Deinend …

Toen ik de Oermoeder gisteren fotografeerde – ik was gefascineerd door het effect van de achtergrond van de kersverse sneeuw – kwam de gedachte op om haar een plaatsje te geven in de serie ‘Gedicht op maandag’ (#Gom). Wat je hierna leest is een bewerking een van de items uit Oermoeder, een bundel die ik in 2009 tegen het einde van het jaar schreef. Centraal hierin staat dit robuuste, verhalende beeld dat Marij een paar maanden daarvoor had aangekocht van de Belgische beeldhouwer Wilfried Jacobs. Dat gaf me een inspiratie! Ik vind het heerlijk om gedichten te schrijven bij erfgoed en kunstwerken, zoals je hieronder kunt lezen.

Deinend in de moederschoot, uit ‘De oermoeder’. Foto bvhh.nu 2017.

Deinend in
de moederschoot
de vrouw in haar stenen foedraal
dat vloeibaar werd,
watermassa’s langs de
groeven
golven graverend in de steen
spoelend over obstakels
en slijpend en schurend en schavend
tot gladde vlakken ontstaan,
van buiten zo gaaf als
de huid van
een kind.
dat nog wacht in de vrouw
tastende handen
op de buik
voelt ze het leven
dat de kracht van het water
als golven herkent
in weeën

voortgestuwd
werd ook hij geboren
die de vrede brengt.

Deinend in de moederschoot (detail), uit ‘De oermoeder’. Foto bvhh.nu 2017.


Postscriptum — Met nog een paar weken te gaan tot Kerstmis dwarrelen als vanzelf associaties omlaag over de naderende geboorte van het ‘licht der wereld’ … uit de vrouw, wier beeldvorming zo sterk bepaald is door de archetypische oermoeder. Hierover schreef ik een verhaal onder de noemer van ‘De vrouw in het oosten’ in mijn boek over de nieuwe Bavo. Heel bijzonder wat Joseph Cuypers en de latere bisschop A.J. Callier daar hebben bedacht. Iedere dag vond hier in de Mariakapel tijdens de dageraad op symbolische de wijze de conceptie van ‘het licht der wereld’ opnieuw plaats!

Voor de toelichting bij de oorspronkelijke versie van het gedicht kun je een blik werpen in de bundel via http://bit.ly/Gedichten4all.

We gaan een mooie, contemplatieve tijd tegemoet en de sneeuw levert daar op haar manier een bijdrage aan.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2jM0pqF-Oermoeder

Piet Gerrits tijdens de Open Kerkendag Brabant 2017

Piet Gerrits Tilburg | Open Kerkendag Brabant 2017. Collage bvhh.nu 2017

Een van de gebouwen die open is tijdens de eerste Open Kerkendag Brabant vandaag is de Gerardus Majella in Tilburg. Een apart ontwerp van Joseph Cuypers (waarschijnlijk in samenwerking met zijn zoon Pierre J.J.M. Cuypers), uitgemonsterd met schilderingen en mozaïeken van Piet Gerrits. Waarom die zo bijzonder zijn vertel ik hieronder in een stuk, ontleend aan mijn boek ‘De genade van de steiger’:

Uit paragraaf 5.8.3 | Gerardus Majellakerk in Tilburg

In 1922 raakte Piet Gerrits betrokken bij de uitmonstering van de Gerardus Majellakerk in Tilburg, waarover de architect, Joseph Cuypers, in een krantenartikel schreef:

  • ‘Zeer gelukkig is in dit verband te noemen de keuze van pastoor Verschure die den kunstenaar en oud-stadgenoot Piet Gerrits, der H. Landstichting de leiding aanbood voor de meubileering en versiering der kerk, nu of later te voltooien. Juist zijn buitengewone kennis der Byzantijnsche kunst — de bakermat onzer kerkelijke kunst— zijn fijn en veel omvattend talent, zijn karaktervolle doch eenvoudige echt christelijke stijl, zullen dit nieuwe Huis Gods maken tot een heerlijk en devoot huis des gebeds.’[253]

In 1933, enkele jaren na de Cenakelkerk, waren de schilderingen klaar (afb. 187a-c). Bij een vergelijking van de twee cycli in Tilburg met de decoraties van de Heilig Landstichting valt als eerste op dat het Beuroner getinte werk vooral in mozaïek is uitgevoerd, in het heilige der heilige van de kerk, terwijl de verhalende voorstellingen boven de arcade, in de lichtbeuk van het schip geschilderd zijn. Dat de taferelen in een krantenartikel worden aangeduid als fresco’s duidt eerder op ingesleten taalgebruik dan op een correcte aanduiding van de techniek. Mede gelet op de matte toon heeft Gerrits hier zeer waarschijnlijk keimverf gebruikt, waarmee hij in 1929, dus eveneens in die tijd, ervaring opdeed in de Gerardus Majellakerk in Den Haag, ontworpen door Jan Stuyt.[254] De recensent van de Nieuwe Tilburgsche Courant was erg onder de indruk van de ‘diepe kennis van het H. Land en het oude en Nieuwe Testament’ die Gerrits in zijn uitmonstering tentoonspreidde: ‘Het is een Evangelie van lijn en kleur, waarbij de aandachtige beschouwer ziet wat hij vroeger gelezen en gehoord heeft’.[255] En dat is precies wat het werk zo bijzonder maakt.

Geen kunstenaar heeft zo systematisch als Piet Gerrits de episodes en lessen in beeld gebracht van het openbare leven van Jezus, waarin deze zich strijdbaar opstelde tegenover het vastgeroeste joodse geloof van het oude verbond. Het belang van de parabels hierbij komt in de Tilburgse schilderingen prachtig tot uitdrukking. Met korte teksten in het Nederlands worden telkens kernzinnen uit de bijbelse verhalen aangehaald, waardoor de boodschap van Christus nog sterker wordt ingeprent. De voorstellingen zijn in een vlotte stijl geschilderd, waarbij achtergrond en kostumering volledig zijn afgestemd op wat Gerrits in het Heilige Land had bestudeerd. Leerlingen, tollenaars, deugdzame en berouwvolle vrouwen, schriftgeleerden en farizeeën, ze zijn allemaal weergegeven als bedoeïenen, terwijl door middel van architectuurdetails, interieuropnames, rotsformaties en planten een beeld van het Palestina van het begin van de jaartelling wordt opgeroepen. Hier is de historieschilder aan het woord die de toeschouwer van de bijbelse wijsheid wil overtuigen. Hoewel de recensent meent dat de kleurstelling met de bruine hoofdtoon is aangepast aan de architectuur, lijkt Gerrits met deze aardse tinten met name de associatie met het Heilige Land te versterken. De afstemming op de architectuur wordt vooral bereikt door de indeling van de taferelen: ze lijken als een doorlopende reeks naadloos in elkaar over te vloeien, maar houden ondertussen het ritme aan van de korbelen van de kapconstructie en de zwikken van de bogen. Vooral bij de laatste toont Gerrits een grote vaardigheid op het gebied van compositie: hij gebruikt ze als een verlaagd podium voor zijn scènes, die door hun aparte positionering – als driekwart ruitvormig inzetje – de blik vangen.

Piet Gerrits, De parabel van Lazarus en de rijke vrek. Cyclus in de Gerardus Majellakerk in Tilburg. Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).
Piet Gerrits, De parabel van Lazarus en de rijke vrek. Cyclus in de Gerardus Majellakerk, ontworpen door Joseph Cuypers, te Tilburg. Herkomst: RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).

Hier zien we Lazarus zitten tussen de honden; de beroofde en mishandelde Jood die door de meest verachtelijke van zijn geloofsgenoten, de barmhartige Samaritaan, wordt geholpen; de overspelige vrouw; het verdwaalde schaap en Maria Magdalena die de voeten van Christus wast. Voor wie gewend is aan de latere geïllustreerde kinderbijbels komt dit alles nauwelijks als revolutionair over, maar op dat moment was Gerrits de enige die op zo’n directe wijze het Nieuwe Testament voorspiegelde. Als een beeldband, een stripverhaal gelijk, kan het van de muren worden afgelezen, vooral ook vanwege de keuze voor Nederlandstalige teksten. Zelfs opgeknipt in afzonderlijke onderdelen zouden deze scènes al iconografisch een novum zijn, laat staan als doorlopende geschiedenis. Daarbij valt inhoudelijk vooral de nadruk op het menselijke karakter van dit deel van de bijbel, de kant van de eenvoud, de onvoorwaardelijke liefde en vergevingsgezindheid van Christus. Kortom, niet de straffende God waarmee de Una sancta* tijdens het interbellum het kerkvolk zo graag in het gareel hield. Voor Gerrits gold helemaal wat Van der Vliet zei: de kunstenaar moet zelf leraar zijn om de leer van Jezus te verspreiden. Met zijn laagdrempelige beeldverhalen gaf Gerrits haast een doorkijkje op wat na Vaticanum II in de kerkelijke kunst stond te gebeuren.

Het vreemde is dat het programma in de koorpartij, van de overwinnende kerk, dit idee eerder versterkt dan verzwakt: niet ondanks, maar juist dankzij de door Gerrits toegepaste Beuroner oplossingen – ‘Byzantijnsch’, zou Joseph Cuypers zeggen – lijkt hij hier vooruit te lopen op Vaticanum II (afb. 188). Op hiëratische wijze is Christus groter weergegeven dan de met hem rond de tafel zittende apostelen, terwijl Judas met zijn zak geld wegsluipt om zijn aandeel in de verlossing te bewerkstelligen. Net zoals Bach beeldde Gerrits de leerlingen ten teken van hun heiligheid vrijwel gewichtsloos, maar even kleurrijk als tweedimensionaal uit. Judas daarentegen is in wereldse dimensies neergezet met zwaar geplooide, in het aardse bruin getinte kleding. Ook hij weet dus gebruik te maken van de dichotomie die Riegl de kunstenaars had aangereikt.[256] Deze indruk wordt bevestigd door enkele kenmerken die tegelijkertijd tot de canon van Lenz kunnen worden herleid: zowel Jezus als zijn tafelgenoten zijn als non- individuele types weergegeven, zonder persoonlijke uitstraling. Op het tafelkleed na wordt iedere vorm van diepte vermeden. Wel is achter Christus’ rug als een monochroom ornament de vruchtbare druivenrank zichtbaar met elf weelderige trossen.[257] Als slotakkoord verschijnt, haast opgelost in etherische nuances, Maria als Moeder Gods. De manier waarop ze is gepositioneerd met haar mantel die uitwaaiert in een gelijkzijdige driehoek, verraadt de Beuroner getinte invloed van Toorop.

Wat iconografisch het meest frappeert, is de prominente verwijzing in woord en beeld naar de wijnstok uit het evangelie van Johannes die in het interbellum verder alleen bij Joep Nicolas in de Agneskerk te Amsterdam (1937) is te vinden (zie afb. 319). Sowieso is een laatste avondmaal op deze plaats niet standaard. Meestal komt dit onderwerp voor op de oostelijke transeptwanden of in de koortravee. Het enige andere bekende voorbeeld is het werk van Jan Dunselman in de kathedraal van Rotterdam. Vrijwel steeds wordt dan in de kalligrafie gerefereerd aan het hoogtepunt van de consecratie, zoals te zien viel bij het laatste avondmaal van Kees Dunselman in de Obrechtkerk. Piet Gerrits combineerde echter het moment van de instelling van de eucharistie met de metafoor van de wijnstok, waarmee nogmaals werd benadrukt hoe God en mens een symbiotische vereniging aangaan. Niet de geslachtofferde God, maar de liefdevolle God die het moment van de kruisdood haast voorbij kijkt, staat hier centraal. Vooral dit accent lijkt zijn licht vooruit te werpen. Men hoeft maar te denken aan het kerkelijk lied van de post-Vaticaan II dichter Huub Oosterhuis uit 1964:

  • ‘Ik ben de Wijnstok, Mijn Vader de Wijngaardenier
    Gij zijt de ranken, dus blijf in Mij, Ik blijf in u
    Dan vindt gij vruchten hier.’

Tegen de tijd dat dit lied in de kerken zou worden gezongen, werd ook op de muren een andere toon aangeslagen, zoals Kees Mandos in de Antoniuskerk in dezelfde stad laat zien (1958) (afb. 189). In een vertrouwde iconografie worden op tekenachtige wijze figuren gegroepeerd die alleen door het typologiseren van de koppen en de stilering nog iets van Beuron uitdragen. Voor het overige is er de adem van het expressionisme over heen gegaan, die opvallend genoeg het werk van Gerrits vrijwel geheel onberoerd heeft gelaten.

Piet Gerrits, Apsismozaïek met het Laatste Avondmaal. Cyclus in de Gerardus Majellakerk in Tilburg. Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).
Piet Gerrits, Apsismozaïek met het Laatste Avondmaal. Cyclus in de Gerardus Majellakerk in Tilburg. Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).

Naschrift

Tot zover het fragment uit De genade van de steiger. Meer lezen? Kijk dan of je het boek tweedehands kunt kopen, want bij de Walburg Pers is het uitverkocht.

Het zou fijn zijn als je dit dit artikel wilt delen of mailen. Dat kun je doen via de knop delen aan het einde van deze pagina (gebruik de hashtag #GvdSteiger).

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

Nota bene — In de voetnoten staan verkorte titels die volledig zijn aangehaald in de bibliografie van het boek dat inmiddels echter uitverkocht is. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verwacht de monografie binnenkort on line toegankelijk te maken.

*Una sancta (de enige): dit begrip dat op de kerk slaat, heb ik De genade van de steiger geïntroduceerd als synoniem. Het is ontleend aan het credo of de geloofsbelijdenis en slaat op ‘de enige heilige katholieke en apostolische kerk’ (et unam sanctam catholicam et apostolicam ecclesiam)

[253]    KB krantenbank (tegenwoordige beter bekend als Delpher.nl), zoektermen: Piet Gerrits Majella (Nieuwe Tilburgsche Courant 1922).

[254]    KB krantenbank, zoektermen: Piet Gerrits Gerarduskerk (Het Vaderland, 1929).

[256]    KB krantenbank, zoektermen: Piet Gerrits Majella (Nieuwe Tilburgsche Courant 1933).

[257]    Zie paragraaf 5.6.3 Aardse en hemelse stijl: Riegls dichotomie.

[258]    Nieuwbarn, Kerkgebouw, p. 90.

De verkorte link van vrijwel hetzelfde item op de projectpagina van De genade van de steiger is: http://bit.ly/2iQLE5t

Glaskunst in een Twittermoment

Op het Twittermoment ‘Glas‘ verzamelijk ik allerlei tweets over hedendaagse en historische glaskunst. Sinds De genade van de steiger is glas niet meer weg te denken uit mijn belangstelling. Op een niet vermoeden manier heb ik toen kennisgemaakt met het werk van Jan Toorop, Antoon Derkinderen, Joep Nicolas, Matthieu Wiegman om er enkelen te noemen.

Later heb er in het boek over de nieuwe Bavo veel aandacht aan gewijd, zowel vanwege het werk van Joseph Cuypers, als van Jan Dibbets en Marc Mulders. Daarna volgden mijn artikelen over het werk van Annemiek Punt en over het naoorlogse balanceren tussen figuratief, decoratief en modern aan de hand van de glazen van Hugo Brouwer en Charles Eyck in het Fatimahuis te Weert. Wat mij betreft mogen er nog veel opdrachten langskomen.

Over Jan Toorop heb ik hieronder een fragment opgenomen over zijn Nijmeegse Apostelraam.

Maar ga eerst eens hieronder kijken wat glaskunst allemaal teweeg brengt op Twitter.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!



’t Apostelraam van Jan Toorop (1908-1909)

Jan Toorop en het Apostelraam uit ‘De genade van de steiger’, p. 275. Klik op het plaatje om te vergroten!

Afb. 223a-e. c. Jan Toorop, Het Apostelraam (1913-1915) in de Jozefkerk te Nijmegen (1908-1909), met een ontwerptekening en details van de koppen
van Christus en de engelen. Vanwege het innovatieve karakter maakte dit
werk van Toorop destijds veel ophef. Dit zal zeker te maken hebben gehad
met de omstandigheid dat er in Nederland nog niet zoveel door Beuron beïnvloede glasschilderingen waren te zien.(90) Dit laatste verklaart ook waarom de ornamentele invulling nog sterk op de neogotiek lijkt te zijn afgestemd, al werd hiermee vermoedelijk een emulatie nagestreefd in glas van het Byzantijns geïnspireerde Beuroner mozaïek. Dat de vorm een ander doel dient, blijkt ook bij een vergelijking met het veel minder statische sectieltableau gewijd aan Aloysius in de Nieuwe Bavokathedraal te Haarlem uit 1907 (zie afb. 81).

Het is opvallend dat Plasschaert in zijn monografie over muurschilderingen blind lijkt voor de Beuroner inslag van (onder meer) dit werk. Zelf schreef Toorop hierover: ‘Maar ik heb er toch genoegen van om het apostelraam op die wijze, liturgisch en alles harmonieus zuiver in aansluiting met de omringende architectuur te hebben gemaakt. Daar moet maar eens een einde komen aan al dat ramengeknoei die onze mooie kerkgebouwen bederven’.(91) Hiermee toonde hij zich een rasecht Violierlid. Herkenbaar in de iconografie zijn aspecten (de blote voeten, de regenboog) die door Nieuwbarn in ‘Het Roomsche Kerkgebouw’ werden benoemd. Heel karakteristiek voor Toorop is het werken met een verdubbeling van koppen, waardoor het effect van diepte ontstaat zonder doorbreking van de tweedimensionaliteit. Opvallend is verder de totale vulling van de bogen in de ramen met figuren, waardoor geen achtergrond viel op te vullen en er een optimale eenheid tussen voorstelling en architectuur van het venster is ontstaan. In de hiëratische houding en plooival van de gewaden volgde Toorop Lenz, evenals in de lijnen van het gewaad van de zittende Christus (a). Het Christushoofd is levensecht, maar in zijn symmetrie volledig geconstrueerd naar een ideaal (d). Hoewel er naar de weergave van types is gestreefd, hebben de koppen van de apostelen een individuele signatuur behouden. Van enkele 
is bekend wie er model voor heeft gestaan. In de hoofden van de twee engelen heeft Toorop het portret van Miek Janssen verwerkt (b-c). Hiermee nam hij een voorschot op de kruisweg van Oosterbeek, waar hij de combinatie van portret, type en halftype ook in symbolische zin verder zou uitwerken. Herkomst: Beeldbank RCE.

Fragment uit De genade van de steiger, p. 275.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2isWCOh


BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Homepage september 2016 – augustus 2017

Het boek over de nieuwe Bavo!
Op 9 september, aan de voormiddag van de Open Monumentendagen in 2016, kwam mijn boek over de nieuwe Bavo uit, geproduceerd door WBooks te Zwolle in opdracht van de stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo te Haarlem. Je kunt het boek bestellen via deze link. De omslag van ‘De nieuwe Bavo te Haarlem’ is ontworpen door Marjo Starink, met een foto van de RCE beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2015.1

Welkom — Welkom op deze site waar ik graag met je kennis wil maken en mijn werk onder de aandacht wil brengen. Mijn naam is Bernadette van Hellenberg Hubar en ik ben erfgoedspecialist, homo ludens (spelende mens), schrijver en dichter, en voorheen vennoot van Res nova, erfgoed in ontwikkeling. Als professional ben ik al ruim dertig jaar actief in de wereld van de monumentenzorg en het erfgoedbeheer, een carrière die startte met de oprichting van het Cuypersgenootschap in 1984. Meer hierover lees je in mijn biografie.

Eén van de meest interessante projecten die ik ooit heb mogen doen, is afgerond. Dat is het boek over de nieuwe Bavo te Haarlem van architect Joseph Cuypers dat 9 september 2016 voorafgaand aan de Open Monumentendagen in Haarlem is gepresenteerd. Hiermee ben ik vanaf 2013 bezig geweest. Nu is de kathedraal op zich al zo bijzonder, maar dat boek is nog eens extra apart omdat ik het lopende de restauratie heb mogen schrijven. Dat is tamelijk ongebruikelijk, maar heeft beslist een meerwaarde. Je komt met dingen in aanraking op een manier die onmogelijk wordt zodra de steigers verdwenen zijn. Hieronder vertel ik nog wat meer over deze opdracht.

Ik mag me gelukkig prijzen, want in de jaren ervoor is ook al zo’n spannend project op mijn weg gekomen: het onderzoek naar monumentale kerkelijke schilderkunst uit het interbellum. Het resultaat was een publicatie, getiteld De genade van de steiger, die tot stand kwam in opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en uitgegeven is door de Walburg Pers te Zutphen.2

Bernadette van Hellenberg Hubar met 'De genade van de steiger' (2013)
Een blije Bernadette van Hellenberg Hubar met haar net verschenen boek ‘De genade van de steiger‘ in haar hand. De presentatie van dit naslagwerk over monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum vond 21 november 2013 plaats in de Obrechtkerk te Amsterdam (foto Marij Coenen, 2013).

Kathedraal nieuwe Bavo te Haarlem

Medio april 2014 kwam de opdracht binnen voor het schrijven van een boek naar aanleiding van de restauratie van de nieuwe Bavo. Met dit fantastische gebouw was ik al enige tijd bezig. De waardenstelling – opmaat tot het manuscript – heb ik eind 2013 afgerond.3 De volgende stap was een lezing die ik in een druk bezette nieuwe Bavo heb gegeven. Leidmotief was het hemels Jeruzalem uit de Apocalyps van Johannes dat een immens belangrijke rol speelt bij dit rijksmonument. De gelijknamige hymne Caelestis urbs Jeruzalem van de componist Alphons Diepenbrock (1897) is bij die gelegenheid ten gehore gebracht door de Kathedrale Bavo Cantorij. Door al dit werk lag er heel wat informatie waarmee ik verder kon met mijn onderzoek voor de monografie: op de steigers, in de archieven, op excursie en achter de computer. Er stroomt heel wat water door de Leidsevaart eer je echt aan het schrijven bent. Inmiddels, ruim twee jaar verder, is het boek verschenen na een intensieve tijd van drukproeven, corrigeren, corrigeren en nogmaals corrigeren (en er achter komen dat je hier en daar toch nog iets gemist hebt). Maar het resultaat is er dan ook naar. Een prachtwerk, waar heel wat fotografen aan meegeholpen hebben. Dankzij vormgever Marjo Starink en WBooks heeft de lezer echt wat moois in handen. En dat moois zit tjokvol verhalen. Om daarvan alvast een indruk te geven, is een samenvatting gepubliceerd: http://bit.ly/Ifthenisnow-Bavo. Maar ook elders op deze site vind je verhalen over de Haarlemse kathedraal.4

Een van de beelden van de nieuwe Bavo te Haarlem
Aan de oostpartij van de nieuwe Bavo bevindt zich een bijzondere cyclus van beelden uit het atelier van Cuypers & Co (foto BvHH, zomer 2013).

Met wie werk ik veel samen?

De kracht van ondernemend Nederland ligt in de samenwerkingsverbanden die per project worden aangegaan. Zo werk ik bij kleuronderzoek graag samen met Judith Bohan in Haarlem en Angelique Friedrichs van de SRAL in Maastricht. Voor bijzondere bouwhistorische expertise kan ik steevast terecht bij Karl Pesch Konopka van Stadsherstel Limburg die tevens restauratiearchitect is. Ook met andere architecten werk ik in wisselende combinaties samen. Daarnaast is Charlotte Ruys mijn onmisbare hulp bij genealogische vragen, terwijl ik met Annelei Engelberts inmiddels twee bundels met beeldgedichten heb mogen maken. Op het digitale vlak word ik zowel technisch als creatief bijgestaan door Wolthera.info en Lost again. En dan heb je nog de vele netwerken die via de sociale media tot stand komen, zoals @Ifthenisnow.5 Met de laatste ben ik bezig een platform op te richten voor @kerkverhalen.

Degene echter met wie ik het meest constant samenwerk is Marij Coenen van Transparant A&C. Zij verzorgt niet alleen de boekhouding, maar helpt mij ook met de fotografie, de rapporten, de berichtgeving op de sociale media en de items op deze site. Zonder haar was het boek over de nieuwe Bavo er niet gekomen.

Marij en Bernadette expo Nicolas Steef Stevens
Bernadette en Marij luisteren geconcentreerd naar de uitleg tijdens de Probusexcursie naar de tentoonstelling ‘De sporen van Joep Nicolas’. Dit was in de galerie van Mariska Dirkx in het voormalige atelier van Nicolas te Roermond (foto Steef Stevens, 2014).
6

Het volgende wat ik ga doen?

Dat is een goede vraag, want ik heb de afgelopen vijf jaar vrijwel doorlopend aan drie boeken gewerkt: de twee die hiervoor zijn genoemd en Verhalen op de muur over de Clemenskerk in Merkelbeek.7 Of ik hierna nog een boek zou willen? Waarom niet? Het is mij erg goed bevallen en mijn opdrachtgevers zijn tevreden. Dus wat wil een mens nog meer?

Op de wat langere termijn ligt er mogelijk iets moois in het verschiet: de inventarisatie van het archief van Joseph Cuypers, met een tentoonstelling en biografie. Dit project is net opgestart, maar verkeert nog in de fase van verkenning en fondsenwerving. Als het doorgaat is het een droom die uitkomt, want sinds het onderzoek naar de nieuwe Bavo ben ik meer dan ooit geïntrigeerd door de figuur van Joseph Cuypers (1861-1949).8

En als we dan toch een beetje hardop aan het dromen zijn: kennis overdragen staat ook hoog op mijn agenda. Na zo’n 35 jaar in de erfgoedwereld zit er een heleboel in mijn hoofd wat ik graag met anderen zou willen delen. Of erfgoed koppelen aan nieuwe media, zoals destijds met de Cuyperscode9, maar ook gewoon lekker je handen vies maken bij het onderzoeken van een gebouw … Het heeft allemaal met passie, ontdekkingsreizen en verhalen te maken. Wat ik ontdek probeer ik – binnen de grenzen van de opdracht  – over te dragen via blogjes en de sociale media: de ene keer heel laagdrempelig, de andere keer meer diepgaand.

Maar het eerste wat de komende tijd op het programma staat, heeft te maken met heel iets anders wat ik met veel liefde en ervaring doe: waardestellingen van erfgoed maken. Het betreft het project #KunstInBreda, waarover je meer vindt onder het tabblad projecten. Nu al is het verbazingwekkend wat er allemaal tevoorschijn is gekomen.

Mocht je ’n keer een teamplayer met expertise nodig hebben, neem dan contact met me op: 06 513 87 805.

B.10

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

 

BewarenBewaren

BewarenBewaren


  1. De nieuwe Bavo te Haarlem kan on line besteld worden via: http://bit.ly/Bavo-Ao

  2. De genade van de steiger. Het boek kan rechtstreeks besteld worden bij de Walburg Pers

  3. Hubar, Auro intextum in de bibliografie

  4. Kunst met een kleine en een grote K in de nieuwe Bavo

  5. Voor meer informatie surf naar de pagina met snelkoppelingen. 

  6. Voor de tentoonstelling zie http://bit.ly/BiennaleX #biennaleX. Voor de excursie van Probus Rura et Mosa deze link

  7. Bezoek http://bit.ly/VHH2Clemenskerk 

  8. Zie het item over het archief van Joseph Cuypers

  9. Bezoek www.cuyperscode.nl

  10. Verkorte link van dit item: http://bit.ly/VHH-org 

Belasting of ontlasting? Nogmaals ’t poepende mannetje

Op de omslag van de laatste Vitruvius staat als tekst ‘Het poepende mannetje op de nieuwe Bavo’; maar de foto toont de Sint Jan in Den Bosch. Hoe zit dat?
Wat een prozaïsch thema, zul je intussen denken. Maar toch zit er een lijn tussen de denkende mens en de broekzakker. En is dat poepende mannetje op de nieuwe Bavo in Haarlem wel echt een poepend mannetje?

Meer weten? Bestel het nummer bij Educom | Vitruvius.

De oorspronkelijke blog over dit onderwerp – zonder het naschrift over de Sint Jan –  kun je op deze website en op ifthenisnow vinden.

Aanvullingen en suggesties zijn altijd welkom!
En natuurlijk ook het antwoord op de vraag over het kakkertje van Rembrandt.

;-) B.

Het poepende mannetje op de nieuwe Bavo. Foto bvhh.nu 2013.

BewarenBewaren

Crowdfunding voor Cuypers’ glasnegatieven

Ambassadeur voor Cuypers' glasnegatieven op ifthenisnow.eu. Screenshot bvhh.nu 2017.

Afgelopen maanden heb ik het Cuypershuis als ambassadeur geholpen bij de crowdfunding voor de redding van Cuypers’ glasnegatieven. Dat was een interessante actie, waarvan ik een soort logboek bij heb gehouden op if then is nowhttp://bit.ly/ifthenisnow-Cuy2.

Zoals ik wel vaker met dit soort zaken meemaak (kijk naar De genade van de steiger, De nieuwe Bavo te Haarlem of naar #KunstinBreda), is er veel meer uitgekomen dan ik had verwacht. Voor mij was het een mooie oefening in kort blijven, want meer tekst dan op de ‘dia’ en een kleine toelichting eronder, was niet de bedoeling. Eigenlijk heb ik dus vooral een heleboel vragen opgeworpen die nog op antwoord wachten. Waar is de masterstudent die met al deze proefballonnetjes verder gaat?

De crowdfunding is inmiddels een groot succes geworden: het streefbedrag van 10.000 euro is bereikt, maar dat betekent niet dat het Cuypershuis op zijn lauweren gaat rusten. Voor de totale restauratie is immers het viervoudige nodig, dus donaties blijven welkom! De actie via bit.ly/Cuypersglasnegatieven op het platform voordekunst.nl is voorbij, maar de crowdfunding wordt voortgezet door het museum zelf. Help mee en geef je donatie door aan museum@roermond.nl onder vermelding van #CuypersinBeeld.

Of bezoek de tentoonstelling en doe daar je schenking. Tot 26 maart 2017 kun je terecht!

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Post scriptum — Over de reddingsactie voor Cuypers’ glasnegatieven schreef ik eerder dit item op deze site: http://bit.ly/2hDGDLh.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/VHH-Cuy2

Vriendenbrief aan de vooravond van Kerstmis

Een vriendenbrief, wat is dat nu weer? En waarom heet dat geen nieuwsbrief? Omdat ik me hiermee niet richt tot mijn netwerk van zoveel honderd adressen, maar tot de mensen die me na staan, die me door het jaar heen volgen en steunen, en met wie ik graag het jaar doorloop. Oude vrienden en nieuwe vrienden, fysieke contacten en virtuele relaties. Een bont gezelschap dat over het merendeel mijn liefde voor kunst, cultuur en erfgoed deelt. Wat wil ik op mijn beurt graag met jullie delen?

Het boek over de nieuwe Bavo is goed ontvangen

De Mariakapel van de nieuwe Bavo (1951) met het altaar van Joseph Cuypers en Johannes Maas (1898).

De blikvanger van de aankondiging van de vriendenbrief toont – geheel in de sfeer van de kerstdagen – de Mariakapel van de nieuwe Bavo. Een van de mooiste opdrachten ooit leidde tot een prachtig vormgegeven boek over de kathedraal van Haarlem. Veel heb ik er op deze site al over geschreven en zoals vroeger plakboeken met krantenknipsels werden gemaakt, vergaar ik nu opmerkingen en kritieken digitaal.

De grappigste kwam van het Reformatorisch Dagblad dat ik zekerheidshalve op Evernote heb opgeslagen. De journalist signaleert op basis van recent onderzoek interessante verbanden tussen de oude en de nieuwe Bavo. Dat doet hij aan de hand van mijn boek en dat van Thomas von der Dunk. Ik zal niet zeggen Bien étonnés de se trouver ensemble, want Thomas en ik delen een verleden als actieve leden van het Cuypersgenootschap. Maar het was toch wel frappant.

‘Laat je dat nu makkelijk los, zo’n groot project?’, wordt me wel eens gevraagd. Nee, helemaal niet, maar als zelfstandig onderzoeker heb je geen keus. Je moet weer verder met het volgende project, waar ik tot mijn vreugde Joseph Cuypers (en Jan Stuyt) weer tegenkwam. Dat was bij de Annakerk en vooral de Laurentiuskerk in ’t Ginneken in Breda. Ik schreef er een artikel over voor ifthenisnow.eu.

Ondertussen heb ik over Joseph Cuypers zelf ook een artikel geschreven in verband met het project van de inventarisatie van het archief dat Pierre M. Cuypers begin dit jaar in bruikleen gaf aan het gemeentearchief van Roermond. Je kunt het via deze link inzien. Deze drukproef is exclusief de laatste verbeteringen, dus wil je het ‘schoon’ en in drukvorm zien, surf dan naar De Spiegel van Roermond en bestel dit jaarboek van 2017.

Wie weet zien we elkaar nog in Roermond of Haarlem. Want beide plaatsen zal ik komend jaar zeker nog een aantal keren aandoen.

Een nieuw boek over Annemiek Punt

'Thomas Moore' van Annemiek Punt in de kathedraal van Roermond. Foto bvhh.nu 2016.

Een leuke opdracht die via collega Evelyne Verheggen mijn kant op kwam, was het artikel over glazenier Annemiek Punt. Ik dacht dat het om een artikel zou gaan, maar het blijkt een boek te zijn, waarvan de andere bijdrage wordt geleverd door esthetisch filosoof Wessel Stoker die onder meer naam maakte met de publicatie: Kunst van hemel en aarde. Het spirituele bij Kandinsky, Rothko, Warhol en Kiefer (2011). Ik heb zijn verhaal nog niet gezien, maar ik ben er heel benieuwd naar. Het gaat vast een bijzonder boek worden. Je leest er meer over onder deze link.

Powervrouwen voor Free a girl

Ik weet dat we aan het einde van het jaar doodgegooid worden met goede doelen, maar ik ben zo vrij om er eentje in het bijzonder aan te bevelen. Dat is het initiatief van monumentenfotograaf Léontine van Geffen-Lamers: ‘Powervrouwen voor Free a girl’. Meer informatie vind je onder de link op deze site of op ifthenisnow.eu. Direct doneren? Ga dan naar http://bit.ly/Powervrouwen-FreeAGirl.

Opiniestuk van Léontine van Geffen-Lamers: 'Powervrouwen voor Free a girl' 2016.

#KunstinBreda

Het schrijven van waardestellingen over de niet beschermde religieuze kunst in Breda – aan en in de gebouwen of solitair in de publieke ruimte – was ’n groot feest. Marjanne Statema en ik zijn van de ene verbazing in de andere gevallen. Mooi om dan van de mannen van de gemeente te horen dat ze geen idee hadden dat er zoveel bijzonders tussen zat. Wel eens gehoord van pyrofotografie? Of van een expressionistisch wegkruis? Of van … ach wat, ga eens kijken onder deze link.

Leen Douwes, Wegkruis te Breda (1930). Foto Marjanne Statema 2014.

#Kerkverhalen

Met Menno Heling van if then is now heb ik afgelopen jaar het project #kerkverhalen opgezet. Het idee is om de rijkdom aan verborgen schatten in de kerken in het licht te zetten door middel van verhalen. Als platform voor verhalen over toerisme, kunst en erfgoed past dit bij uitstek in de doelstellingen van if then is now. Veel kerken zullen de komende jaren gesloten en herbestemd of – als het aan de Nederlandse kerk ligt – gesloopt worden. Door te helpen om een museale omslag te maken kunnen de kerken die voor de eredienst open blijven op meer fronten een publieksfunctie vervullen. Want medegebruik zal nodig blijven om inkomsten voor het beheer van deze gebouwen te genereren, of dat nu op het gebied van de kunsten is of andersoortige manifestaties.

Het leverde een leuk interview op van Rob den Boer in Christelijk weekblad.

Interview over #kerkverhalen in Christelijk Weekblad (2016).

Meer over #kerkverhalen kun je vinden op deze site en bij ifthenisnow.eu door #kerkverhalen in te voeren in het zoekscherm. Binnenkort worden de verhalen gebundeld op een aparte website.

De glasnegatieven van Cuypers

Ga maar direct kijken naar de diashow over de glasnegatieven in het Cuypershuis die dringend gerestaureerd moeten worden. Dan weet je waarom crowdfunding nodig is. Dit soort acties laat je beseffen hoe veel er nog is waarvan we nauwelijks iets weten. Inderdaad, Cuypers maakte al heel vroeg gebruik van de publicitaire mogelijkheden van de fotografie. Meer bijzonder is de exercitie die hij in 1860 in Breda uitvoert, waarbij foto’s gebruikt worden in het restauratieproces. Mijn collega-Cuyperianen Wies van Leeuwen en Lidwien Schiphorst betitelen deze werkwijze als heel vroeg en dat lijkt me terecht. Maar wat hebben we nu aan vergelijkingsmateriaal? Hoe ging het er elders aan toe?

Zo zie je maar weer dat iedere vondst niet alleen antwoorden brengt, maar vaak nog meer vragen oproept. Dat is natuurlijk ook het mooie aan dit vak.

Tentoonstelling en crowdfunding glasnegatieven Cuypershuis (2016).

De foto toont een van de glasnegatieven die Pierre M. Cuypers uit Bemmel bij gelegenheid van de opening van de tentoonstelling aan de verzameling toevoegde. Je ziet zijn vader Charles op de schoot van zijn overgrootvader Pierre, zijn grootvader Joseph links en zijn ooms, Pierre junior en Michael, staand. De foto is genomen op een van de mooiste plaatsen in het museum, de Cuyperszaal die Joseph in 1907-1908 in het complex integreerde.

Dit goede doel kan gesteund worden tot medio maart. Surf daarvoor naar http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven.

Bach’s Weihnachtsoratorium

Rest mij ieder van jullie een zalig Kerstmis, ontspannen feestdagen en een voorspoedig 2017 toe te wensen. Zelf kwam ik in de stemming door naar het Weihnachtsoratorium van Bach te luisteren. Ik vond een prachtige, historische uitvoering van Nikolaus Harnoncourt (1929-2016) op Youtube, die ik jullie van harte kan aanbevelen: klik hier voor de cantates 1-3 en hier voor de cantates 4-6. In een tijd waarin we tastend voorwaarts schuifelen – want dat we in zwaar weer verkeren en de wind voorlopig niet af zal nemen is wel duidelijk – brengt Bach je met zijn muziek terug naar het wonder van het Kerstfeest.

Dat gevoel van peis en vree is een schaars goed, dus laten we dat met elkaar delen.

;-) Bernadette

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verkorte link van dit item: http://bit.ly/VHH-Vriendenbrief

Reddingsactie Cuypers’ glasnegatieven

De crowdfunding voor de redding van de glasnegatieven van Cuypers is een groot succes geworden: het streefbedrag van € 10.000,00 is ruimschoots bereikt, maar dat betekent niet dat het Cuypershuis op zijn lauweren gaat rusten. Voor de totale restauratie is immers het viervoudige nodig, dus donaties blijven welkom! De actie via http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven op het platform voordekunst.nl is voorbij, maar de crowdfunding wordt voortgezet door het museum zelf. Help mee en geef je donatie door aan museum@roermond.nl onder vermelding van #CuypersinBeeld.

Hoe begon het ook alweer? Dat lees je hieronder!

Museum Cuypershuis in Roermond heeft de afgelopen jaren interessante tentoonstellingen gemaakt waarin de architecten Cuypers, kerkelijke kunst en – ook moderne – design over het voetlicht zijn gebracht. De expositie over de glasnegatieven die onlangs is geopend, verschilt daar in zoverre van dat het publiek opgeroepen wordt om de restauratie hiervan via crowdfunding te ondersteunen. En dat is hard nodig, want de vroegere opslag op de zolder van het Cuypershuis heeft de conditie van deze beelddragers geen goed gedaan.

Vandaar de actie die je via deze link kunt steunen: http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven

Vóór de restauratie van het Cuypershuis heb ik uitgebreid waardenstellend onderzoek gedaan naar het complex. Ik kwam toen onder meer een plattegrond van circa 1893 tegen, waarin de volgende ruimtes op zolder worden vermeld: de zaal van de fijnschilders, de fotokamer, de glasschilderskamer en enkele slaapkamers.* Vermoedelijk hebben de glasnegatieven tenminste vanaf dat moment – zo niet eerder – op zolder gestaan. Meer hierover vond ik in het proefschrift ‘Een toevloed van werk, van wijd en zijd’ (2004) van Lidwien Schiphorst. Zij heeft als eerste uitgezocht hoe het nu precies zat met de fotografie bij Cuypers en vertelt daarover onder meer het volgende:

  • Voor werkzaamheden werd de fotografie de daaropvolgende zomer ingezet [1860]. Het herstel aan het wandgraf in de Onze-Lieve-Vrouwe-kerk te Breda werd aanzienlijk vergemakkelijkt, doordat er een fotograaf bijgehaald werd om het tekenwerk te bekorten. Het was niet de eerste de beste: de in zijn tijd al bekende Edmond Fierlants uit Brussel. Hij had in 1861 foto’s van schilderijen van de Vlaamse Primitieven gemaakt en in opdracht van de stad Antwerpen 300 opnames van stedelijke gebouwen, stadspoorten, dokken, kades, molens en kerken […]. Cuypers schreef aan [zijn vrouw] Antoinette over de foto’s: ‘zonder dat zoude ik nog meer dan een week moeten blijven om die honderd details op te nemen. Ik heb nu alle dimensies opgenomen en zal met eene photographie en enige afgietsels de zaak geheel en al kunnen afwerken. Het kost mij echter wel veel geld –ik durf het niet te schrijven’.*

De kost ging duidelijk voor de baat uit!

Grafmonument Engelbrecht I van Nassau Breda, historische foto, 1860-1864.
Het laatgotische grafmonument van Engelbrecht I van Nassau en Johanna van Polanen (circa 1505-1515) in de Grote Kerk van Breda werd door architect Pierre Cuypers, beeldhouwer Louis Royer en kunstkenner J.A. Alberdingk Thijm in 1860-1865 gerestaureerd. Historische opname van Edmond Fierlants circa 1865 (met dank aan Wies van Leeuwen*).

______________________

Dat moet geloond hebben, want vanaf 1862 heeft de firma Cuypers & Stoltzenberg een fotograaf op de loonlijst staan. Er werd met name een bestand opgebouwd van beeldmateriaal van gipsafgietselsels en -modellen die gebruikt werden in albums voor de handel. De koper kon hieruit een object kiezen dat vervolgens werd uitgevoerd in natuursteen. Na de liquidatie van Cuypers & Stoltzenberg in 1894 zal de opvolger, Cuypers & Co, onder Pierre en Joseph Cuypers, eveneens een verzameling van glasnegatieven opbouwen van werkstukken, tekeningen, modellen en voorwerpen.

Dit laatste sluit aan bij wat een van de ambassadeurs van de reddingsactie vertelde: de achterkleinzoon van de naamgever van het museum, Pierre M. Cuypers uit Bemmel, die nog in het Cuypershuis opgroeide, kan zich herinneren dat er dozen vol glasnegatieven waren. Toen de familie het complex verliet hebben ze alleen de glasnegatieven met portretten meegenomen en de rest achtergelaten. Tijdens de opening van de tentoonstelling kon hij daardoor nog enkele negatieven aan de collectie toevoegen. Terecht merkte hij toen op dat het niet alleen om de collectie van zijn overgrootvader gaat, maar ook om die van Joseph Cuypers. Dat wordt niet alleen bevestigd door het boek van Lidwien Schiphorst, maar ook door verschillende items die nu geëxposeerd zijn. Vooral de collectie heilig Hartbeelden trok mijn aandacht, omdat verschillende ervan door Joseph Cuypers zijn ontworpen. Ze laten zien dat hij koos voor de sterk gestileerde stijl die rond 1920 onder invloed van Jan Toorop het handelsmerk werd van de toen moderne katholieke kunst.

Met crowdfunding zal het mogelijk zijn om deze bijzondere collectie te redden. Doe hieraan mee en surf naar http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven om een donatie te doen. Alles is welkom!

Je kunt deze actie ook steunen door de link http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven te verspreiden via de sociale media en dergelijke.Vergeet dan vooral de hashtag #CuypersinBeeld niet, zodat ’t Cuypershuis jouw bericht kan doorzetten. De foto’s in de kop van dit artikel mogen daarvoor gebruikt worden. Als je denkt dat het werkt mag je ook dit artikel verder verspreiden: http://bit.ly/2hDGDLh.

Maar het liefst zie ik je bij de crowdfunding op http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

De * in de tekst hierboven verwijst naar de volgende bronnen:

  • Hubar, Bernadette van Hellenberg, Rien de pareil, Cultuur- en bouwhistorische analyse Stedelijk museum ‘Het huis van Cuypers’ te Roermond, deel 1 de stad in het klein, Res nova, Ohé en Laak 2007. | http://bit.ly/Cuypers4all
  • Leeuwen, A.J.C. van, P.J.H. Cuypers architect 1827-1921, Zwolle 2007.
  • Schiphorst, L.H.H.M., Een toevloed van werk, van wijd en zijd; de beginjaren van het Atelier Cuypers/Stolzenberg, Nijmegen 2004.

Beeldmateriaal

  • Uitnodiging van Cuypershuis om bij te dragen aan de redding van de glasnegatieven. Hierbij is gebruik gemaakt van een foto van het atelier, waar Cuypers zelf op staat, terwijl hij aanwijzigingen geeft aan een van zijn beeldhouwers met betrekking tot een Zouavenmonument.
  • Artikel over de reddingsactie van Adri Gorissen in Dagblad De Limburger van 19 november 2016. Te downloaden via deze link: http://bit.ly/2hqTR0a
  • Enkele foto’s van ’t Cuypershuis, waaruit blijkt hoe hard de reddingsactie nodig is.
  • Nazaat Pierre M. Cuypers voegt tijdens de opening van de tentoonstelling nog enkele glasnegatieven toe aan de collectie van ’t Cuypershuis. Foto bvhh.nu 2016.
  • Een van de glasnegatieven van Pierre M. Cuypers met zijn vader op de schoot van zijn overgrootvader, zijn grootvader links en zijn ooms staand. Herkomst Cuypershuis.
  • Ook de sociale media worden ingezet om de crowdfunding tot een succes te maken. Wie mee wil doen graag gebruik maken van de hashtag #CuypersinBeeld. Op de foto staan twee glasnegatieven die in deplorabele staat verkeren.
  • Enkele albums en folders met foto’s voor commercieel gebruik uit de tijd van Joseph Cuypers. Foto bvhh.nu 2016.
  • De firma Cuypers & Co had een ruim aanbod in verschillende soorten heilig Hartbeelden, waar een vrij grote markt voor bestond. Verschillende ervan zijn door Joseph Cuypers ontworpen.
  • Een van de meest intrigerende glasnegatieven uit de collectie betreft het maken van de mal voor het bronzen beeld van Jeroen Bosch op de markt in Den Bosch, van August Falise.
  • Foto van ’t Cuypershuis door fotograaf Peter Kessels. Herkomst Cuypershuis.

Dit artikel is tot stand gekomen in het kader van #CuypersinBeeld en #kerkverhalen. Het kan geciteerd worden als Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Reddingsactie Cuypers’ glasnegatieven’, op: vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/2hDGDLh (2016).

Je kunt deze actie verspreiden via de sociale media via de link http://bit.ly/2hDGDLh of http://bit.ly/Cuypersglasnegatieven, onder vermelding van #CuypersinBeeld.

Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract

Fatimahuis Weert. Marij Coenen, mei 2016.
Het Fatimaraam van Charles Eyck in het Fatimahuis (voorheen de Fatimakerk) te Weert, uit 1957. Als Eyck de figuren had weggelaten, zou het glas niets aan zeggingskracht hebben ingeboet. Het bleek niet eenvoudig om een begaanbaar pad te kiezen tussen figuratief, decoratief of abstract in de na-oorlogse kerkelijke kunst. Foto Marij Coenen, mei 2016.

_______________

Na de Tweede Wereldoorlog pakten de kunstenaars vrijwel allemaal hun figuratieve stijl op van voor 1940. Maar de nieuwe abstracte kunst drong op. Wat betekende dit voor de kerkelijke kunst? 

Je zou denken dat dit een theoretisch probleem is, maar dat is allerminst het geval. Los van hoe dit de kunstenaars aan het hart ging, heeft dit consequenties voor hoe wij hun werk waarderen. En dat heeft weer gevolgen voor het toekomstige lot van de fysieke objecten.

Zoals ik in de mirror* ‘De kerk als buit’ heb uitgelegd, zullen de komende jaren veel – erg veel – kerkgebouwen gesloten worden.* En waar blijft dan de uitmonstering? Sterker nog, in hoeverre zijn die inrichtingen geïnventariseerd of gewaardeerd? Want als we als maatschappij willen besluiten welke kerken wel of niet behouden blijven, tellen de uitmonsteringen natuurlijk mee. Dat betekent registreren wat je in huis hebt en de waarden daarvan vaststellen. Dat laatste kan alleen als we voldoende weten van de kunst in kwestie. Op dit gebied bestaat echter een behoorlijk grote kennisleemte die onder meer ontstaan is, doordat kunsthistorisch Nederland lange tijd alleen oog had voor de avant-gardekunst. Maar er is heel wat meer gemaakt tijdens de wederopbouw en de daarop volgende decennia.

In Breda hebben ze op deze problematiek een voorschot genomen met het project #KunstinBreda, waarover ik eerder al enkele blogs schreef. De afgelopen maanden ben ik bezig geweest met de waardering van een groot aantal religieuze kunstwerken in kerken, publieke gebouwen en de openbare ruimte. Een behoorlijk groot aantal hiervan dateert uit de periode 1935-1965, de tijdspanne waarover dit thema in het bijzonder gaat. In de jaren 1930 was het barok expressionisme wat de klok sloeg, zoals ik heb uitgelegd in het item over het wegkruis van Leen Douwes. Veel kunstenaars zetten dit voort na de oorlog, waardoor nog tot in de jaren zestig hiervan voorbeelden zijn te zien, zoals het tableau van Joep Nicolas in de Koninklijke Militaire Academie van Breda (1964). Daarnaast had je onder de glaskunstenaars de sterke invloed van Heinrich Campendonk, hoogleraar aan de Rijksacademie in Amsterdam, wiens invloed in naoorlogs Breda onder meer doorwerkte via het oeuvre van Marius de Leeuw, Jan Dijker en Gerrit de Morée. Met name hier zie je dat manoeuvreren met de kool en de geit tussen figuratief, decoratief of abstract.* Collega-onderzoeker Monique Dickhaut, bezig met een promotieonderzoek naar naoorlogse Limburgse kunst, wees me erop dat veel van wat als abstract gepresenteerd werd in feite decoratief was.* Zelf viel me op dat veel van wat abstract wordt genoemd vanzelf weer figuratief wordt – of lijkt te worden – als gevolg van de spontane mimesis. Ik zal dit hieronder toelichten, maar hier kan al opgemerkt worden dat je in beide gevallen zou kunnen spreken van een ontsnappingsclausule. Dat had niet alleen met esthetische of maatschappelijke vraagstukken te maken – figuratief werd op een bepaald moment geassocieerd met het realisme van de totalitaire staten – maar ook, of liever opnieuw met de kerk.

De kerk en de kunst: figuratief, decoratief of abstract

Wie meer over de strijd van de kerk tegen de moderne kunst wil weten moet het boeiende artikel lezen van Jos Pouls, ‘Tussen Rome en Parijs’.* Hierin bespreekt hij onder meer de reuring rond de eerste tentoonstelling over moderne kerkelijke kunst in Nederland in het Van Abbemuseum in 1951. Onder het motto dat Nederland wakker geschud moest worden, had Edy de Wilde deze overgenomen van Musee d’Art Moderne in Parijs. Dat wakker schudden lukte, want heel Nederland kwam er op af. Niemand die ook maar iets met kerkelijke kunst te maken had ontbrak. Was het dan zo schokkend wat er was te zien? Vandaag zouden we zeggen van niet – gelet op de expressionistische en kubistische signatuur – maar toen bleek het een graadmeter te zijn voor wat de Kerk (met een hoofdletter) accepteerde.


Kort en goed was er nauwelijks iets veranderd ten opzichte van de situatie van voor de oorlog, ook al was de sterke vernieuwingsbeweging vanuit Frankrijk – waarvan de bovenstaande diaserie een indruk geeft – evenmin te stuiten. Ik heb de belangrijkste jaartallen aan de hand van Pouls in een kroniek gerangschikt.* Wat blijkt als we ze langslopen:

  • 1920 | De veroordeling van de expressionistische kruisweg van Albert Servaes (hierover vertelde ik al iets bij het wegkruis van Leen Douwes). De waardigheid van Christus was in het geding.
  • 1931 | De veroordeling van de tentoonstelling van expressionistische moderne religieuze kunst in Essen als ‘arte blasfema’: met name de vertekening en misvorming van de door God geschapen ‘werkelijkheid’, die in de visie van de kerk geïdealiseerd hoorde te worden in vorm, factuur en kleur, was onacceptabel.
  • 1946 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Pablo Picasso en Henri Matisse.
  • 1947 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Piet Mondriaan (2.9).
  • 1947 | De encycliek Mediator Dei stelt dat ‘moderne voorstellingen en vormen niet uit vooringenomenheid mochten worden verworpen en dat kerkelijke kunstenaars vrij moesten worden gelaten’. Dit ging niet zonder mitsen en maren, want opnieuw klinkt het verzet tegen moderne kunstwerken die immers ‘misvormingen en verkrachtingen zijn van de gezonde kunst en bovendien menigmaal flagrant in strijd met de christelijke betamelijkheid, zedigheid en vroomheid’.
  • 1947-1949 | Met het voorgaande was de toon gezet voor de strijd rond de ‘blasfemische’ kruisweg van Aad de Haas in Wahlwiller die hij tenslotte zelf verwijderde uit de kerk. Omdat hier nooit een officieel verbod op is gelegd door Rome, kon deze in tegenstelling tot die van Albert Servaes, teruggeplaatst worden.
  • 1947-1948 | De dominicanen M.A. Couturier en P. Regamey – bevriend met onder meer de filosoof Jacques Maritain en zijn netwerk van hedendaagse kunstenaars – starten in hun tijdschrift Art sacré een offensief voor de toepassing van moderne kunst in de kerk.
  • 1948 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: De experimenteelen (Cobra) (dia 2.9).
  • 1948 | P. Régamey is als spreker aanwezig op het con­gres over ‘Nederland’s Nieuwe Kerken’ in Rotterdam, waar hij vernieuwing bepleit. Zijn lezing wordt gepubliceerd in het Katholiek Bouwblad.
  • 1948 | In het Gildeboek (een periodiek voor kerkelijke kunst) wordt verslag gedaan van het congres over moderne religieuze kunst in Parijs, opgezet door M.A. Couturier en P. Regamey.
  • 1950 | Onder invloed van Art sacré worden de eerste moderne kerken in Frankrijk gebouwd en ingericht met behulp van – deels niet-katholieke – kunstenaars. Een van de meest aansprekende voorbeelden hiervan is Notre Dame de Toute Grâce in Assy, waar de dominicaan Couturier onder meer als glaskunstenaar bij betrokken was (dia 1.2). Hier vind je tegeltableaus van Henri Matis­se (dia 1.7) en Marc Chagall (dia 1.4), glazen van onder meer Georges Rouault (dia 1.3) en een bijzonder crucifix van Germaine Richier (dia 1.6). De voorgevel is gesierd met een reusachtig mozaïek van Fernand Léger (dia 1.1). Een ander voorbeeld in dit medium komen we tegen aan de binnenkant en dat is van een kunstenaar die ook in Breda heeft gewerkt: Théodore Stravinsky (dia 1.5). Als we de monumentale kunst in deze kerk onder een stilistische noemer willen samenvatten, dan is het expressionisme, en wel in een vorm die voor de oorlog al gangbaar was. Wat dat betreft hoeft alleen gewezen te worden op George Raoult, van wie werk opgenomen is in het toonaangevende naslagwerk van de kunsthandelaar Clemens Meuleman – Hedendaagsche religieuse kunst – uit 1936.
  • 1950 | Recensie in Limburgsch Dagblad van de tentoonstelling van ‘moderne Franse religieuze kunst in het Palazzetto Venezia’ te Rome, ‘welker welsprekende woordvoerder, de Dominicaner pater Pie Régamey is’: met onder meer werk van Marc Chagall, Alfred Manessier (dia’s 2.4 en 2.8). Henri Matisse, Georges Raoult en Georges Braque. De recensent verwijst onder andere naar Jacques Maritain en meent: ‘ook deze expositie herbergt haar deformaties, haar extremiteiten’, maar het zijn er relatief weinig.
  • 1951-1955 | In een van de meest progressieve bisdommen van Frankrijk, Besançon, kwam hèt icoon van de moderne kerkbouw tot stand: Notre-Dame-du­-Haut in Ronchamp van Le Corbusier (dia 2.2). Hij ontwierp zowel het gebouw als de monochrome glazen die hij zelf gebrand zou hebben.
  • 1951 | Tentoonstelling ‘Moderne religieuze kunst uit Frankrijk’ in het Van Abbe­museum in Eindhoven met een sterke expressionistische nadruk. De reacties varieerden van uitgesproken positief tot negatief. Apart is de vaak positieve aandacht die Alfred Manessier(dia’s 2.4 en 2.8) krijgt die als een van de weinigen met haast volledig abstracte doeken aanwezig is. Hij past bij uitstek in de visie van Couturier en Regamey dat met name de abstracte kunst goed ingezet kon worden om het religieuze ‘binnenleven’ uit te drukken.
  • 1950-1953 | Reactie Vaticaan: veroordelingen, anti-modernistische richtlijnen en verplaatsing kunstvoorwerpen. Casus: crucifix van Germaine Richter werd verwijderd uit de kerk van Assy (dia 1.6).
  • 1951-1955 | Katholieke kunstenaars en hun organisaties omarmen het voorbeeld uit Frankrijk. Exponenten in Nederland zijn onder meer de glaskunstenaar Daan Wildschut (dia 2.5) en beeldhouwer Nic Tummers (dia 2.6).
  • 1957-1958 | Omslag in het Vaticaan met de bedevaartkerk Madonna della Lacrime in Syracuse (Italië) in een futuristische kegelvorm uit gewapend beton (1957) (dia 2.7). Voorts werd het semi-abstracte werk ‘Doornenkroon’ van Alfred Manessier uit 1954 door de kerk in 1958 bekroond (dia 2.8).
  • 1962-1965 | Tweede Vaticaans Concilie.

Ik zou de lijst nog wel wat verder kunnen uitbreiden, maar dit is voldoende om te begrijpen waarom datgene wat we standaard als het gevolg van Vaticanum II karakteriseren, vaak al enige jaren ouder is, terwijl opnieuw duidelijk is dat de uitgesproken en dramatische versie van het expressionisme na de oorlog niet alleen opnieuw ‘modern’ was, maar onveranderd de gebeten hond bleef van Rome. Dit kan een extra aansporing zijn geweest voor al die kunstenaars om vast te houden aan de barokke variant die na 1931 tot ontwikkeling kwam, zoals Leen Douwes en Jacob Ydema.* Tegelijkertijd valt op dat maar weinig artiesten zich aan de abstracte kunst waagden, zelfs al was deze door de twee dominicaner pioniers was gepromoveerd tot volwaardig medium voor de uitdrukking van kerkelijke kunst en religieuze gevoelens. Een van de weinigen die daarin heel ver ging was Alfred Manessier die hier voor de oorlog al mee experimenteerde. Zijn werk geeft aan dat het de mannen van Ars sacré ook echt te doen was om abstract in de zin van optimaal non-figuratief.

Mimesis trouvé

De goede verstaander hoort het al: optimaal non-figuratief. Waarom ik deze nuance introduceer? Omdat het bijna ondoenlijk is pure abstracte kunst te maken. Óf het werk gaat in de richting van de geometrische abstractie, waarbij al snel een decoratieve boventoon doorklinkt. Óf de lijnen en vlakken hergroeperen zich in onze ogen tot herkenbare vormen: de spontane mimesis of mimesis trouvé die vaak geassocieerd wordt met Leonardo Da Vinci. Hij beschreef als eerste (?) hoe zich uit de wolken en – minder romantisch – bevlekte en vol gespogen muren figuren losmaakten.* De moraal van het verhaal is duidelijk: het menselijk oog kan zichzelf niet beletten om in de chaos van vormen het herkenbare naar voren te halen en de meest elementaire daarvan zien we bij de vroegste tekeningen van ieder kind: de kopvoeters die Cobra tot een artistiek leidmotief maakten (dia 2.9).*

Wat het met onze waarneming doet valt goed te illustreren aan de hand van het ‘moderne’ hoogaltaar van de heilig Hartkerk in Breda (dia 2.10). Toen het onder invloed van Vaticanum II regel werd om de mis te vieren met het gezicht naar het kerkvolk toe, was een nieuw hoogaltaar nodig. Het bestaat uit een tombe en altaarblad uit natuursteen met een zeer eenvoudige, maar weloverwogen ornamentiek. De inkepingen in de mensa suggereren stenen plooien. Op de tombe is het kruis in het midden het enige herkenbare embleem dat omringd wordt door omhooggaande, ‘zittende’ lijnen die vanuit de mimesis trouvé geïnterpreteerd kunnen worden als gelovigen rondom Christus. Het is duidelijk een van die voorbeelden waarbij de kerkelijke kunst de zwenking naar het abstracte maakt, maar wel op die manier dat het ook als decoratief geïnterpreteerd kan worden, zodat het geen aanstoot zou geven. Tegelijkertijd wordt de spontane mimesis geprikkeld die tot een figuratieve beleving leidt.

Toets: de Fatimakerk in Weert

In dit verband is het interessant om een uitstapje te maken naar Weert, naar de Fatimakerk van Pierre Weegels (1953) (dia 2.1). Hier ontwierp Hugo Brouwer in 1959 – naar verluidt – de eerste abstracte ramen voor een kerk, nadat Charles Eyck in 1957 zijn grote Fatimaraam boven de orgeltribune zag geplaatst. Dit laatste oogt als een explosie van wervelende zonnen die het centrum vormen van uitschietende vleugels van kleur, waarin de futuristisch beïnvloede zaagtandlijnen voor nog meer snelheid zorgen. Te midden van deze nagenoeg volledig abstracte dynamiek bewegen zich enkele figuren als dragers van het verhaal. De uitdrukking van dit machtige gebeuren gaf de kunstenaar een – mogelijk ook in zijn ogen – legitieme gelegenheid om over de grenzen van zijn figuratieve idioom te kijken. En een sterke expressionistische flair is het resultaat.

Wanneer Hugo Brouwer een paar jaar later, in 1959, opdracht krijgt voor de beglazing van het schip kiest hij voor een heel andere route dan Charles Eyck. Ze hebben dan al eerder aan een project gewerkt: de Catharinakerk van Pierre J.H. Cuypers te Eindhoven, waar door het oorlogsgeweld alle glazen verdwenen waren.* Eyck heet daar onder meer abstracte roosvensters ontworpen te hebben, maar die zijn nu net bij uitstek decoratief en borduren voort op de geometrische ontwerpmethode waarin de generatie van Joseph Cuypers zo sterk was (dia 2.11). De twee voorbeelden van Charles Eyck vormen een pittig contrast met het werk van Brouwer. In de Fatimakerk ontwierp de kunstenaar liefst twee maal vijf ramen in de lichtbeuk van het schip en twee in die van de apsis, terwijl hij voorts op het niveau van de zijbeuk verschillende medaillons met glas bezette. Hij koos hierbij voor een wisselend palet in verschillende combinaties, waarbij vooral de optische kwaliteit van het gekleurde glas werd benut, met naast elkaar geplaatst vlakken van gelijke kwaliteit. Grisaille werd achterwege gelaten om plastische suggesties van schaduwen te vermijden (dia’s 2.14-2.17).

Opzet was om het lineaire, tweedimensionale karakter van het ontwerp optimaal tot uitdrukking te laten komen. Daardoor wordt ook het decoratieve karakter van dit werk bepaald. De vernieuwing ligt in de stap die Brouwer vervolgens zet. Hij laat zich inspireren door het idioom van toonaangevende kunstenaars uit de Parijse scene om vervolgens met eigen oplossingen te komen. Het is fascinerend hoe hij omgaat met de surrealistische beeldtaal van Joan Miró (dia 2.12). Maar de meest veelzijdige invloed die hij ondergaat is die van Pablo Picasso (dia 2.13). Zo ontstonden ramen, waarin het motief van de stromende lijnen van Miró of Matisse is overgenomen. Hiertussen zijn basale geometrische figuren gevlochten die je bij Miró als geïsoleerde schema’s tegenkomt, ieder met hun eigen archetypische lading. Brouwer heeft duidelijk een voorkeur voor cirkels, driehoeken en ellipsen (dia 2.14). De invloed van Picasso herken je onder meer in een raam, waar uit de lijnen en gesloten omtrekken een grotendeels naakte, gedeformeerde vrouwenfiguur tevoorschijn komt. Hierbij wordt duidelijk ingespeeld op de mimesis trouvé. Dat gaat nog sterker op voor een van de andere glazen, waarin je een soort geabstraheerde, zij het geheel geklede Venus van Milo kunt herkennen. Iconografisch zou je die twee kunnen herleiden tot Eva en Maria of Judith (dia 2.15). Of dat correct is vraagt om een ander type onderzoek.

Behalve de twee vrouwenfiguren zijn er ook enkele dieren te herkennen, evangelistensymbolen nog wel: de vogel (adelaar) van Johannes, de stier van Lucas en de leeuw van Marcus (dia 2.16). Met elkaar maken ze deel uit van een oeuvre waarin de mimesis trouvé voor een groot deel is losgelaten en het decoratieve karakter van de abstracte kunst weer naar voren treedt. Wat bij dit segment opvalt, is de – vermoedelijke – toepassing van het automatische handschrift dat zich vaak uit in enkele alles verbindende lijnen (dia 2.17). Hoewel op dit gebied nog veel vergelijkend onderzoek gedaan moet worden, is het wel duidelijk dat Hugo Brouwer een bijzondere prestatie heeft neergezet in Weert, waarbij een serieuze stap is gezet om de eigentijdse abstracte beeldtaal te implementeren in de kerkelijke kunst.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

De * in bovenstaande tekst verwijst naar de volgende bronnen, samengesteld met behulp van Zotero.

  • De mirror op ifthenisnow.nl is een digitale constructie waarmee then en now tegenover elkaar geplaatst worden. Volg daarvoor de link onder de volgende bullet point.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “De kerk als buit | if then is now”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2g4EuZd.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Spolia”. if then is now. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2f4Bvkq.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Uitmonstering”. if then is now. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2dPFUas.
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “#KunstinBreda | Religieuze kunst, Waardestellingen van uitmonsteringen en clusters.” Ohé en Laak, 2017.
  • “Monique Dickhaut | LinkedIn”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZfuCd.
  • Poels, Jos. “‘Tussen Rome en Parijs’, De context van een omstreden tentoonstelling van moderne religieuze kunst in Eindhoven (1951).” Trajecta. Tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden 11 (2002): 129–54.
  • De kroniek aan de hand van Pouls is aangevuld met significante momenten, ontleend aan Jobse, Jonneke. De schilderkunst in een kritiek stadium?: critici in debat over realisme en abstractie in een tijd van wederopbouw en Koude Oorlog: 1945-1960. Kunstkritiek in Nederland 1885-2015. Rotterdam: nai010 uitgevers, 2014.
  • “Surrealisme”. Geraadpleegd 1 januari 2017. http://kunst-modernisme.blogspot.com/p/surrealisme.html.
  • “Fatima Huis Historie”. Fatima Huis. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZjrqE.
  • Reliwiki. “Weert, Coenraad Abelsstraat 31a – Onbevlekt Hart van Maria – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZc1nb.
  • Thoben, Peter. “De ramen van de St.Catharinakerk – De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven”. Geraadpleegd 26 december 2016. http://bit.ly/2ixF16t.
  • Brouwer, Jos, Sybrand Zijlstra, en Hugo Brouwer. Hugo Brouwer. Eindhoven: (Z)OO producties, 2013.
  • Reliwiki. “Tilburg, Ringbaan West 300 – Margarita Maria Alacoque – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZ5sRw.

Jan Dijker, glazen apsis Margarita Maria Alacoquekerk, Ringbaan West 300, Tilburg. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.
Jan Dijker, De abstract-decoratieve glazen in de apsis van de Margarita Maria Alacoquekerk aan de Ringbaan West te Tilburg dateren van 1961. Ik heb hier veel herinneringen liggen, omdat dit mijn parochiekerk was. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.

_________

Dit webartikel kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract’, op: vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/2folRjT (2016).
Het item ook te vinden op ifthenisnow.eu. Op deze site is het zowel geplaatst in het hoofdstuk #kerkverhalen als – door middel van een doorverwijzing – op #glas.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2folRjT

Terug naar de hoofdpagina #Kerkverhalen!
Terug naar de hoofdpagina #Glas!

 

 

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Errata en voortschrijdend inzicht boek nieuwe Bavo

Signeren op de Open Monumentendag in de nieuwe Bavo.
Signeren tijdens de Open Monumentendagen in de nieuwe Bavo. Foto Marij Coenen, 2016.

__________

‘Waar gehakt wordt vallen spaanders’, luidt een oer-Hollands gezegde. Die spaanders nemen we hier onder de loep onder de noemer van errata (vergissingen). Vroeger bestonden die uit een los briefje in een boek, dat natuurlijk steevast kwijt raakte. Vandaag de dag kunnen we hiervoor het wereldwijde internet gebruiken. Of dat minder vergankelijk is dan zo’n strookje papier is de vraag, maar je bereikt er in eerste instantie wel meer mensen mee.

Loop je even met me mee? Dan zie meteen op welke momenten mijn hoofd tijdens het schrijven en corrigeren overliep.

  • p. 4: niet te geloven, maar bij de inhoudsopgave hebben we er met het hele team overheen gelezen dat bij paragraaf 4.3.6 hét Unvollendete staat. Dat moet natuurlijk zijn de Unvollendete.
  • p. 13: door wijzigingen op het allerlaatste moment zijn in het dankwoord twee namen weggevallen van mensen die me geweldig geholpen hebben. Dat is allerleerst Carien van de Boer-van Hoogevest met wie ik archiefonderzoek heb gedaan naar de manier waarop de kathedraal kunstmatig verlicht werd. In het boek komt dat verder niet ter sprake, maar hier is het wel interessant om te vermelden dat dat van meet af met electriciteit gebeurde. Daarnaast drs David Mulder, werkzaam bij de atlas van het gemeentearchief van Amsterdam. Hij attendeerde me op die andere Unvollendete, de Willibroridus buiten de Veste te Amsterdam.
  • p. 27: Wies van Leeuwen attendeerde me er op dat Van Heukelom moet zijn Van Heukelum (op p. 91 staat de naam wel correct).
  • p. 43 t.h.v. noot 72: bij de Vioolstruikavond werd de ‘Gentilhomme bourgois’ of parvenu van Molière opgevoerd en niet de Tartuffe. Meer hierover is te vinden in het Spiegelend Venster van Matthijs Sanders of de Thijmbiografie van Michel van der Plas.
  • p. 72: De muurschilderingen van Bernard Meddens in de Willibrorduskapel heb ik verward met die van Jan van Druten in de Mariakapel (met dank aan Letty Muizelaar).
  • p. 269: abusievelijk staat in het bijschrijft de naam van Jan Loots, terwijl dat moet zijn Lambert Lourijsen. Ik heb de twee mozaïekmakers hier door elkaar gehaald (met dank aan Letty Muizelaar).
  • p. 321: bij noot 934 is een deel van de tekst weggevallen: Walle, H.J.,  ‘Verslag der 1057ste Gewone Vergadering, gehouden in het genootschapslokaal Hotel-Americain, Leidscheplein alhier op woensdag 15 sept 1897’, in: Architectura, Orgaan van het Genootschap Architectura et Amicitia Amsterdam 5 (1897), pp. 171-172. | http://bit.ly/ Architectura-Tresor. Deze titel ontbreekt ook in de bibliografie.
  • In de bibliografie ontbreekt volstrekt ten onrechte de prachtige tentoonstellingscatalogus van Gerard van Wezel van Jan Toorop (2016).

Zo zullen vast nog meer correcties en aanvullingen volgen.

Voortschrijdend inzicht

Naar mate de tijd voortschrijdt en er meer onderzoek uit deze periode beschikbaar komt, zal inhoudelijk eveneens het nodige aan het boek toegevoegd kunnen worden. Dat zal me niet verdrietig maken, maar trots, omdat ik met dit boek een aantal nieuwe thema’s op het podium heb gezet – zoals het bewust onvoltooide ontwerp van Joseph Cuypers – dat ongetwijfeld tot een verdiepingsslag zal leiden. Dat hoort allemaal bij het proces van trial and error, waarmee we de wetenschap vooruit helpen. Om maar een voorbeeld te geven:

  • Onlangs (oktober 2017) kreeg ik toegang tot Kerkcollectie digitaal van het Catharijneconvent voor mijn Eboek over de Laurentius-Elisabethkathedraal te Rotterdam. Kerkcollectie digitaal kan sinds december 2015 geraadpleegd worden en omvat onder meer een groot deel van de vroegere inventarisaties van de opgeheven Stichting Kerkelijk Kunstbezit Nederland. Zo ontdekte ik dat de vroegste kalligrafie van de eerste strofe van het Te Deum niet in de nieuwe Bavo zit, maar in de kapel van het bisschoppelijk paleis van Utrecht: circa 1901. Het maakt deel uit van het ontwerp van een schildering van de genadestoel (Drie-eenheid) van F.W. Mengelberg (1837-1919), uitgevoerd door zijn medewerker Nicolaas Poland (1862-1949). Niet alleen was Mengelberg in de Haarlemse kathedraal actief, maar ook lid van de katholieke kunstkring De Violier. Hij zat dus zowel in het netwerk van A.J. Callier als van Joseph Cuypers.
  • Door het onderzoek naar de schilderingen van Kees Dunselman in de Laurentius-Elisabethkathedraal belandde ik – samen met Jojanneke Post van Davique Sierschilderwerken – in het Dunselmanarchief dat ligt bij Museum Amstelkring/Ons’ Lieve Heer op Solder. En wat bleek! De schilderingen rond het heilig Hartaltaar in de Urbanuskerk van Nes aan de Amstel die ik toeschreef aan architect Joseph Cuypers, blijken van Kees Dunselman te zijn!* Meteen vraag je je dan af of de heren hierover contact hebben gehad. Ze kenden elkaar immers via De Violier, waar Joseph en Jan direct na de oprichting in 1900 in het bestuur zaten. Kees werd pas relatief laat lid in 1906.* Het kleurenschema van het werk in de Urbanuskerk is in ieder geval opvallend Cuyperiaans. De foto toont centraal het heilig hartaltaar met een gesneden beeldengroep van Christus die verschijnt aan Margareta Maria Alacoque, mogelijk uit het atelier van Cuypers. Op zich is de solitaire positie van deze voorstelling al vrij bijzonder. Hierboven houden geschilderde engelen een banderol vast met de tekst: ‘Ziedaar het hart dat u zoozeer bemint’. Links en rechts zijn engelen weergegeven tussen vazen met lelies. Ze zijn geplaatst in een gotische arcade dat rust op een gesjabloneerde lambrisering. Ook op de kopmuur bevinden zich schilderingen, maar daar is geen foto van in het Dunselmanarchief.
    Blijkens de jubileumkrant van de Urbanuskerk van 2016 – die ik spijtig genoeg niet meer heb kunnen raadplegen voor mijn boek – heeft Kees Dunselman hier meer werk verricht, waaronder de schilderingen aan de westkant en in de Antoniuskapel.*
  • Dankzij de voornoemde jubileumkrant staat nu vast dat de tegeltableaus van de kruisweg (1904) en de doopkapel (1899) ontworpen zijn door Joseph Cuypers. De bijzondere tegelvloer met het Benedicite is echter naar ontwerp van Theo Molkenboer (1904), eveneens een van de eerste leden van de Violier en betrokken bij de Haarlemse kathedraal.*
  • In het kader van een ander project – #KunstinBreda – kwam ik er achter dat de manier waarop Bekkers en Meijsing in hun boek uit 1923 de kathedraal als gebouw vergelijken met het mystieke lichaam van Christus, waar alle gelovigen deel aan hebben, geïnspireerd is door de liturgische visie van de priester-theoloog R. Guardini.* Dat is in meer opzichten interessant, omdat deze man zich in de voorhoede bevond van de liturgische vernieuwing. Wat zegt dat over de situatie in Haarlem? Wat zegt dat over bouwheer en architect die immers beiden hun goedkeuring aan dit boek hebben gehecht?
  • Van Philip Weijers ontving ik een stuk met interessante feed back die hier binnenkort een plaatsje zal krijgen.
  • Verder Wees Harrie-Jan Metselaars me op enkele frappante overeenkomsten met de Sacré Coeur in Parijs (1871-1914). Die zijn er zeker, hoewel daar in de primaire teksten over de nieuwe Bavo geen melding van wordt gemaakt. Toch is het wel aardig om dit een keer op een rij te zetten. Voorlopig blijft het nog bij deze observatie.

Wie aan dit voortschrijdend inzicht bij wil dragen is van harte welkom, of dit nu op een letterlijk niveau is, of inhoudelijk!

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Verwijzingen

De * verwijst naar de volgende bronnen en annotaties.

  • Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, p. 244. Museum Amstelkring/Ons’ Lieve Heer op Solder, Dunselmanarchief, historische foto zonder nummer. Meer informatie over het Dunselmanarchief is te verkrijgen bij conservator Robert Schillemans.
  • Ontleend aan “Kees Dunselman”. Wikipedia, 17 oktober 2016. http://bit.ly/2ulMo8I.
  • Timmermans, Huub, Margaret Timmermans, en Elly van Rooden. “125 jaar Sint Urbanuskerk – Nes aan de Amstel 1891 – 2016 – jubileumkrant”. UrbanusparochieNes.nl, 2016. http://bit.ly/2ukgf1l. In dit document zijn verschillende data opgenomen, ontleend aan het parochiearchief, waaronder werk van Kees Dunselman.
  • Theo Molkenboer: Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, pp. 34, 40-41, 64, 176-177; 181.
  • Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, pp. 215-219. Melchers, Marisa, Het nieuwe religieuze bouwen, liturgie, kerken en stedenbouw, Amsterdam 2015, p. 59.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2eJhLjZ

Werkzaamheden aan het schipdak van de nieuwe Bavo (Foto Marij Coenen, maart 2015).
Werkzaamheden aan het dak van de nieuwe Bavo. Foto Marij Coenen, maart 2014.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren