Nicolas in ‘De genade van de steiger’ →

Joep Nicolas, Intrepiditas stadhuis Breda. Afb. 343 Joep Nicolas, Intrepiditas (onverschrokkenheid) uit de serie deugden (1926-27) in de trappenhal van het stadhuis van Breda. Deze cyclus is in meer opzichten beïnvloed door het werk dat hij had gedaan aan de voltooiing van de glazen van Derkinderen (1925) in de trappenhal van de Algemene Handelsmaatschappij te Amsterdam.1

Dit is een doorverwijzingspagina naar ‘Joep Nicolas tussen de glazen’, overgenomen uit mijn boek ‘De genade van de steiger’.


  1. Afbeelding uit: Claire Nicolas White, Joep Nicolas, p. 41. 

Nicolas en tijdgenoten

 


Joep Nicolas, Long island symphony 1957, eigendom Stichting 1888 Roermond. Foto Marij Coenen 2014
Een van de meest interessante werken van Joep Nicolas: Long island symphony uit 1957 (eigendom Stichting 1888 Roermond. Foto Marij Coenen 2014).
Opvallend is het deels allegorische, deels surrealistische karakater van dit werk, waarin verschillende technieken zijn toegepast. De combinatie van monochrome en polychrome onderdelen zal de glazenier later vaker toepassen.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2vLBV54

Terug naar de hoofdpagina!

BewarenBewaren

BewarenBewarenBewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Recensie Annemiek Punt

Recensie Nederlands Dagblad 7 juli 2017 boek ‘Annemiek Punt Monumentale glaskunst 1980-2017’.

Morgen, 9 juli 2017, verschijnt het boek over de monumentale glaskunst van Annemiek Punt. Samen met uitgever, redacteur en collega Joost de Wal en godsdienst(kunst)filosoof Wessel Stoker heb ik een analyse gemaakt van het gebouwgebonden oeuvre van deze kunstenares, die een van de weinige glazeniers is in Nederland.

Wat dat heeft gebracht? Daar krijg je een aardige indruk van door de recensie van Roel Sikkema in Nederlands Dagblad onder deze link.

Een enkel citaat dat aanhaakt op het eerdere boek over Annemiek Punt, Passie in glas, uit 2009:

  • ‘Maar het nieuwe boek is toch andere koek. “Het is door kunsthistorici geschreven, die een duiding geven van mijn werk”, zegt Annemiek Punt. “Het werk krijgt zo een plaats in de kunstgeschiedenis tussen dat van anderen. Het is heel merkwaardig als anderen over jou schrijven. Het is net of ik mezelf daar beter door leer kennen.”’

Het grappige is dat dit ook haar eerste reactie was toen ze mijn artikel in concept had gelezen.

Nederlands Dagblad vat mijn bijdrage samen in sleutelbegrippen als expressionisme, Joep Nicolas, Kandinsky, Cobra; de (spontane) mimesis en impliciet de herkenning door de toeschouwer. Hoewel ik hierbij een verbinding leg met de symboliek en spirituele kant van het werk van Punt, heeft Sikkema dat aspect vooral uitgediept bij het stuk van Wessel Stoker. Zijn paradox dat ‘het calvinisme de abstracte kunst heeft bevorderd’ wordt mooi geïllustreerd aan de hand van het werk van Punt. Wat onderbelicht blijft in de recensie is de oeuvrelijst die Joost de Wal heeft opgesteld, zijn stuk over de twee majeure technieken van Annemiek Punt – glas in lood en glasfusing – en een biografie in jaartallen. Allemaal zaken waardoor het boek een volwaardige monografie is geworden.

Nederlands Dagblad draagt als motto: ‘Christelijk betrokken’. Het zal dan ook niet verbazen dat deze krant gereformeerde roots heeft. Waarom ik hier de aandacht op vestig? Omdat de laatste recensies van mijn monografie over de nieuwe Bavo eveneens uit de protestants christelijke hoek komen. Ik ben benieuwd of het bij dit boek over Annemiek Punt ook zo stil blijft in de katholieke pers.

B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen en verdere informatie

  • Het boek over Annemiek Punt kan geciteerd worden als: Wal, Joost de, Bernadette van Hellenberg Hubar en Wessel Stoker. Annemiek Punt Monumentale glaskunst 1980-2017. Utrecht: Gebr. de Wal, 2017. ISBN 978-90-817976-2-7.
  • Wil je digitaal door het exemplaar bladeren of het boek bestellen? Volg dan deze link.
  • Voor een PDF van de recensie in Nederlands Dagblad surf je naar deze URL.

Verkorte link van dit item op de webpagina met recensies: http://bit.ly/2u3fY3J

Verkorte link van deze blog: http://bit.ly/2uCdiHx

Collectie recensies boek Annemiek Punt

De collectie recensies open ik met die van Rob Weeber vanwege het mooie citaat van Jan Engelman dat hij uit mijn bijdrage haalde. De overige besprekingen staan daaronder, rijp en groen.

Achterhoek Nieuws 8 juli 2017

BORCULO – Hoe kan het toch dat ook bekende kunstenaars relatief onbekend blijven en slechts een kleine groep in het (wetenschappelijk) brandpunt van de belangstelling komt te staan? Als leek is het moeilijk om te beoordelen wat echte kunst is en wat het belang ervan is voor de mensheid. Het moet dus van een andere groep mensen komen, kenners zoals kunsthistorici, die ons wijzen op een zekere samenhang van ontwikkelingen in een bepaald tijdperk waarbinnen individuele kunstuitingen hun plek verdienen en waarmee dit tijdsbeeld bevestigd en zelfs jaren na dato ook verdiept wordt.

Door Rob Weeber

De Borculose glaskunstenares Annemiek Punt (1959) maakt al vele jaren bijzonder werk dat internationaal hoog in aanzien staat. Met name haar kennis en toepassing van de versmeltingstechniek van glas (glasfusen) heeft haar al jaren een unieke plek in de (kleine) wereld van befaamde glaskunstenaars bezorgd. Aan nationale bekendheid ontbrak het ook niet, zeker niet na haar creatie in 2006 van het ‘gele’ Jaïrus raam, het glas voor de Nieuwe Kerk in Delft. Volgens de kenners was dit eens te meer het bewijs dat Annemiek niet alleen met glas werkt, maar zelfs ‘in glas denkt’. Sinds 1980 heeft ze meer dan zeventig opdrachten uitgevoerd voor gebouwen, kerken, stiltecentra, instellingen en woningen, variërend van ramen tot glaspanelen en glasreliëfs. Het maken van werken voor gebouwen wordt ook monumentale kunst genoemd. En juist hiermee heeft ze zich dermate onderscheiden dat ze nu ook door de wetenschap is omarmd. Haar werk is geduid onder de stroming abstract expressionisme en vergeleken met het werk van grote voorlopers als de Nederlanders Joep Nicolaas en Gunhild Kristensen, de Duitser Wassily Kandinsky, bekend van ‘Der Blauwe Reiter’ en de Amerikaan Jackson Pollock. Joep Nicolaas gold als een van Nederlands meest bekende en vernieuwende glazenier en glaskunstenaar van de 20e eeuw. Het monumentale werk van Annemiek Punt is begin 2016 op initiatief van kunsthistoricus dr. Joost van Wal onderzocht door kunsthistorica dr. Bernadette van Hellenberg Hubar en godsdienstfilosoof prof. Dr. Wessel Stoker. Dit heeft geresulteerd in een definitieve plek van haar monumentaal glaskunstwerk binnen de vaderlandse kunstgeschiedenis. Het werk is onder meer getoetst aan de hand van drie begrippen, schoonheid, betekenis voor de wetenschap en cultuurhistorische waarde. Maar misschien wel is het mooiste compliment aan haar het citaat dat kunsthistorica Van Hellenberg Hubar aanhaalt. Het dateert uit 1955 van Jan Engelman: “Door al dat denken in generaties en groeperingen, door het beate geloof in “de” ontwikkeling der kunst, zijn wij vorstelijk aan het vergeten dat de billijkheid en de intelligentie ons opleggen, ieder figuur (en zelfs ieder schilderij) als een apart fenomeen te beschouwen.”

Dr. Joost van Wal heeft een boekje over het monumentale werk van de afgelopen 35 jaar van Annemiek Punt uitgebracht, voorzien van uitleg van hemzelf en de beide onderzoekers en natuurlijk met veel afbeeldingen van de betreffende werken. De titel is: Annemiek Punt, Monumentale glaskunst 1980-2017 (ISBN 978-90-817976-2-7). Op 9 juli is de presentatie ervan in de galerie van Annemiek Punt aan de Kloosterstraat 5 te Ootmarsum. Iedereen is van harte welkom tussen 14.00 en 17.00 uur.

In november verschijnt er bovendien een artfilm over het werk en leven van Annemiek Punt, gemaakt door de bekende cineast Fokke Baarssen uit Zwolle. Deze film is te zien tijdens een expositie bij Te Lintelo Wonen in de Spoorstraat in Haaksbergen. Voor meer informatie over Annemiek Punt:
www.annemiekpunt.nl

Nederlands Dagblad 7 juli 2017

Recensie Nederlands Dagblad 7 juli 2017 boek ‘Annemiek Punt Monumentale glaskunst 1980-2017’.

Op 9 juli 2017 verscheen het boek over de monumentale glaskunst van Annemiek Punt. Samen met uitgever, redacteur en collega Joost de Wal en godsdienst(kunst)filosoof Wessel Stoker heb ik een analyse gemaakt van het gebouwgebonden oeuvre van deze kunstenares, die een van de weinige glazeniers is in Nederland.

Wat dat heeft gebracht? Daar krijg je een aardige indruk van door de recensie van Roel Sikkema in Nederlands Dagblad, waaraan ik een afzonderlijke blog heb gewijd.

Tubantia 7 juli 2017

Peter Zandee, ‘Boek over glaskunst Borculose Annemieke Punt ten doop in Ootmarsum’ — BORCULO / OOTMARSUM – De monumentale glaskunst van Annemiek Punt (1959) doet er toe, kunsthistorisch gezien. De kunsthistorici Bernadette van Hellenberg Hubar en Joost de Wal en godsdienstfilosoof Wessel Stoker hebben onderzoek gedaan naar de kunstwerken van Annemiek Punt en beschrijven ze in het boek Annemiek Punt, Monumentale glaskunst 1980-2017.

Lees dit artikel verder op de site van Tubantia of via Evernote.

Verwijzingen en verdere informatie

  • Het boek over Annemiek Punt kan geciteerd worden als: Wal, Joost de, Bernadette van Hellenberg Hubar en Wessel Stoker. Annemiek Punt Monumentale glaskunst 1980-2017. Utrecht: Gebr. de Wal, 2017. ISBN 978-90-817976-2-7.
  • Wil je digitaal door het exemplaar bladeren of het boek bestellen? Volg dan deze link.
  • Volg deze links voor meer informatie over Joost de Wal en uitgeverij Gebroeders de Wal.
  • Voor een PDF van de recensie in Nederlands Dagblad surf je naar deze URL.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2u3fY3J

Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract

Fatimahuis Weert. Marij Coenen, mei 2016.
Het Fatimaraam van Charles Eyck in het Fatimahuis (voorheen de Fatimakerk) te Weert, uit 1957. Als Eyck de figuren had weggelaten, zou het glas niets aan zeggingskracht hebben ingeboet. Het bleek niet eenvoudig om een begaanbaar pad te kiezen tussen figuratief, decoratief of abstract in de na-oorlogse kerkelijke kunst. Foto Marij Coenen, mei 2016.

_______________

Na de Tweede Wereldoorlog pakten de kunstenaars vrijwel allemaal hun figuratieve stijl op van voor 1940. Maar de nieuwe abstracte kunst drong op. Wat betekende dit voor de kerkelijke kunst? 

Je zou denken dat dit een theoretisch probleem is, maar dat is allerminst het geval. Los van hoe dit de kunstenaars aan het hart ging, heeft dit consequenties voor hoe wij hun werk waarderen. En dat heeft weer gevolgen voor het toekomstige lot van de fysieke objecten.

Zoals ik in de mirror* ‘De kerk als buit’ heb uitgelegd, zullen de komende jaren veel – erg veel – kerkgebouwen gesloten worden.* En waar blijft dan de uitmonstering? Sterker nog, in hoeverre zijn die inrichtingen geïnventariseerd of gewaardeerd? Want als we als maatschappij willen besluiten welke kerken wel of niet behouden blijven, tellen de uitmonsteringen natuurlijk mee. Dat betekent registreren wat je in huis hebt en de waarden daarvan vaststellen. Dat laatste kan alleen als we voldoende weten van de kunst in kwestie. Op dit gebied bestaat echter een behoorlijk grote kennisleemte die onder meer ontstaan is, doordat kunsthistorisch Nederland lange tijd alleen oog had voor de avant-gardekunst. Maar er is heel wat meer gemaakt tijdens de wederopbouw en de daarop volgende decennia.

In Breda hebben ze op deze problematiek een voorschot genomen met het project #KunstinBreda, waarover ik eerder al enkele blogs schreef. De afgelopen maanden ben ik bezig geweest met de waardering van een groot aantal religieuze kunstwerken in kerken, publieke gebouwen en de openbare ruimte. Een behoorlijk groot aantal hiervan dateert uit de periode 1935-1965, de tijdspanne waarover dit thema in het bijzonder gaat. In de jaren 1930 was het barok expressionisme wat de klok sloeg, zoals ik heb uitgelegd in het item over het wegkruis van Leen Douwes. Veel kunstenaars zetten dit voort na de oorlog, waardoor nog tot in de jaren zestig hiervan voorbeelden zijn te zien, zoals het tableau van Joep Nicolas in de Koninklijke Militaire Academie van Breda (1964). Daarnaast had je onder de glaskunstenaars de sterke invloed van Heinrich Campendonk, hoogleraar aan de Rijksacademie in Amsterdam, wiens invloed in naoorlogs Breda onder meer doorwerkte via het oeuvre van Marius de Leeuw, Jan Dijker en Gerrit de Morée. Met name hier zie je dat manoeuvreren met de kool en de geit tussen figuratief, decoratief of abstract.* Collega-onderzoeker Monique Dickhaut, bezig met een promotieonderzoek naar naoorlogse Limburgse kunst, wees me erop dat veel van wat als abstract gepresenteerd werd in feite decoratief was.* Zelf viel me op dat veel van wat abstract wordt genoemd vanzelf weer figuratief wordt – of lijkt te worden – als gevolg van de spontane mimesis. Ik zal dit hieronder toelichten, maar hier kan al opgemerkt worden dat je in beide gevallen zou kunnen spreken van een ontsnappingsclausule. Dat had niet alleen met esthetische of maatschappelijke vraagstukken te maken – figuratief werd op een bepaald moment geassocieerd met het realisme van de totalitaire staten – maar ook, of liever opnieuw met de kerk.

De kerk en de kunst: figuratief, decoratief of abstract

Wie meer over de strijd van de kerk tegen de moderne kunst wil weten moet het boeiende artikel lezen van Jos Pouls, ‘Tussen Rome en Parijs’.* Hierin bespreekt hij onder meer de reuring rond de eerste tentoonstelling over moderne kerkelijke kunst in Nederland in het Van Abbemuseum in 1951. Onder het motto dat Nederland wakker geschud moest worden, had Edy de Wilde deze overgenomen van Musee d’Art Moderne in Parijs. Dat wakker schudden lukte, want heel Nederland kwam er op af. Niemand die ook maar iets met kerkelijke kunst te maken had ontbrak. Was het dan zo schokkend wat er was te zien? Vandaag zouden we zeggen van niet – gelet op de expressionistische en kubistische signatuur – maar toen bleek het een graadmeter te zijn voor wat de Kerk (met een hoofdletter) accepteerde.


Kort en goed was er nauwelijks iets veranderd ten opzichte van de situatie van voor de oorlog, ook al was de sterke vernieuwingsbeweging vanuit Frankrijk – waarvan de bovenstaande diaserie een indruk geeft – evenmin te stuiten. Ik heb de belangrijkste jaartallen aan de hand van Pouls in een kroniek gerangschikt.* Wat blijkt als we ze langslopen:

  • 1920 | De veroordeling van de expressionistische kruisweg van Albert Servaes (hierover vertelde ik al iets bij het wegkruis van Leen Douwes). De waardigheid van Christus was in het geding.
  • 1931 | De veroordeling van de tentoonstelling van expressionistische moderne religieuze kunst in Essen als ‘arte blasfema’: met name de vertekening en misvorming van de door God geschapen ‘werkelijkheid’, die in de visie van de kerk geïdealiseerd hoorde te worden in vorm, factuur en kleur, was onacceptabel.
  • 1946 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Pablo Picasso en Henri Matisse.
  • 1947 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Piet Mondriaan (2.9).
  • 1947 | De encycliek Mediator Dei stelt dat ‘moderne voorstellingen en vormen niet uit vooringenomenheid mochten worden verworpen en dat kerkelijke kunstenaars vrij moesten worden gelaten’. Dit ging niet zonder mitsen en maren, want opnieuw klinkt het verzet tegen moderne kunstwerken die immers ‘misvormingen en verkrachtingen zijn van de gezonde kunst en bovendien menigmaal flagrant in strijd met de christelijke betamelijkheid, zedigheid en vroomheid’.
  • 1947-1949 | Met het voorgaande was de toon gezet voor de strijd rond de ‘blasfemische’ kruisweg van Aad de Haas in Wahlwiller die hij tenslotte zelf verwijderde uit de kerk. Omdat hier nooit een officieel verbod op is gelegd door Rome, kon deze in tegenstelling tot die van Albert Servaes, teruggeplaatst worden.
  • 1947-1948 | De dominicanen M.A. Couturier en P. Regamey – bevriend met onder meer de filosoof Jacques Maritain en zijn netwerk van hedendaagse kunstenaars – starten in hun tijdschrift Art sacré een offensief voor de toepassing van moderne kunst in de kerk.
  • 1948 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: De experimenteelen (Cobra) (dia 2.9).
  • 1948 | P. Régamey is als spreker aanwezig op het con­gres over ‘Nederland’s Nieuwe Kerken’ in Rotterdam, waar hij vernieuwing bepleit. Zijn lezing wordt gepubliceerd in het Katholiek Bouwblad.
  • 1948 | In het Gildeboek (een periodiek voor kerkelijke kunst) wordt verslag gedaan van het congres over moderne religieuze kunst in Parijs, opgezet door M.A. Couturier en P. Regamey.
  • 1950 | Onder invloed van Art sacré worden de eerste moderne kerken in Frankrijk gebouwd en ingericht met behulp van – deels niet-katholieke – kunstenaars. Een van de meest aansprekende voorbeelden hiervan is Notre Dame de Toute Grâce in Assy, waar de dominicaan Couturier onder meer als glaskunstenaar bij betrokken was (dia 1.2). Hier vind je tegeltableaus van Henri Matis­se (dia 1.7) en Marc Chagall (dia 1.4), glazen van onder meer Georges Rouault (dia 1.3) en een bijzonder crucifix van Germaine Richier (dia 1.6). De voorgevel is gesierd met een reusachtig mozaïek van Fernand Léger (dia 1.1). Een ander voorbeeld in dit medium komen we tegen aan de binnenkant en dat is van een kunstenaar die ook in Breda heeft gewerkt: Théodore Stravinsky (dia 1.5). Als we de monumentale kunst in deze kerk onder een stilistische noemer willen samenvatten, dan is het expressionisme, en wel in een vorm die voor de oorlog al gangbaar was. Wat dat betreft hoeft alleen gewezen te worden op George Raoult, van wie werk opgenomen is in het toonaangevende naslagwerk van de kunsthandelaar Clemens Meuleman – Hedendaagsche religieuse kunst – uit 1936.
  • 1950 | Recensie in Limburgsch Dagblad van de tentoonstelling van ‘moderne Franse religieuze kunst in het Palazzetto Venezia’ te Rome, ‘welker welsprekende woordvoerder, de Dominicaner pater Pie Régamey is’: met onder meer werk van Marc Chagall, Alfred Manessier (dia’s 2.4 en 2.8). Henri Matisse, Georges Raoult en Georges Braque. De recensent verwijst onder andere naar Jacques Maritain en meent: ‘ook deze expositie herbergt haar deformaties, haar extremiteiten’, maar het zijn er relatief weinig.
  • 1951-1955 | In een van de meest progressieve bisdommen van Frankrijk, Besançon, kwam hèt icoon van de moderne kerkbouw tot stand: Notre-Dame-du­-Haut in Ronchamp van Le Corbusier (dia 2.2). Hij ontwierp zowel het gebouw als de monochrome glazen die hij zelf gebrand zou hebben.
  • 1951 | Tentoonstelling ‘Moderne religieuze kunst uit Frankrijk’ in het Van Abbe­museum in Eindhoven met een sterke expressionistische nadruk. De reacties varieerden van uitgesproken positief tot negatief. Apart is de vaak positieve aandacht die Alfred Manessier(dia’s 2.4 en 2.8) krijgt die als een van de weinigen met haast volledig abstracte doeken aanwezig is. Hij past bij uitstek in de visie van Couturier en Regamey dat met name de abstracte kunst goed ingezet kon worden om het religieuze ‘binnenleven’ uit te drukken.
  • 1950-1953 | Reactie Vaticaan: veroordelingen, anti-modernistische richtlijnen en verplaatsing kunstvoorwerpen. Casus: crucifix van Germaine Richter werd verwijderd uit de kerk van Assy (dia 1.6).
  • 1951-1955 | Katholieke kunstenaars en hun organisaties omarmen het voorbeeld uit Frankrijk. Exponenten in Nederland zijn onder meer de glaskunstenaar Daan Wildschut (dia 2.5) en beeldhouwer Nic Tummers (dia 2.6).
  • 1957-1958 | Omslag in het Vaticaan met de bedevaartkerk Madonna della Lacrime in Syracuse (Italië) in een futuristische kegelvorm uit gewapend beton (1957) (dia 2.7). Voorts werd het semi-abstracte werk ‘Doornenkroon’ van Alfred Manessier uit 1954 door de kerk in 1958 bekroond (dia 2.8).
  • 1962-1965 | Tweede Vaticaans Concilie.

Ik zou de lijst nog wel wat verder kunnen uitbreiden, maar dit is voldoende om te begrijpen waarom datgene wat we standaard als het gevolg van Vaticanum II karakteriseren, vaak al enige jaren ouder is, terwijl opnieuw duidelijk is dat de uitgesproken en dramatische versie van het expressionisme na de oorlog niet alleen opnieuw ‘modern’ was, maar onveranderd de gebeten hond bleef van Rome. Dit kan een extra aansporing zijn geweest voor al die kunstenaars om vast te houden aan de barokke variant die na 1931 tot ontwikkeling kwam, zoals Leen Douwes en Jacob Ydema.* Tegelijkertijd valt op dat maar weinig artiesten zich aan de abstracte kunst waagden, zelfs al was deze door de twee dominicaner pioniers was gepromoveerd tot volwaardig medium voor de uitdrukking van kerkelijke kunst en religieuze gevoelens. Een van de weinigen die daarin heel ver ging was Alfred Manessier die hier voor de oorlog al mee experimenteerde. Zijn werk geeft aan dat het de mannen van Ars sacré ook echt te doen was om abstract in de zin van optimaal non-figuratief.

Mimesis trouvé

De goede verstaander hoort het al: optimaal non-figuratief. Waarom ik deze nuance introduceer? Omdat het bijna ondoenlijk is pure abstracte kunst te maken. Óf het werk gaat in de richting van de geometrische abstractie, waarbij al snel een decoratieve boventoon doorklinkt. Óf de lijnen en vlakken hergroeperen zich in onze ogen tot herkenbare vormen: de spontane mimesis of mimesis trouvé die vaak geassocieerd wordt met Leonardo Da Vinci. Hij beschreef als eerste (?) hoe zich uit de wolken en – minder romantisch – bevlekte en vol gespogen muren figuren losmaakten.* De moraal van het verhaal is duidelijk: het menselijk oog kan zichzelf niet beletten om in de chaos van vormen het herkenbare naar voren te halen en de meest elementaire daarvan zien we bij de vroegste tekeningen van ieder kind: de kopvoeters die Cobra tot een artistiek leidmotief maakten (dia 2.9).*

Wat het met onze waarneming doet valt goed te illustreren aan de hand van het ‘moderne’ hoogaltaar van de heilig Hartkerk in Breda (dia 2.10). Toen het onder invloed van Vaticanum II regel werd om de mis te vieren met het gezicht naar het kerkvolk toe, was een nieuw hoogaltaar nodig. Het bestaat uit een tombe en altaarblad uit natuursteen met een zeer eenvoudige, maar weloverwogen ornamentiek. De inkepingen in de mensa suggereren stenen plooien. Op de tombe is het kruis in het midden het enige herkenbare embleem dat omringd wordt door omhooggaande, ‘zittende’ lijnen die vanuit de mimesis trouvé geïnterpreteerd kunnen worden als gelovigen rondom Christus. Het is duidelijk een van die voorbeelden waarbij de kerkelijke kunst de zwenking naar het abstracte maakt, maar wel op die manier dat het ook als decoratief geïnterpreteerd kan worden, zodat het geen aanstoot zou geven. Tegelijkertijd wordt de spontane mimesis geprikkeld die tot een figuratieve beleving leidt.

Toets: de Fatimakerk in Weert

In dit verband is het interessant om een uitstapje te maken naar Weert, naar de Fatimakerk van Pierre Weegels (1953) (dia 2.1). Hier ontwierp Hugo Brouwer in 1959 – naar verluidt – de eerste abstracte ramen voor een kerk, nadat Charles Eyck in 1957 zijn grote Fatimaraam boven de orgeltribune zag geplaatst. Dit laatste oogt als een explosie van wervelende zonnen die het centrum vormen van uitschietende vleugels van kleur, waarin de futuristisch beïnvloede zaagtandlijnen voor nog meer snelheid zorgen. Te midden van deze nagenoeg volledig abstracte dynamiek bewegen zich enkele figuren als dragers van het verhaal. De uitdrukking van dit machtige gebeuren gaf de kunstenaar een – mogelijk ook in zijn ogen – legitieme gelegenheid om over de grenzen van zijn figuratieve idioom te kijken. En een sterke expressionistische flair is het resultaat.

Wanneer Hugo Brouwer een paar jaar later, in 1959, opdracht krijgt voor de beglazing van het schip kiest hij voor een heel andere route dan Charles Eyck. Ze hebben dan al eerder aan een project gewerkt: de Catharinakerk van Pierre J.H. Cuypers te Eindhoven, waar door het oorlogsgeweld alle glazen verdwenen waren.* Eyck heet daar onder meer abstracte roosvensters ontworpen te hebben, maar die zijn nu net bij uitstek decoratief en borduren voort op de geometrische ontwerpmethode waarin de generatie van Joseph Cuypers zo sterk was (dia 2.11). De twee voorbeelden van Charles Eyck vormen een pittig contrast met het werk van Brouwer. In de Fatimakerk ontwierp de kunstenaar liefst twee maal vijf ramen in de lichtbeuk van het schip en twee in die van de apsis, terwijl hij voorts op het niveau van de zijbeuk verschillende medaillons met glas bezette. Hij koos hierbij voor een wisselend palet in verschillende combinaties, waarbij vooral de optische kwaliteit van het gekleurde glas werd benut, met naast elkaar geplaatst vlakken van gelijke kwaliteit. Grisaille werd achterwege gelaten om plastische suggesties van schaduwen te vermijden (dia’s 2.14-2.17).

Opzet was om het lineaire, tweedimensionale karakter van het ontwerp optimaal tot uitdrukking te laten komen. Daardoor wordt ook het decoratieve karakter van dit werk bepaald. De vernieuwing ligt in de stap die Brouwer vervolgens zet. Hij laat zich inspireren door het idioom van toonaangevende kunstenaars uit de Parijse scene om vervolgens met eigen oplossingen te komen. Het is fascinerend hoe hij omgaat met de surrealistische beeldtaal van Joan Miró (dia 2.12). Maar de meest veelzijdige invloed die hij ondergaat is die van Pablo Picasso (dia 2.13). Zo ontstonden ramen, waarin het motief van de stromende lijnen van Miró of Matisse is overgenomen. Hiertussen zijn basale geometrische figuren gevlochten die je bij Miró als geïsoleerde schema’s tegenkomt, ieder met hun eigen archetypische lading. Brouwer heeft duidelijk een voorkeur voor cirkels, driehoeken en ellipsen (dia 2.14). De invloed van Picasso herken je onder meer in een raam, waar uit de lijnen en gesloten omtrekken een grotendeels naakte, gedeformeerde vrouwenfiguur tevoorschijn komt. Hierbij wordt duidelijk ingespeeld op de mimesis trouvé. Dat gaat nog sterker op voor een van de andere glazen, waarin je een soort geabstraheerde, zij het geheel geklede Venus van Milo kunt herkennen. Iconografisch zou je die twee kunnen herleiden tot Eva en Maria of Judith (dia 2.15). Of dat correct is vraagt om een ander type onderzoek.

Behalve de twee vrouwenfiguren zijn er ook enkele dieren te herkennen, evangelistensymbolen nog wel: de vogel (adelaar) van Johannes, de stier van Lucas en de leeuw van Marcus (dia 2.16). Met elkaar maken ze deel uit van een oeuvre waarin de mimesis trouvé voor een groot deel is losgelaten en het decoratieve karakter van de abstracte kunst weer naar voren treedt. Wat bij dit segment opvalt, is de – vermoedelijke – toepassing van het automatische handschrift dat zich vaak uit in enkele alles verbindende lijnen (dia 2.17). Hoewel op dit gebied nog veel vergelijkend onderzoek gedaan moet worden, is het wel duidelijk dat Hugo Brouwer een bijzondere prestatie heeft neergezet in Weert, waarbij een serieuze stap is gezet om de eigentijdse abstracte beeldtaal te implementeren in de kerkelijke kunst.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

De * in bovenstaande tekst verwijst naar de volgende bronnen, samengesteld met behulp van Zotero.

  • De mirror op ifthenisnow.nl is een digitale constructie waarmee then en now tegenover elkaar geplaatst worden. Volg daarvoor de link onder de volgende bullet point.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “De kerk als buit | if then is now”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2g4EuZd.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Spolia”. if then is now. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2f4Bvkq.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Uitmonstering”. if then is now. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2dPFUas.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “#KunstinBreda | Religieuze kunst, Waardestellingen van uitmonsteringen en clusters.” Ohé en Laak, 2017.
  • “Monique Dickhaut | LinkedIn”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZfuCd.
  • Poels, Jos. “‘Tussen Rome en Parijs’, De context van een omstreden tentoonstelling van moderne religieuze kunst in Eindhoven (1951).” Trajecta. Tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden 11 (2002): 129–54.
  • De kroniek aan de hand van Pouls is aangevuld met significante momenten, ontleend aan Jobse, Jonneke. De schilderkunst in een kritiek stadium?: critici in debat over realisme en abstractie in een tijd van wederopbouw en Koude Oorlog: 1945-1960. Kunstkritiek in Nederland 1885-2015. Rotterdam: nai010 uitgevers, 2014.
  • “Surrealisme”. Geraadpleegd 1 januari 2017. http://kunst-modernisme.blogspot.com/p/surrealisme.html.
  • “Fatima Huis Historie”. Fatima Huis. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZjrqE.
  • Reliwiki. “Weert, Coenraad Abelsstraat 31a – Onbevlekt Hart van Maria – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZc1nb.
  • Thoben, Peter. “De ramen van de St.Catharinakerk – De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven”. Geraadpleegd 26 december 2016. http://bit.ly/2ixF16t.
  • Brouwer, Jos, Sybrand Zijlstra, en Hugo Brouwer. Hugo Brouwer. Eindhoven: (Z)OO producties, 2013.
  • Reliwiki. “Tilburg, Ringbaan West 300 – Margarita Maria Alacoque – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZ5sRw.

Jan Dijker, glazen apsis Margarita Maria Alacoquekerk, Ringbaan West 300, Tilburg. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.
Jan Dijker, De abstract-decoratieve glazen in de apsis van de Margarita Maria Alacoquekerk aan de Ringbaan West te Tilburg dateren van 1961. Ik heb hier veel herinneringen liggen, omdat dit mijn parochiekerk was. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.

_________

Dit webartikel kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract’, op: vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/2folRjT (2016).
Het item ook te vinden op ifthenisnow.eu. Op deze site is het zowel geplaatst in het hoofdstuk #kerkverhalen als – door middel van een doorverwijzing – op #glas.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2folRjT

Terug naar de hoofdpagina #Kerkverhalen!
Terug naar de hoofdpagina #Glas!

 

 

BewarenBewaren

BewarenBewaren

’n Project in verrassend Breda

Theodore Strawinsky, Madonna met kind tussen Mozes en een heilige priester (bvhh.nu 2016)
Théodore Stravinsky, Madonna met kind tussen Mozes en een heilige priester als voorafbeelding en vervulling van de oude en de nieuwe wet (1963). Théodore (1907-1989) was de oudste zoon van Igor Stravinksy en een gevierd kunstenaar in zijn tijd. Deze schildering direct op de baksteen – een kunstgreep die tijdens het interbellum ontwikkeld werd – bevindt zich zich in de herbestemde Fatimakerk van de architecten Alphons Siebers en Wim van Dael (bvhh.nu 2016).1 De schildering behelst een interessant iconografisch raadsel.2

__________

Bij het project #KunstinBreda staat het schrijven van waardestellingen centraal en dat is werk wat ik heel graag doe, omdat je dan allerlei verbindingen mag, kunt en moet leggen. In Breda heeft de afdeling erfgoed al de gebouw- en ruimtelijk gebonden kunst laten inventariseren. Voor zover deze niet beschermd is als onderdeel van een gemeentelijk of rijksmonument, worden de objecten gewaardeerd aan de hand van de erfgoedmeetlat, een instrument dat Breda heeft ontwikkeld voor het gemeentelijk erfgoedbeleid. Mijn opdracht betreft het kerkelijke erfgoed. Het team bestaat uit collega-onderzoeker Marjanne Statema die de inventarisatie opstelde, en Marc Berens en Diewert Berben van de gemeente Breda.

Met dit werk keerde ik tot mijn verrassing terug naar De genade van de steiger, want enkele vondsten heb ik alleen kunnen doen door de kennis die ik tijdens het onderzoek en schrijven van dat boek heb opgedaan.3 Vooraan staat het bijzondere wegkruis van Leen Douwes (1930) die sterk geïnspireerd was door Albert Servaes. Dat viel in de context van de problematische verhouding van de R.K. Kerk tegenover de hedendaagse kunst van toen te plaatsen, dankzij de schier onuitputtelijke collectie digitale bronnen en de zoekmachine van de Koninklijke Bibliotheek, Delpher.

Een eerste blik op de inventarisatie laat overigens al zien dat Breda over een prachtige collectie beschikt van hoge kwaliteit. Aan de ene kant zal te maken hebben met de positie van bisschopsstad, aan de andere kant met de aanwezigheid van de kunstacademie Sint Joost. Helemaal aan het slot van het project ontdekte ik iets dat daar meer licht op werpt en daar kom ik nog op terug. Een spannend project dus, dat hier en daar tot interessante zijlijntjes leidt, zoals mijn item over de Laurentiuskerk in ’t Ginneken op ifthenisnow.eu illustreert. En dat had ik weer niet kunnen schrijven zonder mijn boek over de nieuwe Bavo, omdat hier in beide gevallen architect Joseph Cuypers en zijn vennoot Jan Stuyt bij betrokken waren.

Met verrassend Breda is trouwens niet miszegt, want er komen heel wat interessante zaken naar voren, zoals:

  • de – raadselachtige iconografie van – de schildering van Théodore Stravinsky.
  • het verhaal over de pyrofotografie in Huize Liesbosch.
  • de speurtocht naar expressionistische wegkruisen: wat maakt het beeld van Leen Douwes zo bijzonder?
  • ook de architecten Pierre J.H. en Joseph Th.J. Cuypers en hun ateliers voor kerkelijke kunst hebben hun stempel gedrukt op #KunstinBreda.
  • wist je dat Breda een van de vroegste werken in glas in lood van Marius de Leeuw bezit?
  • en het meest monumentale profane werk van Joep Nicolas in vermurail?
  • en werk dat getuigt van de opstelling van kunstenaar(s) – zoals Albert Meertens – tijdens de oorlog (de Nederlandsche Kultuurkamer).
  • vermeldenswaard is ook de manier waarop (toch) een individuele artistieke toets wordt gegeven aan de populaire icoon van O.L. Vrouwe van Altijddurende Bijstand.
  • en wat dacht je van de kleine collectie heilig Hartbeelden in de publieke ruimte die  niet – zoals vaak wordt gedacht – fabrieksmatig zijn gemaakt, maar voor het gros uit werk bestaat van professionele kunstenaars en ateliers.
  • een juweel van wederopbouwkunst bleek de uitmonstering van de kerk van Prinsenbeek uit 1963, waarmee wordt bevestigd dat de vernieuwing van de kerkelijke kunst in Nederland al vóór Vaticanum II doorzette.
  • en, en …

Nieuwsgierig naar het project, bekijk dan de twitterlijst via deze link of volg me op twitter (#KunstinBreda).

B.4

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


  1. Voor Théodore Stravinsky zie Wikipedia. Voor Alphons Siebers en Wim van Dael, de inleiding tot de inventaris van het architectenbureau op het Nai/HNI: http://bit.ly/2cYBltJ

  2. Ten onrechte wordt de figuur rechts van Maria met kind geïdentificeerd als keizerin Helena, vanwege haar vondst van het heilig Kruis. Het is echter ondenkbaar dat een vrouw met een kelk met de hostie wordt afgebeeld en die ontbreekt dan ook in de traditionele iconografie van Helena, die verder altijd met een kroon wordt afgebeeld. Mijn aanvankelijke idee van Christus Eucharisticus heb ik laten vallen, omdat de kruisnimbus ontbreekt die bij het Jezuskind wel aanwezig is. Een iconografische puzzel of een anomalie, waarbij Helena wel met de kelk en de hostie is afgebeeld? 

  3. Zie http://bit.ly/GevdS 

  4. Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2eLzFTL 

Wegkruis Leen Douwes (1930)

Wie helpt mee met de zoektocht naar expressionistische wegkruisen?

Om de diashow gedetailleerd te bekijken, druk op de pauzeknop en wandel er met de pijltjes doorheen. Via het pijltje omlaag rechts naast het woord dia kun je direct doorgaan naar de gewenste dia.
________________________________________

Bij het project #KunstinBreda ontdekte Marjanne Statema onder meer dit wegkruis met een houten corpus van kunstenaar Pieter Leendert Douwes, beter bekend als Leen Douwes (1879-1965). Met zijn dramatische corpus is het geen alledaags wegkruis. Vooral niet als je bedenkt dat dit soort objecten, die de meest barre weersomstandigheden moesten trotseren, vaak bestonden uit exemplaren die industrieel waren vervaardigd en dus in principe vervangbaar waren. Met name Frankrijk kende een ware massaproductie in devotionalia, bekend geworden onder de naam van ‘style saint-sulpicien’, vernoemd naar de winkels en magazijnen met heiligenbeelden rond de kerk van Saint Sulpice in Parijs.* Deze ‘zielloze’ reproducties riepen in Nederland met name bij de jonge katholieke voorhoede van het tijdschrift De Gemeenschap veel weerstand op (dia 3). In 1929 klaagde een van de kopstukken, de kunstcriticus Jan Engelman, dat je vroeger onder de volkskunstenaars ’n gewone timmerman had:

  • ‘die een goeden Christus voor den wegkant schiep. Saint-Sulpice, de Neo-Gothiek, Beuron en het Gesellschaft für Christliche Kunst: het is verder bijna alles cliché en verstarring’.*

Natuurlijk was dit gechargeerd, maar het lijkt wel direct te anticiperen op een actie in Brabant een jaar later om in plaats van fabrieksbeelden een artistiek genre wegkruisen te ontwikkelen en te plaatsen. Dit haalde de pers, waarin fel werd geageerd tegen fabrieksmatige corpussen en elkaar reproducerende afgietsels. De initiatiefnemers menen:

  • ‘Het beeld moet wèl voor zichzelf spreken. En dit zal het ook doen, wanneer het door een kunstenaar wordt vervaardigd, — door iemand die rekening houdt met de omgeving, met den aard der bevolking, met den achtergrond’.*

Het artikel daarover in ‘De Tilburgsche Courant’ blijkt geflankeerd te worden door een bericht dat P.L Douwes opdracht heeft gekregen om een wegkruis ‘geheel uit hout’ te maken. Het wordt ‘een oorspronkelijk kunstwerk […] van een Nederlandschen beeldhouwer’.


Collage details wegkruis Leen Douwes (1930). Foto’s Marjanne Statema (2014).

Met de kwalificatie oorspronkelijk is niets miszegt, ook al is op dit moment nog niet duidelijk hoe oorspronkelijk. Wel bracht het onderzoek een recensie aan het licht die een mooi beeld van de kunstenaar geeft. Collega-kunstenaar Gerrit de Morée vergelijkt hierin het werk van de autodidact Douwes met dat van de Belgische expressionist Albert Servaes: in 1920-1922 speelde de roemruchte affaire rond diens kruisweg die volgens Rome te menselijk en te smartelijk was, waardoor ze afbreuk deed aan de waardigheid van Christus als God, als Overwinnaar van de Dood en Verlosser (dia 6). Hoewel dat eindigde met een veroordeling van dit kunstwerk – nog altijd de enige kruisweg die niet op plaatsen van devotie tentoongesteld mag worden – heeft Douwes zich daar met zijn corpus niets van aangetrokken: Christus wordt met verwrongen gelaat en lichaam weergegeven, ontdaan van zijn waardigheid. Ook al waren er historische precedenten, zoals het beroemde Isenheimer altaar van Matthias Grünewald (1511-1517), Rome kon zich daar anno 1920 niet (meer) mee verenigen (dia 7).*

Gelet op de cause celêbre die de affaire Servaes vormde – tot ver in de jaren dertig heeft dit de katholieke kunstkritiek beïnvloed – heeft Douwes hiermee een veelzeggende boodschap afgegeven. Het moet de situatie in kerkelijke kringen te Breda tekenen, dat een openbaar religieus kunstwerk op deze manier vorm mocht krijgen. In dit verband is het opvallend dat een ander kruisbeeld van Leen Douwes, in de Sacramentskerk, uit hetzelfde jaar, heel anders van opzet is. Qua schema doet het denken aan het werk van een tijdgenoot uit de Roomse Haagse School, Herman van Remmen (1932).* Hier gaat het om een Christusfiguur die op een gesublimeerde manier lijdt, waardoor zijn rol als Overwinnaar en Verlosser niet in het gedrang komt. In die zin lijkt Douwes de regels van het kerkelijk decorum gevolgd te hebben, dat hij op de vooraanstaande liturgische plaats in een kerk veel terughoudender is, dan in de publieke ruimte.

Het beeld van Douwes is gemaakt op een scharnierpunt in de kerkelijke kunst. Dat blijkt als we het vergelijken met een ander wegkruis in de collectie van Breda. Dit eveneens volledig houten exemplaar van een onbekende kunstenaar, lijkt een robuust vertaalde, gedrongen variant van de gewraakte fabrieksproducten. Van dat jaar dateert overigens ook het apert meer individuele werk van Albert Verschuuren in Udenhout, eveneens een kunstenaarskruis. We schrijven dan 1933, één jaar nadat de R.K. Kerk alle expressionistische kunstvormen veroordeeld had als ‘arte blasfema’. Zelfs het behoorlijk ingetogen werk van de Duitse beeldhouwer Ernst Barlach ging in de ban. De actie van Rome leidde in Nederland tot het alternatief van het barokke expressionisme, waarvan de naoorlogse werken van Charles Eyck en Joep Nicolas in Breda nog getuigen.*


Collage van het werk van Leen Douwes en Ernst Barlach (bvhh.nu. 2016).

Wat Douwes vooral met zijn vakbroeders gemeen heeft, is de nadruk op het belang van het persoonlijke handschrift van de kunstenaar: de factuur, die Douwes net als Barlach in de beitelslag tot uitdrukking brengt. Ook diens inspiratie had Douwes bereikt, wat niet vreemd is omdat er al vanaf 1910 artikelen in de pers verschijnen over het werk van deze Duitse beeldhouwer. Niet alleen waren beide kunstenaars autodidact, maar ook zou Barlach het hout als artistiek medium in ere hersteld hebben. Een prachtig voorbeeld van de beïnvloeding is Douwes’ Theresia van Lisieux in het museum van Breda (na 1925), waarin niet de beitelslag, maar – eveneens vergelijkbaar met Barlach – de prachtige houtnerven de factuur bepalen (dia 9). Tot in het latere werk van Douwes, in de Sacramentskerk uit 1951, is het belang van de factuur groot. Daar ijlt overigens de nieuwe barok na in met name het heilig Hartaltaar waarin opnieuw de smartelijke Christus centraal staat en wel in een opzet die herinnert aan een van de beroemde passievoorstellingen van Rubens. Tegelijkertijd houdt Douwes vast aan de lijdende Christusuitbeelding, die de kerk voor de oorlog uitgebannen had.

Positioneren

Er is geen centrale database om wegkruisen systematisch te vergelijken. Jammer genoeg ontbreekt het begrip wegkruis in de indrukwekkende verzameling van René en Peter van der Krogt. Of dat geholpen zou hebben is de vraag, want kijken we naar de big data in deze sector op Wikimedia, dan blijkt opnieuw hoe moeilijk het zoeken (en vergelijken) is bij een teveel aan informatie en een tekort aan trefwoorden. De zoekterm ‘expressionistisch wegkruis’ leverde op Google maar een serieuze treffer op, eveneens uit Brabant, eveneens van een kunstenaar en eveneens uit 1930: het wegkruis van docent van de Amsterdamse Rijksacademie, Jos Rovers (1893-1976) in Berlicum (in de buurt van Den Bosch) (dia 10).* Het resultaat met de zoektermen ‘wegkruis’ en ‘1930’ hield niet over, doordat een groot deel van het beeldmateriaal een te lage resolutie had. Naar het zich laat aanzien, bestaat het gros van de treffers uit de hiervoor genoemde serieproducten. Overigens verdienen ook deze nader onderzoek, want op dit moment is niet duidelijk, of dit soort corpussen inderdaad uit Frankrijk kwam. Wat in Limburg opvalt zijn enkele naoorlogse expressionistische wegkruisen, waaronder een van Cor van Geleuken (dia 11). Op zich is dit fenomeen verklaarbaar, omdat veel kunstenaars, net als Douwes, de draad van voor de oorlog oppakten. Aparter is een tweetal wegkruisen van na 2000 (dia 11)! De lange adem van het expressionisme maakt het nog interessanter om via dit webartikel meer vooroorlogse voorbeelden te vinden, waardoor het wegkruis van Leen Douwes beter gepositioneerd kan worden.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Expressionistisch ogende wegkruisen van na de oorlog én van na 2000. Collage bvhh.nu 2016.

Bronnen en opmerkingen

De * in de bovenstaande tekst slaat op de volgende bronnen en notities:

  • Het begrip expressionisme wordt hier gebruikt op de manier, zoals toegelicht in mijn boek: Hubar, Bernadette van Hellenberg, Angelique Friedrichs en Gerard van Wezel, De genade van de steiger, monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum, Amersfoort-Zutphen 2013, in het bijzonder bij de waardenstellende termen en begrippen. Zie voorts aldaar de affaire rond de kruisweg van Albert Servaes; de regels van kerkelijke decorum; de katholieke kunstkritiek; Jan Engelman; Herman van Remmen: Saint Sulpice; de veroordeling van het expressionisme door Rome in 1932; de opkomst van het ‘barokke expressionisme’. Voor meer informatie volg: http://bit.ly/GevdS
  • Delpher, zoekterm: eenheidskruis (Tilburgsche courant, 17-07-1930).
  • Delpher, zoektermen: Douwes kruisbeeld Breda (Tilburgsche courant, 17-07-1930; De Tijd, godsdienstig-staatkundig dagblad, 12-07-1930, auteur Gerrit de Morée).
  • Folkerts, Reina, ‘Albert Servaes’, op: kruiswegstaties.nl, http://bit.ly/2dcACWU, (l.b. 2016).
  • Folkerts, Reina, ‘Kruisweg van Luithagen (1919)’, op: kruiswegstaties.nl, http://bit.ly/2d9Q9nF, (l.b. 2016).
  • Wikipedia, ‘Style sulpicien’, op: wikiwand.com, http://bit.ly/2etaDs3, z.j.
  • #KunstinBreda:
    • (nr 243) de bronzen plastiek Sint Michael van Charles Eyck tegen de aula van de begraafplaats aan de Bieberglaan, 1965.
    • (nr 285) het vermurail met de allegorie op ‘Kennis, moed, beleid en trouw’ van Joep Nicolas in de KMA, 1964.
  • Wikipedia, ‘Ernst Barlach’, op: com, http://bit.ly/2cLU34E, z.j.
  • Wikimedia, ‘Category: Sculptures by Ernst Barlach’, wikimedia.org, http://bit.ly/2e6zGDg (l.b. 2015).
  • Delpher, zoektermen: Ernst Barlach (Algemeen Handelsblad, 08-02-1910).
  • Eloesser, Arthur, ‘Ernst Barlach’, in: Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 43, 1933, pp. 72-86. | http://bit.ly/2ew1E8Z
  • Breda’s Museum, ‘Portret van de Heilige Theresia, Pieter Leendert Douwes’, op: thuisinbrabant.nl, http://bit.ly/2e60Gmj, z.j.
  • Brouwers, Jan, Bea Hoeks-de Laat, Geert de Jong, Jan van der Kley, Marcel Rensen, Aula Dei, 75 jaar Sacramentskerk Breda, Breda 1996.
  • Wiki Tilburg, ‘Kruis Biezenmortelsestraat’, op: wiki.regionaalarchieftilburg.nl, http://bit.ly/2e5dnxu, (l.b. 2015).
  • Wols, Rien, ‘Christusbeeld aan de Groenstraat als dank’, op: bihc.nl, http://bit.ly/2e25etY, z.j.
  • Dat de invloed van het Isenheimer altaar van Matthias Grünewald voort bleef duren, blijkt ook uit het naoorlogse expressionistische wegkruis (1955-1956) in Wanssum: ‘Koester uw Monument’, in: Digitaal krantenarchief Peel en Maas, weekblad voor Venray en omgeving, d.d. 9 april 2009, p. 19. |  http://bit.ly/2ewfg3Y

De collage met de vergelijking van het werk van Leen Douwes en Ernst Barlach in de diapresentatie is (van links naar rechts) samengesteld uit:

  • Leen Douwes, Theresia van Lisieux, Breda’s museum, na 1925: http://bit.ly/2e60Gmj
  • Ernst Barlach, De dansende vrouw uit ‘der Fries der Lauschenden, 1930-35, Eichenholz, Ernst Barlach Haus, Hamburg’. Foto Rufus46 (2006) op Wikimedia Commons: http://bit.ly/2efK8rS
  • Ernst Barlach, Het bevriezende meisje, 1917, ‘Eichenholz, Ernst Barlach Haus, Hamburg’. Foto Rufus46 (2006) op Wikimedia Commons: http://bit.ly/2efOM9c
  • Ernst Barlach, Lezende monniken III (Stuckskulptur 1932)., ‘Güstrow (Mecklenburg-Vorpommern). Gertrudenkapelle – Barlachsammlung’. Oorspronkelijk was het beeld uit hout gesneden. Daarnaast heeft Barlach een ’Stuckskulptur’ gemaakt en een bronzen exemplaar. Van dit beeld zijn verschillende variaties en voorstudies bekend. Foto: Wolfgang Sauber (2014) Wikimedia Commons: http://bit.ly/2efJzOM
  • Leen Douwes, Crucifix in de Sacramentskerk te Breda, 1930. Foto Marjanne Statema (2014), #KunstinBreda.

Alle rechten op de foto’s in de diapresentatie zijn voorbehouden, op die van Wikipedia en Wikimedia na.

Dit item kwam tot stand in het kader van het project #KunstinBreda en is ook gepubliceerd op ifthenisnow.eu.
Het kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Wegkruis Leen Douwes (1930)’, op: vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/2dS497B (2016).

Verkorte link: http://bit.ly/2dS497B

Open monumentendag bij Galerie Mariska Dirkx

Open Monumentendag 12 en 13 september 2015, Galerie Mariska Dirkx in het atelier van de glazeniersfamilie Nicolas, Roermond.
Galerie Mariska Dirkx is gevestigd in het voormalige atelier van de glazeniersfamilie Nicolas te Roermond. Ook dit jaar doet ze weer mee aan de Open Monumentendag. Op de achtergrond van de foto is het raam Sjinderhannes van Joep Nicolas te zien, op de voorgrond een werk van zijn kleinzoon Diego Semprun Nicolas. Foto Marij Coenen 2014.

Komend weekend is het Open Monumentendag en dan draai ik zaterdag mee met glasspecialist Mariska Dirkx en beeldhouwer Dick van Wijk in het voormalige atelier van de glazeniersfamilie Nicolas in Roermond (start 11:00 uur, Wilhelminasingel 67, 6041 CH Roermond).

Wat ze zoal in petto hebben lees je in hun uitnodiging hieronder:

12 en 13 september aanstaande hebben veel mooie Monumenten in Roermond hun deuren gastvrij open gezet. Er hangt dan altijd een echte feestelijke sfeer in de stad en als het zonnetje er ook nog bij schijnt is het werkelijk een echte feestdag. Het is een dag vol leuke ontdekkingen en ontmoetingen.
Ook in ons atelier bruist het die dag van de geschiedenis en het ambacht in de kunst.
Sinds 1855 is dit pand al een kunstwerkplaats, waar nu nog immer veel kunstenaars en kunstminnenden elkaar ontmoeten.
Dick van Wijk werkt hier iedere dag aan zijn beelden en permanent komen hier geïnteresseerden voor de geschiedenis van atelier Nicolas en de nieuwe glaskunst van internationale professionele glaskunstenaars.

In het monumentenweekend geven wij met een heel team op onze locatie informatie over de kunst die gerelateerd is aan de geschiedenis van het voormalig atelier Nicolas.

Te zien zijn:

  • 2 grote gebrandschilderde ramen van Joep Nicolas
  • de geschiedenis van het inventariseren, en conserveren van de mooie cartons (ontwerptekeningen) van atelier Frans Nicolas
  • kunst en ambacht van de beelden van Dick van Wijk
  • restauratie atelier Restaura; zij restaureren kunstwerken voor vele musea, archeologen, en gemeenten
  • over textielrestauratie van gewaden, vaandels en vlaggen
  • informatie over “de genade van de steiger” : monumentale kerkelijke muurschilderkunst in het interbellum
  • ambacht en techniek van de eigentijdse glaskunst
  • en in het theehuis ziet U een leuke demonstratie over het werken voor de vlam om mooie glaskralen te maken.

Tijdens deze dagen zijn aanwezig:

  • Andrea Peeters en/of Dirk van de Leemput (cartons) Sociaal Historisch Centrum Maastricht
  • Doortje Lucassen (textielrestauratie) Sociaal Historisch Centrum Maastricht
  • Helma Helgers (glaskralen)
  • Bernadette van Hellenberg Hubar, kunsthistoricus ( De genade van de steiger)
  • en Dick en ik natuurlijk.

De koffie staat klaar en wij heten U allen van harte welkom.

De toegang is gratis zoals gewoonlijk in de galerie en het atelier dat in september en oktober weer alle weekenden geopend is.

Mocht U graag een aparte ontvangst met koffie en vla en een uitgebreide uitleg over de geschiedenis van het atelier willen hebben; dan graag van te voren reserveren bij Dick of Mariska.
Dit kan iedere dag van de week. De kosten zijn dan 7,50 euro p.p.

Hartelijke groet en tot ziens in Roermond,

Dick en Mariska


Nicolas, Derkinderen en Goudse glazen in de 'Genade van de steiger'.
Een deel van het stuk over Nicolas, Derkinderen en Goudse glazen in de ‘Genade van de steiger’.

Zelf geef ik uitleg aan de hand van mijn boek De genade van de steiger, waarin ik naast de schilderingen ook het glas-in-lood van Nicolas behandel. Het betreffende item is hier op de website opgenomen.
Misschien is er ook ruimte om nog wat te vertellen over de vernieuwende glazen van Joseph Cuypers in de nieuwe Bavo, waarover mijn volgende boek gaat.

Wie weet, zien we elkaar zaterdag!

B.

Tweemaal lezing ‘Genade van de steiger’

Op 13 april aanstaande houd ik een lezing voor de kring Maastricht van Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap en op 22 april voor de stichting RURA te Roermond. Hieronder vind je de aankondiging!


Lezing 'Genade van de Steiger': F.H. Bach in de Juvenaatskapel te Maastricht (1922-1927).
Een van de schilderingen van F.H. Bach in de Juvenaatskapel te Maastricht (1922-1927). Foto: Beeldbank RCEPixelpolder.

Bernadette van Hellenberg Hubar,
De genade van de steiger, monumentale schilderkunst in het interbellum (met een accent op Maastrichtse voorbeelden)
Lezing voor de kring Maastricht van LGOG
13 april 2015.1

De genade van de steiger, monumentale schilderkunst in het interbellum (met een accent op Roermondse voorbeelden)
Lezing voor de stichting RURA te Roermond
22 april 2015.2

Algemeen — De lezing gaat over het onderzoek naar monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum, dat in opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed werd uitgevoerd. Dit resulteerde in het eerste boek over dit onderwerp: De genade van de steiger. De titel reflecteert de worsteling van de kunstenaar die in allerlei houdingen hoog op de steiger zijn werk uitvoert en in zijn hoofd een berekening moet maken van hoe dit er vanaf de grond uit komt te zien. Een beetje genade was daarbij onmisbaar.

Over monumentale schilderkunst uit de twintigste eeuw was nauwelijks iets bekend: niet alleen strikt genomen wat betreft de jaren twintig en dertig, maar ook over de aanloop vanaf circa 1900 en de nasleep na 1940. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed constateerde dat het gesignaleerde hiaat dit segment van de kerkelijke kunst onzichtbaar dreigde te maken. De geïnitieerde inhaalslag heeft er toe geleid dat er veel relevante informatie beschikbaar is gekomen voor het beheer en behoud van dit type erfgoed. Dat blijkt op verschillende niveaus opportuun te zijn.

Maastricht — Zo is in Maastricht onlangs de enige muurschildering van Henri Jonas – in de Koepelkerk – gerestaureerd door de SRAL (Stichting Restauratie Atelier Limburg).3 Minder goed is het gesteld met het werk van Jan Grégoire en Jaap Mes in de Lambertuskerk, terwijl de leegstand van het vroegere juvenaat van de broeders Maastricht het nodige doet vrezen voor de schilderingen van F.H. Bach. Daartegenover staat weer het werk van Harrie Schoonbrood en Eugène Laudy in de Hubertuskerk dat ondanks de herbestemming van het gebouw tot sportschool ongemoeid bleef.4

Roermond — Wat betreft Roermond is het met name de figuur van Joseph Th.J. Cuypers die centraal staat, de zoon van de architect van het Cuypershuis en het Rijksmuseum, Pierre J.H. Cuypers. Niet alleen probeerde Joseph Cuypers professioneel opgeleid kerkschilders als Joan Collette aan de kunstwerkplaatsen te verbinden, maar ook – hoewel hij het aanbod afsloeg – een autodidact als Joep Nicolas. Overigens komt een van de ontdekkingen van het onderzoek, Augustijn Hermans, zelf uit de stal van de Roermondse werkplaatsen.

Personalia — Bernadette van Hellenberg Hubar (1956) houdt zich vanaf de jaren ’80 bezig met monumentale kunst, onder meer als onderdeel van het oeuvre van de architectenfamilie Cuypers. Zij promoveerde op het proefschrift Arbeid & Bezieling, over de esthetica van Pierre J.H. Cuypers, Joseph A. Alberdingk Thijm en Victor E.L. de Stuers, zoals uitgedrukt in de voorgevel van het Rijksmuseum. Op dit moment is ze bezig met een boek over de nieuwe Bavokathedraal te Haarlem (1895-1930), een werk van Joseph Th.J. Cuypers.5

Lezing: Joseph Cuypers | Cuypers & Co, Gewelfschildering in de kapel van kasteel De Haar , circa 1917.
Joseph Cuypers | Cuypers & Co, Gewelfschildering in de kapel van kasteel De Haar (circa 1917). De gewelven in deze kapel zijn uiteindelijk niet voltooid en in 1926 verwijderd. Ook de schilderingen zijn dus verdwenen. Ik heb dit ontwerp van Joseph Cuypers geanalyseerd in mijn boek ‘De genade van de steiger’. Met dank aan Jacqueline Heijenbrok van De Fabryck6

De genade van de steiger kan rechtstreeks besteld worden bij de Walburg Pers.

_________________________________

Voetnoten:


  1. Locatie en tijdstip: Stayokay, Maasboulevard 10, 6211 JW Maastricht om 19:45 uur. 

  2. Locatie en tijdstip: Forum te Maasniel, inloop vanaf 19.15 uur, start om 19.30 uur. 

  3. Zie het fragment op deze site via http://wp.me/P4eh3s-1ms. 

  4. Voor meer informatie over dit laatste voorbeeld zie http://wp.me/p4eh3s-fU

  5. Voor Arbeid & Bezieling volg deze link, voor de nieuwe Bavo deze. De verkorte link van de onderhavige blogpost is http://wp.me/p4eh3s-1BO

  6. Hubar, De genade van de steiger, pp. 229-230. Jacqueline Heijenbrok, Guido Steenmeijer, Katrien Timmers, Wat een weelde. Tien eeuwen Kasteel de Haar, Zwolle-Amersfoort 2013, p.391.

    → Door naar De genade van de steiger

Henri Jonas

Untitled
De medewerkers van de SRAL – Stichting Restauratie-Atelier Maastricht – zijn druk bezig met de restauratie van de enige muurschildering uit het oeuvre van Henri Jonas die in het interbellum hoge ogen gooide in de kunstkritiek en tot de top van de barok georiënteerde expressionistische schilderkunst van die tijd gerekend kan worden.

Henri Jonas in de Koepelkerk te Maastricht

In de Koepelkerk te Maastricht is de restauratie van de bijzondere muurschilderingen van Henri Jonas in de Mariakapel voltooid: de enige die hij ooit heeft gemaakt. Om dit heuglijke feit te vieren vindt op 15 maart 2015 de feestelijke onthulling van dit werk plaats. Drs Angelique Friedrichs van de Stichting Restauratie-Atelier Maastricht (SRAL) zal dan een korte toelichting geven op de werkzaamheden. Alles bij elkaar een mooie aanleiding om de paragraaf over dit werk van Jonas uit het boek De genade van de steiger hieronder voor het voetlicht te plaatsen. Daarin staat een hoofdstuk van Angelique Friedrichs over de technieken en het materiaalgebruik in het interbellum dat haar tot de aangewezen specialist maakt om deze restauratie te begeleiden. Het was spannend genoeg, want niet alleen was de onderliggende pleisterlaag er slecht aan toe, maar ook bleken de figuren op verschillende plaatsen later bewerkt te zijn. Het geeft meer weer aan hoe terecht de aandacht was die Jonas’ leermeester, Antoon Derkinderen, aan de problematiek van goed pleisterwerk besteedde. Deugt de drager niet, dan redt de schildering het niet, om het maar eens kort samen te vatten.

Uit paragraaf 7.4 | Henri Jonas

Ontleend aan: Bernadette van Hellenberg Hubar, Angelique Friedrichs en Gerard van Wezel, De genade van de steiger (Rijksdienst Cultureel Erfgoed | Walburg Pers 2013), pp. 408-415.

Nota bene — De tekst weerspiegelt de stand van zaken eind 2013. Op de foto hierboven van Marij Coenen na, zijn de afbeeldingen in de Koepelkerk afkomstig van de beeldbank van de RCE en gemaakt door Sjaan van der Jagt van Pixelpolder.

De Amsterdamse scene

Het was een spannend komen en gaan in Amsterdam tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog, ook waar het de Limburgse kunstenaars betrof: Henri Jonas (1878-1944) en Charles Eyck zaten – met een jaar verschil – in de klas van Derkinderen aan de Rijksacademie. Buiten de opleiding had Jonas ontmoetingen met vrienden en collega-schilders uit het zuiden die in de hoofdstad verbleven, zoals Jan Grégoire die later nog een sleutelroman over hem zou schrijven.[1] Net na de oorlog zou Nicolas er zijn opwachting maken, aan wie we een levendige beschrijving van [p. 409] de artistieke sfeer in de hoofdstad danken. Dit was ook de tijd, schreef Engelman later, dat het machtige trio kubisme, futurisme en expressionisme Amsterdam overspoelde. De frisse golfslag waarmee dit gepaard ging, leidde in 1916 tot de oprichting van het kunstenaarscollectief Het Signaal door Piet van Wijngaerdt en Henri Le Fauconnier. Zowel voor Jonas als voor Wiegman zou de kennismaking met de Fransman een keerpunt in het artistieke denken betekenen.[2] Doordat Jonas vanaf de oprichting in 1925 in het netwerk van De Gemeenschap verkeerde en in 1927 via Wiegersma Permeke leerde kennen, raakte het expressionisme bij hem geïntensiveerd op een manier die hem zonder twijfel tot een van de belangrijkste exponenten van deze stroming in Nederland maakte.

In de periode dat Jonas aan de academie studeerde, was Wiegman al enige tijd gevestigd in Bergen, het dorp dat zijn naam zou verlenen aan de schilderskolonie die zich daar vanaf omstreeks 1910 ontwikkelde. Zoals in hoofdstuk 4 is gebleken, kan aan de hand van de dagbladpers een directe lijn worden getrokken tussen Het Signaal, de Bergense school en de Nederlandse assimilatie van het expressionisme. Deze felle wind woei niet alleen naar het zuiden via de Limburgse studenten in Amsterdam, maar ook dankzij twee oud-leerlingen van de Rijksacademie, de priester-schilder Jean Adams en Matthieu Wiegman. De laatste had vanaf eind jaren twintig een pied-à-terre in Limburg, waar hij onder meer bevriend raakte met Jonas. In 1929 organiseerde Adams een omvangrijke tentoonstelling over moderne kerkelijke kunst op Rolduc, aan welk internaat hij in die tijd als tekenleraar verbonden was. Achteraf bezien was hij daarmee juist op tijd, want korte tijd later zou veel van het type werk dat daar werd getoond door Rome als ‘arte blasfema’ worden beschouwd. Blijkens de berichten in de pers lag het accent van de tentoonstelling op Matthieu Wiegman, die met veertig nieuwe werken kwam. Daarna volgden Jonas en Adams zelf, die voor de meesten een onbekende was. Verder waren de beeldhouwer Charles Vos en de architecten Jos. Wielders uit Sittard en Alphons Boosten uit Maastricht met werk vertegenwoordigd. De laatste kan als de man worden gezien die Jonas in de richting van de monumentale kunst voerde, waarna Meuleman het estafettestokje van hem zou overnemen.

Henri Jonas, Verloren zoon, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 346 Henri Jonas, Glasraam met De verloren zoon (1924) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). De vormgeving van dit glas roept herinneringen op aan het werk van zijn vriend Jan Grégoire en aan de monumentale stijl die de Rijksacademie propageerde. Met name de zoon doet sterk ‘R. Holstiaansch’ aan, om een begrip uit die tijd te extrapoleren.

De glazen van de Koepelkerk

Hoewel ruim twintig jaar ouder dan Nicolas, maakte Jonas net als zijn jongere vakbroeder met de eerste de beste keer dat hij zich op het monumentale terrein begaf al naam. Zijn debuut vond plaats in de Heilig Hartkerk in Maastricht van Alphons Boosten, beter bekend als de Koepelkerk. Hoe omstreden het ontwerp zelf ook was – of de architectuur wel voldeed aan het decorum van de katholieke eredienst was ook hier onderwerp van debat – de ramen van Jonas werden direct in Opgang door Pieter van der Meer de Walcheren positief beoordeeld.[3] Aan de hand van deze opdracht valt de explosieve ontwikkeling te volgen die de kunstenaar van 1923 tot 1930 doormaakte.[4] In zijn vroegste glazen, met name in het raam met De verloren zoon, valt direct een stilering op die te herleiden valt tot de Rijksacademie. Deze vormgeving toont bovendien hoe sterk de invloed van zijn vriend Jan Grégoire op dat moment nog was (afb. 346). Alleen in de weergave van de lichtval bespeuren we iets van de stijlindicator van Thorn Prikker – de uitwaaierende stralen in ‘blokjes’ glas-in-lood – die in het vorige hoofdstuk uitvoerig is behandeld.[5] Na dit aarzelende begin pakte Jonas diens idioom op om ermee te experimenteren in het Mariaraam (1925), om vervolgens in het Davidraam (1927) alle registers open te trekken (afb. 347a-c).

Henri Jonas, Davidraam, Koepelkerk Maastricht.Davidraam

Het rijk gecomponeerde Davidraam werd in de tijd zelf al als een variatie in de stijl van Thorn Prikker opgevat.[6] Wat betreft diens idioom vallen enerzijds de rondingen van de ledematen onder de gewaden en (eigentijdse) kleren op, en anderzijds de rijke decoratie die de stof in patronen lijkt op te lossen. Daarnaast is het typische gefragmenteerde blokjesmozaïek gebruikt voor de hemelse lichtstralen en het perspectief van vloeren en muren. Deze laatste twee stijlindicatoren zijn we in wisselende combinaties tegengekomen bij Anton Molkenboer, Lou Asperslagh en Toon Ninaber van Eyben. Jonas is echter de enige die van Thorn Prikker de anatomische gelaagdheid overnam, die in de toenmalige vakliteratuur vooral bekend werd dankzij de Michael in de cyclus van de Driekoningenkerk te Neuss (1911-1912). Een prachtig detail zijn de vlezige handen, die eerder bij de analyse van het werk van Hermans in dit boek als erfdeel van Thorn Prikker zijn besproken.[7] Juist dat vlezige was in de Roomse Haagse School onder invloed van Beuron in hoge mate weggestileerd. Waar koning David de gesublimeerde [p. 411] trekken uit de historieschilderkunst toont, zijn de hoofden van het Heilige Gezin min of meer romaans opgevat, vergelijkbaar met de Catharina van Nicolas in Asselt (zie afb. 337). Met de aardse groep daaronder keerde Jonas terug naar het nu, hetgeen met name door het historisch presens manifest is. Op de fantasievolle manier die we langzamerhand van het interbellum kennen, vlocht Jonas verschillende thema’s door elkaar: dat van David als de oudtestamentische voorafbeelding van Christus, van David als voorvader van Jozef en Maria en dus Jezus, en van Jozef als patroon van de werklieden.

Bovenaan staat de koning afgebeeld met de harp als attribuut: dat de snaren dezelfde hoek aanhouden als de bezielende lichtstralen doet denken aan het kosmisch symbolisme waarvan het oeuvre van Toorop en Lebeau uit de jaren twintig is doordesemd. Direct daaronder staat het Heilige Gezin onder de schutse van een engel en ten slotte zien we in de zone van de strijdende kerk het leven van alledag (zie afb. 347). In dit laatste tafereel slaagde Jonas erin verschillende motieven door elkaar te laten lopen, niet alleen inhoudelijk, maar ook formeel door de ‘nieuwe ruimtelijke logica’, zoals Engelman het zou noemen, te volgen in de scènes en verdwijnpunten. Primair wordt een eenvoudige allegorie op de Arbeid weergegeven, waarvoor Toorop met het tableau Heden in de Beurs het prototype schiep. Jonas nam eveneens rokende schoorstenen op en plaatste naast de arbeider – de mijnwerker met zijn zwarte gezicht – de fabrieksdirecteur. Op de achtergrond is die andere prominente vorm van arbeid, de landbouw, weergegeven. Tegelijkertijd herinnert de mijnwerker aan de dood: niet alleen knielt hij, maar door het ver naar achteren gestrekte gezicht en de gevouwen handen lijkt hij tevens de geest te geven. De houding van de directeur met eerbiedig geloken ogen en de vrouw met het kind daaronder bevestigen deze betekenislaag, die bij uitstek past in de symboliek van Jozef als patroon van de stervenden. Een detail dat weer een volgende duiding onthult, is het object in de hand van de directeur: een plaquette of boek met een duidelijk expressionistisch-kubistische voorstelling van Maria met kind. Iconografisch gezien zou deze manager een samensmelting kunnen zijn van David als patroon van de muziek (en dus de kunst) met Jozef als beschermer van de werklieden. Jonas verleende hier een actuele boodschap aan doordat de fabrieksdirecteur tot de klasse behoorde die voldoende gevormd was om kunst te kunnen waarderen én voldoende bemiddeld was om zich kunst te kunnen veroorloven. Anders dan bij Toorop en Lebeau krijgt men bij dit type niet het gevoel dat er enige maatschappijkritiek aan ten grondslag ligt.[8] Eerder lijkt het een kleine hommage aan het type mecenaat waarvan Jonas het als kunstenaar moest hebben.

De Madonna en Jonas als pictor doctus

Zelfportret in de aanbidding van Maria

In de jaren hierna liet Jonas de invloed van Thorn Prikker achter zich, maar de romaans-middeleeuwse zweem liet hij juist op een dominantere manier toe, zoals te zien is in De aanbidding van Maria uit 1929 (afb. 348). In het centrale raam is de iconografie van de Hemelkoningin doorgedetailleerd met het gebaar van de open handen van de Onbevlekte Ontvangenis en de lelie van de Annunciatie. De omlijstende engelen doen middeleeuws aan, waarbij het gelaat van Maria neigt naar dezelfde amandelvorm die Nicolas ontleende aan het type dat bekend is van de Noodkist van Sint Servaas. De verticale volgorde die Jonas in het Davidraam aanhield, heeft hij hier horizontaal gekanteld: in het linkerglas zijn de oudtestamentische prefiguraties weergegeven, Judith, Esther en Ruth. In het midden zetelt de vervulling in de vorm van Maria die als Moeder van God voorwaardenscheppend was voor de heilsgeschiedenis. Rechts is de wereld van vandaag voorgesteld, die zich in Maastricht afspeelt. We komen hier de stapeling van scènes tegen die we eerder bij Nicolas (en Toorop) hebben gesignaleerd. Zelf staat de kunstenaar hier tussen een moeder met kind boven hem en – mogelijk – een jager onder hem. Volledig gericht op Maria, vormen zij wellicht variaties op de archetypische dualiteit tussen microkosmos en macrokosmos: tussen de beschermde ambiance binnenshuis en het bestaan in de wereld daarbuiten, het vrouwelijke en het mannelijke van Lenz (de kunstenaar was niet zomaar een leerling van Derkinderen). Tussen die twee personificaties beeldde Jonas zichzelf af als in gedachten verzonken.

Maritaineske pictor doctus

Van het zelfportret is een eerdere versie in houtskool bekend (afb. 349a). Engelman schreef hierover:

‘Er is van Jonas een recent zelfportret in houtskool, dat treffend is als zielsbekentenis en als materie. Het gezicht heeft een ingekeerdheid, een mijmerende uitdrukking die misschien eerst op stroefheid lijkt, maar een diepe, innige eenvoud blijkt te zijn. De gestalte is in groote, [p. 412] met waarachtige kracht uitgevoerde contouren en schaduwen aangeduid en de handen, als stukken halfverteerden mergelsteen, liggen in een zielvolle schamelheid en simpelheid bijeen. Zoo is hij, een man die zich moeilijk en langzaam uitdrukt, maar soms dingen loslaat van een bekoorlijke wijsgeerigheid en vol van de rust waarover wij spraken. Hij heeft geen pose en geen onwaarachtigheid, waar hij de techniek vermeestert schrijft hij een rijp en gedragen innerlijk uit’.[9]

Dat dit zelfportret Jonas bleef bezighouden blijkt wel uit het het feit dat hij het later verwerkte in Het gezin (afb. 349b). Dit werk kreeg een recensie in De Tijd van Herluf van Merlet:

‘Wij herinneren ons een schilderij van Henri Jonas, waarin deze Katholieke Limburgsche schilder een schoone en klare, diep en zuiver doorvoelde expressieve synthese gaf van “Het Gezin”. De arbeider en zijn kind zien met wachtend geduld toe, hoe de van zorg verwelkte moeder het dagelijksch brood snijdt. Er was in dit werk een innerlijke gelatenheid, een stilte vol leven, een ontroerende gedachte. Bovendien was dit doek in geen enkel opzicht litterair, maar enkel schilderlijk’.[10]

Zo wordt Jonas in de kunstkritiek aan de ene kant getypeerd als een weerbarstige denker, aan de andere kant volledig in ambachtelijke, Maritaineske termen neergezet. Het illustreert de dualiteit tussen hoofd en hand, wijsgeer en arbeider, die Jonas hier in één beeld verenigde. In overeenstemming met de opvattingen van Maritain, Engelman en Van Merlet profileerde hij zich met dit zelfbeeld bij uitstek als de artiest die zijn eigen taal (symboliek) ontwerpt: als een peinzende man die doende is de indrukken van de wereld te verwerken om vervolgens door middel daarvan op synthe(tis)tische wijze kunst te creëren. Jonas gaf zo bij uitstek de intuïtieve kracht van de kunstenaar, die naar binnen kijkt (letterlijk intuere) om het schone concept te vatten waarmee kunst kan worden gemaakt. Het doet denken aan de pictor doctus (de geleerde schilder) uit de academische traditie die als de klassieke beeldhouwer Phidias vanuit het denkbeeld in zijn geest werkt. Maar ook Maritain is niet ver weg:

‘De H. Thomas[van Aquino], die even eenvoudig van stijl als wijs was, bepaalde het schoone als dat wat geschouwd zijnde behaagt, id quod visum placet. Deze vier woorden zeggen alles wat noodig is: ’n visie [visum], dat wil zeggen een intuïtieve kennis en ’n vreugde. […] Wanneer een ding de ziel verheft en blij maakt juist daardoor, dat het intuïtief verkregen en bezeten wordt, dan is dat ding goed om aldus in bezit genomen te worden, het is Schoon’.[11]

Elementair is dat het schone ons verstand ‘door de zinnen en hun intuïtie’ komt verblijden. Zo geeft de kunst ons ‘den smaak van ’t aardsche paradijs, omdat zij voor een oogenblik den vrede en het gelijktijdig genot van verstand en zinnen opnieuw teweegbrengt’. De toeschouwer kan deze intuïtie voeden door zich te verdiepen in de wetenswaardigheden van de kunst.[12] Terwijl aan de rol van intuïtie bij het waarnemen veel passages worden gewijd, geldt dat voor het proces van het scheppen van schoonheid in de vorm van kunst veel minder. Maritain zoekt daarvoor zijn toevlucht bij een begrip dat er dicht tegenaan zit, namelijk ‘zicht’: de conceptie vindt plaats in termen van een ‘zicht’ op het werk dat gemaakt moet worden en dat de kunstenaar weet te vatten ‘in zijn persoonlijke ziel’. Dit zicht hangt zonder meer af van de intuïtie, maar ook van ‘de verbeelding en de gevoeligheid’. Het beantwoordt ‘aan een onbepaalden indruk van ontroering en van medevoelen’ die de schilder communiceert via zijn werk. Oftewel door middel van de stemmingsdragers van Brandt, zoals Jonas prachtig in Het gezin heeft verbeeld. Daarom kan dit zicht ‘niet in begrippen’ worden weergegeven, hoewel kunstcritici als Van Merlet en Engelman dat nu net per definitie wel doen. In hun bewoordingen sluiten zij zich aan bij hun mentor, waar deze stelt: ‘Wat de schilders hun “visie” der dingen noemen speelt daarin een wezenlijke rol’.[13] En die visie omvat bij Jonas vele facetten: het ambachtelijke en het denkbeeld, het verhevene en het nederige, de zinnen en het verstand, en vooral niet te vergeten de ontroering (het movere): met elkaar vloeien deze over in een ‘gelijktijdig genot’. Met één oog dicht en één slechts deels geopend laat Jonas dit alles door zijn gedachten gaan, opdat intuïtie, zicht en ontroering convergeren in kunst.

Henri Jonas, Mariaraam met zelfportret, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 348 Henri Jonas, De aanbidding van Maria (1929) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Middenrechts heeft de kunstenaar zichzelf afgebeeld.

Nog éénmaal heeft Jonas zichzelf op verwante wijze uitgebeeld, in het dubbelportret met zijn vrouw Eugénie Servais (ca. 1938-1939): terwijl zij haar handen gevouwen houdt, heeft hij zijn armen om haar heengeslagen en houden zijn handen palet en penselen vast. Programmatischer kan het haast niet. Of hij nu aanwezig is als secondant bij Maria als schoonheidsideaal – ‘tota pulchra et perfecta’ (door en door mooi en volmaakt) –, bij de moeder van het gezin als synthetistische weerklank van de Moeder van God, of in omstrengeling met zijn aardse Maria en [p. 413] muze, de trekken van het zelfportret illustreren hoe Jonas de wereld vanuit zijn inzichten bekeek en verwerkte. Voor iemand die bij tijden geveld werd door zware depressies, moet de vredige ‘smaak van ’t aardsche paradijs’ die de kunst bood, wel het hoogst denkbare doel hebben geleken.[14]

De Mariacyclus in de Koepelkerk ‘al fresco’ in keimverf

De enige muurschilderingen in het oeuvre van Jonas bevinden zich in de Mariakapel van de Koepelkerk, direct aan de noordzijde van het priesterkoor (afb. 350). Vergeleken met de glazen is de compositie tamelijk eenduidig van opzet, doordat de kunstenaar heeft afgezien van de gecompliceerde stapeling van figuren, decor en enscenering. Alles is op een veel bescheidener plan uitgevoerd. De precieze datering van dit werk is niet bekend, maar uit krantenartikelen viel te achterhalen dat enkele onderdelen, waarschijnlijk proefstukken ervan, in 1926 op de Maastrichtse tentoonstelling van ‘bouwkunst, sierkunst en plastiek’ te zien waren:

‘Van een tweetal detail-schetsen voor muurschildering is de eene gezet in de zgn. keimsch-verf, waarmee “al fresco” geschilderd wordt. Ook hier toont Jonas zijn forsche opvatting en breede behandeling’.[15]

De beschrijving roept de vraag op of Jonas, vergelijkbaar met Grégoire en Wiegman, werkte met proefstukken op mortel die in een lijst werden gevat. Opvallend is verder het begrip al fresco, dat we met een zekere regelmaat in combinatie met het gebruik van keimverf tegenkomen en dat hier vooral lijkt te slaan op de analoge manier van toepassing. Van huis uit vakschilder, moet Jonas heel goed hebben geweten wat het vergde om een muur duurzaam met verflagen af te werken. Het wekt dan ook verwondering dat de schilderingen zich in een zeer slechte staat bevinden, niet vanwege het verval van de keimverf, maar doordat de pleisterlaag van de muur komt. Op dit punt mag beslist de noodklok worden geluid.

Wie de Verheerlijking van Maria vergelijkt met het werk van Jonas uit dezelfde jaren, waarin met name het vrouwelijk naakt centraal staat, kan niet anders dan verrast zijn. Qua stijl lijkt deze uitmonstering in helemaal niets op wat hij tot dusver had gedaan. Verreweg de meeste kunstenaars zochten voor hun monumentale schilderwerk aansluiting bij hun glazen, zoals Molkenboer met zijn oeuvre in de kerk van O.L. Vrouwe van Goede Raad in Den Haag. Niet echter Jonas, die een heel andere richting koos dan een vertaalslag van het idioom van Thorn Prikker. Hij lijkt zich met de Mariakapel doelbewust te hebben gezet aan de ontwikkeling van een aparte stijl voor kerkelijke schilderingen met een bescheiden barok contrapost. Wat dit helemaal bijzonder maakt, is dat hij daarbij kennelijk aansluiting zocht met ideeën die onder Duitse kunstkenners leefden. Zoals hierboven al bleek, is heel weinig bekend van Jonas’ intellectuele bagage. Dit heeft ongetwijfeld ook te maken met het door Engelman geschapen beeld ‘van den simpelen huisschilder’. Maar uit de toelichting bij de zelfportretten blijkt Engelman zeker niet blind te zijn geweest voor de ‘wijsgeerigheid’ van Jonas. Engelman en Van Merlet stonden voor het probleem kost wat kost te voorkomen dat er ook maar een zweem van het literaire aan de schilder zou kleven. Dit gold niet alleen voor Jonas, maar ook voor Cantré, Wiegersma en andere schilders uit de waaier van Meuleman. Vandaar de nadruk op de ambachtelijkheid en de eenvoud, die gelijkgesteld werden met authenticiteit.[16] Daarmee is wel het kind met het badwater weggegooid. Zo werd namelijk opnieuw het misverstand gevoed dat iemand die meer op beelden dan op woorden is gericht – een beelddenker dus – niet intellectueel zou zijn.[17] Dit vormt een sterke nawee van de opkomst van het concept van de pictor doctus in de renaissance, hoewel juist Jonas zich door middel van het beeld als zodanig neerzette. Een van de weinigen die zich op dit punt werkelijk wist te profileren, was Nicolas, die het geluk had dat hij in woord én beeld over een vaardige hand beschikte. In wat mindere mate gold dat ook voor Adams, zoals later in dit hoofdstuk zal blijken. Nicolas is overigens de enige kunstenaar die zich rond 1926 met de verwerking van de barokke contrapost in zijn figuren aan een soortgelijk experiment waagde als Jonas. Deed Nicolas dat echter in de profane ambiance van het raadhuis van Breda, waar de klassiek aandoende sfeer van de burgerlijke deugden volledig in het decor past van de modern-classicistische uitbreiding van Hanrath, Jonas zette deze stap in de Koepelkerk. Dat wil wel wat zeggen, want zoals al is opgemerkt zou Nicolas het barokke idioom aanvankelijk alleen in niet-religieuze gebouwen toepassen.

Henri Jonas, Verheerlijking van Maria, middenstuk muurschildering, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 350 Henri Jonas, De verheerlijking van Maria (1926) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Muurschildering in keimverf.

Het ‘middenluik’

Bij de schilderingen van Jonas gaat het om een betrekkelijk eenvoudig programma, waarin enkele verrassende elementen niet [p. 414] ontbreken. Centraal staat het beeld van Maria met kind, waarvan het originele exemplaar uit het interbellum heeft moeten wijken voor een veel lagere, middeleeuwse Sedes sapientiae (Zetel der wijsheid).[18] Het beeld is ingekapseld in een scène waarin de boom van goed en kwaad, de slang en Eva als voorafbeelding figureren. Terwijl de slang zich afwendt van Maria, buigt Eva zich naar haar toe om vergeving te vragen. Daarboven zijn rond de Moeder van God musicerende engelen opgesteld, waarin nog de Beuroner thematiek doorklinkt. Op een aparte manier heeft Jonas de Madonna en haar hemelse orkest met de flankerende figuren verbonden door middel van instrumenten en een liedboek. Vandaar dat we links opnieuw David met de harp tegenkomen met Isaias of Jesaja achter hem die een bazuin vasthoudt. Dankzij de kalligrafie van enkele bijbelteksten die Jonas heeft verwerkt – te vinden op de plaquette bij de entree naar de sacristie – beschikken we over de sleutel tot het programma. Zo weten we dat David in de schildering een van de psalmen ten gehore brengt en Isaias de tekst uitspreekt: Ecce virgo concipiet et pariet filium et vocabitis nomen eius Emmanuël (Zie, de vrouw is zwanger, en zal een zoon ter wereld brengen, en u zult hem de naam Emmanuël geven). Aan de andere zijde bevinden zich twee figuren, van wie Jonas de naam niet aan de zoom van de schildering heeft geplaatst. De tegenhanger van David kan echter worden geïdentificeerd als Salomo vanwege de tekst op het manuscript dat hij vasthoudt: canticorum. Dit slaat op de Canticum canticorum Salomonis, oftewel het lied der liederen van Davids zoon en opvolger Salomon, beter bekend als het Hooglied. Hoewel juist het Hooglied een belangrijke bron van mariale metaforen is, kwamen we deze oudtestamentische persoonlijkheid eerder in de uitmonsteringen niet tegen. De man achter hem vervult, gelet op zijn houding en gewaad, dezelfde rol als Isaias. Ook voor zijn naam biedt de geschilderde plaquette uitkomst, want de enige andere profeet die vermeld staat is Ezechiël. Van hem komt de beeldspraak van Maria als gesloten poort, omdat geen levende man mag binnentreden waar God is binnengaan.[19] De over elkaar geschoven zon en maan, waar de ster van Bethlehem langs schiet, grijpen terug op het vers uit het Hooglied dat ook op de muur staat: pulchra ut luna electa ut sol terribilis ut castrorum acies ordinata (mooi als de maan, stralend als de zon, ontzagwekkend als een leger in slagorde). Het gaat hier om zinnebeeldige prefiguraties die terug te vinden zijn in de Litanie van Loreto en die voor een deel overgenomen zijn in de tekst van het dogma De immaculata conceptione. In relatie tot de eerdere omschrijving van Maria als ‘tota pulchra et perfecta’ geven deze typeringen een goed beeld van het aura van schoonheid waarmee Maria in de dagelijkse devotie werd omgeven.[20]

Henri Jonas, Verheerlijking van Maria, linkervleugel muurschildering, Koepelkerk Maastricht.

Henri Jonas, Verheerlijking van Maria, rechtervleugel muurschildering, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 351a-b Henri Jonas, a. Bovenaan het linker ‘luik’ van De verheerlijking van Maria (1926) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Van links naar rechts: de jezuïetenheilige Johannes Berchmans, Bernardus van Clairvaux en de evangelist Johannes. b. Onderaan het rechter ‘luik’ van De verheerlijking van Maria (1926) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Van links naar rechts: Dominicus, Theresia van Lisieux en Agnes.

De ‘zijpanelen’

Het mariale programma wordt voortgezet op de zijmuren, die door Jonas zijn opgevat als de opengeslagen luiken van een triptiek en de penanten waarop de aartsengelen Gabriël en Michael staan (zie afb. 210a). Op de ‘muurluiken’ zijn onder meer heiligen weergegeven die een nauwe band hebben met Maria (afb. 351a-b). Aan de ene kant is dat haast vanzelfsprekend Bernardus van Clairvaux, die vergezeld wordt door Johannes met de Apocalyps in zijn hand: hierin staat de prachtige beschrijving van Maria als de vrouw bekleed met de zon en de maan aan haar voeten.[21] Dat ook de jezuïetenheilige Johannes Berchmans hier staat afgebeeld, heeft te maken met de persoonlijke devotie van Leo Dehon, de oprichter van de paters van het Heilig Hart van Jezus, die de Koepelkerk onder hun hoede hadden.[22]

Op het andere luik treffen we uiteraard Dominicus aan, die de rozenkrans invoerde, en voorts Agnes en Theresia. Uit de letters a j.i. (Teresiae ab Jesu Infante) kan worden afgeleid dat het hier om de kleine Theresia van Lisieux gaat, die dankzij Maria van een zwaar ziekbed genas. Omdat Agnes op dezelfde positie staat als Johannes Berchmans, is ook haar aanwezigheid mogelijk te verklaren uit meer persoonlijke motieven. Door het kettinkje in haar hand roept ze associaties op met de heidense priesteres van Joep Nicolas. Hier hangt echter geen toverkristal aan, maar een ring die duidt op haar huwelijk met de hemelse bruidengom. In het spoor van de Apocalyps is deze als lam verbeeld. Het dier in haar arm (agnus in het Latijn) slaat dus zowel hierop als op de naam van Agnes.[23] Bij dit luik heeft Jonas overigens moeten woekeren met de ruimte, doordat hier de doorgang naar de sacristie zit. Daardoor heeft hij hier vrij weinig met de enscenering kunnen doen. Daarentegen was er aan de andere kant alle ruimte om een volledig landschap in kaart te brengen met als synthetistische kwinkslag het Limburgse dorpje met de karakteristieke witte hoeves geheel links. Op de achtergrond [p. 415] is onder de regenboog – het teken van het verbond tussen God en de mensheid – de ark van Noach geschilderd: als schip en toevluchtsoord van getrouwen verwijst dit naar de kerk, zoals in hoofdstuk 5 bij Jan en Kees Dunselman is toegelicht. Daarbij vormt de ark een van de klassieke mariale metaforen. De duif met het takje in zijn bek lijkt hier niet alleen te wijzen op het einde van de zondvloed, maar tevens te zijn ingezet als symbool van Pinksteren.[24] Dit past bij de driehoek rond Johannes, wiens visioen op hemelse openbaring berust en daarmee de vervulling vormt van de voorafbeelding in de scène rechtsboven, waar Mozes de stenen tafelen van Jahweh ontvangt. Men kan zich afvragen hoe Jonas aan deze laatste invulling komt, want ze berust niet op een van de traditionele concordanties tussen het Oude en het Nieuwe Testament.[25] Zo blijkt hij zich opnieuw te ontpoppen als een kunstenaar wiens concepties als beelddenker van veel meer ‘gehersend overleg’ getuigen dan Engelman lief was.

Vormgeving en factuur

In de vormgeving heeft Jonas haast geaquarelleerd met de keimverf. De factuur onthult een onvoorstelbaar gemak waarmee hij grote kleurpartijen neerzette en voorzag van schaduwen en ophoogsels. Vloeiende lijnen geven de gewaden meer diepte, waarbij de bollingen de positie van knieën en schouders aangeven. Die lijnvoering keert terug in het beekje en de smalle boomstammen. Een bijzonder detail vormt het blauwe gebladerte, dat we inmiddels als een expressionistische stijlindicator herkennen dankzij het werk van Nicolas in Asselt. Jonas heeft de koppen, met name die van de heiligen in het linkerluik en Salomon in het centrale luik, voorzien van wat fellere gelaatstrekken, waardoor hij het door Lenz voorgeschreven puur typologische voorbijgaat. Dit illustreert heel mooi welke veranderingen zich voltrekken zodra de rol van het beeld als stemmingsdrager op de voorgrond mag treden. Het is duidelijk dat Jonas hier persoonlijkheden met een sterke overtuiging heeft willen neerzetten; mannen die staan voor het geloof en getekend zijn met de vlam van de openbaring. Wel is het de vraag waarom hij dat bij de een wel en bij de ander niet deed, en vooral, waarom de vrouwen zo non-descript ogen. Lenz triumphans, zou je bijna zeggen. Niet geheel onvoorspelbaar hield Jonas zich ook bij de engelen aan gedepersonaliseerde koppen.

Jonas toont hier zijn vakmanschap in de weergave van vleugels die door hun transparantie verfijnd ogen. Het is jammer dat het oorspronkelijke devotiebeeld is verdwenen, want de architectuurelementen die het op het platte vlak van de muur omlijsten en bekronen, verwijzen niet alleen naar de O.L. Vrouwekerk van Maastricht, maar refereren bovendien aan architectonische metaforen: hiervan is de turris Davidicae (de toren van David) tussen de hoogst geplaatste engelen wel de meest toepasselijke. Juist in dit centrale luik valt op hoe Jonas met de gotisch-barok-expressionistische drieslag van Brandt en Worringer is omgegaan: hij lijkt te hebben gehandeld conform de ingeprente associatie dat de engelen op hun gotische voorbeelden horen te lijken, terwijl de heiligen door aard en aantal sterk contrareformatorisch aandoen. Lang voordat de barok een alibi werd in de liturgische stijlslag, maakte Jonas hem tot onderdeel van zijn kerkelijke muurschilderstijl, die helaas na deze ene uitvoering al tot stilstand kwam. Ook op dat punt dringt zich een vergelijking met Nicolas op, die na Asselt evenmin nog veel schilderingen maakte. Het verschil is wel dat Nicolas met zijn jeugdwerk ruimschoots de publiciteit haalde. Algemeen had Jonas daar overigens ook niet over te klagen, zeker niet toen Van der Meer en Engelman hem eenmaal hadden ontdekt. Maar als men ziet hoeveel er geschreven is over de glazen van de Koepelkerk, blijft het verbazen dat zijn schildering niet meer aandacht heeft getrokken. Net als zijn ramen laat dit werk zien wat voor een zeldzaam begenadigd kunstenaar Jonas was. Het heeft dan ook iets tragisch dat dit oeuvre pas effect sorteerde toen Matthieu Wiegman en Charles Eyck Jonas’ indrukwekkende voorzet overnamen voor de uitvoerig bejubelde muurschilderingen in de Amsterdamse Obrechtkerk (1927) en in Rumpen (1929).

Henri Jonas, zelfportret in houtskool.  Henri Jonas, Het gezin, met zelfportret van de kunstenaar.
Afb. 349a-b Henri Jonas, Zelfportret in variaties, onder meer verwerkt in de glazen met De aanbidding van Maria (1929) in de Koepelkerk te Maastricht. a. Houtskoolschets (ca. 1927); b. Het gezin (ca. 1931).154 Fotografie: Paul Mellaart, Maastricht. Met dank aan Museum aan het Vrijthof.

Naschrift

Tot zover het fragment uit De genade van de steiger. Meer lezen? Bestel het boek dan bij de Walburg Pers!

Wil je dit artikel delen of mailen, ga dan naar het einde van deze pagina.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

← Terug naar Joep Nicolas of De genade van de steiger | Door naar Jos ten Horn

Bronnen

Nota bene — In de voetnoten staan verkorte titels die volledig zijn aangehaald in de bibliografie van het boek dat rechtstreeks besteld kan worden bij de Walburg Pers.

[1]    Zie de lemmata over Henri Jonas en Jan Grégoire in P.J.H. Ubachs en I.M.H. Evers, Historische Encyclopedie Maastricht, Zutphen 2005.

[2]    Dickhaut, Jonas, pp. 26-29, 39, 161-163. Claire Nicolas-White, Joep Nicolas, pp. 21-22. Engelman, Jonas (1936), p. 201

[3]    Van der Meer, Kunst in het Zuiden (1924), p. 849. Over het debat rond de architectuur van de Heilig Hartkerk in Maastricht – beter bekend als de Koepelkerk – zie Pouls, Ware schoonheid, pp. 135-139.

[4]    Zie hierover uitgebreid Dickhaut, Jonas, pp. 212-222; de dateringen zijn aan deze studie ontleend.

[5]    Zie paragraaf 6.3.2 Thorn Prikker terug in Den Haag: Lou Asperslagh; 6.3.3 Een breed register aan stijlen: Toon Ninaber van Eyben, en 6.3.6 Toetssteen: Augustijn Hermans en Gerhard Jansen.

[6]    Deze invloed werd in de eigen tijd al gesignaleerd: KB krantenbank, zoektermen: Jonas Henri Thorn Prikker (Veritas 30-04-1938).

[7]    Zie paragraaf 6.3.6 Toetssteen: Augustijn Hermans en Gerhard Jansen

[8]    Voor Toorop zie paragraaf 6.2.5 De pelgrim (1921). Voor Lebeau 6.5.1 Het kosmische programma in de oudkatholieke kerk te Leiden (1926-1931).

[9]    Engelman, Jonas (1927), p. 198.

[10]   KB krantenbank, zoektermen: Henri Jonas gezin (H.V.M. [=Herluf van Merlet] De Tijd 15-12-1931).

[11]   Maritain, Kunst en scholastiek, p. 35. Over de pictor doctus en Phidias zie Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. xxx-xxx.

[12]   Maritain, Kunst en scholastiek, pp. 38, 144-145

[13]   Maritain, Kunst en scholastiek, p. 157 (cursief door de auteur).

[14]   Dickhaut, Jonas, p. 91. De omschrijving ‘tota pulchra et perfecta’ komt uit het dogma De immaculata conceptione. Geciteerd naar Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 289. Voor Maria als schoonheidsideaal: Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 126-132.

[15]   KB krantenbank, zoektermen: Jonas, Boosten, muurschildering (Limburger Koerier 28-09-1926).

[16]   Engelman, Jonas (1927), p. 198. Timmer, Kunstkritiek Engelman, pp. 97-109.

[17]   Voor het begrip beelddenken zie het betreffende lemma op Wikipedia met de betreffende literatuurverwijzingen. Met dank aan Mieke Siemons van Knockart: http://knockarttrainingen.blogspot.nl/2010/04/beelddenken-en-begripsdenken.html.

[18]   Op een historische ansichtkaart uit de collectie van Wil Lem te Maastricht is het oorspronkelijke beeld te zien.

[19]   Timmers, Symboliek en iconographie, p. 422.

[20]   Hooglied 6-10 (ten onrechte staat op de plaquette Cant. VI-9). Zie voor de Litanie van Loreto paragraaf 5.4.4 Kees Dunselman in de Obrechtkerk: een iconografische exercitie. Voor Maria als schoonheidsideaal: Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 126-132.

[21]   Nieuwbarn, Kerkgebouw, p. 96.

[22]   Driedonkx, H. Hartklooster Asten, p. 19.

[23]   Timmers, Symboliek en iconographie, p. 851. De afkorting a j.i. voor Theresia van Lisieux kon herleid worden dankzij een inscriptie op de toren uit 1926 van de kathedraal van Reggio Calabria (Zuid-Italië); vergelijk www.catedralescatolicas.com/?p=3394&cpage=1.

[24]   Nieuwbarn, Kerkgebouw, pp. 34-35, 102. Timmers, Symboliek en iconographie, p. 313.

[25]   Noch gevonden in Nieuwbarn, Kerkgebouw, noch in Timmers, Symboliek en iconographie.

Nota bene — De verkorte link van dit item is http://bit.ly/VHH-Jonas1.