Crowdfunding voor Cuypers’ glasnegatieven

Ambassadeur voor Cuypers' glasnegatieven op ifthenisnow.eu. Screenshot bvhh.nu 2017.

Afgelopen maanden heb ik het Cuypershuis als ambassadeur geholpen bij de crowdfunding voor de redding van Cuypers’ glasnegatieven. Dat was een interessante actie, waarvan ik een soort logboek bij heb gehouden op if then is nowhttp://bit.ly/ifthenisnow-Cuy2.

Zoals ik wel vaker met dit soort zaken meemaak (kijk naar De genade van de steiger, De nieuwe Bavo te Haarlem of naar #KunstinBreda), is er veel meer uitgekomen dan ik had verwacht. Voor mij was het een mooie oefening in kort blijven, want meer tekst dan op de ‘dia’ en een kleine toelichting eronder, was niet de bedoeling. Eigenlijk heb ik dus vooral een heleboel vragen opgeworpen die nog op antwoord wachten. Waar is de masterstudent die met al deze proefballonnetjes verder gaat?

De crowdfunding is inmiddels een groot succes geworden: het streefbedrag van 10.000 euro is bereikt, maar dat betekent niet dat het Cuypershuis op zijn lauweren gaat rusten. Voor de totale restauratie is immers het viervoudige nodig, dus donaties blijven welkom! De actie via bit.ly/Cuypersglasnegatieven op het platform voordekunst.nl is voorbij, maar de crowdfunding wordt voortgezet door het museum zelf. Help mee en geef je donatie door aan museum@roermond.nl onder vermelding van #CuypersinBeeld.

Of bezoek de tentoonstelling en doe daar je schenking. Tot 26 maart 2017 kun je terecht!

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Post scriptum — Over de reddingsactie voor Cuypers’ glasnegatieven schreef ik eerder dit item op deze site: http://bit.ly/2hDGDLh.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/VHH-Cuy2

Vriendenbrief aan de vooravond van Kerstmis

Een vriendenbrief, wat is dat nu weer? En waarom heet dat geen nieuwsbrief? Omdat ik me hiermee niet richt tot mijn netwerk van zoveel honderd adressen, maar tot de mensen die me na staan, die me door het jaar heen volgen en steunen, en met wie ik graag het jaar doorloop. Oude vrienden en nieuwe vrienden, fysieke contacten en virtuele relaties. Een bont gezelschap dat over het merendeel mijn liefde voor kunst, cultuur en erfgoed deelt. Wat wil ik op mijn beurt graag met jullie delen?

Het boek over de nieuwe Bavo is goed ontvangen

De Mariakapel van de nieuwe Bavo (1951) met het altaar van Joseph Cuypers en Johannes Maas (1898).

De blikvanger van de aankondiging van de vriendenbrief toont – geheel in de sfeer van de kerstdagen – de Mariakapel van de nieuwe Bavo. Een van de mooiste opdrachten ooit leidde tot een prachtig vormgegeven boek over de kathedraal van Haarlem. Veel heb ik er op deze site al over geschreven en zoals vroeger plakboeken met krantenknipsels werden gemaakt, vergaar ik nu opmerkingen en kritieken digitaal.

De grappigste kwam van het Reformatorisch Dagblad dat ik zekerheidshalve op Evernote heb opgeslagen. De journalist signaleert op basis van recent onderzoek interessante verbanden tussen de oude en de nieuwe Bavo. Dat doet hij aan de hand van mijn boek en dat van Thomas von der Dunk. Ik zal niet zeggen Bien étonnés de se trouver ensemble, want Thomas en ik delen een verleden als actieve leden van het Cuypersgenootschap. Maar het was toch wel frappant.

‘Laat je dat nu makkelijk los, zo’n groot project?’, wordt me wel eens gevraagd. Nee, helemaal niet, maar als zelfstandig onderzoeker heb je geen keus. Je moet weer verder met het volgende project, waar ik tot mijn vreugde Joseph Cuypers (en Jan Stuyt) weer tegenkwam. Dat was bij de Annakerk en vooral de Laurentiuskerk in ’t Ginneken in Breda. Ik schreef er een artikel over voor ifthenisnow.eu.

Ondertussen heb ik over Joseph Cuypers zelf ook een artikel geschreven in verband met het project van de inventarisatie van het archief dat Pierre M. Cuypers begin dit jaar in bruikleen gaf aan het gemeentearchief van Roermond. Je kunt het via deze link inzien. Deze drukproef is exclusief de laatste verbeteringen, dus wil je het ‘schoon’ en in drukvorm zien, surf dan naar De Spiegel van Roermond en bestel dit jaarboek van 2017.

Wie weet zien we elkaar nog in Roermond of Haarlem. Want beide plaatsen zal ik komend jaar zeker nog een aantal keren aandoen.

Een nieuw boek over Annemiek Punt

'Thomas Moore' van Annemiek Punt in de kathedraal van Roermond. Foto bvhh.nu 2016.

Een leuke opdracht die via collega Evelyne Verheggen mijn kant op kwam, was het artikel over glazenier Annemiek Punt. Ik dacht dat het om een artikel zou gaan, maar het blijkt een boek te zijn, waarvan de andere bijdrage wordt geleverd door esthetisch filosoof Wessel Stoker die onder meer naam maakte met de publicatie: Kunst van hemel en aarde. Het spirituele bij Kandinsky, Rothko, Warhol en Kiefer (2011). Ik heb zijn verhaal nog niet gezien, maar ik ben er heel benieuwd naar. Het gaat vast een bijzonder boek worden. Je leest er meer over onder deze link.

Powervrouwen voor Free a girl

Ik weet dat we aan het einde van het jaar doodgegooid worden met goede doelen, maar ik ben zo vrij om er eentje in het bijzonder aan te bevelen. Dat is het initiatief van monumentenfotograaf Léontine van Geffen-Lamers: ‘Powervrouwen voor Free a girl’. Meer informatie vind je onder de link op deze site of op ifthenisnow.eu. Direct doneren? Ga dan naar http://bit.ly/Powervrouwen-FreeAGirl.

Opiniestuk van Léontine van Geffen-Lamers: 'Powervrouwen voor Free a girl' 2016.

#KunstinBreda

Het schrijven van waardestellingen over de niet beschermde religieuze kunst in Breda – aan en in de gebouwen of solitair in de publieke ruimte – was ’n groot feest. Marjanne Statema en ik zijn van de ene verbazing in de andere gevallen. Mooi om dan van de mannen van de gemeente te horen dat ze geen idee hadden dat er zoveel bijzonders tussen zat. Wel eens gehoord van pyrofotografie? Of van een expressionistisch wegkruis? Of van … ach wat, ga eens kijken onder deze link.

Leen Douwes, Wegkruis te Breda (1930). Foto Marjanne Statema 2014.

#Kerkverhalen

Met Menno Heling van if then is now heb ik afgelopen jaar het project #kerkverhalen opgezet. Het idee is om de rijkdom aan verborgen schatten in de kerken in het licht te zetten door middel van verhalen. Als platform voor verhalen over toerisme, kunst en erfgoed past dit bij uitstek in de doelstellingen van if then is now. Veel kerken zullen de komende jaren gesloten en herbestemd of – als het aan de Nederlandse kerk ligt – gesloopt worden. Door te helpen om een museale omslag te maken kunnen de kerken die voor de eredienst open blijven op meer fronten een publieksfunctie vervullen. Want medegebruik zal nodig blijven om inkomsten voor het beheer van deze gebouwen te genereren, of dat nu op het gebied van de kunsten is of andersoortige manifestaties.

Het leverde een leuk interview op van Rob den Boer in Christelijk weekblad.

Interview over #kerkverhalen in Christelijk Weekblad (2016).

Meer over #kerkverhalen kun je vinden op deze site en bij ifthenisnow.eu door #kerkverhalen in te voeren in het zoekscherm. Binnenkort worden de verhalen gebundeld op een aparte website.

De glasnegatieven van Cuypers

Ga maar direct kijken naar de diashow over de glasnegatieven in het Cuypershuis die dringend gerestaureerd moeten worden. Dan weet je waarom crowdfunding nodig is. Dit soort acties laat je beseffen hoe veel er nog is waarvan we nauwelijks iets weten. Inderdaad, Cuypers maakte al heel vroeg gebruik van de publicitaire mogelijkheden van de fotografie. Meer bijzonder is de exercitie die hij in 1860 in Breda uitvoert, waarbij foto’s gebruikt worden in het restauratieproces. Mijn collega-Cuyperianen Wies van Leeuwen en Lidwien Schiphorst betitelen deze werkwijze als heel vroeg en dat lijkt me terecht. Maar wat hebben we nu aan vergelijkingsmateriaal? Hoe ging het er elders aan toe?

Zo zie je maar weer dat iedere vondst niet alleen antwoorden brengt, maar vaak nog meer vragen oproept. Dat is natuurlijk ook het mooie aan dit vak.

Tentoonstelling en crowdfunding glasnegatieven Cuypershuis (2016).

De foto toont een van de glasnegatieven die Pierre M. Cuypers uit Bemmel bij gelegenheid van de opening van de tentoonstelling aan de verzameling toevoegde. Je ziet zijn vader Charles op de schoot van zijn overgrootvader Pierre, zijn grootvader Joseph links en zijn ooms, Pierre junior en Michael, staand. De foto is genomen op een van de mooiste plaatsen in het museum, de Cuyperszaal die Joseph in 1907-1908 in het complex integreerde.

Dit goede doel kan gesteund worden tot medio maart. Surf daarvoor naar http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven.

Bach’s Weihnachtsoratorium

Rest mij ieder van jullie een zalig Kerstmis, ontspannen feestdagen en een voorspoedig 2017 toe te wensen. Zelf kwam ik in de stemming door naar het Weihnachtsoratorium van Bach te luisteren. Ik vond een prachtige, historische uitvoering van Nikolaus Harnoncourt (1929-2016) op Youtube, die ik jullie van harte kan aanbevelen: klik hier voor de cantates 1-3 en hier voor de cantates 4-6. In een tijd waarin we tastend voorwaarts schuifelen – want dat we in zwaar weer verkeren en de wind voorlopig niet af zal nemen is wel duidelijk – brengt Bach je met zijn muziek terug naar het wonder van het Kerstfeest.

Dat gevoel van peis en vree is een schaars goed, dus laten we dat met elkaar delen.

;-) Bernadette

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verkorte link van dit item: http://bit.ly/VHH-Vriendenbrief

Reddingsactie Cuypers’ glasnegatieven

De crowdfunding voor de redding van de glasnegatieven van Cuypers is een groot succes geworden: het streefbedrag van € 10.000,00 is ruimschoots bereikt, maar dat betekent niet dat het Cuypershuis op zijn lauweren gaat rusten. Voor de totale restauratie is immers het viervoudige nodig, dus donaties blijven welkom! De actie via http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven op het platform voordekunst.nl is voorbij, maar de crowdfunding wordt voortgezet door het museum zelf. Help mee en geef je donatie door aan museum@roermond.nl onder vermelding van #CuypersinBeeld.

Hoe begon het ook alweer? Dat lees je hieronder!

Museum Cuypershuis in Roermond heeft de afgelopen jaren interessante tentoonstellingen gemaakt waarin de architecten Cuypers, kerkelijke kunst en – ook moderne – design over het voetlicht zijn gebracht. De expositie over de glasnegatieven die onlangs is geopend, verschilt daar in zoverre van dat het publiek opgeroepen wordt om de restauratie hiervan via crowdfunding te ondersteunen. En dat is hard nodig, want de vroegere opslag op de zolder van het Cuypershuis heeft de conditie van deze beelddragers geen goed gedaan.

Vandaar de actie die je via deze link kunt steunen: http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven

Vóór de restauratie van het Cuypershuis heb ik uitgebreid waardenstellend onderzoek gedaan naar het complex. Ik kwam toen onder meer een plattegrond van circa 1893 tegen, waarin de volgende ruimtes op zolder worden vermeld: de zaal van de fijnschilders, de fotokamer, de glasschilderskamer en enkele slaapkamers.* Vermoedelijk hebben de glasnegatieven tenminste vanaf dat moment – zo niet eerder – op zolder gestaan. Meer hierover vond ik in het proefschrift ‘Een toevloed van werk, van wijd en zijd’ (2004) van Lidwien Schiphorst. Zij heeft als eerste uitgezocht hoe het nu precies zat met de fotografie bij Cuypers en vertelt daarover onder meer het volgende:

  • Voor werkzaamheden werd de fotografie de daaropvolgende zomer ingezet [1860]. Het herstel aan het wandgraf in de Onze-Lieve-Vrouwe-kerk te Breda werd aanzienlijk vergemakkelijkt, doordat er een fotograaf bijgehaald werd om het tekenwerk te bekorten. Het was niet de eerste de beste: de in zijn tijd al bekende Edmond Fierlants uit Brussel. Hij had in 1861 foto’s van schilderijen van de Vlaamse Primitieven gemaakt en in opdracht van de stad Antwerpen 300 opnames van stedelijke gebouwen, stadspoorten, dokken, kades, molens en kerken […]. Cuypers schreef aan [zijn vrouw] Antoinette over de foto’s: ‘zonder dat zoude ik nog meer dan een week moeten blijven om die honderd details op te nemen. Ik heb nu alle dimensies opgenomen en zal met eene photographie en enige afgietsels de zaak geheel en al kunnen afwerken. Het kost mij echter wel veel geld –ik durf het niet te schrijven’.*

De kost ging duidelijk voor de baat uit!

Grafmonument Engelbrecht I van Nassau Breda, historische foto, 1860-1864.
Het laatgotische grafmonument van Engelbrecht I van Nassau en Johanna van Polanen (circa 1505-1515) in de Grote Kerk van Breda werd door architect Pierre Cuypers, beeldhouwer Louis Royer en kunstkenner J.A. Alberdingk Thijm in 1860-1865 gerestaureerd. Historische opname van Edmond Fierlants circa 1865 (met dank aan Wies van Leeuwen*).

______________________

Dat moet geloond hebben, want vanaf 1862 heeft de firma Cuypers & Stoltzenberg een fotograaf op de loonlijst staan. Er werd met name een bestand opgebouwd van beeldmateriaal van gipsafgietselsels en -modellen die gebruikt werden in albums voor de handel. De koper kon hieruit een object kiezen dat vervolgens werd uitgevoerd in natuursteen. Na de liquidatie van Cuypers & Stoltzenberg in 1894 zal de opvolger, Cuypers & Co, onder Pierre en Joseph Cuypers, eveneens een verzameling van glasnegatieven opbouwen van werkstukken, tekeningen, modellen en voorwerpen.

Dit laatste sluit aan bij wat een van de ambassadeurs van de reddingsactie vertelde: de achterkleinzoon van de naamgever van het museum, Pierre M. Cuypers uit Bemmel, die nog in het Cuypershuis opgroeide, kan zich herinneren dat er dozen vol glasnegatieven waren. Toen de familie het complex verliet hebben ze alleen de glasnegatieven met portretten meegenomen en de rest achtergelaten. Tijdens de opening van de tentoonstelling kon hij daardoor nog enkele negatieven aan de collectie toevoegen. Terecht merkte hij toen op dat het niet alleen om de collectie van zijn overgrootvader gaat, maar ook om die van Joseph Cuypers. Dat wordt niet alleen bevestigd door het boek van Lidwien Schiphorst, maar ook door verschillende items die nu geëxposeerd zijn. Vooral de collectie heilig Hartbeelden trok mijn aandacht, omdat verschillende ervan door Joseph Cuypers zijn ontworpen. Ze laten zien dat hij koos voor de sterk gestileerde stijl die rond 1920 onder invloed van Jan Toorop het handelsmerk werd van de toen moderne katholieke kunst.

Met crowdfunding zal het mogelijk zijn om deze bijzondere collectie te redden. Doe hieraan mee en surf naar http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven om een donatie te doen. Alles is welkom!

Je kunt deze actie ook steunen door de link http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven te verspreiden via de sociale media en dergelijke.Vergeet dan vooral de hashtag #CuypersinBeeld niet, zodat ’t Cuypershuis jouw bericht kan doorzetten. De foto’s in de kop van dit artikel mogen daarvoor gebruikt worden. Als je denkt dat het werkt mag je ook dit artikel verder verspreiden: http://bit.ly/2hDGDLh.

Maar het liefst zie ik je bij de crowdfunding op http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

De * in de tekst hierboven verwijst naar de volgende bronnen:

  • Hubar, Bernadette van Hellenberg, Rien de pareil, Cultuur- en bouwhistorische analyse Stedelijk museum ‘Het huis van Cuypers’ te Roermond, deel 1 de stad in het klein, Res nova, Ohé en Laak 2007. | http://bit.ly/Cuypers4all
  • Leeuwen, A.J.C. van, P.J.H. Cuypers architect 1827-1921, Zwolle 2007.
  • Schiphorst, L.H.H.M., Een toevloed van werk, van wijd en zijd; de beginjaren van het Atelier Cuypers/Stolzenberg, Nijmegen 2004.

Beeldmateriaal

  • Uitnodiging van Cuypershuis om bij te dragen aan de redding van de glasnegatieven. Hierbij is gebruik gemaakt van een foto van het atelier, waar Cuypers zelf op staat, terwijl hij aanwijzigingen geeft aan een van zijn beeldhouwers met betrekking tot een Zouavenmonument.
  • Artikel over de reddingsactie van Adri Gorissen in Dagblad De Limburger van 19 november 2016. Te downloaden via deze link: http://bit.ly/2hqTR0a
  • Enkele foto’s van ’t Cuypershuis, waaruit blijkt hoe hard de reddingsactie nodig is.
  • Nazaat Pierre M. Cuypers voegt tijdens de opening van de tentoonstelling nog enkele glasnegatieven toe aan de collectie van ’t Cuypershuis. Foto bvhh.nu 2016.
  • Een van de glasnegatieven van Pierre M. Cuypers met zijn vader op de schoot van zijn overgrootvader, zijn grootvader links en zijn ooms staand. Herkomst Cuypershuis.
  • Ook de sociale media worden ingezet om de crowdfunding tot een succes te maken. Wie mee wil doen graag gebruik maken van de hashtag #CuypersinBeeld. Op de foto staan twee glasnegatieven die in deplorabele staat verkeren.
  • Enkele albums en folders met foto’s voor commercieel gebruik uit de tijd van Joseph Cuypers. Foto bvhh.nu 2016.
  • De firma Cuypers & Co had een ruim aanbod in verschillende soorten heilig Hartbeelden, waar een vrij grote markt voor bestond. Verschillende ervan zijn door Joseph Cuypers ontworpen.
  • Een van de meest intrigerende glasnegatieven uit de collectie betreft het maken van de mal voor het bronzen beeld van Jeroen Bosch op de markt in Den Bosch, van August Falise.
  • Foto van ’t Cuypershuis door fotograaf Peter Kessels. Herkomst Cuypershuis.

Dit artikel is tot stand gekomen in het kader van #CuypersinBeeld en #kerkverhalen. Het kan geciteerd worden als Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Reddingsactie Cuypers’ glasnegatieven’, op: vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/2hDGDLh (2016).

Je kunt deze actie verspreiden via de sociale media via de link http://bit.ly/2hDGDLh of http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven, onder vermelding van #CuypersinBeeld.

Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract

Fatimahuis Weert. Marij Coenen, mei 2016.
Het Fatimaraam van Charles Eyck in het Fatimahuis (voorheen de Fatimakerk) te Weert, uit 1957. Als Eyck de figuren had weggelaten, zou het glas niets aan zeggingskracht hebben ingeboet. Foto Marij Coenen, mei 2016.

_______________

Na de Tweede Wereldoorlog pakten de kunstenaars vrijwel allemaal hun figuratieve stijl op van voor 1940. Maar de nieuwe abstracte kunst drong op. Wat betekende dit voor de kerkelijke kunst?

Je zou denken dat dit een theoretisch probleem is, maar dat is allerminst het geval. Los van hoe dit de kunstenaars aan het hart ging, heeft dit consequenties voor hoe wij hun werk waarderen. En dat heeft weer gevolgen voor het toekomstige lot van de fysieke objecten.

Zoals ik in de mirror* ‘De kerk als buit’ heb uitgelegd, zullen de komende jaren veel – erg veel – kerkgebouwen gesloten worden.* En waar blijft dan de uitmonstering? Sterker nog, in hoeverre zijn die inrichtingen geïnventariseerd of gewaardeerd? Want als we als maatschappij willen besluiten welke kerken wel of niet behouden blijven, tellen de uitmonsteringen natuurlijk mee. Dat betekent registreren wat je in huis hebt en de waarden daarvan vaststellen. Dat laatste kan alleen als we voldoende weten van de kunst in kwestie. Op dit gebied bestaat echter een behoorlijk grote kennisleemte die onder meer ontstaan is, doordat kunsthistorisch Nederland lange tijd alleen oog had voor de avant-gardekunst. Maar er is heel wat meer gemaakt tijdens de wederopbouw en de daarop volgende decennia.

In Breda hebben ze op deze problematiek een voorschot genomen met het project #KunstinBreda, waarover ik eerder al enkele blogs schreef. De afgelopen maanden ben ik bezig geweest met de waardering van een groot aantal religieuze kunstwerken in kerken, publieke gebouwen en de openbare ruimte. Een behoorlijk groot aantal hiervan dateert uit de periode 1935-1965, de tijdspanne waarover dit thema in het bijzonder gaat. In de jaren 1930 was het barok expressionisme wat de klok sloeg, zoals ik heb uitgelegd in het item over het wegkruis van Leen Douwes. Veel kunstenaars zetten dit voort na de oorlog, waardoor nog tot in de jaren zestig hiervan voorbeelden zijn te zien, zoals het tableau van Joep Nicolas in de Koninklijke Militaire Academie van Breda (1964). Daarnaast had je onder de glaskunstenaars de sterke invloed van Heinrich Campendonk, hoogleraar aan de Rijksacademie in Amsterdam, wiens invloed in naoorlogs Breda onder meer doorwerkte via het oeuvre van Marius de Leeuw, Jan Dijker en Gerrit de Morée. Met name hier zie je dat manoeuvreren met de kool en de geit tussen figuratief, decoratief of abstract.* Collega-onderzoeker Monique Dickhaut, bezig met een promotieonderzoek naar naoorlogse Limburgse kunst, wees me erop dat veel van wat als abstract gepresenteerd werd in feite decoratief was.* Zelf viel me op dat veel van wat abstract wordt genoemd vanzelf weer figuratief wordt – of lijkt te worden – als gevolg van de spontane mimesis. Ik zal dit hieronder toelichten, maar hier kan al opgemerkt worden dat je in beide gevallen zou kunnen spreken van een ontsnappingsclausule. Dat had niet alleen met esthetische of maatschappelijke vraagstukken te maken – figuratief werd op een bepaald moment geassocieerd met het realisme van de totalitaire staten – maar ook, of liever opnieuw met de kerk.

De kerk en de kunst

Wie meer over de strijd van de kerk tegen de moderne kunst wil weten moet het boeiende artikel lezen van Jos Pouls, ‘Tussen Rome en Parijs’.* Hierin bespreekt hij onder meer de reuring rond de eerste tentoonstelling over moderne kerkelijke kunst in Nederland in het Van Abbemuseum in 1951. Onder het motto dat Nederland wakker geschud moest worden, had Edy de Wilde deze overgenomen van Musee d’Art Moderne in Parijs. Dat wakker schudden lukte, want heel Nederland kwam er op af. Niemand die ook maar iets met kerkelijke kunst te maken had ontbrak. Was het dan zo schokkend wat er was te zien? Vandaag zouden we zeggen van niet – gelet op de expressionistische en kubistische signatuur – maar toen bleek het een graadmeter te zijn voor wat de Kerk (met een hoofdletter) accepteerde.


Kort en goed was er nauwelijks iets veranderd ten opzichte van de situatie van voor de oorlog, ook al was de sterke vernieuwingsbeweging vanuit Frankrijk – waarvan de bovenstaande diaserie een indruk geeft – evenmin te stuiten. Ik heb de belangrijkste jaartallen aan de hand van Pouls in een kroniek gerangschikt.* Wat blijkt als we ze langslopen:

  • 1920 | De veroordeling van de expressionistische kruisweg van Albert Servaes (hierover vertelde ik al iets bij het wegkruis van Leen Douwes). De waardigheid van Christus was in het geding.
  • 1931 | De veroordeling van de tentoonstelling van expressionistische moderne religieuze kunst in Essen als ‘arte blasfema’: met name de vertekening en misvorming van de door God geschapen ‘werkelijkheid’, die in de visie van de kerk geïdealiseerd hoorde te worden in vorm, factuur en kleur, was onacceptabel.
  • 1946 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Pablo Picasso en Henri Matisse.
  • 1947 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Piet Mondriaan (2.9).
  • 1947 | De encycliek Mediator Dei stelt dat ‘moderne voorstellingen en vormen niet uit vooringenomenheid mochten worden verworpen en dat kerkelijke kunstenaars vrij moesten worden gelaten’. Dit ging niet zonder mitsen en maren, want opnieuw klinkt het verzet tegen moderne kunstwerken die immers ‘misvormingen en verkrachtingen zijn van de gezonde kunst en bovendien menigmaal flagrant in strijd met de christelijke betamelijkheid, zedigheid en vroomheid’.
  • 1947-1949 | Met het voorgaande was de toon gezet voor de strijd rond de ‘blasfemische’ kruisweg van Aad de Haas in Wahlwiller die hij tenslotte zelf verwijderde uit de kerk. Omdat hier nooit een officieel verbod op is gelegd door Rome, kon deze in tegenstelling tot die van Albert Servaes, teruggeplaatst worden.
  • 1947-1948 | De dominicanen M.A. Couturier en P. Regamey – bevriend met onder meer de filosoof Jacques Maritain en zijn netwerk van hedendaagse kunstenaars – starten in hun tijdschrift Art sacré een offensief voor de toepassing van moderne kunst in de kerk.
  • 1948 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: De experimenteelen (Cobra) (dia 2.9).
  • 1948 | P. Régamey is als spreker aanwezig op het con­gres over ‘Nederland’s Nieuwe Kerken’ in Rotterdam, waar hij vernieuwing bepleit. Zijn lezing wordt gepubliceerd in het Katholiek Bouwblad.
  • 1948 | In het Gildeboek (een periodiek voor kerkelijke kunst) wordt verslag gedaan van het congres over moderne religieuze kunst in Parijs, opgezet door M.A. Couturier en P. Regamey.
  • 1950 | Onder invloed van Art sacré worden de eerste moderne kerken in Frankrijk gebouwd en ingericht met behulp van – deels niet-katholieke – kunstenaars. Een van de meest aansprekende voorbeelden hiervan is Notre Dame de Toute Grâce in Assy, waar de dominicaan Couturier onder meer als glaskunstenaar bij betrokken was (dia 1.2). Hier vind je tegeltableaus van Henri Matis­se (dia 1.7) en Marc Chagall (dia 1.4), glazen van onder meer Georges Rouault (dia 1.3) en een bijzonder crucifix van Germaine Richier (dia 1.6). De voorgevel is gesierd met een reusachtig mozaïek van Fernand Léger (dia 1.1). Een ander voorbeeld in dit medium komen we tegen aan de binnenkant en dat is van een kunstenaar die ook in Breda heeft gewerkt: Théodore Stravinsky (dia 1.5). Als we de monumentale kunst in deze kerk onder een stilistische noemer willen samenvatten, dan is het expressionisme, en wel in een vorm die voor de oorlog al gangbaar was. Wat dat betreft hoeft alleen gewezen te worden op George Raoult, van wie werk opgenomen is in het toonaangevende naslagwerk van de kunsthandelaar Clemens Meuleman – Hedendaagsche religieuse kunst – uit 1936.
  • 1950 | Recensie in Limburgsch Dagblad van de tentoonstelling van ‘moderne Franse religieuze kunst in het Palazzetto Venezia’ te Rome, ‘welker welsprekende woordvoerder, de Dominicaner pater Pie Régamey is’: met onder meer werk van Marc Chagall, Alfred Manessier (dia’s 2.4 en 2.8). Henri Matisse, Georges Raoult en Georges Braque. De recensent verwijst onder andere naar Jacques Maritain en meent: ‘ook deze expositie herbergt haar deformaties, haar extremiteiten’, maar het zijn er relatief weinig.
  • 1951-1955 | In een van de meest progressieve bisdommen van Frankrijk, Besançon, kwam hèt icoon van de moderne kerkbouw tot stand: Notre-Dame-du­-Haut in Ronchamp van Le Corbusier (dia 2.2). Hij ontwierp zowel het gebouw als de monochrome glazen die hij zelf gebrand zou hebben.
  • 1951 | Tentoonstelling ‘Moderne religieuze kunst uit Frankrijk’ in het Van Abbe­museum in Eindhoven met een sterke expressionistische nadruk. De reacties varieerden van uitgesproken positief tot negatief. Apart is de vaak positieve aandacht die Alfred Manessier(dia’s 2.4 en 2.8) krijgt die als een van de weinigen met haast volledig abstracte doeken aanwezig is. Hij past bij uitstek in de visie van Couturier en Regamey dat met name de abstracte kunst goed ingezet kon worden om het religieuze ‘binnenleven’ uit te drukken.
  • 1950-1953 | Reactie Vaticaan: veroordelingen, anti-modernistische richtlijnen en verplaatsing kunstvoorwerpen. Casus: crucifix van Germaine Richter werd verwijderd uit de kerk van Assy (dia 1.6).
  • 1951-1955 | Katholieke kunstenaars en hun organisaties omarmen het voorbeeld uit Frankrijk. Exponenten in Nederland zijn onder meer de glaskunstenaar Daan Wildschut (dia 2.5) en beeldhouwer Nic Tummers (dia 2.6).
  • 1957-1958 | Omslag in het Vaticaan met de bedevaartkerk Madonna della Lacrime in Syracuse (Italië) in een futuristische kegelvorm uit gewapend beton (1957) (dia 2.7). Voorts werd het semi-abstracte werk ‘Doornenkroon’ van Alfred Manessier uit 1954 door de kerk in 1958 bekroond (dia 2.8).
  • 1962-1965 | Tweede Vaticaans Concilie.

Ik zou de lijst nog wel wat verder kunnen uitbreiden, maar dit is voldoende om te begrijpen waarom datgene wat we standaard als het gevolg van Vaticanum II karakteriseren, vaak al enige jaren ouder is, terwijl opnieuw duidelijk is dat de uitgesproken en dramatische versie van het expressionisme na de oorlog niet alleen opnieuw ‘modern’ was, maar onveranderd de gebeten hond bleef van Rome. Dit kan een extra aansporing zijn geweest voor al die kunstenaars om vast te houden aan de barokke variant die na 1931 tot ontwikkeling kwam, zoals Leen Douwes en Jacob Ydema.* Tegelijkertijd valt op dat maar weinig artiesten zich aan de abstracte kunst waagden, zelfs al was deze door de twee dominicaner pioniers was gepromoveerd tot volwaardig medium voor de uitdrukking van kerkelijke kunst en religieuze gevoelens. Een van de weinigen die daarin heel ver ging was Alfred Manessier die hier voor de oorlog al mee experimenteerde. Zijn werk geeft aan dat het de mannen van Ars sacré ook echt te doen was om abstract in de zin van optimaal non-figuratief.

Mimesis trouvé

De goede verstaander hoort het al: optimaal non-figuratief. Waarom ik deze nuance introduceer? Omdat het bijna ondoenlijk is pure abstracte kunst te maken. Óf het werk gaat in de richting van de geometrische abstractie, waarbij al snel een decoratieve boventoon doorklinkt. Óf de lijnen en vlakken hergroeperen zich in onze ogen tot herkenbare vormen: de spontane mimesis of mimesis trouvé die vaak geassocieerd wordt met Leonardo Da Vinci. Hij beschreef als eerste (?) hoe zich uit de wolken en – minder romantisch – bevlekte en vol gespogen muren figuren losmaakten.* De moraal van het verhaal is duidelijk: het menselijk oog kan zichzelf niet beletten om in de chaos van vormen het herkenbare naar voren te halen en de meest elementaire daarvan zien we bij de vroegste tekeningen van ieder kind: de kopvoeters die Cobra tot een artistiek leidmotief maakten (dia 2.9).*

Wat het met onze waarneming doet valt goed te illustreren aan de hand van het ‘moderne’ hoogaltaar van de heilig Hartkerk in Breda (dia 2.10). Toen het onder invloed van Vaticanum II regel werd om de mis te vieren met het gezicht naar het kerkvolk toe, was een nieuw hoogaltaar nodig. Het bestaat uit een tombe en altaarblad uit natuursteen met een zeer eenvoudige, maar weloverwogen ornamentiek. De inkepingen in de mensa suggereren stenen plooien. Op de tombe is het kruis in het midden het enige herkenbare embleem dat omringd wordt door omhooggaande, ‘zittende’ lijnen die vanuit de mimesis trouvé geïnterpreteerd kunnen worden als gelovigen rondom Christus. Het is duidelijk een van die voorbeelden waarbij de kerkelijke kunst de zwenking naar het abstracte maakt, maar wel op die manier dat het ook als decoratief geïnterpreteerd kan worden, zodat het geen aanstoot zou geven. Tegelijkertijd wordt de spontane mimesis geprikkeld die tot een figuratieve beleving leidt.

Toets: de Fatimakerk in Weert

In dit verband is het interessant om een uitstapje te maken naar Weert, naar de Fatimakerk van Pierre Weegels (1953) (dia 2.1). Hier ontwierp Hugo Brouwer in 1959 – naar verluidt – de eerste abstracte ramen voor een kerk, nadat Charles Eyck in 1957 zijn grote Fatimaraam boven de orgeltribune zag geplaatst. Dit laatste oogt als een explosie van wervelende zonnen die het centrum vormen van uitschietende vleugels van kleur, waarin de futuristisch beïnvloede zaagtandlijnen voor nog meer snelheid zorgen. Te midden van deze nagenoeg volledig abstracte dynamiek bewegen zich enkele figuren als dragers van het verhaal. De uitdrukking van dit machtige gebeuren gaf de kunstenaar een – mogelijk ook in zijn ogen – legitieme gelegenheid om over de grenzen van zijn figuratieve idioom te kijken. En een sterke expressionistische flair is het resultaat.

Wanneer Hugo Brouwer een paar jaar later, in 1959, opdracht krijgt voor de beglazing van het schip kiest hij voor een heel andere route dan Charles Eyck. Ze hebben dan al eerder aan een project gewerkt: de Catharinakerk van Pierre J.H. Cuypers te Eindhoven, waar door het oorlogsgeweld alle glazen verdwenen waren.* Eyck heet daar onder meer abstracte roosvensters ontworpen te hebben, maar die zijn nu net bij uitstek decoratief en borduren voort op de geometrische ontwerpmethode waarin de generatie van Joseph Cuypers zo sterk was (dia 2.11). De twee voorbeelden van Charles Eyck vormen een pittig contrast met het werk van Brouwer. In de Fatimakerk ontwierp de kunstenaar liefst twee maal vijf ramen in de lichtbeuk van het schip en twee in die van de apsis, terwijl hij voorts op het niveau van de zijbeuk verschillende medaillons met glas bezette. Hij koos hierbij voor een wisselend palet in verschillende combinaties, waarbij vooral de optische kwaliteit van het gekleurde glas werd benut, met naast elkaar geplaatst vlakken van gelijke kwaliteit. Grisaille werd achterwege gelaten om plastische suggesties van schaduwen te vermijden (dia’s 2.14-2.17).

Opzet was om het lineaire, tweedimensionale karakter van het ontwerp optimaal tot uitdrukking te laten komen. Daardoor wordt ook het decoratieve karakter van dit werk bepaald. De vernieuwing ligt in de stap die Brouwer vervolgens zet. Hij laat zich inspireren door het idioom van toonaangevende kunstenaars uit de Parijse scene om vervolgens met eigen oplossingen te komen. Het is fascinerend hoe hij omgaat met de surrealistische beeldtaal van Joan Miró (dia 2.12). Maar de meest veelzijdige invloed die hij ondergaat is die van Pablo Picasso (dia 2.13). Zo ontstonden ramen, waarin het motief van de stromende lijnen van Miró of Matisse is overgenomen. Hiertussen zijn basale geometrische figuren gevlochten die je bij Miró als geïsoleerde schema’s tegenkomt, ieder met hun eigen archetypische lading. Brouwer heeft duidelijk een voorkeur voor cirkels, driehoeken en ellipsen (dia 2.14). De invloed van Picasso herken je onder meer in een raam, waar uit de lijnen en gesloten omtrekken een grotendeels naakte, gedeformeerde vrouwenfiguur tevoorschijn komt. Hierbij wordt duidelijk ingespeeld op de mimesis trouvé. Dat gaat nog sterker op voor een van de andere glazen, waarin je een soort geabstraheerde, zij het geheel geklede Venus van Milo kunt herkennen. Iconografisch zou je die twee kunnen herleiden tot Eva en Maria of Judith (dia 2.15). Of dat correct is vraagt om een ander type onderzoek.

Behalve de twee vrouwenfiguren zijn er ook enkele dieren te herkennen, evangelistensymbolen nog wel: de vogel (adelaar) van Johannes, de stier van Lucas en de leeuw van Marcus (dia 2.16). Met elkaar maken ze deel uit van een oeuvre waarin de mimesis trouvé voor een groot deel is losgelaten en het decoratieve karakter van de abstracte kunst weer naar voren treedt. Wat bij dit segment opvalt, is de – vermoedelijke – toepassing van het automatische handschrift dat zich vaak uit in enkele alles verbindende lijnen (dia 2.17). Hoewel op dit gebied nog veel vergelijkend onderzoek gedaan moet worden, is het wel duidelijk dat Hugo Brouwer een bijzondere prestatie heeft neergezet in Weert, waarbij een serieuze stap is gezet om de eigentijdse abstracte beeldtaal te implementeren in de kerkelijke kunst.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

De * in bovenstaande tekst verwijst naar de volgende bronnen, samengesteld met behulp van Zotero.

  • De mirror op ifthenisnow.nl is een digitale constructie waarmee then en now tegenover elkaar geplaatst worden. Volg daarvoor de link onder de volgende bullet point.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “De kerk als buit | if then is now”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2g4EuZd.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Spolia”. if then is now. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2f4Bvkq.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Uitmonstering”. if then is now. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2dPFUas.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “#KunstinBreda | Religieuze kunst, Waardestellingen van uitmonsteringen en clusters.” Ohé en Laak, 2017.
  • “Monique Dickhaut | LinkedIn”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZfuCd.
  • Poels, Jos. “‘Tussen Rome en Parijs’, De context van een omstreden tentoonstelling van moderne religieuze kunst in Eindhoven (1951).” Trajecta. Tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden 11 (2002): 129–54.
  • De kroniek aan de hand van Pouls is aangevuld met significante momenten, ontleend aan Jobse, Jonneke. De schilderkunst in een kritiek stadium?: critici in debat over realisme en abstractie in een tijd van wederopbouw en Koude Oorlog: 1945-1960. Kunstkritiek in Nederland 1885-2015. Rotterdam: nai010 uitgevers, 2014.
  • “Surrealisme”. Geraadpleegd 1 januari 2017. http://kunst-modernisme.blogspot.com/p/surrealisme.html.
  • “Fatima Huis Historie”. Fatima Huis. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZjrqE.
  • Reliwiki. “Weert, Coenraad Abelsstraat 31a – Onbevlekt Hart van Maria – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZc1nb.
  • Thoben, Peter. “De ramen van de St.Catharinakerk – De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven”. Geraadpleegd 26 december 2016. http://bit.ly/2ixF16t.
  • Brouwer, Jos, Sybrand Zijlstra, en Hugo Brouwer. Hugo Brouwer. Eindhoven: (Z)OO producties, 2013.
  • Reliwiki. “Tilburg, Ringbaan West 300 – Margarita Maria Alacoque – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZ5sRw.

Jan Dijker, glazen apsis Margarita Maria Alacoquekerk, Ringbaan West 300, Tilburg. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.
Jan Dijker, De abstract-decoratieve glazen in de apsis van de Margarita Maria Alacoquekerk aan de Ringbaan West te Tilburg dateren van 1961. Ik heb hier veel herinneringen liggen, omdat dit mijn parochiekerk was. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.

_________

Dit webartikel kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract’, op: vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/2folRjT (2016).

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2folRjT

 

 

Errata en voortschrijdend inzicht boek nieuwe Bavo

Signeren op de Open Monumentendag in de nieuwe Bavo.
Signeren tijdens de Open Monumentendagen in de nieuwe Bavo. Foto Marij Coenen, 2016.

__________

‘Waar gehakt wordt vallen spaanders’, luidt een oer-Hollands gezegde. Die spaanders nemen we hier onder de loep onder de noemer van errata (vergissingen). Vroeger bestonden die uit een los briefje in een boek, dat natuurlijk steevast kwijt raakte. Vandaag de dag kunnen we hiervoor het wereldwijde internet gebruiken. Of dat minder vergankelijk is dan zo’n strookje papier is de vraag, maar je bereikt er in eerste instantie wel meer mensen mee.

Loop je even met me mee? Dan zie meteen op welke momenten mijn hoofd tijdens het schrijven en corrigeren overliep.

  • p. 4: niet te geloven, maar bij de inhoudsopgave hebben we er met het hele team overheen gelezen dat bij paragraaf 4.3.6 hét Unvollendete staat. Dat moet natuurlijk zijn de Unvollendete.
  • p. 13: door wijzigingen op het allerlaatste moment zijn in het dankwoord twee namen weggevallen van mensen die me geweldig geholpen hebben. Dat is allerleerst Carien van de Boer-van Hoogevest met wie ik archiefonderzoek heb gedaan naar de manier waarop de kathedraal kunstmatig verlicht werd. In het boek komt dat verder niet ter sprake, maar hier is het wel interessant om te vermelden dat dat van meet af met electriciteit gebeurde. Daarnaast drs David Mulder, werkzaam bij de atlas van het gemeentearchief van Amsterdam. Hij attendeerde me op die andere Unvollendete, de Willibroridus buiten de Veste te Amsterdam.
  • p. 27: Wies van Leeuwen attendeerde me er op dat Van Heukelom moet zijn Van Heukelum (op p. 91 staat de naam wel correct).
  • p. 43 t.h.v. noot 72: bij de Vioolstruikavond werd de ‘Gentilhomme bourgois’ of parvenu van Molière opgevoerd en niet de Tartuffe. Meer hierover is te vinden in het Spiegelend Venster van Matthijs Sanders of de Thijmbiografie van Michel van der Plas.
  • p. 72: De muurschilderingen van Bernard Meddens in de Willibrorduskapel heb ik verward met die van Jan van Druten in de Mariakapel (met dank aan Letty Muizelaar).
  • p. 269: abusievelijk staat in het bijschrijft de naam van Jan Loots, terwijl dat moet zijn Lambert Lourijsen. Ik heb de twee mozaïekmakers hier door elkaar gehaald (met dank aan Letty Muizelaar).
  • p. 321: bij noot 934 is een deel van de tekst weggevallen: Walle, H.J.,  ‘Verslag der 1057ste Gewone Vergadering, gehouden in het genootschapslokaal Hotel-Americain, Leidscheplein alhier op woensdag 15 sept 1897’, in: Architectura, Orgaan van het Genootschap Architectura et Amicitia Amsterdam 5 (1897), pp. 171-172. | http://bit.ly/ Architectura-Tresor. Deze titel ontbreekt ook in de bibliografie.
  • In de bibliografie ontbreekt volstrekt ten onrechte de prachtige tentoonstellingscatalogus van Gerard van Wezel van Jan Toorop (2016).

Zo zullen vast nog meer correcties en aanvulingen volgen. Naar mate de tijd voortschrijdt en er meer onderzoek uit deze periode beschikbaar komt, zal dat ook inhoudelijk het geval zijn. Dat zal me niet verdrietig maken, maar trots, omdat ik met dit boek een aantal nieuwe thema’s op het podium heb gezet – zoals het bewust onvoltooide ontwerp van Joseph Cuypers – dat ongetwijfeld tot een verdiepingsslag zullen leiden. Dat hoort allemaal bij het proces van trial and error, waarmee we de wetenschap vooruit helpen. Om maar een voorbeeld te geven:

  • In het kader van een ander project – #KunstinBreda – kwam ik er achter dat de manier waarop Bekkers en Meijsing in hun boek uit 1923 de kathedraal als gebouw vergelijken met het mystieke lichaam van Christus, waar alle gelovigen deel aan hebben, geïnspireerd is door de liturgische visie van de priester-theoloog R. Guardini.* Dat is in meer opzichten interessant, omdat deze man zich in de voorhoede bevond van de liturgische vernieuwing. Wat zegt dat over de situatie in Haarlem? Wat zegt dat over bouwheer en architect die immers beiden hun goedkeuring aan dit boek hebben gehecht?
  • Van Philip Weijers ontving ik een stuk met interessante feed back die hier binnenkort een plaatsje zal krijgen.
  • Verder Wees Harrie-Jan Metselaars me op enkele frappante overeenkomsten met de Sacré Coeur in Parijs (1871-1914). Die zijn er zeker, hoewel daar in de primaire teksten over de nieuwe Bavo geen melding van wordt gemaakt. Toch is het wel aardig om dit een keer op een rij te zetten. Voorlopig blijft het nog bij deze observatie.

Wie aan dit voortschrijdend inzicht bij wil dragen is van harte welkom, of dit nu op een letterlijk niveau is, of inhoudelijk!

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Verwijzingen

De * verwijst naar de volgende bronnen en annotaties.

  • Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, pp. 215-219. Melchers, Marisa, Het nieuwe religieuze bouwen, liturgie, kerken en stedenbouw, Amsterdam 2015, p. 59.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2eJhLjZ

Recensies en reacties

De eerste recensie van ‘De nieuwe Bavo te Haarlem’ komt van John Oomkes van Haarlems Dagblad: een ‘vlot geschreven pil’.


Eerste recensie 'Nieuwe Bavo te Haarlem' Haarlems Dagblad 10 sep 16 (foto: Marij Coenen)

Voor een downloadexemplaar volg deze link.


Reacties van lezers

Philip Weijers uit Aerdenhout, als diaken en vrijwilliger betrokken bij de kathedraal (19 november 2016):

  • Allereerst mijn complimenten voor dit prachtige boek met veel mooie en unieke foto’s. Het is ook nog eens verrassend van inhoud. Ik refereer naar het fenomeen van het Unvollendete, de ontdekkingen mbt de polychromie, de symboliek, de oosterse invloed. Heel leerzaam en zeer bruikbaar in onze rondleidingen, zowel de reguliere (kerkbezoek door de weeks van maart t/m oktober) als de zgn. gewelventochten (3 x per jaar).

Letty Muizelaar uit Haarlem (27 oktober 2016):

  • Leuk dat zelfs mijn naam vermeld wordt bij de errata.
    Verder wil ik je laten weten dat ik erg geniet van je doorwrochte boek over de Bavo!

Bart Maltha, voorzitter voorzitter van de stichting ‘Vrienden van de Abt’, van de Antonius Abtkerk in Scheveningen (29 september 2016):

  • […] alleréérst wilde ik je feliciteren met jouw doorwrochte boek over de ‘Nieuwe Bavo’! Ik heb het grondig doorgelezen en veel zijdelingse informatie gevonden, die
    me helpt om aspecten van de H. Antonius Abt beter en misschien ook anders te gaan bekijken. Natuurlijk gaat soms de diepgang van jouw Bavo-boek mijn kennisniveau te
    boven, maar nergens verloor ik mijn interesse’.

Reacties via de pers en de digitale media

Reformatorisch Dagblad (19 december 2016)

Van ’t Reformatorisch Dagblad kwam wel een heel aparte reactie (zie Evernote). De journalist signaleert op basis van recent onderzoek interessante verbanden tussen de oude en de nieuwe Bavo. Dat doet hij aan de hand van mijn boek en dat van Thomas von der Dunk. Ik zal niet zeggen Bien étonnés de se trouver ensemble, want Thomas en ik delen een verleden als actieve leden van het Cuypersgenootschap. Maar het was toch wel frappant. Nadat de journalist het betoog van Thomas over de uivormige bekroning van de vieringtoren eindigt met:

  • En verschillende Bourgondische hertogen en graven van Holland die over Haarlem de baas waren, hadden Jeruzalem bezocht. De grote steden in Holland kenden bovendien invloedrijke Jeruzalembroederschappen. De oosters-uivormige beugelkroon van de toren van de Bavo is volgens Von der Dunk een directe link met Jeruzalem.

    Zo’n lijn legde de architect Jospeh Cuypers bijna vier eeuwen later ook bij de bouw van de in 1898 in gebruik genomen rooms-katholieke Sint-Bavo. Vooral de grote koepel van de kerk en veel ornamenten doen sterk denken aan een oosters gebouw. Daarnaast staat de kerk gericht op het oosten. In ”De nieuwe Bavo van Haarlem” laat Bernadette van Hellenberg Hubar zien hoe dat komt. Een van de gedachten was dat de Arabieren, die net als de Joden behoren tot de afstammelingen van Sem, weleens een meer authentieke ontwikkeling van hun cultuur uit de mozaïsche traditie zouden kunnen hebben gerealiseerd dan de christenen.

    Het fotorijke boek over de rooms-katholieke Bavo laat zien dat de kerk vol Bijbelse symboliek zit, waarbij het gedachtegoed van de scholastieke Thomas van Aquino (1225-1274) over de Unvoll­endete bepalend was. Zo zijn in lijn hiermee in het kerkgebouw ruwe, onbehouwen stenen opgenomen.

    Over de kleinste details in de kerk is nagedacht, zo bleek tijdens nauwkeurig onderzoek dat mogelijk was door de vele steigers die de afgelopen jaren in de kerk stonden vanwege de grote restauratie. De foto’s laten ook de kleurrijkdom van de kerk zien’.

Stadsglossy (week 24 november 2016)

Stadsglossy via WBooks 24 nov 16

Biblion (16 november 2016)

Van WBooks kreeg ik dit bericht van Biblion, een instelling die de Openbare Bibliotheken informeert over interessante publicaties. Hier ben ik blij mee, want ik ben een groot voorstander van de de Openbare Bibliotheek. Kijk maar ‘ns wat recensent drs J.W. Pauw van het boek vindt:

  • ‘Ter gelegenheid van de restauratie van de Nieuwe Bavo in Haarlem is dit boek uitgegeven, opgedragen aan het voltallige team. De beroemde architect is Joseph Cuypers, de zoon van Pierre Cuypers (architect van onder andere het Rijksmuseum). Dit zeer rijk geïllustreerde (235 illustraties) naslagwerk bevat een uitvoerige uitleg over de binnen – en buitenzijde van de basiliek, met speciale aandacht voor ornamenten en de achterliggende betekenis ervan. De bouwperiode beslaat een ruime periode (1893-1930) en bewust zijn nog steeds onderdelen onvoltooid gebleven. De auteur weet deze basiliek in een context te plaatsen van christelijke bronnen (Thomas van Acquino) en andere kunst (bijvoorbeeld Monet). Deze beschrijving ondersteunt het unieke karakter van dit bouwwerk als cultureel erfgoed. De auteur is een zeer toegewijd onderzoekster, die eerder publiceerde over kerkelijke kunst en over de familie Cuypers. Dertig pagina’s eindnoten en een register zijn toegevoegd’.

Wel apart dat mijn toewijding hier wordt genoemd, die kennelijk tot aanbeveling strekt om het boek te kopen. Overigens zit er inderdaad een register bij het boek, maar dat staat on line, onder meer op de sites van de nieuwe Bavo en WBOOKS.

Bloemen voor Sint Jozef →

Bloemen voor Sint Jozef vormt een doorverwijspagina.

Onderstaand kunstwerk in de Nazarener sfeer wordt behandeld in mijn blog ‘Sint Jozef 19 maart’: bit.ly/VHH-Jozef
Een hommage aan mijn vader, Wolter Adriaan Joan Jozef van Hellenberg Hubar, die 19 maart 2016 100 jaar geworden zou zijn.

Gebhard Fugel H. Familie Weekblad Sint Bavo 1900

De luchtboogbeelden onderweg

Sint Jan Den Bosch Wonderlijke klim foto bvhh.nu 2016


Zittend op de luchtboog
zetten we ons voorzichtig af
om opwaarts te schuiven
’n trage dodendans
van heiligen en zondaars
zotskappen en wijzen
de man om de hoek en de koning
tussen dieren en monsters
zestien bogen lang
’n brug tussen aarde en hemel
waar Cerberus wacht
in vele gedaanten

de muil wijd geopend
gebeurt ‘t ieder moment
kokhalzend spuwend
een zondvloed van water
kolkt op onze lijven
houvast verdwijnt
graaiend, tuimelend,
vallend klauwend
vergeefs grijpen we
naar wapperende panden
‘n arm ‘n voet van hen
die nog sneller
dalen
de aarde tegemoet

aan de voet van de beren
zijn wij als Sisyphus
behept met ‘n taak
die nooit lijkt te voleinden
Steeds weer onderweg
naar waar engelen
zingen: Alleluja

________________

@kerkverhalen — De aanleiding mag Jeroen Bosch zijn geweest, maar dat heeft de ‘wonderlijke klim’ bij de Sint Jan van Den Bosch helemaal niet nodig. Het is werkelijk een briljante vondst geweest om deze sculptuur op de steunbogen langs het schip – die globaal tussen 1470 en 1520 tot stand kwam – op deze manier toegankelijk te maken voor een groot publiek. Wie wat vaker verhalen van mij leest, weet dat ik gek ben op steigers, of liever, helemaal weg ben van die wonderlijke wereld tussen hemel en aarde. Toen de Bossche kathedraal de laatste keer in de steigers stond, heb ik daar rond mogen dwalen in het gezelschap van Wies van Leeuwen die de problematiek van de restauratie toelichtte. Was dat al boeiend, nog aangrijpender was de poëtische sfeer op de steigerplanken tussen de beren, luchtbogen en wimbergen, oog in oog met beelden en ornamenten. Een andere wereld, dacht ik toen, een totaal aparte wereld. Datzelfde gevoel overviel me toen ik in 2013 op de steigers stond bij die andere fantastische kathedraal, de nieuwe Bavo in Haarlem, en waar dat toe leidde gaan we 9 september beleven.

Programma — Je wil nog weten wat er waar is in mijn verhaal in dichtvorm? Of het klopt van die waterspuwers boven de luchtbogen? Zoals zo vaak, is het antwoord ‘ja’ en ‘nee’. Wat de luchtboogbeelden precies betekenen heeft tot dusver niemand kunnen achterhalen, zoals Ronald Glaudemans in zijn boek hierover nog eens benadrukt.* Het onderliggende programma blijft in raadselen gehuld. Sterker nog, mijn promotor, Kees Peeters, meende zelfs dat de cyclus van toevalligheden aan elkaar hing. Ongetwijfeld is er naar de middeleeuwse achtergronden nog veel onderzoek nodig, maar misschien is het ook wel aardig om de menagerie op de luchtbogen te bekijken door een negentiende en vroeg twintigste-eeuwse bril. Want we denken wel dat we naar een middeleeuws toneel kijken, daarboven in de dakgoot van de Sint Jan, maar het gros van wat we zien is negentiende-eeuws. We zijn niet zozeer beland bij de wereld van Jeroen Bosch, als wel bij die van de belangrijkste restauratie-architect, Lambert Hezenmans (1841-1909) , en de man die namens het Rijk de inspectie van de werken uitvoerde, Pierre J.H. Cuypers (1827-1921). De twee kenden elkaar goed, want beiden waren door de afdeling kunsten en wetenschappen van het ministerie van buitenlandse zaken – dat wil zeggen, Victor de Stuers – aangesteld als rijksinspecteur. Niet zelden controleerden ze in die functie elkaars werken. In het geval van de luchtboogbeelden leidde dat tot pittige kritiek van de kant van Cuypers, met name wat betreft de concrete aanpak van Hezenmans, waardoor origineel, gerestaureerd en aangevuld niet goed te onderscheiden waren.*


/Volumes/Beeld/Web en sociale media 2016/Screenshot Lambert Hezenmans, luchtboogbeelden negentiende eeuw Sint Jan Den Bosch site Bossche Encyclopdie
Lambert Hezenmans, Schetsjes van een aantal luchtboogbeelden (1870-1885). Herkomst: site Bossche Encyclopedie: http://bit.ly/29kyLN3.

Lange tijd is behoorlijk denigrerend gedaan over de kennis die mensen als Hezenmans en Cuypers over de middeleeuwen hadden en wat dat voor een fnuikende gevolgen had voor de middeleeuwse monumenten van ons land. Vanaf de jaren zeventig kwam een herwaardering op gang die startte met een pleidooi voor de erkenning van de intrinsieke oudheidkundige betekenis van dit soort restauraties. Vrijwel niemand vond de negentiende-eeuwse bijdrage in die tijd ‘mooi’, maar dat stond los van de cultuurhistorische waarde. Geleidelijk kwam meer oog voor de ambachtelijke kwaliteit van de negentiende-eeuwse ateliers met hun strak gepolijste technieken. Toen eenmaal die horde tot het ‘mooi’ vinden genomen was, bleek ook nog eens dat men in die tijd veel meer wist van de middeleeuwen dan tot dusver was aangenomen. En dan valt onvermijdelijk de naam van Cuypers’ zwager, J.A. Alberdingk Thijm en zijn standaardwerk De Heilige Linie (1858). Niet dat Thijm de enige was die zich bezighield met de middeleeuwen, maar op het gebied van de iconografie en symboliek kun je hem zeker beschouwen als een vaandeldrager.*

Microkosmos — Voor Thijm en zijn tijdgenoten was de kathedraal een microkosmos, waarin ‘de gedaante der kerk als afbeelding der waereld’ centraal stond: een wereld in het klein, met al het goed en het kwaad wat ertoe behoorde. Zijn petekind, Joseph Cuypers, zou – vast ook geïnspireerd door de Sint Jan die hij onvermijdelijk kende – deze visie tot uitdrukking brengen in de beeldencyclus van de nieuwe Bavo. Dat deed hij niet alleen, want ook vicaris-generaal en later bisschop A.J. Callier droeg bij aan dit programma. Een belangrijk netwerk waar katholieke kunstenaars en geleerden elkaar ontmoeten was De Violier die in 1906 een bezoek bracht aan de kathedraal van Den Bosch. Tot deze kunstkring hoorde onder meer Xavier Smits die al eerder voor De Violier een lezing had gehouden over de Sint Jan en een proefschrift daarover voorbereidde bij de universiteit van Leuven.* Juist hij wordt afgeserveerd door Ronald Glaudemans:

  • ‘Een andere onderzoeker van de bouwgeschiedenis, C.-F.-X. Smits, ‘Doctor in de Archaeologie’, […] beredeneert in 1907 dat de beeldjes ‘de gezamenlijke menschheid’ voorstellen; ‘De geheele menschheid is dan door dat leger van opstijgende beeldjes verpersoonlijkt. Tusschen de rangen der menschen bevinden zich eenige potsierlijke en phantastische typen, die den mensch op zijn weg door het leven bemoeilijken’. Deze minstens zo merkwaardige verklaring verraadt duidelijk de tijdgeest van de periode waarin deze werd opgeschreven en kan vandaag de dag ook niet echt stand houden’.*

Als we het woord mensheid vervangen door schepping dan komen we dicht in de buurt van Thijms visie op de microkosmos die – zoals hij in De Heilige Linie uitlegt – een sterk antropologisch karakter heeft. Al zo lang als de mensheid bestaat hebben de volkeren in hun gewijde gebouwen de wereld in het klein weergegeven; niet alleen in het westen, maar over de hele aardbol. Dit idee werd bij De Violier verder uitgedragen door een andere vriend van Joseph Cuypers, de iconograaf Matthaeus Nieuwbarn die hierbij op Viollet-le-Duc leunde:

  • ‘De kunstenaars der middeleeuwen hebben van de Christelijke Kerk een soort van nieuwe schepping gemaakt; zij hebben er al wat in de zichtbare en onzichtbare wereld geschapen was, als een heldendicht van lijn en steen in samengebracht.’*

In die wereld is de mens op een symbolische pelgrimage op weg naar de hemel, en onderweg ontmoet hij alles en iedereen: naast de man om de hoek en z’n vrouw, de elite van koningen en keizers; naast bekende dieren de meest vreemdsoortige wezen die onder meer staan voor de beproevingen en verleidingen, zoals Jeroen Bosch ze heeft weergegeven op zijn beroemde schilderijen van heilige heremieten. Zo tijdgebonden was de visie van Smits dus niet. Daarbij komt dat de luchtboogbeelden zich bevinden boven het schip, de plek die volgens Thijm bij uitstek staat voor de aarde, de strijdende kerk, waar de gelovigen ‘zich door des waerelds woelige golven trachten heen te werken’.* Sinds ik met de nieuwe Bavo bezig ben geweest, koppel ik dit beeld van goed en kwaad aan de theodicee* van Thomas van Aquino die vanaf 1879 (opnieuw) in het centrum van het katholieke denken stond. Of daarin nog aanknopingspunten zitten voor het middeleeuwse programma van de beeldencyclus van de kathedraal, vraagt om verder onderzoek.

Brochure wonderlijke klim Sint Jan Den Bosch (2016).
Brochure met de plattegrond en de benaming van de luchtboogbeelden. Net als het informatieve boekje van Ronald Glaudemans (zie hieronder) verkrijgbaar bij de kaartverkoop van ‘De wonderlijke klim‘ van de Sint Jan in Den Bosch.

Klassieke referenties — Maar ja, zul je denken, hoe zit het dan met Cerberus en Sisyphus? Dan komen we toch terecht in de klassieke oudheid? Dat klopt, maar uit het oogpunt van de middeleeuwen was er geen scheiding met die oudheid. Die maakte integraal deel uit van het eigen erfgoed. Een mooi voorbeeld daarvan is de Divina Commedia van Dante uit het eerste kwart van de veertiende eeuw: de auteur gaat hierin met de – let wel! – klassieke schrijver Vergilius op stap. Op zijn reis – die in de vakliteratuur vaak als pelgrimage wordt bestempeld – komt hij onder meer Sisyphus en Cerberus tegen.*

Kijk, dat is het nu het mooie aan gedichten: met een minimum aan woorden roep je een beeld op, waarna heel veel zinnen nodig zijn om uitleg te geven. Terwijl zo’n gedicht ontstaat gebeurt er van alles in je hoofd: in een hoog tempo rijgen zich voorstellingen aan elkaar die vanuit de enorme vergaarbak van het geheugen intuïtief elkaars gezelschap zoeken en vervolgens via je vingers op het scherm belanden. Dit is een proces van ’n paar minuten, het denken daarna over de achtergrond en de context vraagt heel wat meer. Dat geeft de verdiepingsslag en maakt het – wie weet – wel mogelijk dat je als je daar staat, terugdenkt aan dit verhaal.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Bronnen

De * in de tekst verwijst naar de volgende bronnen:

  • ‘Luchtboogfiguren’, op: bossche-enyclopie.nl, http://bit.ly/29kyLN3 (2016).
  • Cuypers, Jos. en Jan Stuyt (Constructie) en Xav. Smits (Symboliek), De nieuwe St. Jacob te ’s-Hertogenbosch, ’s-Hertogenbosch 1907.
  • Davidson,Linda Kay en David Martin Gitlitz, Pilgrimage: From the Ganges to Graceland: an Encyclopedia, deel 1, 2002, pp. xviii-xix. | http://bit.ly/29NFwau
  • Divina commedia: zie https://www.wikiwand.com/nl/De_goddelijke_komedie
  • Donkers, Geert, ‘“De parel aan Brabants kroon”: het bezoek van ‘De Violier’ aan ‘s-Hertogenbosch’, in: Bossche Bladen, Cultuurhistorisch magazine over ‘s-Hertogenbosch 3 (2001), pp. 16-20. | http://bit.ly/29AHsPK
  • Donkers, Geert, ‘De Katholieke Kunstkring De Violier, 1901-1920’, in: Trajecta 10 (2001), pp. 112-135. | http://bit.ly/29mBa5Y
  • Glaudemans, Ronald, Een wonderlijke klim, De luchtboogbeelden op de Sint-Jan, Den Bosch 2016, pp. 6; 10-12.
  • Hubar, Bernadette van Hellenberg, Arbeid en Bezieling; de esthetica van P.J.H. Cuypers, J.A. Alberdingk Thijm en V.E.L. de Stuers, en de voorgevel van het Rijksmuseum, Nijmegen 1997, onder meer pp. 325-329 (microkosmos).
  • Kalf, J., ‘Vierde jaarverslag van den Katholieken Kunstkring: De Violier’, in: Van Onzen Tijd 6 (1905-1906), pp. 130-142. | http://bit.ly/VanOnzenTijd (lezing Xavier Smits kathedraal Sint Jan).
  • Nieuwbarn, M.C., Het Roomsche kerkgebouw, leer der algemeene symboliek en ikonografie onzer Katholieke kerken, Nijmegen 1908, p. 9. | http://bit.ly/Nieuwbarn-bouwsymboliek.
  • Theodicee: https://www.wikiwand.com/nl/Theodicee
  • Thijm, J.A. Alberdingk, De Heilige Linie, pp. 73; 197. | http://bit.ly/Thijm-Sterck-Oudheidkunde

Beeldmateriaal

De foto’s in de kop en de diashow zijn van de hand van de auteur (bvhh.nu) en vallen onder http://bit.ly/Copyright-CC-BY-NC-SA.

Dit bericht is tot stand gekomen in het kader van #kerkverhalen en tevens geplaatst op ifthenisnow.eu: http://bit.ly/29PRceK.
Meer weten over #kerkverhalen? Volg dan deze link. Interesse om mee te doen? Meld je dan aan bij menno@ifthenisnow.nl. Je kunt ons ook volgen op Twitter via @kerkverhalen.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/28U5chf

Fiat lux

Fiat lux, item nieuwe Bavo 100 kerkinterieurs Catharijneconvent

Ook de nieuwe Bavo komt voor in het nieuwe boek Kerkinterieurs in Nederland van het Catharijneconvent en de Rijksdienst Cultureel Erfgoed. Deze publicatie bood een mooie gelegenheid om het licht van architect Joseph Cuypers onder de aandacht te brengen, dat ik nader heb geanalyseerd in het boek De nieuwe Bavo te Haarlem, Ad orientem | Gericht op het oosten. Als aanloop tot de Open Monumentendag zal deze monografie over de Haarlemse kathedraal 9 september a.s. verschijnen.

Voor de presentatie van Kerkinterieurs in Nederland, afgelopen maandag (20 juni) in de Thomaskerk te Amsterdam, verscheen de volgende tekst van het Catharijneconvent:

  • ‘Kerken zijn de landmarks van ons landschap. Al meer dan duizend jaar zijn zij onlosmakelijk verbonden met het Nederlandse dorps- of stadsgezicht. De aandacht gaat vaak uit naar de buitenkant, terwijl er juist vanbinnen zoveel te genieten valt. Van de middeleeuwse parel in Groningen tot de katholieke kathedraal in het zuiden, van neogotische pracht en praal tot strakke, betonnen wederopbouw. De rijkdom en diversiteit die ons land kent is indrukwekkend. Museum Catharijneconvent, het nationaal kenniscentrum voor religieus erfgoed, geeft die binnenkant nu de aandacht die hij verdient, door maar liefst honderd beeldbepalende interieurs uitgebreid in het zonnetje te zetten. Kerkinterieurs in Nederland is een ontdekkingstocht langs katholieke en protestante kerken en joodse synagogen, waarin architecten en kunstenaars door de eeuwen heen hun ideeën op indrukwekkende en vaak verrassende wijze hebben vormgegeven. Alle 100 kerkinterieurs zijn op artistieke wijze in beeld gebracht door fotograaf Arjan Bronkhorst. Het boek wordt uitgegeven door WBOOKS’.

Zelf heb ik het boek, dat je rechtstreeks kunt bestellen bij WBOOKS, nog niet gezien; maar zodra dat het geval is, kom ik er op terug. Los van de andere bijdragen, ben ik vooral benieuwd naar de inleiding.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Verkorte link naar dit item: http://bit.ly/28SbZfg

Pinksteren

cmore@pixelpolder.com
Het hoogkoor van de nieuwe Bavo, ontworpen door Joseph Th.J. Cuypers (1893-1898), staat het hele jaar door in het teken van de ‘Creator Spiritus’, de scheppende heilige Geest. Van de Pinksterhymne Veni Creator Spiritus staan dan ook, conform het iconografisch programma van vicaris-generaal en later bisschop A.J. Callier, de eerste regels tussen de arcade en de eerste galerij gekalligrafeerd. Foto Beeldbank RCESjaan van der Jagt/Pixelpolder 2015.

Pinksteren heb ik altijd het meest aansprekende feest gevonden van de katholieke kerk. Ik weet wel dat het formeel niet de belangrijkste plechtigheid is, maar voor mij is het de ultieme dag van de inspiratie. Dit woord werd al vroeg in het Nederlands vrij letterlijk vertaald als ‘ingheestinge’, de geest die binnentreedt in de mens als gevolg van de ‘uitstorting’.* Niet van zomaar een geest, maar van een goddelijke Geest, een heilige Geest. Probeer het je voor te stellen, in het begin van de jaartelling: een ruimte met mensen – onder wie de apostelen – die oprecht hopen, maar toch ook treuren. Zij zijn er samen met de moeder van hun meester en verlosser die op een wel heel dramatische wijze het leven heeft gelaten, terugkeerde uit de dood en vervolgens opnieuw heenging. Natuurlijk heeft hij hen getroost, nog wel met de belofte dat hij Gods Geest zou zenden om hen te helpen, maar wanneer … En dan gebeurt het opeens:

  • Plotseling kwam er uit de hemel een geluid dat leek op een enorme windvlaag en het vulde het hele huis, waar zij zaten. Op hun hoofden vertoonden zich tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen. Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, zoals de Geest het hen gaf uit te spreken. — .*

De parakleet wordt deze geest genoemd, de vertrooster. Hoe dat opgevat moet worden, daarover zijn de meningen verdeeld, maar mij spreekt nog het meest de gedachte aan dat de parakleet door Christus is gestuurd als troost en compensatie voor zijn afwezigheid. En wat voor een compensatie! Want als er iets is dat de mens heel dicht bij God brengt, dan is het toch wel de bezieling, de ‘geestdrift’. De schrijver Jozef Alberdingk Thijm wist dat prachtig te verwoorden met zijn ‘steigring van den geest tot boven het hemelgewelf’.* Dat was de vervoering die bezit nam van de mens als hij kunst maakte en daarom was kunst zo belangrijk. Zijn petekind Joseph Cuypers, de architect van de nieuwe Bavo, dacht in soortgelijke termen en dat gold ook voor de bouwheer A.J. Callier die het iconografisch programma samenstelde. Dat de heilige Geest zeer aanwezig is in de kathedraal, heeft echter niet alleen te maken met inspiratie en creativiteit, maar ook met de bijzondere functie van dit type kerk. Alleen hier vindt de priesterwijding plaats, tijdens welk ritueel de heilige Geest zijn zeven gaven uitstort over de wijdelingen die het kerkvolk zullen bijstaan tijdens hun aardse pelgrimage van loutering en strijd. Zoals we kunnen lezen in het eerste boek over de nieuwe Bavo van Marie Thompson:

  • Geheel de zinnebeeldige voorstelling van het verhevenste en eerbiedwaardigste gedeelte dezer kathedraal wordt beheerscht door slechts ééne grondgedachte, de werking en de mededeeling van den H. Geest, den derden persoon der H. Drievuldigheid, de uitstorting zijner goddelijke liefdegaven over de strijdende Kerk hierbeneden. Gelijk Cherubijnen-vleugelen boven het verzoendeksel der Oud-Testamentische ark, zoo spreiden zich de heilige gewelven en de hoog opschietende bogen over de altaren der Nieuwe Wet, waar Gods Zoon, de eeuwige Liefde, troont […].*


cmore@pixelpolder.com
De gewelfknoop met de sluitsteen waar de ribben, of liever de ‘vleugels’ van het apsisgewelf van de nieuwe Bavo bij elkaar komen. Centraal is de zon weergegeven die staat voor Christus als licht der wereld. In combinatie met de uitschietende stralen in goud op de ribben, kan dit motief ook geïnterpreteerd worden als symbool van het Pinkstergebeuren waarbij de heilige Geest zich in vurige tongen uitstortte en Gods bezieling bracht. Foto Beeldbank RCESjaan van der Jagt/Pixelpolder 2015.

Een prachtig beeld van gewelven als engelenvleugels, die je vooral herkent in de apsis. Ook later vinden we deze vergelijking met de vleugels van ‘cherubs’ nog wel eens een enkele keer in de kunstkritiek terug.* Zelf heb ik het vermoeden dat dit niet alleen beïnvloed is door het tweetal op de ark van het verbond, maar ook door een ander verhaal uit het Oude Testament. Wat te denken van de tempel van Salomon die een aparte (achter)zaal – het Heilige der Heilige – liet bouwen voor de ark van het verbond:

  • Voor de achterzaal liet hij van olijfhout twee kerubs maken van tien el hoogte. Elk van de beide vleugels van een kerub was vijf el lang: gerekend van de ene vleugeltip tot de andere was de spanwijdte tien el. Elke kerub was tien el hoog; beiden hadden dezelfde afmetingen en dezelfde vorm. De hoogte van de ene kerub was tien el en die van de andere eveneens. De kerubs liet hij achter in de tempel plaatsen. De vleugels van de kerubs stonden uitgespreid; een vleugel van de ene kerub raakte de ene muur en een vleugel van de andere kerub raakte de andere muur; hun andere vleugels raakten elkaar in het midden van de tempel.*

Keren we terug naar de parakleet die zich op Pinksteren uitstortte over de eerste christenen, dan valt op dat die in de nieuwe Bavo nog tweemaal voorkomt: allereerst letterlijk in de slotregel van het Te Deum, waarvan de eerste strofe eindigt met ‘Sanctum quoque Paraclitum Spiritum’ (‘en ook de Vertrooster, de Heilige Geest’). Deze tekst is onlangs op grond van een ontwerp van Joseph Cuypers uit circa 1929 gekalligrafeerd op de westelijke muur van het noordertransept .


Jojanneke Post brengt het bladgoud aan op de laatste letters van de kalligrafie van het Te Deum aan in de nieuwe Bavo te Haarlem. Het betreft het woord Spiritus van (heilige) Geest. Foto Davique Sierschilderwerken 2016.
Jojanneke Post brengt het bladgoud aan op de laatste letters van de kalligrafie van het Te Deum in de nieuwe Bavo te Haarlem. Het betreft het woord Spiritum van (heilige) Geest. Foto Davique Sierschilderwerken 2016.

Maar dat is niet de enige plaats, want ook in de Pinksterhymne Veni Creator Spiritus, die tevens een vast onderdeel is van de priesterwijding en waarvan de eerste regels geschilderd staan in de apsis van de kathedraal, treedt de heilige Geest als parakleet naar voren. Ik weet niet hoe het met jullie staat, maar deze wat onduidelijke figuur uit de heilige Drie-eenheid is als vertrooster, schepper en inspirator voor mij als iconograaf een stuk concreter geworden.

B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

De * in de tekst hierboven verwijst naar de volgende bronnen:

  • Voor ‘ingheestinge’ zie Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 383-384 (→ Bibliografie).
  • Handelingen 2:1-4, geciteerd naar het lemma Pinksteren op Wikipedia.
  • Timmers, Symboliek en iconographie , p. 353, nr 716 (→ Bibliografie).
  • Hubar, De genade van de steiger, p. 68: het betreft de uitmonstering van Henri Sicking voor de verdwenen kapel van de Zusters van de Sociëteit van Jezus Maria Jozef te Nieuwkoop; Delpher, zoektermen: Sicking, Nieuwkoop (Nieuwe Tilburgsche Courant 1934) (→ Bibliografie).
  • Thompson, De nieuwe kathedrale kerk ‘St. Bavo’ te Haarlem, p. 36 (→ Bibliografie).
  • Willibrordbijbel.nl: 1 Koningen 6, 23-28.
  • Voor Thijm en de neoplatoonse context van de ‘geestdrift’ zie Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 67-70, 256-262, 320 (→ Bibliografie).
  • Voor meer informatie over de parakleet en de kalligrafie in de nieuwe Bavo zie mijn boek Ad orientem dat dit jaar zal verschijnen: http://bit.ly/Bavo-Ao.

De nieuwe Bavo wordt gerestaureerd door Van Hoogevest Architecten te Amersfoort (http://bit.ly/Hoogevest-Bavo) in opdracht van de Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo te Haarlem: http://bit.ly/Bavo2Ao.

Dit item maakt deel uit van de serie ‘Kunst met de kleine en de grote K in de nieuwe Bavo’ en is aangemeld op de Facebookpagina van de nieuwe Bavo op 14 mei 2016.
Het is ook geplaatst op ifthenisnow.nl.
Verkorte link: http://bit.ly/1R2tAeY