwerk, halffabrikaten en misbaksels

Oriëntalisme — De kathedraal valt op door sterk oosters aandoende patronen en ornamenten, met de koepel als meest in het oog lopende uitdrukkingsvorm. Deze aandacht van Joseph Cuypers voor, zoals hij het zelf noemde, ‘Spaansch-Arabische motieven’ heeft niet alleen te maken met de erkenning van de inheemse architectuur van het heilige Land als inspiratiebron van christelijke cultuur, maar is opnieuw sterk beïnvloed door de figuur van Thomas van Aquino. Want zoals deze wijsgeer de geschriften van Aristoteles te danken had aan de islamitische denkers van Arabische signatuur, ontleende Joseph Cuypers daar een onderscheidend deel van zijn vormenschat aan.[8]

Polychromie — Er wordt wel gezegd dat dit oriëntalisme ook tot uitdrukking komt in de kleuren. En hoewel er zeker enige overeenkomsten zijn, steunt Joseph Cuypers hier toch vooral op de Farbenlehre van Goethe – de dichter, ja ! – en het onderzoek van Viollet-le-Duc; om de enorme ervaring van zijn vader op dit gebied niet te vergeten. Vooral de buitenpolychromie is heel bijzonder, omdat we van dit type geen enkel ander voorbeeld in Nederland (meer?) hebben. Voor de oorlog moet die voor een groot deel al zijn verweerd, want in het collectieve geheugen van Haarlem was geen enkele herinnering meer aan de eertijds rijke tooi van de torens, gevels en steunberen van de kathedraal. De polychromie werd ondersteund door verguldsel dat het licht en de kleuren reflecteerde, zoals ook aan de binnenkant gebeurde door middel van glanselementen als terracotta, edelsmeedwerk, mozaïeken en noem maar op.[9]


Nieuwe Bavo juwelen bruid web
afb. 5 Van de buitenpolychromie van de nieuwe Bavo was nauwelijks nog iets over.

Catechismus en Biblia pauperum — Ook de latere bisschop Callier was intensief bezig met het gedachtegoed van Thomas van Aquino. Hij liet zich zelfs vereeuwigen in het beeld van deze heilige bij het heilig Hartaltaar. Anders dan de architect was hij geen beelddenker, maar vooral een docent die elementaire geloofswaarheden, vervat in de catechismus, over het voetlicht wilde brengen. Daarvoor koos hij onder meer de systematiek van de middeleeuwse Biblia pauperum (armenbijbel), waarvan in het bisdom nog verschillende originele exemplaren bestonden, zoals in de Grote Kerk van Laren. Callier wist heel goed dat hij zijn ideeën niet kon realiseren zonder de tussenkomst van de uitvoerende kunstenaar, die hij dan ook een bijzondere status toekende. Zo werd zijn haast persoonlijke beeldhouwer, Johannes Maas, getypeerd als ‘priester van het Schoone’. Het geeft aan dat kunstenaars en geestelijken tijdens de bouw een bijna gelijkwaardige status hadden. Bijna, want uiteindelijk voelde de geestelijkheid zich toch ver verheven en bevoorrecht boven de leken. Wel kon de kunstenaar net als een geestelijke als een ingewijde worden beschouwd, iemand die door zijn scheppingsvermogen, kennis en inspiratie dieper doordrong tot de goddelijke geheimen dan de gewone gelovige.[10]

Netwerk en De Heilige Linie — Om het verhaal over de verschillende actoren in te kaderen, is zowel aandacht besteed aan het netwerk waarin zij verkeerden, als aan de gemene deler die onder het programma lag, het handboek over kerkbouwsymboliek van Josephs peetoom, J.A. Alberdingk Thijm, De Heilige Linie (1858).[11] Om te beginnen komt dit tot uitdrukking in de oriëntatie van de kerk, maar er spelen nog talloze andere thema’s mee die onder meer leidden tot de ontdekking van de bruid van het oosten en de bruid van het westen.[12]

Ervaring

Wat heeft het nu zo bijzonder gemaakt om dit boek te schrijven. Sowieso was het fantastisch om dit onderzoek te mogen doen, me te verdiepen in de verschillende persoonlijkheden die direct en zijdelings bij het project van 1895 tot 1930 waren betrokken – wat heb ik veel mensen leren kennen! – en bezig te kunnen zijn met alles wat zich op ons netvlies ontvouwt. Want daar gaat het per slot van rekening bij een kunsthistoricus om: om het visuele spel dat zich voor onze ogen afspeelt dankzij de kunst die door mensenhanden tot stand is gebracht. Maar wat dit boek toch wel extra bijzonder maakt, is dat ik het tijdens de restauratie heb mogen schrijven. En dat is behoorlijk apart in Nederland, want meestal gebeurt zoiets als het werk gedaan is. Dan kun je in principe al niet meer achter de schermen, of liever, vanaf de steigers kijken. Vooral dat laatste heeft dit me bij dit boek veel gebracht. Zo vond bij het herstel van de polychromie een directe wisselwerking plaats tussen onderzoek, schrijven en restaureren, waarbij over en weer een verdiepingsslag plaatsvond. Maar ook de gelukkige situatie dat het gebouw vanaf de steigers bestudeerd kon worden, leverde kennis en inzichten op die zonder dat onmogelijk zouden zijn geweest.


Nieuwe Bavo Dibbets web
afb. 6 Jan Dibbets (centraal met de stok) ontwierp eigentijdse glazen voor het schip van de nieuwe Bavo.

Lest best was het heel speciaal dat er een wisselwerking was met levende kunstenaars over hun recente bijdrage aan de kathedraal. Wat dacht je van de glazen van Jan Dibbets in het schip, de glasobjecten van Marc Mulders in de doopkapel of het mozaïek van Gijs Frieling bij de Sacramentskapel, allemaal na een proces van denken en overleggen tot stand gekomen in 2016. Hierbij speelde op de achtergrond de iconografische inbreng van de plebaan, met wie ik over actuele beeldprogramma’s kon praten: niet iets van gisteren, maar van vandaag, alhoewel uiteraard wel diep geworteld in de traditie. En zo vonden verschillende gesprekken plaats met de actoren van nu, variërend van de voorzitter van de Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo tot de koster en de conservator van het KathedraalMuseum; van de architect en de opzichter tot de metselaar; van de kleurhistoricus tot de meesterschilder. Deel uitmaken van een team, vergelijkbaar met dat wat de Bavo ooit tot stand bracht. Je kunt het slechter treffen als onderzoeker en schrijver.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Noten en bestelinformatie

  • Verschijningsdatum — Het boek zal voorafgaand aan de Open Monumentendag verschijnen op 9 september 2016.
  • Korting van € 10,00 — Op dit moment kan het boek besteld worden tegen een prijs van € 39,95 per exemplaar. Na het verschijnen, media 2016, wordt dit € 49,95. Meld je aan via NieuweBavo@gmail.com (graag verzendadres en het woord korting vermelden) of via http://bit.ly/WBOOKS-nBavo (inclusief verzendkosten).
  • Bibliofiele uitgave — Er komt een bibliofiele uitgave van ‘Ad orientem’, waarvan de opbrengst ten goede komt aan de restauratie van de nieuwe Bavo. Dat is een aparte, genummerde en gesigneerde editie, waarin de naam van de begunstigers wordt vermeld. Hiervoor kan op dit moment (half juli 2016) niet meer ingetekend worden.
Specificaties
  • Uitgever: WBooks in samenwerking met Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo te Haarlem
  • Aantal pagina’s: 400
  • Illustraties: circa 250 afbeeldingen in kleur en zwart-wit
  • Uitvoering: gebonden
  • ISBN 978 94 625 8119 7
  • Meer informatie: vanhellenberghubar.org
Beeldmateriaal boven de tekst
  • Omslag van Ad orientem | Gericht op het oosten, ontworpen door Marjo Starink met een foto van Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2015).
  • Video met behulp van een drone door Teun Kelting.
Beeldmateriaal in de tekst
  • afb. 1 Deze collage is gemaakt aan de hand van reprovrij beeldmateriaal uit het eerste boek over de nieuwe Bavo: M.A. Thompson, De nieuwe kathedrale kerk ‘St. Bavo’ te Haarlem. Bouwgeschiedenis, constructie en symboliek, Haarlem 1898. De portretten zijn van de hand van Theo Molkenboer.
  • afb. 2 Deze collage is gemaakt met foto’s van Bernadette van Hellenberg Hubar.
  • afb. 3 Deze collage is gemaakt aan de hand van reprovrij beeldmateriaal, afkomstig van Wikimedia Commons (zoektermen: Monet, Cathédral Rouen).
  • afb. 4 Deze collage is gemaakt met foto’s van Bernadette van Hellenberg Hubar.
  • afb. 5 Deze collage is gemaakt aan de hand van foto’s van Bernadette van Hellenberg Hubar en Jojanneke Post van Davique Sierschilderwerken.
  • afb. 6 Deze collega is gemaakt met foto’s van Judith Bohan en Bernadette van Hellenberg Hubar, en met een projectie van Van Hoogevest Architecten en een scan van Haarlems Dagblad.
Noten

[1]    Zie de uitleg van Arjen Looyenga in Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid, pp. 44-58. De vennootschap van Joseph Cuypers en Jan Stuyt duurde van 1898 tot 1909 en niet, zoals vaak wordt gedacht van 1900 tot 1908 (vriendelijke mededeling Agnes van der Linden, onder verwijzing naar haar boek: Vrienden van Jan Stuyt en Louise Barozzi: Bijdragen aan een album anno 1928, Nijmegen 2015, p.86).

[2]    Bernadette van Hellenberg Hubar, ‘Hommage aan het team’, op: vanhellenberghubar.org, http://wp.me/P4eh3s-7q (2013).

[3]    Eggenkamp, Wim, ‘Restauratie Kathedrale complex van Sint Bavo halverwege’, in: Haerlem Jaarboek 2014, Haarlem 2015, pp. 133-179.

[4]    Hubar, Ad orientem, paragraaf 6.2.5 ‘De invloed van Goethe’.

[5]    Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid, p. 214.

[6]    Hubar, Ad orientem, paragraaf 6.4 ‘Licht en atmosfeer’.

[7]    Hubar, Ad orientem, paragraaf 4.2 ‘De graden van volmaaktheid (Thomas van Aquino)’.

[8]    Hubar, Ad orientem, hoofdstuk 7 ‘De koepel als epiloog’.

[9]    Hubar, Ad orientem, paragraaf 6.1 ‘De juwelen van de bruid’.

[10]   Hubar, Ad orientem, hoofdstuk 5 ‘Te Deum laudamus’.

[11]   Hubar, Ad orientem, hoofdstuk 2 ‘Acte de présence’. Ibidem, hoofdstuk 3 ‘De Heilige Linie’.

[12]   Hubar, Ad orientem, paragraaf 3.4 ‘De onzichtbare patrones’.

Dit item maakt deel uit van de serie ‘Kunst met de kleine en de grote K in de nieuwe Bavo’ en is op 25 november 2015 gepubliceerd op de ifthenisnow.eu: http://bit.ly/Ifthenisnow-Bavo.

Verkorte link: http://bit.ly/Bavo-samenvatting-vhhorg

Ad orientem | Gericht op het oosten

Mijn boek over de nieuwe Bavo is tot de verschijning medio 2016 voor € 39,95 (dus met 10 euro korting) te bestellen via NieuweBavo@gmail.com (graag adresgegevens met e-mail vermelden) of via http://bit.ly/WBOOKS-nBavo (inclusief verzendkosten).

Bibliofiel exemplaar ten bate van de restauratie
Het is ook mogelijk om in te tekenen op een aparte editie, waarvan de opbrengst ten goede komt aan de restauratie van de kathedraal. De ondergrens is € 100,00 per exemplaar, waarbij de naam van de begunstiger in het boek vermeld wordt. Meer dan € 100,00 mag natuurlijk ook! Alle begunstigers krijgen een gesigneerd exemplaar uit de aparte, genummerde serie. Graag aanmelden via: NieuweBavo@gmail.com.
Voor wie dit een sympathiek doel vindt, maar geen boek wil, is er ook de mogelijkheid om een lager bedrag naar vrije keuze te doneren. Wees zo goed om dit per mail door te geven aan NieuweBavo@gmail.com, onder vermelding van het te doneren bedrag.

Voorproefjes

Ifthenisnow samenvatting 'Ad orientem | Gericht op het oosten, De nieuwe Bavo te Haarlem'
Op de site van Ifthenisnow is een samenvatting van ‘Ad orientem | gericht op het oosten, De nieuwe Bavo te Haarlem’ gepubliceerd.

Ik kreeg van verschillende kanten de vraag of er geen samenvatting kon komen van Ad orientem. Omdat ‘If then is now’ geïnteresseerd is in een serie korte stukjes over de nieuwe Bavo, vergelijkbaar met de voorproefjes die je hieronder kunt lezen, leek me dat wel een mooi platform voor een verhaal in kort bestek. Je vindt het onder deze link: http://bit.ly/Ifthenisnow-Bavo.

De samenvatting voor Ifthenisnow bood meteen een mooie gelegenheid om een vaak gestelde vraag te beantwoorden: waarom was er eigenlijk een nieuw boek nodig?

Nu zijn er sinds de kerkwijding van 1898 al verschillende publicaties aan de nieuwe Bavo gewijd, waarvan de laatste uit 1997: in Getooid als een bruid is uitvoerig aandacht besteed aan de ontwikkeling van het bouwplan, de iconografie en de verschillende kunstenaars die aan de inrichting werkten. Wat maakt ‘mijn’ boek anders, en sterker nog, waarom is er nog een boek nodig? Heel eenvoudig: de nieuwe inzichten als gevolg van de restauratie. Het anders en nodig heeft namelijk te maken met de ontdekkingen die vooral vanaf de steiger zijn gedaan. Als een van de betrokken onderzoekers stond ik daar oog in oog met de verschillende onderdelen die van de grond af niet waren te zien. Daar kreeg ik uitleg over de vondst van minieme kleursporen wat er toe heeft geleid dat de buitenpolychromie voor een groot deel is hersteld. Daar werd ik op een wel heel directe manier geconfronteerd met onvoltooide, brute halffabricaten en zelfs misbaksels die bij zo’n verheven bouwwerk als een kathedraal eigenlijk niet passen. Daar zag je ook het vakmanschap van de baksteenpolychromie en het spannende verschiet waarin verschillende elementen hand over hand in een klimmende beweging omhoog stuwen naar het meest majestueuze onderdeel: de groenkoperen koepel. Alleen al het complexe spel van architectonische hoofdlijnen en verfijnde detaillering is een studie waard.

Een van die halffabricaten heb ik hieronder besproken.

Fascinerend toch!

Creaturen in de kathedraal

Ad orientem: glimlachen of grijnzen
Creaturen in de kathedraal. Foto BvHH 2015.

Op de meest wonderlijke plaatsen zitten ze, de creaturen in de nieuwe Bavo. Zij horen bij het verhaal van de wereld in het klein, waarin goed en kwaad vertegenwoordigd zijn. In een kerk lijk je vaak alleen maar de extremen te zien: aan de ene kant vrome heiligen die vaak zo braaf worden afgebeeld dat ze als rolmodel eigenlijk mislukken. En daar tegenover, maar wel in de minderheid, grimmige duivels, de slang bij Maria of een monster dat vertrapt wordt onder de voet van een heilige. In dit verhaal van uitersten kun je je afvragen of de grens echt zo scherp moet worden gezien, want goed en kwaad vloeien immers in elkaar over en uit lelijke eendjes kunnen prachtige zwanen groeien.

Dat geldt ook voor dit creatuur dat op weg is om iets te worden, bijna een embryo in steen. Hij maakt deel uit van de Unvollendete die Joseph Cuypers in de kathedraal heeft ingebed. Op haar beurt heeft deze onvoltooide symfonie weer te maken met een van de belangrijkste onderdelen van de theologie van Thomas van Aquino, namelijk dat we allemaal één bonk potentie zijn. We zijn, maar omdat we veranderen zijn we ook weer niet, want ieder moment zijn we op weg naar het volgende. Dat laat dit wezentje mooi zien, want de beeldhouwer heeft zijn kop af, maar zijn hals ruw gelaten. Daar is hij om het in jargon te houden niet verder gekomen dan het punten: een voorbewerking die je maakt met een bepaalde beitel. Ook bij de uiteinden van de mond en de rechterwang is hij nog niet helemaal klaar, dus wat zou het precies gaan worden: glimlachen of grijnzen?

Nee, nee, ik ga niet verklappen waar dit wezentje zit, want dat is veel te leuk om zelf uit te zoeken.

Wil je meer informatie over de Unvollendete? Scrol dan verder of bezoek de kathedraal.1

Creaturen in de kathedraal

M.A. Thompson, schrijver van het eerst boek(je) over de nieuwe Bavo
M.A. Thompson (1861-1938), schrijver van het eerst boek(je) over de nieuwe Bavo. Herkomst Delpher.

Eindelijk is er een portret van hem tevoorschijn gekomen: Marie A. Thompson die in 1898 het eerste monografietje over de nieuwe Bavo schreef.2 Het past wel in de Unvollendete die vol potenties zit van dingen die gaan komen (of juist niet), dat hij hierin allerlei zaken als voltooid beschreef, die er nog lang niet waren. Voor sommige onderdelen geldt dat nog steeds, zoals de (on)betegelde boogtrommels in de Mariakapel. Het is nog altijd een zeer lezenswaardig boekje en voor mijn onderzoek van onschatbare waarde geweest. Je kunt je bijna niet voorstellen dat deze priester-journalist met zijn plezierige schrijfstijl een tijd lang de schrik van katholiek Nederland was. Dat was tijdens het zogenaamde integralisme, globaal van 1907 tot 1914, toen iedere geestelijke die ook maar enigszins ‘modernistisch’ leek door Thompson aan de schandpaal werd genageld. Ook dat leg ik uit in mijn boek: Ad orientem: http://bit.ly/Bavo-Ao.

Het portret van Thompson is getekend door Herman Moerkerk die als illustrator voor verschillende kranten en tijdschriften werkte, zoals De Tijd en De Katholieke Illustratie. Wil je meer over hem weten, kijk dan bij Wikipedia.3 De tekening werd bij enkele herdenkingsartikelen over Thompson gebruikt, zoals deze uit De Tijd van 1931, te vinden op Delpher. Foto’s van Thompson zijn tot dusver niet tevoorschijn gekomen, maar wie iets weet … ik houd me aanbevolen.

Wil je meer informatie over het boek? Scrol dan verder of bezoek de kathedraal.4

Creaturen in de kathedraal

Goot aan de zuidkant van de nieuwe Bavo (2015).
Zo simpel kan schoonheid zijn! De gerestaureerde goot aan de zuidkant van het schip van de nieuwe Bavo. Foto BvHH juni 2015.

Zelfs aan de buitenkant van de nieuwe Bavo zit veel glans. Het is een onderzoek waard om te kijken wat het licht hier allemaal doet. Prozaïsche mensen zullen het hebben over de hoek van inval en de hoek van weerkaatsing die gelijk is, maar daarmee vang je de poëtische interactie nog niet. Zie je hoe mooi het steigerwerk in de spiegeling van het koper opgenomen wordt. En is dit geen fantastische studie in perspectief met die zichtlijnen die elkaar zowat bij de toren raken? Ondertussen is dit voor het menselijk oog een wel heel tijdelijk beeld, want de steigers zijn al aan het zakken … En nee, hier kan zelfs geen drone tegen op.

Als we nu toch zo’n beetje aan het mijmeren zijn, mag ook wel verteld worden dat het nieuwe boek over de kathedraal op de steigers geboren is. Het idee was er langer, maar daar … daarboven op die ijle en toch stevige constructie tussen hemel en aarde, daar begon de inspiratie!

Of er nog meer in het verschiet ligt? Scrol maar ‘ns verder of bezoek de kathedraal.5

Creaturen in de kathedraal

Ad orientem: groepsportret van drie generaties Cuypers.
Groepsportret van drie generaties Cuypers: centraal op de stoel Pierre Cuypers met zijn jongste kleinzoon Charles. Achter hem Joseph Cuypers met rechts zijn oudste zoon en later co-architect Pierre Cuypers junior en links de beeldhouwer Michael. Ontleend aan de biografie over Pierre J.H. Cuypers van Wies van Leeuwen.6

Ik ben nog steeds aan het nagenieten van de lezing die de Vrienden van de nieuwe Bavo van de week (5 oktober 2015) hebben georganiseerd. Pierre Cuypers heeft een prachtig verhaal verteld over zijn grootvader Joseph die de kathedraal heeft ontworpen. Een geheel andere figuur dan zijn vader, wiens onverzettelijkheid nagenoeg legendarisch is. Daartegenover was Joseph de man van de samenwerking, van de coproductie, van de dialoog met andere kunstenaars.

Op dit punt doet hij me sterk denken aan zijn vriend Antoon Derkinderen, aan wie ik in De genade van de steiger de nodige aandacht heb besteed. Allebei zijn ze op de koffie gekomen: in het ene geval raakte Derkinderen in conflict met Albert Verweij en H.P. Berlage over zijn ontwerp voor schilderingen in de zaal van de Kamer van Koophandel in de Koopmansbeurs. Daartegenover kampte teamplayer Joseph Cuypers bij de nieuwe Bavo met soms ronduit achterbakse collega’s. Wat er allemaal passeerde, is mooi in beeld gebracht in het vorige boek over de kathedraal van Antoon Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid (1997).7 Een prachtige monografie, die ik bij het schrijven naast me op tafel heb liggen. Op één van de conflicten die daarin uit de doeken is gedaan, ga ik dieper in, omdat dit niet alleen de persoonlijkheid van de architect in het licht zet, maar vooral ook zijn visie op het licht in de kathedraal onthult. En dat is zo wel zo mooi, omdat sommige onderzoekers dit afdoen als kinnesinne tussen kunstenaars, hetgeen beslist geen recht doet aan de integriteit van Joseph Cuypers.

Nieuwsgierig? Scrol dan verder of bezoek de kathedraal.8

Creaturen in de kathedraal


Hoe een drone de nieuwe Bavo ziet! Na LostPropellor verleden jaar nu Youtubeman Steun met een prachtige vue op de kathedraal.

Het is en blijft toch werkelijk een heel bijzonder gebouw. Een voorrecht om een boek over te mogen schrijven. Geniet dankzij deze drone even mee van de juwelen van de bruid, de prachtig gerestaureerde polychromie op de torens en de sculptuur die het motto van de kathedraal illustreren: ‘Getooid als een bruid’. Zo omschreef Johannes het hemels Jeruzalem dat hij in zijn visioen naar beneden zag dalen als symbool van Gods rijk: ‘Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, vanuit God uit de hemel neerdalen, gereed als een bruid die zich voor haar man heeft getooid’.9

Wil je de nieuwe Bavo ook vanuit een ander perspectief zien? Scrol dan verder of bezoek de kathedraal.10

Creaturen in de kathedraal

NHA onderzoeksmoment Callier
De keuze van het beeldmateriaal voor ‘Ad orientem’ afgelopen dagen verliep prima dankzij de hulp van de mensen van het Noord-Hollands Archief. Ook zij zorgen ervoor dat er een mooi boek komt. Foto BvHH september 2015.

Voortgang — Het vlot goed met het manuscript. Vier van de vijf hoofdstukken liggen inmiddels bij de leescommissie. Ondertussen is de bulk van het historisch beeldmateriaal geselecteerd bij het Noord-Hollands Archief (NHA). Zo draagt deze instelling in natura bij aan de publicatie van Ad orientem. Daar zijn we (de Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo, WBooks en ik) natuurlijk heel blij mee. Het gaat zowel om oude foto’s als archiefstukken, waaronder de bouwtekeningen en ontwerpen voor altaren, schilderingen, glas-in-lood, siersmeedwerk et cetera. Er zit prachtig materiaal tussen van architectenbureau Cuypers en verschillende kunstenaars, onder wie Jan Brom, Johannes Maas, Han Bijvoet, Jan van Druten en noem maar op. Maar ook de historische foto’s zijn heel informatief. Hierboven zie je Callier in 1897, de tijd dat hij met Joseph Cuypers druk bezig was aan de kathedraal en de fameuze ‘vodjes’ produceerde met allerlei concepten voor het beeldprogramma. Het decoderen van die ‘vodjes’ – zo werden ze letterlijk genoemd – krijgt de nodige aandacht in het boek.

Nog ’n tipje van de sluier? Scrol dan verder of bezoek de kathedraal.11

Creaturen in de kathedraal

Untitled
Aan de Sacramentskapel in de nieuwe Bavo van Haarlem hebben verschillende kunstenaars gewerkt. Foto BvHH 2014.

Goud op snee — Overal schittert het in de nieuwe Bavo, maar nergens zo sterk als in de Sacramentskapel. Als je daar tussen al die glanselementen staat, zie je de kleuren door de reflectie naar alle kanten spreiden. Joseph Cuypers had hier zijn architectuur met de spiegelende terracotta’s op ingesteld, zoals je ziet in de banden, muurzuilen en kapitelen (1898). Hoewel de architect daar zelf ook een ontwerp voor had ingediend, was het Jan Brom die dit prachtige tabernakel mocht maken, in de vorm van een miniatuur hemels Jeruzalem (1900-1902). Lambert Lourijsen met wie Joseph Cuypers vaker samenwerkte, ontwierp het mozaïek met de Beuroner engelen en teksten uit de Sacramentshymne van Thomas van Aquino. De uitvoering werd verzorgd door de firma Peter Beyer & Sohne te Keulen (1923-1926).

Nieuwsgierig? Scrol verder of bezoek de kathedraal.12

Creaturen in de kathedraal

Untitled
Johannes P. Maas, Een van de basementen van de kooromgang van de nieuwe Bavo te Haarlem, getiteld ‘vermetel vertrouwen’ (kleimodel, 1914). Herkomst: Noord-Hollands Archief, Parochiearchief nieuwe Bavo. Foto BvHH 2014.

Vermetel — Een fantastische kop, met een opvallende expressie, zouden we vandaag de dag zeggen, maar daar dacht men in de tijd zelf anders over. Dit werk moet namelijk een van de zonden tegen de heilige Geest voorstellen, in dit geval ‘Op Gods genade vermetel vertrouwen’. Toen het programma in 1898 door de latere bisschop A.J. Callier werd bedacht, liet hij er het volgende over schrijven: ‘Dit gelaat is meer vrouwelijk dan mannelijk, lichtzinnig en wulpsch. Het verbrandt zijn vliegen- of muggenvleugelen aan het vuur van Gods gerechtigheid, terwijl het grijpt naar een bloeiende doornstruik (beeld van aardsch schijngenot)’. Wat wij nu vooral zien zijn de fijne lijnen in de steen, het meesterschap waarmee deze figuur net onder zijn mantel uit lijkt te komen en de kracht van spieren en handen. Voor de variatie best aardig, zo’n vermetele genius.

Meer weten? Scrol dan verder.

Creaturen in de kathedraal

Waarover het boek gaat?

Untitled

Voor het eerst sinds ruim een eeuw stond de kathedrale basiliek van Haarlem, beter bekend als de nieuwe Bavo, van binnen en buiten in de steigers. Tijdens de restauratie van het afgelopen decennium was er alle gelegenheid om dit ontwerp van Joseph Cuypers (1861-1949) – zoon van de architect van het Rijksmuseum, Pierre Cuypers – van dichtbij te onderzoeken. Dat leidde tot ontdekkingen die voor een groot deel het aanzien van de kathedraal hebben veranderd. Wat te denken van de polychromie aan de buitenkant van traptorens, topgevels en bouwsculptuur die in Nederland zonder weerga is. Of het herstel van de blauwe voegen in het interieur – ook al zoiets aparts – en de rijk versierde terracotta’s binnen en buiten. Door de reparatie en de uitbreiding van het glas-in-lood kwam de bijzondere visie van de architect op het licht in deze kerk aan de oppervlakte. Weinig andere vakbroeders waren zo bewust bezig om de atmosfeer van het Hollandse landschap naar binnen te halen. Maar ook een fenomeen dat al vanaf het ontstaan van de kathedraal zichtbaar was, maar niettemin vrijwel onopgemerkt bleef, kon dankzij de steigers minutieus onderzocht worden: het onvoltooide karakter van het gebouw waardoor het de architectonische pendant lijkt van de symfonie Die Unvollendete. Deze bewuste onvoltooidheid maakt de nieuwe Bavo wel heel bijzonder.

De nieuwe Bavokathedraal te Haarlem, bezien van het noordoosten. Foto auteur mei 2014
De nieuwe Bavo te Haarlem, bezien vanuit het noordoosten. Let op de onbewerkte blokken steen bij de koortribune (rechts). Ook de tamboer van de koepel wordt door dergelijke halffabricaten omringd. Foto auteur mei 2014.

Wat zich op het gebied van architectuur en toegepaste kunsten manifesteerde, was niet alleen aan het vormgevende talent van Joseph Cuypers te danken, maar ook aan het veelzijdige verhaal dat de bouwheer, de latere bisschop A.J. Callier (1849-1928), met de kathedraal wilde vertellen. Gezamenlijk hebben zij een programma ontwikkeld dat qua diepte en strekking haar middeleeuwse voorbeelden niet had misstaan. Heel bijzonder is de manier waarop het gedachtegoed van Thomas van Aquino tot uitdrukking is gebracht, die rond 1900 een rolmodel vormde voor vernieuwingsgezinde priesters en kunstenaars. In die zin kan de nieuwe Bavo getypeerd worden als een eigentijds gebouw dat in zijn inhoud en uitstraling balanceert op het scherp van de snede tussen traditie en vernieuwing.

Untitled
Thomas van Aquino (circa 1225-1274) in het glas-in-loodraam van Frans Balendong (1949) in de Sacramentskapel van de nieuwe Bavo. Niet eerder werd duidelijk hoe sterk het programma zowel in architectuur als iconografie geïnspireerd is door deze middeleeuwse filosoof, theoloog en dichter. Foto auteur 2014. 13

Dat uit zich ook in de titel Ad orientem die aan de ene kant refereert aan het oriëntalisme van die tijd dat tot een hernieuwde belangstelling leidde voor het Heilige Land. In dat verband werd de Arabische architectuur beschouwd als een streekeigen component die als inspiratiebron gebruikt kon worden voor christelijke architectuur, zoals de majestueuze koepel van de nieuwe Bavo laat zien. Anderzijds gaat om het om een oeroud iconografisch gegeven, waarbij men gewijde gebouwen situeerde op de Heilige Linie, georiënteerd op de dageraad die liturgisch gezien iedere dag weer opnieuw verwijst naar Christus als licht van de wereld. Zonder overdrijving behelst de nieuwe Bavo ruim twintig eeuwen cultuur die in dit boek aan de hand van de hiervoor genoemde thema’s over het voetlicht wordt gebracht.

Wil je meer weten? Kijk dan eens bij de verhalen over de nieuwe Bavo op deze site.
En bestellen tegen een aantrekkelijke korting kun je tot de verschijningsdatum medio 2016 voor € 39,95 (dus 10 euro minder) via NieuweBavo@gmail.com (graag verzendadres vermelden) of via http://bit.ly/WBOOKS-nBavo (inclusief verzendkosten).

Je kunt ook @nieuweBavo en @Bern4dette op Twitter volgen: daar komt een paar maal per week een interessant item over de nieuwe Bavo langs.

B.14


  1. Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden. 

  2. Zie de bibliografie op deze site. 

  3. Herman Moerkerk (1879-1949) op Wikipedia

  4. Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden. 

  5. Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden. 

  6. Voor de volledige titel zie de bibliografie onder A.J.C. van Leeuwen. De foto staat op p. 62 en is afkomstig uit een particuliere collectie. 

  7. Voor de volledige titel zie de bibliografie

  8. Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden. 

  9. Johannes, Apocalyps, 21, 2; geciteerd naar willibrordbijbel.nl. 

  10. Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden. 

  11. Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden. 

  12. Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden. 

  13. Zie het betreffende lemma op  Wikipedia

  14. Verkorte link van dit item: http://wp.me/p4eh3s-1JQ | http://bit.ly/Bavo-Ao2. 

Henri Jonas

Untitled
De medewerkers van de SRAL – Stichting Restauratie-Atelier Maastricht – zijn druk bezig met de restauratie van de enige muurschildering uit het oeuvre van Henri Jonas die in het interbellum hoge ogen gooide in de kunstkritiek en tot de top van de barok georiënteerde expressionistische schilderkunst van die tijd gerekend kan worden.

Henri Jonas in de Koepelkerk te Maastricht

In de Koepelkerk te Maastricht is de restauratie van de bijzondere muurschilderingen van Henri Jonas in de Mariakapel voltooid: de enige die hij ooit heeft gemaakt. Om dit heuglijke feit te vieren vindt op 15 maart 2015 de feestelijke onthulling van dit werk plaats. Drs Angelique Friedrichs van de Stichting Restauratie-Atelier Maastricht (SRAL) zal dan een korte toelichting geven op de werkzaamheden. Alles bij elkaar een mooie aanleiding om de paragraaf over dit werk van Jonas uit het boek De genade van de steiger hieronder voor het voetlicht te plaatsen. Daarin staat een hoofdstuk van Angelique Friedrichs over de technieken en het materiaalgebruik in het interbellum dat haar tot de aangewezen specialist maakt om deze restauratie te begeleiden. Het was spannend genoeg, want niet alleen was de onderliggende pleisterlaag er slecht aan toe, maar ook bleken de figuren op verschillende plaatsen later bewerkt te zijn. Het geeft meer weer aan hoe terecht de aandacht was die Jonas’ leermeester, Antoon Derkinderen, aan de problematiek van goed pleisterwerk besteedde. Deugt de drager niet, dan redt de schildering het niet, om het maar eens kort samen te vatten.

Uit paragraaf 7.4 | Henri Jonas

Ontleend aan: Bernadette van Hellenberg Hubar, Angelique Friedrichs en Gerard van Wezel, De genade van de steiger (Rijksdienst Cultureel Erfgoed | Walburg Pers 2013), pp. 408-415.

Nota bene — De tekst weerspiegelt de stand van zaken eind 2013. Op de foto hierboven van Marij Coenen na, zijn de afbeeldingen in de Koepelkerk afkomstig van de beeldbank van de RCE en gemaakt door Sjaan van der Jagt van Pixelpolder.

De Amsterdamse scene

Het was een spannend komen en gaan in Amsterdam tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog, ook waar het de Limburgse kunstenaars betrof: Henri Jonas (1878-1944) en Charles Eyck zaten – met een jaar verschil – in de klas van Derkinderen aan de Rijksacademie. Buiten de opleiding had Jonas ontmoetingen met vrienden en collega-schilders uit het zuiden die in de hoofdstad verbleven, zoals Jan Grégoire die later nog een sleutelroman over hem zou schrijven.[1] Net na de oorlog zou Nicolas er zijn opwachting maken, aan wie we een levendige beschrijving van [p. 409] de artistieke sfeer in de hoofdstad danken. Dit was ook de tijd, schreef Engelman later, dat het machtige trio kubisme, futurisme en expressionisme Amsterdam overspoelde. De frisse golfslag waarmee dit gepaard ging, leidde in 1916 tot de oprichting van het kunstenaarscollectief Het Signaal door Piet van Wijngaerdt en Henri Le Fauconnier. Zowel voor Jonas als voor Wiegman zou de kennismaking met de Fransman een keerpunt in het artistieke denken betekenen.[2] Doordat Jonas vanaf de oprichting in 1925 in het netwerk van De Gemeenschap verkeerde en in 1927 via Wiegersma Permeke leerde kennen, raakte het expressionisme bij hem geïntensiveerd op een manier die hem zonder twijfel tot een van de belangrijkste exponenten van deze stroming in Nederland maakte.

In de periode dat Jonas aan de academie studeerde, was Wiegman al enige tijd gevestigd in Bergen, het dorp dat zijn naam zou verlenen aan de schilderskolonie die zich daar vanaf omstreeks 1910 ontwikkelde. Zoals in hoofdstuk 4 is gebleken, kan aan de hand van de dagbladpers een directe lijn worden getrokken tussen Het Signaal, de Bergense school en de Nederlandse assimilatie van het expressionisme. Deze felle wind woei niet alleen naar het zuiden via de Limburgse studenten in Amsterdam, maar ook dankzij twee oud-leerlingen van de Rijksacademie, de priester-schilder Jean Adams en Matthieu Wiegman. De laatste had vanaf eind jaren twintig een pied-à-terre in Limburg, waar hij onder meer bevriend raakte met Jonas. In 1929 organiseerde Adams een omvangrijke tentoonstelling over moderne kerkelijke kunst op Rolduc, aan welk internaat hij in die tijd als tekenleraar verbonden was. Achteraf bezien was hij daarmee juist op tijd, want korte tijd later zou veel van het type werk dat daar werd getoond door Rome als ‘arte blasfema’ worden beschouwd. Blijkens de berichten in de pers lag het accent van de tentoonstelling op Matthieu Wiegman, die met veertig nieuwe werken kwam. Daarna volgden Jonas en Adams zelf, die voor de meesten een onbekende was. Verder waren de beeldhouwer Charles Vos en de architecten Jos. Wielders uit Sittard en Alphons Boosten uit Maastricht met werk vertegenwoordigd. De laatste kan als de man worden gezien die Jonas in de richting van de monumentale kunst voerde, waarna Meuleman het estafettestokje van hem zou overnemen.

Henri Jonas, Verloren zoon, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 346 Henri Jonas, Glasraam met De verloren zoon (1924) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). De vormgeving van dit glas roept herinneringen op aan het werk van zijn vriend Jan Grégoire en aan de monumentale stijl die de Rijksacademie propageerde. Met name de zoon doet sterk ‘R. Holstiaansch’ aan, om een begrip uit die tijd te extrapoleren.

De glazen van de Koepelkerk

Hoewel ruim twintig jaar ouder dan Nicolas, maakte Jonas net als zijn jongere vakbroeder met de eerste de beste keer dat hij zich op het monumentale terrein begaf al naam. Zijn debuut vond plaats in de Heilig Hartkerk in Maastricht van Alphons Boosten, beter bekend als de Koepelkerk. Hoe omstreden het ontwerp zelf ook was – of de architectuur wel voldeed aan het decorum van de katholieke eredienst was ook hier onderwerp van debat – de ramen van Jonas werden direct in Opgang door Pieter van der Meer de Walcheren positief beoordeeld.[3] Aan de hand van deze opdracht valt de explosieve ontwikkeling te volgen die de kunstenaar van 1923 tot 1930 doormaakte.[4] In zijn vroegste glazen, met name in het raam met De verloren zoon, valt direct een stilering op die te herleiden valt tot de Rijksacademie. Deze vormgeving toont bovendien hoe sterk de invloed van zijn vriend Jan Grégoire op dat moment nog was (afb. 346). Alleen in de weergave van de lichtval bespeuren we iets van de stijlindicator van Thorn Prikker – de uitwaaierende stralen in ‘blokjes’ glas-in-lood – die in het vorige hoofdstuk uitvoerig is behandeld.[5] Na dit aarzelende begin pakte Jonas diens idioom op om ermee te experimenteren in het Mariaraam (1925), om vervolgens in het Davidraam (1927) alle registers open te trekken (afb. 347a-c).

Henri Jonas, Davidraam, Koepelkerk Maastricht.Davidraam

Het rijk gecomponeerde Davidraam werd in de tijd zelf al als een variatie in de stijl van Thorn Prikker opgevat.[6] Wat betreft diens idioom vallen enerzijds de rondingen van de ledematen onder de gewaden en (eigentijdse) kleren op, en anderzijds de rijke decoratie die de stof in patronen lijkt op te lossen. Daarnaast is het typische gefragmenteerde blokjesmozaïek gebruikt voor de hemelse lichtstralen en het perspectief van vloeren en muren. Deze laatste twee stijlindicatoren zijn we in wisselende combinaties tegengekomen bij Anton Molkenboer, Lou Asperslagh en Toon Ninaber van Eyben. Jonas is echter de enige die van Thorn Prikker de anatomische gelaagdheid overnam, die in de toenmalige vakliteratuur vooral bekend werd dankzij de Michael in de cyclus van de Driekoningenkerk te Neuss (1911-1912). Een prachtig detail zijn de vlezige handen, die eerder bij de analyse van het werk van Hermans in dit boek als erfdeel van Thorn Prikker zijn besproken.[7] Juist dat vlezige was in de Roomse Haagse School onder invloed van Beuron in hoge mate weggestileerd. Waar koning David de gesublimeerde [p. 411] trekken uit de historieschilderkunst toont, zijn de hoofden van het Heilige Gezin min of meer romaans opgevat, vergelijkbaar met de Catharina van Nicolas in Asselt (zie afb. 337). Met de aardse groep daaronder keerde Jonas terug naar het nu, hetgeen met name door het historisch presens manifest is. Op de fantasievolle manier die we langzamerhand van het interbellum kennen, vlocht Jonas verschillende thema’s door elkaar: dat van David als de oudtestamentische voorafbeelding van Christus, van David als voorvader van Jozef en Maria en dus Jezus, en van Jozef als patroon van de werklieden.

Bovenaan staat de koning afgebeeld met de harp als attribuut: dat de snaren dezelfde hoek aanhouden als de bezielende lichtstralen doet denken aan het kosmisch symbolisme waarvan het oeuvre van Toorop en Lebeau uit de jaren twintig is doordesemd. Direct daaronder staat het Heilige Gezin onder de schutse van een engel en ten slotte zien we in de zone van de strijdende kerk het leven van alledag (zie afb. 347). In dit laatste tafereel slaagde Jonas erin verschillende motieven door elkaar te laten lopen, niet alleen inhoudelijk, maar ook formeel door de ‘nieuwe ruimtelijke logica’, zoals Engelman het zou noemen, te volgen in de scènes en verdwijnpunten. Primair wordt een eenvoudige allegorie op de Arbeid weergegeven, waarvoor Toorop met het tableau Heden in de Beurs het prototype schiep. Jonas nam eveneens rokende schoorstenen op en plaatste naast de arbeider – de mijnwerker met zijn zwarte gezicht – de fabrieksdirecteur. Op de achtergrond is die andere prominente vorm van arbeid, de landbouw, weergegeven. Tegelijkertijd herinnert de mijnwerker aan de dood: niet alleen knielt hij, maar door het ver naar achteren gestrekte gezicht en de gevouwen handen lijkt hij tevens de geest te geven. De houding van de directeur met eerbiedig geloken ogen en de vrouw met het kind daaronder bevestigen deze betekenislaag, die bij uitstek past in de symboliek van Jozef als patroon van de stervenden. Een detail dat weer een volgende duiding onthult, is het object in de hand van de directeur: een plaquette of boek met een duidelijk expressionistisch-kubistische voorstelling van Maria met kind. Iconografisch gezien zou deze manager een samensmelting kunnen zijn van David als patroon van de muziek (en dus de kunst) met Jozef als beschermer van de werklieden. Jonas verleende hier een actuele boodschap aan doordat de fabrieksdirecteur tot de klasse behoorde die voldoende gevormd was om kunst te kunnen waarderen én voldoende bemiddeld was om zich kunst te kunnen veroorloven. Anders dan bij Toorop en Lebeau krijgt men bij dit type niet het gevoel dat er enige maatschappijkritiek aan ten grondslag ligt.[8] Eerder lijkt het een kleine hommage aan het type mecenaat waarvan Jonas het als kunstenaar moest hebben.

De Madonna en Jonas als pictor doctus

Zelfportret in de aanbidding van Maria

In de jaren hierna liet Jonas de invloed van Thorn Prikker achter zich, maar de romaans-middeleeuwse zweem liet hij juist op een dominantere manier toe, zoals te zien is in De aanbidding van Maria uit 1929 (afb. 348). In het centrale raam is de iconografie van de Hemelkoningin doorgedetailleerd met het gebaar van de open handen van de Onbevlekte Ontvangenis en de lelie van de Annunciatie. De omlijstende engelen doen middeleeuws aan, waarbij het gelaat van Maria neigt naar dezelfde amandelvorm die Nicolas ontleende aan het type dat bekend is van de Noodkist van Sint Servaas. De verticale volgorde die Jonas in het Davidraam aanhield, heeft hij hier horizontaal gekanteld: in het linkerglas zijn de oudtestamentische prefiguraties weergegeven, Judith, Esther en Ruth. In het midden zetelt de vervulling in de vorm van Maria die als Moeder van God voorwaardenscheppend was voor de heilsgeschiedenis. Rechts is de wereld van vandaag voorgesteld, die zich in Maastricht afspeelt. We komen hier de stapeling van scènes tegen die we eerder bij Nicolas (en Toorop) hebben gesignaleerd. Zelf staat de kunstenaar hier tussen een moeder met kind boven hem en – mogelijk – een jager onder hem. Volledig gericht op Maria, vormen zij wellicht variaties op de archetypische dualiteit tussen microkosmos en macrokosmos: tussen de beschermde ambiance binnenshuis en het bestaan in de wereld daarbuiten, het vrouwelijke en het mannelijke van Lenz (de kunstenaar was niet zomaar een leerling van Derkinderen). Tussen die twee personificaties beeldde Jonas zichzelf af als in gedachten verzonken.

Maritaineske pictor doctus

Van het zelfportret is een eerdere versie in houtskool bekend (afb. 349a). Engelman schreef hierover:

‘Er is van Jonas een recent zelfportret in houtskool, dat treffend is als zielsbekentenis en als materie. Het gezicht heeft een ingekeerdheid, een mijmerende uitdrukking die misschien eerst op stroefheid lijkt, maar een diepe, innige eenvoud blijkt te zijn. De gestalte is in groote, [p. 412] met waarachtige kracht uitgevoerde contouren en schaduwen aangeduid en de handen, als stukken halfverteerden mergelsteen, liggen in een zielvolle schamelheid en simpelheid bijeen. Zoo is hij, een man die zich moeilijk en langzaam uitdrukt, maar soms dingen loslaat van een bekoorlijke wijsgeerigheid en vol van de rust waarover wij spraken. Hij heeft geen pose en geen onwaarachtigheid, waar hij de techniek vermeestert schrijft hij een rijp en gedragen innerlijk uit’.[9]

Dat dit zelfportret Jonas bleef bezighouden blijkt wel uit het het feit dat hij het later verwerkte in Het gezin (afb. 349b). Dit werk kreeg een recensie in De Tijd van Herluf van Merlet:

‘Wij herinneren ons een schilderij van Henri Jonas, waarin deze Katholieke Limburgsche schilder een schoone en klare, diep en zuiver doorvoelde expressieve synthese gaf van “Het Gezin”. De arbeider en zijn kind zien met wachtend geduld toe, hoe de van zorg verwelkte moeder het dagelijksch brood snijdt. Er was in dit werk een innerlijke gelatenheid, een stilte vol leven, een ontroerende gedachte. Bovendien was dit doek in geen enkel opzicht litterair, maar enkel schilderlijk’.[10]

Zo wordt Jonas in de kunstkritiek aan de ene kant getypeerd als een weerbarstige denker, aan de andere kant volledig in ambachtelijke, Maritaineske termen neergezet. Het illustreert de dualiteit tussen hoofd en hand, wijsgeer en arbeider, die Jonas hier in één beeld verenigde. In overeenstemming met de opvattingen van Maritain, Engelman en Van Merlet profileerde hij zich met dit zelfbeeld bij uitstek als de artiest die zijn eigen taal (symboliek) ontwerpt: als een peinzende man die doende is de indrukken van de wereld te verwerken om vervolgens door middel daarvan op synthe(tis)tische wijze kunst te creëren. Jonas gaf zo bij uitstek de intuïtieve kracht van de kunstenaar, die naar binnen kijkt (letterlijk intuere) om het schone concept te vatten waarmee kunst kan worden gemaakt. Het doet denken aan de pictor doctus (de geleerde schilder) uit de academische traditie die als de klassieke beeldhouwer Phidias vanuit het denkbeeld in zijn geest werkt. Maar ook Maritain is niet ver weg:

‘De H. Thomas[van Aquino], die even eenvoudig van stijl als wijs was, bepaalde het schoone als dat wat geschouwd zijnde behaagt, id quod visum placet. Deze vier woorden zeggen alles wat noodig is: ’n visie [visum], dat wil zeggen een intuïtieve kennis en ’n vreugde. […] Wanneer een ding de ziel verheft en blij maakt juist daardoor, dat het intuïtief verkregen en bezeten wordt, dan is dat ding goed om aldus in bezit genomen te worden, het is Schoon’.[11]

Elementair is dat het schone ons verstand ‘door de zinnen en hun intuïtie’ komt verblijden. Zo geeft de kunst ons ‘den smaak van ’t aardsche paradijs, omdat zij voor een oogenblik den vrede en het gelijktijdig genot van verstand en zinnen opnieuw teweegbrengt’. De toeschouwer kan deze intuïtie voeden door zich te verdiepen in de wetenswaardigheden van de kunst.[12] Terwijl aan de rol van intuïtie bij het waarnemen veel passages worden gewijd, geldt dat voor het proces van het scheppen van schoonheid in de vorm van kunst veel minder. Maritain zoekt daarvoor zijn toevlucht bij een begrip dat er dicht tegenaan zit, namelijk ‘zicht’: de conceptie vindt plaats in termen van een ‘zicht’ op het werk dat gemaakt moet worden en dat de kunstenaar weet te vatten ‘in zijn persoonlijke ziel’. Dit zicht hangt zonder meer af van de intuïtie, maar ook van ‘de verbeelding en de gevoeligheid’. Het beantwoordt ‘aan een onbepaalden indruk van ontroering en van medevoelen’ die de schilder communiceert via zijn werk. Oftewel door middel van de stemmingsdragers van Brandt, zoals Jonas prachtig in Het gezin heeft verbeeld. Daarom kan dit zicht ‘niet in begrippen’ worden weergegeven, hoewel kunstcritici als Van Merlet en Engelman dat nu net per definitie wel doen. In hun bewoordingen sluiten zij zich aan bij hun mentor, waar deze stelt: ‘Wat de schilders hun “visie” der dingen noemen speelt daarin een wezenlijke rol’.[13] En die visie omvat bij Jonas vele facetten: het ambachtelijke en het denkbeeld, het verhevene en het nederige, de zinnen en het verstand, en vooral niet te vergeten de ontroering (het movere): met elkaar vloeien deze over in een ‘gelijktijdig genot’. Met één oog dicht en één slechts deels geopend laat Jonas dit alles door zijn gedachten gaan, opdat intuïtie, zicht en ontroering convergeren in kunst.

Henri Jonas, Mariaraam met zelfportret, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 348 Henri Jonas, De aanbidding van Maria (1929) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Middenrechts heeft de kunstenaar zichzelf afgebeeld.

Nog éénmaal heeft Jonas zichzelf op verwante wijze uitgebeeld, in het dubbelportret met zijn vrouw Eugénie Servais (ca. 1938-1939): terwijl zij haar handen gevouwen houdt, heeft hij zijn armen om haar heengeslagen en houden zijn handen palet en penselen vast. Programmatischer kan het haast niet. Of hij nu aanwezig is als secondant bij Maria als schoonheidsideaal – ‘tota pulchra et perfecta’ (door en door mooi en volmaakt) –, bij de moeder van het gezin als synthetistische weerklank van de Moeder van God, of in omstrengeling met zijn aardse Maria en [p. 413] muze, de trekken van het zelfportret illustreren hoe Jonas de wereld vanuit zijn inzichten bekeek en verwerkte. Voor iemand die bij tijden geveld werd door zware depressies, moet de vredige ‘smaak van ’t aardsche paradijs’ die de kunst bood, wel het hoogst denkbare doel hebben geleken.[14]

De Mariacyclus in de Koepelkerk ‘al fresco’ in keimverf

De enige muurschilderingen in het oeuvre van Jonas bevinden zich in de Mariakapel van de Koepelkerk, direct aan de noordzijde van het priesterkoor (afb. 350). Vergeleken met de glazen is de compositie tamelijk eenduidig van opzet, doordat de kunstenaar heeft afgezien van de gecompliceerde stapeling van figuren, decor en enscenering. Alles is op een veel bescheidener plan uitgevoerd. De precieze datering van dit werk is niet bekend, maar uit krantenartikelen viel te achterhalen dat enkele onderdelen, waarschijnlijk proefstukken ervan, in 1926 op de Maastrichtse tentoonstelling van ‘bouwkunst, sierkunst en plastiek’ te zien waren:

‘Van een tweetal detail-schetsen voor muurschildering is de eene gezet in de zgn. keimsch-verf, waarmee “al fresco” geschilderd wordt. Ook hier toont Jonas zijn forsche opvatting en breede behandeling’.[15]

De beschrijving roept de vraag op of Jonas, vergelijkbaar met Grégoire en Wiegman, werkte met proefstukken op mortel die in een lijst werden gevat. Opvallend is verder het begrip al fresco, dat we met een zekere regelmaat in combinatie met het gebruik van keimverf tegenkomen en dat hier vooral lijkt te slaan op de analoge manier van toepassing. Van huis uit vakschilder, moet Jonas heel goed hebben geweten wat het vergde om een muur duurzaam met verflagen af te werken. Het wekt dan ook verwondering dat de schilderingen zich in een zeer slechte staat bevinden, niet vanwege het verval van de keimverf, maar doordat de pleisterlaag van de muur komt. Op dit punt mag beslist de noodklok worden geluid.

Wie de Verheerlijking van Maria vergelijkt met het werk van Jonas uit dezelfde jaren, waarin met name het vrouwelijk naakt centraal staat, kan niet anders dan verrast zijn. Qua stijl lijkt deze uitmonstering in helemaal niets op wat hij tot dusver had gedaan. Verreweg de meeste kunstenaars zochten voor hun monumentale schilderwerk aansluiting bij hun glazen, zoals Molkenboer met zijn oeuvre in de kerk van O.L. Vrouwe van Goede Raad in Den Haag. Niet echter Jonas, die een heel andere richting koos dan een vertaalslag van het idioom van Thorn Prikker. Hij lijkt zich met de Mariakapel doelbewust te hebben gezet aan de ontwikkeling van een aparte stijl voor kerkelijke schilderingen met een bescheiden barok contrapost. Wat dit helemaal bijzonder maakt, is dat hij daarbij kennelijk aansluiting zocht met ideeën die onder Duitse kunstkenners leefden. Zoals hierboven al bleek, is heel weinig bekend van Jonas’ intellectuele bagage. Dit heeft ongetwijfeld ook te maken met het door Engelman geschapen beeld ‘van den simpelen huisschilder’. Maar uit de toelichting bij de zelfportretten blijkt Engelman zeker niet blind te zijn geweest voor de ‘wijsgeerigheid’ van Jonas. Engelman en Van Merlet stonden voor het probleem kost wat kost te voorkomen dat er ook maar een zweem van het literaire aan de schilder zou kleven. Dit gold niet alleen voor Jonas, maar ook voor Cantré, Wiegersma en andere schilders uit de waaier van Meuleman. Vandaar de nadruk op de ambachtelijkheid en de eenvoud, die gelijkgesteld werden met authenticiteit.[16] Daarmee is wel het kind met het badwater weggegooid. Zo werd namelijk opnieuw het misverstand gevoed dat iemand die meer op beelden dan op woorden is gericht – een beelddenker dus – niet intellectueel zou zijn.[17] Dit vormt een sterke nawee van de opkomst van het concept van de pictor doctus in de renaissance, hoewel juist Jonas zich door middel van het beeld als zodanig neerzette. Een van de weinigen die zich op dit punt werkelijk wist te profileren, was Nicolas, die het geluk had dat hij in woord én beeld over een vaardige hand beschikte. In wat mindere mate gold dat ook voor Adams, zoals later in dit hoofdstuk zal blijken. Nicolas is overigens de enige kunstenaar die zich rond 1926 met de verwerking van de barokke contrapost in zijn figuren aan een soortgelijk experiment waagde als Jonas. Deed Nicolas dat echter in de profane ambiance van het raadhuis van Breda, waar de klassiek aandoende sfeer van de burgerlijke deugden volledig in het decor past van de modern-classicistische uitbreiding van Hanrath, Jonas zette deze stap in de Koepelkerk. Dat wil wel wat zeggen, want zoals al is opgemerkt zou Nicolas het barokke idioom aanvankelijk alleen in niet-religieuze gebouwen toepassen.

Henri Jonas, Verheerlijking van Maria, middenstuk muurschildering, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 350 Henri Jonas, De verheerlijking van Maria (1926) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Muurschildering in keimverf.

Het ‘middenluik’

Bij de schilderingen van Jonas gaat het om een betrekkelijk eenvoudig programma, waarin enkele verrassende elementen niet [p. 414] ontbreken. Centraal staat het beeld van Maria met kind, waarvan het originele exemplaar uit het interbellum heeft moeten wijken voor een veel lagere, middeleeuwse Sedes sapientiae (Zetel der wijsheid).[18] Het beeld is ingekapseld in een scène waarin de boom van goed en kwaad, de slang en Eva als voorafbeelding figureren. Terwijl de slang zich afwendt van Maria, buigt Eva zich naar haar toe om vergeving te vragen. Daarboven zijn rond de Moeder van God musicerende engelen opgesteld, waarin nog de Beuroner thematiek doorklinkt. Op een aparte manier heeft Jonas de Madonna en haar hemelse orkest met de flankerende figuren verbonden door middel van instrumenten en een liedboek. Vandaar dat we links opnieuw David met de harp tegenkomen met Isaias of Jesaja achter hem die een bazuin vasthoudt. Dankzij de kalligrafie van enkele bijbelteksten die Jonas heeft verwerkt – te vinden op de plaquette bij de entree naar de sacristie – beschikken we over de sleutel tot het programma. Zo weten we dat David in de schildering een van de psalmen ten gehore brengt en Isaias de tekst uitspreekt: Ecce virgo concipiet et pariet filium et vocabitis nomen eius Emmanuël (Zie, de vrouw is zwanger, en zal een zoon ter wereld brengen, en u zult hem de naam Emmanuël geven). Aan de andere zijde bevinden zich twee figuren, van wie Jonas de naam niet aan de zoom van de schildering heeft geplaatst. De tegenhanger van David kan echter worden geïdentificeerd als Salomo vanwege de tekst op het manuscript dat hij vasthoudt: canticorum. Dit slaat op de Canticum canticorum Salomonis, oftewel het lied der liederen van Davids zoon en opvolger Salomon, beter bekend als het Hooglied. Hoewel juist het Hooglied een belangrijke bron van mariale metaforen is, kwamen we deze oudtestamentische persoonlijkheid eerder in de uitmonsteringen niet tegen. De man achter hem vervult, gelet op zijn houding en gewaad, dezelfde rol als Isaias. Ook voor zijn naam biedt de geschilderde plaquette uitkomst, want de enige andere profeet die vermeld staat is Ezechiël. Van hem komt de beeldspraak van Maria als gesloten poort, omdat geen levende man mag binnentreden waar God is binnengaan.[19] De over elkaar geschoven zon en maan, waar de ster van Bethlehem langs schiet, grijpen terug op het vers uit het Hooglied dat ook op de muur staat: pulchra ut luna electa ut sol terribilis ut castrorum acies ordinata (mooi als de maan, stralend als de zon, ontzagwekkend als een leger in slagorde). Het gaat hier om zinnebeeldige prefiguraties die terug te vinden zijn in de Litanie van Loreto en die voor een deel overgenomen zijn in de tekst van het dogma De immaculata conceptione. In relatie tot de eerdere omschrijving van Maria als ‘tota pulchra et perfecta’ geven deze typeringen een goed beeld van het aura van schoonheid waarmee Maria in de dagelijkse devotie werd omgeven.[20]

Henri Jonas, Verheerlijking van Maria, linkervleugel muurschildering, Koepelkerk Maastricht.

Henri Jonas, Verheerlijking van Maria, rechtervleugel muurschildering, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 351a-b Henri Jonas, a. Bovenaan het linker ‘luik’ van De verheerlijking van Maria (1926) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Van links naar rechts: de jezuïetenheilige Johannes Berchmans, Bernardus van Clairvaux en de evangelist Johannes. b. Onderaan het rechter ‘luik’ van De verheerlijking van Maria (1926) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Van links naar rechts: Dominicus, Theresia van Lisieux en Agnes.

De ‘zijpanelen’

Het mariale programma wordt voortgezet op de zijmuren, die door Jonas zijn opgevat als de opengeslagen luiken van een triptiek en de penanten waarop de aartsengelen Gabriël en Michael staan (zie afb. 210a). Op de ‘muurluiken’ zijn onder meer heiligen weergegeven die een nauwe band hebben met Maria (afb. 351a-b). Aan de ene kant is dat haast vanzelfsprekend Bernardus van Clairvaux, die vergezeld wordt door Johannes met de Apocalyps in zijn hand: hierin staat de prachtige beschrijving van Maria als de vrouw bekleed met de zon en de maan aan haar voeten.[21] Dat ook de jezuïetenheilige Johannes Berchmans hier staat afgebeeld, heeft te maken met de persoonlijke devotie van Leo Dehon, de oprichter van de paters van het Heilig Hart van Jezus, die de Koepelkerk onder hun hoede hadden.[22]

Op het andere luik treffen we uiteraard Dominicus aan, die de rozenkrans invoerde, en voorts Agnes en Theresia. Uit de letters a j.i. (Teresiae ab Jesu Infante) kan worden afgeleid dat het hier om de kleine Theresia van Lisieux gaat, die dankzij Maria van een zwaar ziekbed genas. Omdat Agnes op dezelfde positie staat als Johannes Berchmans, is ook haar aanwezigheid mogelijk te verklaren uit meer persoonlijke motieven. Door het kettinkje in haar hand roept ze associaties op met de heidense priesteres van Joep Nicolas. Hier hangt echter geen toverkristal aan, maar een ring die duidt op haar huwelijk met de hemelse bruidengom. In het spoor van de Apocalyps is deze als lam verbeeld. Het dier in haar arm (agnus in het Latijn) slaat dus zowel hierop als op de naam van Agnes.[23] Bij dit luik heeft Jonas overigens moeten woekeren met de ruimte, doordat hier de doorgang naar de sacristie zit. Daardoor heeft hij hier vrij weinig met de enscenering kunnen doen. Daarentegen was er aan de andere kant alle ruimte om een volledig landschap in kaart te brengen met als synthetistische kwinkslag het Limburgse dorpje met de karakteristieke witte hoeves geheel links. Op de achtergrond [p. 415] is onder de regenboog – het teken van het verbond tussen God en de mensheid – de ark van Noach geschilderd: als schip en toevluchtsoord van getrouwen verwijst dit naar de kerk, zoals in hoofdstuk 5 bij Jan en Kees Dunselman is toegelicht. Daarbij vormt de ark een van de klassieke mariale metaforen. De duif met het takje in zijn bek lijkt hier niet alleen te wijzen op het einde van de zondvloed, maar tevens te zijn ingezet als symbool van Pinksteren.[24] Dit past bij de driehoek rond Johannes, wiens visioen op hemelse openbaring berust en daarmee de vervulling vormt van de voorafbeelding in de scène rechtsboven, waar Mozes de stenen tafelen van Jahweh ontvangt. Men kan zich afvragen hoe Jonas aan deze laatste invulling komt, want ze berust niet op een van de traditionele concordanties tussen het Oude en het Nieuwe Testament.[25] Zo blijkt hij zich opnieuw te ontpoppen als een kunstenaar wiens concepties als beelddenker van veel meer ‘gehersend overleg’ getuigen dan Engelman lief was.

Vormgeving en factuur

In de vormgeving heeft Jonas haast geaquarelleerd met de keimverf. De factuur onthult een onvoorstelbaar gemak waarmee hij grote kleurpartijen neerzette en voorzag van schaduwen en ophoogsels. Vloeiende lijnen geven de gewaden meer diepte, waarbij de bollingen de positie van knieën en schouders aangeven. Die lijnvoering keert terug in het beekje en de smalle boomstammen. Een bijzonder detail vormt het blauwe gebladerte, dat we inmiddels als een expressionistische stijlindicator herkennen dankzij het werk van Nicolas in Asselt. Jonas heeft de koppen, met name die van de heiligen in het linkerluik en Salomon in het centrale luik, voorzien van wat fellere gelaatstrekken, waardoor hij het door Lenz voorgeschreven puur typologische voorbijgaat. Dit illustreert heel mooi welke veranderingen zich voltrekken zodra de rol van het beeld als stemmingsdrager op de voorgrond mag treden. Het is duidelijk dat Jonas hier persoonlijkheden met een sterke overtuiging heeft willen neerzetten; mannen die staan voor het geloof en getekend zijn met de vlam van de openbaring. Wel is het de vraag waarom hij dat bij de een wel en bij de ander niet deed, en vooral, waarom de vrouwen zo non-descript ogen. Lenz triumphans, zou je bijna zeggen. Niet geheel onvoorspelbaar hield Jonas zich ook bij de engelen aan gedepersonaliseerde koppen.

Jonas toont hier zijn vakmanschap in de weergave van vleugels die door hun transparantie verfijnd ogen. Het is jammer dat het oorspronkelijke devotiebeeld is verdwenen, want de architectuurelementen die het op het platte vlak van de muur omlijsten en bekronen, verwijzen niet alleen naar de O.L. Vrouwekerk van Maastricht, maar refereren bovendien aan architectonische metaforen: hiervan is de turris Davidicae (de toren van David) tussen de hoogst geplaatste engelen wel de meest toepasselijke. Juist in dit centrale luik valt op hoe Jonas met de gotisch-barok-expressionistische drieslag van Brandt en Worringer is omgegaan: hij lijkt te hebben gehandeld conform de ingeprente associatie dat de engelen op hun gotische voorbeelden horen te lijken, terwijl de heiligen door aard en aantal sterk contrareformatorisch aandoen. Lang voordat de barok een alibi werd in de liturgische stijlslag, maakte Jonas hem tot onderdeel van zijn kerkelijke muurschilderstijl, die helaas na deze ene uitvoering al tot stilstand kwam. Ook op dat punt dringt zich een vergelijking met Nicolas op, die na Asselt evenmin nog veel schilderingen maakte. Het verschil is wel dat Nicolas met zijn jeugdwerk ruimschoots de publiciteit haalde. Algemeen had Jonas daar overigens ook niet over te klagen, zeker niet toen Van der Meer en Engelman hem eenmaal hadden ontdekt. Maar als men ziet hoeveel er geschreven is over de glazen van de Koepelkerk, blijft het verbazen dat zijn schildering niet meer aandacht heeft getrokken. Net als zijn ramen laat dit werk zien wat voor een zeldzaam begenadigd kunstenaar Jonas was. Het heeft dan ook iets tragisch dat dit oeuvre pas effect sorteerde toen Matthieu Wiegman en Charles Eyck Jonas’ indrukwekkende voorzet overnamen voor de uitvoerig bejubelde muurschilderingen in de Amsterdamse Obrechtkerk (1927) en in Rumpen (1929).

Henri Jonas, zelfportret in houtskool.  Henri Jonas, Het gezin, met zelfportret van de kunstenaar.
Afb. 349a-b Henri Jonas, Zelfportret in variaties, onder meer verwerkt in de glazen met De aanbidding van Maria (1929) in de Koepelkerk te Maastricht. a. Houtskoolschets (ca. 1927); b. Het gezin (ca. 1931).154 Fotografie: Paul Mellaart, Maastricht. Met dank aan Museum aan het Vrijthof.

Naschrift

Tot zover het fragment uit De genade van de steiger. Meer lezen? Bestel het boek dan bij de Walburg Pers!

Wil je dit artikel delen of mailen, ga dan naar het einde van deze pagina.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

← Terug naar Joep Nicolas of De genade van de steiger | Door naar Jos ten Horn

Bronnen

Nota bene — In de voetnoten staan verkorte titels die volledig zijn aangehaald in de bibliografie van het boek dat rechtstreeks besteld kan worden bij de Walburg Pers.

[1]    Zie de lemmata over Henri Jonas en Jan Grégoire in P.J.H. Ubachs en I.M.H. Evers, Historische Encyclopedie Maastricht, Zutphen 2005.

[2]    Dickhaut, Jonas, pp. 26-29, 39, 161-163. Claire Nicolas-White, Joep Nicolas, pp. 21-22. Engelman, Jonas (1936), p. 201

[3]    Van der Meer, Kunst in het Zuiden (1924), p. 849. Over het debat rond de architectuur van de Heilig Hartkerk in Maastricht – beter bekend als de Koepelkerk – zie Pouls, Ware schoonheid, pp. 135-139.

[4]    Zie hierover uitgebreid Dickhaut, Jonas, pp. 212-222; de dateringen zijn aan deze studie ontleend.

[5]    Zie paragraaf 6.3.2 Thorn Prikker terug in Den Haag: Lou Asperslagh; 6.3.3 Een breed register aan stijlen: Toon Ninaber van Eyben, en 6.3.6 Toetssteen: Augustijn Hermans en Gerhard Jansen.

[6]    Deze invloed werd in de eigen tijd al gesignaleerd: KB krantenbank, zoektermen: Jonas Henri Thorn Prikker (Veritas 30-04-1938).

[7]    Zie paragraaf 6.3.6 Toetssteen: Augustijn Hermans en Gerhard Jansen

[8]    Voor Toorop zie paragraaf 6.2.5 De pelgrim (1921). Voor Lebeau 6.5.1 Het kosmische programma in de oudkatholieke kerk te Leiden (1926-1931).

[9]    Engelman, Jonas (1927), p. 198.

[10]   KB krantenbank, zoektermen: Henri Jonas gezin (H.V.M. [=Herluf van Merlet] De Tijd 15-12-1931).

[11]   Maritain, Kunst en scholastiek, p. 35. Over de pictor doctus en Phidias zie Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. xxx-xxx.

[12]   Maritain, Kunst en scholastiek, pp. 38, 144-145

[13]   Maritain, Kunst en scholastiek, p. 157 (cursief door de auteur).

[14]   Dickhaut, Jonas, p. 91. De omschrijving ‘tota pulchra et perfecta’ komt uit het dogma De immaculata conceptione. Geciteerd naar Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 289. Voor Maria als schoonheidsideaal: Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 126-132.

[15]   KB krantenbank, zoektermen: Jonas, Boosten, muurschildering (Limburger Koerier 28-09-1926).

[16]   Engelman, Jonas (1927), p. 198. Timmer, Kunstkritiek Engelman, pp. 97-109.

[17]   Voor het begrip beelddenken zie het betreffende lemma op Wikipedia met de betreffende literatuurverwijzingen. Met dank aan Mieke Siemons van Knockart: http://knockarttrainingen.blogspot.nl/2010/04/beelddenken-en-begripsdenken.html.

[18]   Op een historische ansichtkaart uit de collectie van Wil Lem te Maastricht is het oorspronkelijke beeld te zien.

[19]   Timmers, Symboliek en iconographie, p. 422.

[20]   Hooglied 6-10 (ten onrechte staat op de plaquette Cant. VI-9). Zie voor de Litanie van Loreto paragraaf 5.4.4 Kees Dunselman in de Obrechtkerk: een iconografische exercitie. Voor Maria als schoonheidsideaal: Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 126-132.

[21]   Nieuwbarn, Kerkgebouw, p. 96.

[22]   Driedonkx, H. Hartklooster Asten, p. 19.

[23]   Timmers, Symboliek en iconographie, p. 851. De afkorting a j.i. voor Theresia van Lisieux kon herleid worden dankzij een inscriptie op de toren uit 1926 van de kathedraal van Reggio Calabria (Zuid-Italië); vergelijk www.catedralescatolicas.com/?p=3394&cpage=1.

[24]   Nieuwbarn, Kerkgebouw, pp. 34-35, 102. Timmers, Symboliek en iconographie, p. 313.

[25]   Noch gevonden in Nieuwbarn, Kerkgebouw, noch in Timmers, Symboliek en iconographie.

Nota bene — De verkorte link van dit item is http://bit.ly/VHH-Jonas1.

Inkijkexemplaar van ‘Verhalen op de muur’

Clemenskerk inkijkexemplaar Verhalen op de muur

Op 22 november 2014 werd de digitale publicatie Verhalen op de muur als uitdraai gepresenteerd tijdens de opening van de Clemenskerk te Merkelbeek. Dit rijksmonument was vanaf 2013 in restauratie, waarbij niet alleen de constructie onder handen is genomen, maar ook de schilderingen die in 1901 zijn aangebracht. Dankzij de expertise en het vakmanschap van de Stichting Restauratieatelier Limburg (SRAL) zijn ze na ruim één eeuw weer in volle glorie te bewonderen.

Welke verhalen vertellen die schilderingen nu precies? Daar kun je je een idee van vormen via dit het inkijkscherm hieronder of via http://bit.ly/Clemenskerk-inkijkbestand.

Bestellen

Je kunt dit boek niet downloaden, maar wel een uitdraai bestellen bij de vrijwilligersorganisatie clemensdomein.nl die de kerk en het bezoekerscentrum beheren. Je kunt een mail sturen naar info@clemensdomein.nl met je bestelling en adresgegevens.

Op de site www.clemensdomein.nl kun je meer informatie vinden over de openingstijden en andere bezienswaardigheden rond de Clemenskerk.

Wie overigens de publicatie vanwege een visuele handicap of studiedoeleinden in PDF zou willen hebben, kan dat laten weten via bernadette@vanhellenberghubar.org.

Als auteur ben ik altijd blij met feed back, dus mocht je nog iets tegenkomen dat informatief is, geef het me door. Ik verwerk het dan bij de eerstvolgende editie.

B.*

Clemenskerk inkijkexemplaar
De Clemenskerk te Merkelbeek herbergt intrigerende verhalen op de muur. Foto Leo Reijnen (oktober 2014).

* Post scriptum
  • Toelichting bij de collage: linksboven, Dom Romanus Jacobs als jonge monnik in de benedictijner abdij van Merkelbeek. Linksonder, het monstertje op de stoel van koning David is mogelijk Titynillus. Er gaat een rijke symboliek achter dit wezen schuil. Midden: de omslag van het boek ‘Verhalen op de muur’ met de medaillons met de heiligen Gregorius, Scholastica en Benedictus (boven) en Placidus, Clemens en Bernardus (onder); daaronder bevindt zich koning David. Rechtsboven: de gerestaureerde bloemenbies in de apsis. Rechtsonder: de restauratie van de schilderingen in de apsis.
  • Verkorte link van dit item: http://bit.ly/VHH2Inkijk-Clemenskerk.

Terug naar de hoofdpagina!