Piet Gerrits tijdens de Open Kerkendag Brabant 2017

Piet Gerrits Tilburg | Open Kerkendag Brabant 2017. Collage bvhh.nu 2017

Een van de gebouwen die open is tijdens de eerste Open Kerkendag Brabant vandaag is de Gerardus Majella in Tilburg. Een apart ontwerp van Joseph Cuypers (waarschijnlijk in samenwerking met zijn zoon Pierre J.J.M. Cuypers), uitgemonsterd met schilderingen en mozaïeken van Piet Gerrits. Waarom die zo bijzonder zijn vertel ik hieronder in een stuk, ontleend aan mijn boek ‘De genade van de steiger’:

Uit paragraaf 5.8.3 | Gerardus Majellakerk in Tilburg

In 1922 raakte Piet Gerrits betrokken bij de uitmonstering van de Gerardus Majellakerk in Tilburg, waarover de architect, Joseph Cuypers, in een krantenartikel schreef:

  • ‘Zeer gelukkig is in dit verband te noemen de keuze van pastoor Verschure die den kunstenaar en oud-stadgenoot Piet Gerrits, der H. Landstichting de leiding aanbood voor de meubileering en versiering der kerk, nu of later te voltooien. Juist zijn buitengewone kennis der Byzantijnsche kunst — de bakermat onzer kerkelijke kunst— zijn fijn en veel omvattend talent, zijn karaktervolle doch eenvoudige echt christelijke stijl, zullen dit nieuwe Huis Gods maken tot een heerlijk en devoot huis des gebeds.’[253]

In 1933, enkele jaren na de Cenakelkerk, waren de schilderingen klaar (afb. 187a-c). Bij een vergelijking van de twee cycli in Tilburg met de decoraties van de Heilig Landstichting valt als eerste op dat het Beuroner getinte werk vooral in mozaïek is uitgevoerd, in het heilige der heilige van de kerk, terwijl de verhalende voorstellingen boven de arcade, in de lichtbeuk van het schip geschilderd zijn. Dat de taferelen in een krantenartikel worden aangeduid als fresco’s duidt eerder op ingesleten taalgebruik dan op een correcte aanduiding van de techniek. Mede gelet op de matte toon heeft Gerrits hier zeer waarschijnlijk keimverf gebruikt, waarmee hij in 1929, dus eveneens in die tijd, ervaring opdeed in de Gerardus Majellakerk in Den Haag, ontworpen door Jan Stuyt.[254] De recensent van de Nieuwe Tilburgsche Courant was erg onder de indruk van de ‘diepe kennis van het H. Land en het oude en Nieuwe Testament’ die Gerrits in zijn uitmonstering tentoonspreidde: ‘Het is een Evangelie van lijn en kleur, waarbij de aandachtige beschouwer ziet wat hij vroeger gelezen en gehoord heeft’.[255] En dat is precies wat het werk zo bijzonder maakt.

Geen kunstenaar heeft zo systematisch als Piet Gerrits de episodes en lessen in beeld gebracht van het openbare leven van Jezus, waarin deze zich strijdbaar opstelde tegenover het vastgeroeste joodse geloof van het oude verbond. Het belang van de parabels hierbij komt in de Tilburgse schilderingen prachtig tot uitdrukking. Met korte teksten in het Nederlands worden telkens kernzinnen uit de bijbelse verhalen aangehaald, waardoor de boodschap van Christus nog sterker wordt ingeprent. De voorstellingen zijn in een vlotte stijl geschilderd, waarbij achtergrond en kostumering volledig zijn afgestemd op wat Gerrits in het Heilige Land had bestudeerd. Leerlingen, tollenaars, deugdzame en berouwvolle vrouwen, schriftgeleerden en farizeeën, ze zijn allemaal weergegeven als bedoeïenen, terwijl door middel van architectuurdetails, interieuropnames, rotsformaties en planten een beeld van het Palestina van het begin van de jaartelling wordt opgeroepen. Hier is de historieschilder aan het woord die de toeschouwer van de bijbelse wijsheid wil overtuigen. Hoewel de recensent meent dat de kleurstelling met de bruine hoofdtoon is aangepast aan de architectuur, lijkt Gerrits met deze aardse tinten met name de associatie met het Heilige Land te versterken. De afstemming op de architectuur wordt vooral bereikt door de indeling van de taferelen: ze lijken als een doorlopende reeks naadloos in elkaar over te vloeien, maar houden ondertussen het ritme aan van de korbelen van de kapconstructie en de zwikken van de bogen. Vooral bij de laatste toont Gerrits een grote vaardigheid op het gebied van compositie: hij gebruikt ze als een verlaagd podium voor zijn scènes, die door hun aparte positionering – als driekwart ruitvormig inzetje – de blik vangen.

Piet Gerrits, De parabel van Lazarus en de rijke vrek. Cyclus in de Gerardus Majellakerk in Tilburg. Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).
Piet Gerrits, De parabel van Lazarus en de rijke vrek. Cyclus in de Gerardus Majellakerk, ontworpen door Joseph Cuypers, te Tilburg. Herkomst: RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).

Hier zien we Lazarus zitten tussen de honden; de beroofde en mishandelde Jood die door de meest verachtelijke van zijn geloofsgenoten, de barmhartige Samaritaan, wordt geholpen; de overspelige vrouw; het verdwaalde schaap en Maria Magdalena die de voeten van Christus wast. Voor wie gewend is aan de latere geïllustreerde kinderbijbels komt dit alles nauwelijks als revolutionair over, maar op dat moment was Gerrits de enige die op zo’n directe wijze het Nieuwe Testament voorspiegelde. Als een beeldband, een stripverhaal gelijk, kan het van de muren worden afgelezen, vooral ook vanwege de keuze voor Nederlandstalige teksten. Zelfs opgeknipt in afzonderlijke onderdelen zouden deze scènes al iconografisch een novum zijn, laat staan als doorlopende geschiedenis. Daarbij valt inhoudelijk vooral de nadruk op het menselijke karakter van dit deel van de bijbel, de kant van de eenvoud, de onvoorwaardelijke liefde en vergevingsgezindheid van Christus. Kortom, niet de straffende God waarmee de Una sancta* tijdens het interbellum het kerkvolk zo graag in het gareel hield. Voor Gerrits gold helemaal wat Van der Vliet zei: de kunstenaar moet zelf leraar zijn om de leer van Jezus te verspreiden. Met zijn laagdrempelige beeldverhalen gaf Gerrits haast een doorkijkje op wat na Vaticanum II in de kerkelijke kunst stond te gebeuren.

Het vreemde is dat het programma in de koorpartij, van de overwinnende kerk, dit idee eerder versterkt dan verzwakt: niet ondanks, maar juist dankzij de door Gerrits toegepaste Beuroner oplossingen – ‘Byzantijnsch’, zou Joseph Cuypers zeggen – lijkt hij hier vooruit te lopen op Vaticanum II (afb. 188). Op hiëratische wijze is Christus groter weergegeven dan de met hem rond de tafel zittende apostelen, terwijl Judas met zijn zak geld wegsluipt om zijn aandeel in de verlossing te bewerkstelligen. Net zoals Bach beeldde Gerrits de leerlingen ten teken van hun heiligheid vrijwel gewichtsloos, maar even kleurrijk als tweedimensionaal uit. Judas daarentegen is in wereldse dimensies neergezet met zwaar geplooide, in het aardse bruin getinte kleding. Ook hij weet dus gebruik te maken van de dichotomie die Riegl de kunstenaars had aangereikt.[256] Deze indruk wordt bevestigd door enkele kenmerken die tegelijkertijd tot de canon van Lenz kunnen worden herleid: zowel Jezus als zijn tafelgenoten zijn als non- individuele types weergegeven, zonder persoonlijke uitstraling. Op het tafelkleed na wordt iedere vorm van diepte vermeden. Wel is achter Christus’ rug als een monochroom ornament de vruchtbare druivenrank zichtbaar met elf weelderige trossen.[257] Als slotakkoord verschijnt, haast opgelost in etherische nuances, Maria als Moeder Gods. De manier waarop ze is gepositioneerd met haar mantel die uitwaaiert in een gelijkzijdige driehoek, verraadt de Beuroner getinte invloed van Toorop.

Wat iconografisch het meest frappeert, is de prominente verwijzing in woord en beeld naar de wijnstok uit het evangelie van Johannes die in het interbellum verder alleen bij Joep Nicolas in de Agneskerk te Amsterdam (1937) is te vinden (zie afb. 319). Sowieso is een laatste avondmaal op deze plaats niet standaard. Meestal komt dit onderwerp voor op de oostelijke transeptwanden of in de koortravee. Het enige andere bekende voorbeeld is het werk van Jan Dunselman in de kathedraal van Rotterdam. Vrijwel steeds wordt dan in de kalligrafie gerefereerd aan het hoogtepunt van de consecratie, zoals te zien viel bij het laatste avondmaal van Kees Dunselman in de Obrechtkerk. Piet Gerrits combineerde echter het moment van de instelling van de eucharistie met de metafoor van de wijnstok, waarmee nogmaals werd benadrukt hoe God en mens een symbiotische vereniging aangaan. Niet de geslachtofferde God, maar de liefdevolle God die het moment van de kruisdood haast voorbij kijkt, staat hier centraal. Vooral dit accent lijkt zijn licht vooruit te werpen. Men hoeft maar te denken aan het kerkelijk lied van de post-Vaticaan II dichter Huub Oosterhuis uit 1964:

  • ‘Ik ben de Wijnstok, Mijn Vader de Wijngaardenier
    Gij zijt de ranken, dus blijf in Mij, Ik blijf in u
    Dan vindt gij vruchten hier.’

Tegen de tijd dat dit lied in de kerken zou worden gezongen, werd ook op de muren een andere toon aangeslagen, zoals Kees Mandos in de Antoniuskerk in dezelfde stad laat zien (1958) (afb. 189). In een vertrouwde iconografie worden op tekenachtige wijze figuren gegroepeerd die alleen door het typologiseren van de koppen en de stilering nog iets van Beuron uitdragen. Voor het overige is er de adem van het expressionisme over heen gegaan, die opvallend genoeg het werk van Gerrits vrijwel geheel onberoerd heeft gelaten.

Piet Gerrits, Apsismozaïek met het Laatste Avondmaal. Cyclus in de Gerardus Majellakerk in Tilburg. Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).
Piet Gerrits, Apsismozaïek met het Laatste Avondmaal. Cyclus in de Gerardus Majellakerk in Tilburg. Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).

Naschrift

Tot zover het fragment uit De genade van de steiger. Meer lezen? Kijk dan of je het boek tweedehands kunt kopen, want bij de Walburg Pers is het uitverkocht.

Het zou fijn zijn als je dit dit artikel wilt delen of mailen. Dat kun je doen via de knop delen aan het einde van deze pagina (gebruik de hashtag #GvdSteiger).

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

Nota bene — In de voetnoten staan verkorte titels die volledig zijn aangehaald in de bibliografie van het boek dat inmiddels echter uitverkocht is. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verwacht de monografie binnenkort on line toegankelijk te maken.

*Una sancta (de enige): dit begrip dat op de kerk slaat, heb ik De genade van de steiger geïntroduceerd als synoniem. Het is ontleend aan het credo of de geloofsbelijdenis en slaat op ‘de enige heilige katholieke en apostolische kerk’ (et unam sanctam catholicam et apostolicam ecclesiam)

[253]    KB krantenbank (tegenwoordige beter bekend als Delpher.nl), zoektermen: Piet Gerrits Majella (Nieuwe Tilburgsche Courant 1922).

[254]    KB krantenbank, zoektermen: Piet Gerrits Gerarduskerk (Het Vaderland, 1929).

[256]    KB krantenbank, zoektermen: Piet Gerrits Majella (Nieuwe Tilburgsche Courant 1933).

[257]    Zie paragraaf 5.6.3 Aardse en hemelse stijl: Riegls dichotomie.

[258]    Nieuwbarn, Kerkgebouw, p. 90.

De verkorte link van vrijwel hetzelfde item op de projectpagina van De genade van de steiger is: http://bit.ly/2iQLE5t

Jos ten Horn in Tilburg

Aanleiding

Afgelopen jaar zijn de muurschilderingen van Jos ten Horn in de nieuwe apsis van de Goirkese kerk in Tilburg gerestaureerd door Leo Scholten. De kerk is 5 jaar gesloten geweest vanwege een ingrijpende restauratiecampagne en onlangs, in juni 2015 heropend. Dit werd gevierd met een monografie over de Goirkese kerk van collega Joost van Hest, waaronder ook aandacht is besteed aan het werk van deze kunstenaar. Ten Horn is een van de weinigen onder de monumentale schilders uit de expressionistische hoek met een groot oeuvre op het gebied van de muurschilderkunst en hij heeft veel waardering gekregen. Een van de belangrijkste vernieuwingen die in het interbellum zijn beslag kreeg, was de behandeling van de muur als een vel papier: hierbij werd de kleur van de pleister als achter- of ondergrond gebruikt en kwam er veel ‘wit’ in de voorstellingen voor. Ten Horn heeft de muur in de apsis gebruikt als een blad papier waarop hij ogenschijnlijk met houtskool werkte. Dit werk is enig in zijn soort en is een goede reden om een paragraaf uit mijn boek te delen.

Jos ten Horn, De verering van het kruis en Maria, Goirkese kerk Tilburg.
Afb. 370 Jos ten Horn, De verering van het kruis en Maria door de bekeerde volkeren van de overzeese gebieden (ca. 1938), in de nieuwe apsis van Kees de Bever (1937-1938) in de Dionysiuskerk of Goirkese kerk te Tilburg. Waarschijnlijk is deze aparte voorstelling bedoeld als eerbetoon aan de Tilburgse missionaris Peerke Donders, die in de parochie van het Goirke zijn wortels had en gedurende het interbellum grote verering ondervond in deze plaats.

Uit paragraaf 7.7 | De muur als een blad papier: Jos ten Horn

Ontleend aan Bernadette van Hellenberg Hubar, De genade van de steiger (Rijksdienst Cultureel Erfgoed | Walburg Pers 2013), pp. 431-435.

Nota bene — De tekst weerspiegelt de stand van zaken eind 2013. De afbeeldingen in de Goirkese kerk zijn afkomstig van de beeldbank van de RCE en gemaakt door Sjaan van der Jagt van Pixelpolder.

Het experiment dat Van Rees in 1931 uitvoerde in de Pietàkapel van de Obrechtkerk, vond, voor zover dat te traceren viel, nauwelijks navolging. De eerste die erop voortborduurde, was de kerkschilder Jos ten Horn (1894-1956) in de nieuwe apsis van de Goirkese kerk te Tilburg, circa 1938 (afb. 370). Ten Horn, die opgeleid was aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid en zijn eerste schreden op het gebied van de muurschilderkunst zette als figurist in het atelier van de firma Cuypers & Co, was een van de ontdekkingen van Clemens Meuleman. De handelaar probeerde vanaf de late jaren twintig belangstelling bij de vakwereld voor Ten Horn te wekken, onder meer door Plasschaert uit te nodigen voor een toer door Twente om enkele kerken te bekijken.[1] De waardering die Ten Horn genoot, blijkt niet alleen uit de vele opdrachten – hij is een van de weinigen onder de expressionisten met een groot oeuvre – maar ook uit zijn deelname aan de Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs met een beschilderde altaarretabel voor de Nederlandse kapel in het pauselijk paviljoen. Op zich is dit een bijzonder werk, omdat het aangeeft dat Ten Horn met Collette en Molkenboer tot de weinige stijlpluralisten behoorde die een specifieke interpretatie van de Byzantijnse kunst ontwikkelden. Ook in zijn muurschilderingen [434] zien we hoe de kunstenaar in een gevarieerd idioom werkte, met afwisselend Byzantijnse, romaanse, gotische en barokke vormen. Wat het barokke idioom betreft, zijn de koepelschilderingen die hij met Piet Coppens uitvoerde in de achttiende-eeuwse Luciakerk in Ravenstein ongetwijfeld een hoogtepunt.[2]

Jos ten Horn, De centrale groep die door Peerke Donders waren bekeerd, Goirkese kerk Tilburg.
Afb. 371 Jos ten Horn, De centrale groep van de Surinaamse indianen en bosnegers die door de Tilburgse missionaris Peerke Donders waren bekeerd. Schildering (ca. 1938) in de nieuwe apsis van Kees de Bever (1937-1938) in de Dionysiuskerk of Goirkese kerk te Tilburg.

Hoewel Engelman Ten Horn in 1934 opnam bij de kunstenaars die de nieuwe barok beoefenden, leerde hij hem pas na de oorlog kennen, als docent glas-in-lood aan de Jan van Eyckacademie te Maastricht. In het artikel dat Engelman bij gelegenheid van de zestigste verjaardag van de kunstenaar publiceerde, schreef hij dit toe aan Ten Horns bescheidenheid. Niettemin was de kunstenaar er blijkens de vakbladen toch verschillende keren in geslaagd om de aandacht te trekken.[3] In het overzicht van de werken die Engelman in zijn verhaal opvoerde, ontbreekt jammer genoeg een van de interessantste, de apsisschilderingen in de Goirkese kerk in Tilburg. Deze zijn alleen al zo bijzonder omdat de aardse zone is gewijd aan een paradijselijke plek in de tropen. Zeer waarschijnlijk is hiermee een eerbetoon bedoeld aan de Tilburgse missionaris Peerke Donders (1809-1887): niet alleen was deze in de Goirkese kerk gedoopt, maar ook had hij er zijn afscheidsmis gecelebreerd voordat hij naar Suriname vertrok. Daar was hij werkzaam in de binnenlanden, waar hij de indianen bekeerde en de leprozen verzorgde. In het interbellum kende Tilburg een ware verering voor Peerke Donders, die onder meer leidde tot de oprichting van een standbeeld in 1926. De herdenking van zijn vijftigste sterfdag van 1937 tot 1938 gaf aanleiding tot een openluchtspel en een toneelstuk over de ‘Apostel van Suriname’, waarin indianen en bosnegers een prominente rol vervulden. Bij de keuze voor het type personages blijkt Ten Horn hier met zijn werk op te hebben ingespeeld (afb. 371).[4]

Jos ten Horn, Uitsnede van bekeerde Surinaamse indianen en bosnegers, Goirkese kerk Tilburg.
Jos ten Horn, Uitsnede uit de centrale groep van de Surinaamse indianen en bosnegers die door de Tilburgse missionaris Peerke Donders waren bekeerd. Schildering (ca. 1938) in de nieuwe apsis van Kees de Bever (1937-1938) in de Dionysiuskerk of Goirkese kerk te Tilburg.

Op een dunne pleisterlaag waar de baksteen op verschillende plekken doorheen schemert, heeft Ten Horn de verschillende figuurgroepen op een barokke manier over het concave oppervlak verspreid. Vanuit een stevige voet die bestaat uit een trapeziumachtige opbouw in het centrum klimmen beneden links en rechts indianen en negers naar boven tot ongeveer tweederde van de hoogte. Daar ontmoeten de bewoners van de aarde musicerende engelen, waarvan twee groepen naar het eigenlijke orkest in de kalot leiden: met instrumenten en wierookvaten wordt hulde gebracht aan Maria als apocalyptische vrouw en het kruis dat met enkele lijdenswerktuigen omhoog wordt gedragen door engelen. Ten Horn is vrij onorthodox te werk gegaan door geen van de hemelingen vleugels te geven, een iconografisch fenomeen dat volgens Timmers vroegchristelijk van oorsprong is.[5] Wat echter voor die tijd helemaal opmerkelijk is, is dat de engelen qua huidskleur en gelaatstrekken de tropische figuren weerspiegelen. Zelfs Maria en kind ogen bepaald niet westers.

De aardse zone is één grote hoorn des overvloeds met korven vol met de vruchten van het veld, de oogst van bomen en struiken en een net vol vissen. Dat de jacht geen plaats heeft gekregen in dit paradijs, is niet zonder reden. Ten Horn legde een speciale nadruk op Bijbelse producten als graan, appels, druiven en vissen. Dit roept onder meer associaties op met de wonderbare visvangst die Matthieu Wiegman in de Obrechtkerk weergaf. Tegelijkertijd wordt hiermee de eucharistische betekenis van brood en wijn en de vroegchristelijke symboliek van de vis als letterschrift van Christus benadrukt. Ook de activiteit van de visvangst zelf heeft een bijzondere lading: deze herinnert immers aan de opmerking van Christus dat hij van de vissers onder de apostelen vissers van mensen zou maken. Voor de apostel van Suriname zullen deze woorden een direct toepasselijke boodschap hebben gehad. De paradijselijke weelde wordt nog eens onderstreept door het mensenpaar aan de top van het trapezium, die als een nieuwe Adam en Eva de appels van het geloof mogen plukken. Om het geheel af te maken kunnen ook de vleugelloze engelen worden gepresenteerd als passende entourage voor een volk dat vergelijkenderwijs in de evangelische fase van het vroege christendom verkeerde, toen Peerke Donders hen bekeerde.

Jos ten Horn, Uitsnede van Maria en Kind, Goirkese kerk Tilburg.
Jos ten Horn, Detail met Maria met Kind en het kruis met de lijdenswerktuigen omringd door musicerende engelen. Schildering (ca. 1938) in de nieuwe apsis van Kees de Bever (1937-1938) in de Dionysiuskerk of Goirkese kerk te Tilburg.

Technisch bezien lijkt wat Ten Horn deed sterk op de werkwijze van Van Rees in de Obrechtkerk. De muur is opgevat als een blad papier, waarbij het gebroken wit van de pleisterlaag niet alleen is gebruikt voor de achtergrond, maar ook voor de lichtpartijen van de donkere lichamen, de wolken en de verschillende [435] overige elementen, als kruis, muziekinstrumenten et cetera. De voorstelling is vrijwel monochroom in donkerbruine schakeringen uitgevoerd, waardoor het effect is ontstaan van een houtskooltekening in het groot. Met behulp van deze tekenachtige techniek heeft Ten Horn zijn figuren een sterk modelé meegegeven, waarvan het plastische effect goed past bij de barokke weelde. Door de vervuiling van de schildering is nog maar moeilijk te zien dat de kunstenaar de compositie op verschillende plekken, met name bij de aureolen en het fruit, heeft verlevendigd met fel gekleurde toetsen en partijen. Wat het af maakt, is de kleurschijn rond de omtrekken van de verschillende groepen die haast geaquarelleerd zijn: vrij fel direct langs de contour vloeien de tinten steeds verder uit totdat ze opgaan in de achtergrond. Zo heeft Ten Horn ook dun opgezette grijs en bruin vervloeiende lagen aangebracht, onder meer bij de subtiele nuances voor de huid en de wolken. Qua compositie schakelde hij via de contrapost de figuren aan elkaar, waardoor een levende, sterk barok aandoende interactie tussen de personages plaatsvindt die als één grote guirlande stijgen en weer afhangen. Jos ten Horn was een groot vakman.

Het werk in Tilburg is niet alleen voor Ten Horn, maar ook voor het gehele interbellum enig in zijn soort. Een tweede werk van de hand van deze kunstenaar in deze uitdrukkingswijze bestaat niet. Hoewel hij haast zeker bij Van Rees inspiratie heeft gevonden, is niet alleen de vorm bijzonder maar ook de iconografie. Het getuigt van moed dat de pastoor in dit concept is meegegaan, want rond 1938 kon men heel wat conservatievere manieren bedenken om Peerke Donders te eren. Ook Ten Horn kan worden gevoegd bij die kunstenaars die in staat waren eigen oplossingen te bedenken binnen de voorgeschreven liturgisch bepaalde beeldtraditie van de kerk.

Jos ten Horn, Detail van Adam en Eva, Goirkese kerk Tilburg.
Afb. 371 Jos ten Horn, Detail met Adam en Eva uit de de centrale groep van de Surinaamse indianen en bosnegers die door de Tilburgse missionaris Peerke Donders waren bekeerd. Schildering (ca. 1938) in de nieuwe apsis van Kees de Bever (1937-1938) in de Dionysiuskerk of Goirkese kerk te Tilburg.

Naschrift

Tot zover het fragment uit De genade van de steiger. Meer lezen? Bestel het boek dan bij de Walburg Pers!

Wil je dit artikel delen of mailen, ga dan naar het einde van deze pagina en gebruik de hashtag #GvdSteiger
De verkorte link van dit item is: http://bit.ly/GvdS-Jos-ten-Horn-Tilburg

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

← Terug naar De genade van de steiger!

Bronnen

Nota bene — In de voetnoten staan verkorte titels die volledig zijn aangehaald in de bibliografie van het boek dat inmiddels uitverkocht is. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zal het binnenkort on line toegankelijk maken.

[1]    KB krantenbank, zoektermen: Jos ten Horn schilder (Jan Engelman, De Tijd 11-06-1954). Van Dael e.a., Schoonheid in devotie, p. 41.
[2]    KB krantenbank, zoektermen: Jos ten Horn schilder (Jan Engelman, De Tijd 11-06-1954; Limburger Koerier 29-07-1937). Meuleman, Religieuse kunst, plaat 257; andere werken: platen 33-35. De kapel van gesticht Voorburg te Vught is in 1994 afgebroken. De huidige verblijfplaats van dit retabel is niet achterhaald. KB krantenbank, zoektermen: Engelman nieuwe barok (De Tijd 30-09-1936). RCE, Monumentenregister, nr. 32337. Zie voorts de beeldbank van de RCE, zoektermen: Ravenstein, Luciakerk, Jos ten Horn.
[3]    W., Jozefkerk Zwolle (1933), p. 129. Van Rooijen, Kerkelijke traditie (1933), p. 11. Apelles, Van opdrachtgever tot kunstenaar (1932), p. 557. Verschuuren, ‘Aesthetische gedachten’ (1931), pp. 372-373.
[4]    KB krantenbank, zoektermen: Peerke Donders Apostel (1926, 1937, 1938). Voorts over Goirke en Peerke Donders www.parochiedebrontilburg.nl/cultureelerfgoed.htm.
[5]    Timmers, Symboliek en iconographie, p. 345, nr. 690.

Henri Jonas

Untitled
De medewerkers van de SRAL – Stichting Restauratie-Atelier Maastricht – zijn druk bezig met de restauratie van de enige muurschildering uit het oeuvre van Henri Jonas die in het interbellum hoge ogen gooide in de kunstkritiek en tot de top van de barok georiënteerde expressionistische schilderkunst van die tijd gerekend kan worden.

Henri Jonas in de Koepelkerk te Maastricht

In de Koepelkerk te Maastricht is de restauratie van de bijzondere muurschilderingen van Henri Jonas in de Mariakapel voltooid: de enige die hij ooit heeft gemaakt. Om dit heuglijke feit te vieren vindt op 15 maart 2015 de feestelijke onthulling van dit werk plaats. Drs Angelique Friedrichs van de Stichting Restauratie-Atelier Maastricht (SRAL) zal dan een korte toelichting geven op de werkzaamheden. Alles bij elkaar een mooie aanleiding om de paragraaf over dit werk van Jonas uit het boek De genade van de steiger hieronder voor het voetlicht te plaatsen. Daarin staat een hoofdstuk van Angelique Friedrichs over de technieken en het materiaalgebruik in het interbellum dat haar tot de aangewezen specialist maakt om deze restauratie te begeleiden. Het was spannend genoeg, want niet alleen was de onderliggende pleisterlaag er slecht aan toe, maar ook bleken de figuren op verschillende plaatsen later bewerkt te zijn. Het geeft meer weer aan hoe terecht de aandacht was die Jonas’ leermeester, Antoon Derkinderen, aan de problematiek van goed pleisterwerk besteedde. Deugt de drager niet, dan redt de schildering het niet, om het maar eens kort samen te vatten.

Uit paragraaf 7.4 | Henri Jonas

Ontleend aan: Bernadette van Hellenberg Hubar, Angelique Friedrichs en Gerard van Wezel, De genade van de steiger (Rijksdienst Cultureel Erfgoed | Walburg Pers 2013), pp. 408-415.

Nota bene — De tekst weerspiegelt de stand van zaken eind 2013. Op de foto hierboven van Marij Coenen na, zijn de afbeeldingen in de Koepelkerk afkomstig van de beeldbank van de RCE en gemaakt door Sjaan van der Jagt van Pixelpolder.

De Amsterdamse scene

Het was een spannend komen en gaan in Amsterdam tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog, ook waar het de Limburgse kunstenaars betrof: Henri Jonas (1878-1944) en Charles Eyck zaten – met een jaar verschil – in de klas van Derkinderen aan de Rijksacademie. Buiten de opleiding had Jonas ontmoetingen met vrienden en collega-schilders uit het zuiden die in de hoofdstad verbleven, zoals Jan Grégoire die later nog een sleutelroman over hem zou schrijven.[1] Net na de oorlog zou Nicolas er zijn opwachting maken, aan wie we een levendige beschrijving van [p. 409] de artistieke sfeer in de hoofdstad danken. Dit was ook de tijd, schreef Engelman later, dat het machtige trio kubisme, futurisme en expressionisme Amsterdam overspoelde. De frisse golfslag waarmee dit gepaard ging, leidde in 1916 tot de oprichting van het kunstenaarscollectief Het Signaal door Piet van Wijngaerdt en Henri Le Fauconnier. Zowel voor Jonas als voor Wiegman zou de kennismaking met de Fransman een keerpunt in het artistieke denken betekenen.[2] Doordat Jonas vanaf de oprichting in 1925 in het netwerk van De Gemeenschap verkeerde en in 1927 via Wiegersma Permeke leerde kennen, raakte het expressionisme bij hem geïntensiveerd op een manier die hem zonder twijfel tot een van de belangrijkste exponenten van deze stroming in Nederland maakte.

In de periode dat Jonas aan de academie studeerde, was Wiegman al enige tijd gevestigd in Bergen, het dorp dat zijn naam zou verlenen aan de schilderskolonie die zich daar vanaf omstreeks 1910 ontwikkelde. Zoals in hoofdstuk 4 is gebleken, kan aan de hand van de dagbladpers een directe lijn worden getrokken tussen Het Signaal, de Bergense school en de Nederlandse assimilatie van het expressionisme. Deze felle wind woei niet alleen naar het zuiden via de Limburgse studenten in Amsterdam, maar ook dankzij twee oud-leerlingen van de Rijksacademie, de priester-schilder Jean Adams en Matthieu Wiegman. De laatste had vanaf eind jaren twintig een pied-à-terre in Limburg, waar hij onder meer bevriend raakte met Jonas. In 1929 organiseerde Adams een omvangrijke tentoonstelling over moderne kerkelijke kunst op Rolduc, aan welk internaat hij in die tijd als tekenleraar verbonden was. Achteraf bezien was hij daarmee juist op tijd, want korte tijd later zou veel van het type werk dat daar werd getoond door Rome als ‘arte blasfema’ worden beschouwd. Blijkens de berichten in de pers lag het accent van de tentoonstelling op Matthieu Wiegman, die met veertig nieuwe werken kwam. Daarna volgden Jonas en Adams zelf, die voor de meesten een onbekende was. Verder waren de beeldhouwer Charles Vos en de architecten Jos. Wielders uit Sittard en Alphons Boosten uit Maastricht met werk vertegenwoordigd. De laatste kan als de man worden gezien die Jonas in de richting van de monumentale kunst voerde, waarna Meuleman het estafettestokje van hem zou overnemen.

Henri Jonas, Verloren zoon, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 346 Henri Jonas, Glasraam met De verloren zoon (1924) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). De vormgeving van dit glas roept herinneringen op aan het werk van zijn vriend Jan Grégoire en aan de monumentale stijl die de Rijksacademie propageerde. Met name de zoon doet sterk ‘R. Holstiaansch’ aan, om een begrip uit die tijd te extrapoleren.

De glazen van de Koepelkerk

Hoewel ruim twintig jaar ouder dan Nicolas, maakte Jonas net als zijn jongere vakbroeder met de eerste de beste keer dat hij zich op het monumentale terrein begaf al naam. Zijn debuut vond plaats in de Heilig Hartkerk in Maastricht van Alphons Boosten, beter bekend als de Koepelkerk. Hoe omstreden het ontwerp zelf ook was – of de architectuur wel voldeed aan het decorum van de katholieke eredienst was ook hier onderwerp van debat – de ramen van Jonas werden direct in Opgang door Pieter van der Meer de Walcheren positief beoordeeld.[3] Aan de hand van deze opdracht valt de explosieve ontwikkeling te volgen die de kunstenaar van 1923 tot 1930 doormaakte.[4] In zijn vroegste glazen, met name in het raam met De verloren zoon, valt direct een stilering op die te herleiden valt tot de Rijksacademie. Deze vormgeving toont bovendien hoe sterk de invloed van zijn vriend Jan Grégoire op dat moment nog was (afb. 346). Alleen in de weergave van de lichtval bespeuren we iets van de stijlindicator van Thorn Prikker – de uitwaaierende stralen in ‘blokjes’ glas-in-lood – die in het vorige hoofdstuk uitvoerig is behandeld.[5] Na dit aarzelende begin pakte Jonas diens idioom op om ermee te experimenteren in het Mariaraam (1925), om vervolgens in het Davidraam (1927) alle registers open te trekken (afb. 347a-c).

Henri Jonas, Davidraam, Koepelkerk Maastricht.Davidraam

Het rijk gecomponeerde Davidraam werd in de tijd zelf al als een variatie in de stijl van Thorn Prikker opgevat.[6] Wat betreft diens idioom vallen enerzijds de rondingen van de ledematen onder de gewaden en (eigentijdse) kleren op, en anderzijds de rijke decoratie die de stof in patronen lijkt op te lossen. Daarnaast is het typische gefragmenteerde blokjesmozaïek gebruikt voor de hemelse lichtstralen en het perspectief van vloeren en muren. Deze laatste twee stijlindicatoren zijn we in wisselende combinaties tegengekomen bij Anton Molkenboer, Lou Asperslagh en Toon Ninaber van Eyben. Jonas is echter de enige die van Thorn Prikker de anatomische gelaagdheid overnam, die in de toenmalige vakliteratuur vooral bekend werd dankzij de Michael in de cyclus van de Driekoningenkerk te Neuss (1911-1912). Een prachtig detail zijn de vlezige handen, die eerder bij de analyse van het werk van Hermans in dit boek als erfdeel van Thorn Prikker zijn besproken.[7] Juist dat vlezige was in de Roomse Haagse School onder invloed van Beuron in hoge mate weggestileerd. Waar koning David de gesublimeerde [p. 411] trekken uit de historieschilderkunst toont, zijn de hoofden van het Heilige Gezin min of meer romaans opgevat, vergelijkbaar met de Catharina van Nicolas in Asselt (zie afb. 337). Met de aardse groep daaronder keerde Jonas terug naar het nu, hetgeen met name door het historisch presens manifest is. Op de fantasievolle manier die we langzamerhand van het interbellum kennen, vlocht Jonas verschillende thema’s door elkaar: dat van David als de oudtestamentische voorafbeelding van Christus, van David als voorvader van Jozef en Maria en dus Jezus, en van Jozef als patroon van de werklieden.

Bovenaan staat de koning afgebeeld met de harp als attribuut: dat de snaren dezelfde hoek aanhouden als de bezielende lichtstralen doet denken aan het kosmisch symbolisme waarvan het oeuvre van Toorop en Lebeau uit de jaren twintig is doordesemd. Direct daaronder staat het Heilige Gezin onder de schutse van een engel en ten slotte zien we in de zone van de strijdende kerk het leven van alledag (zie afb. 347). In dit laatste tafereel slaagde Jonas erin verschillende motieven door elkaar te laten lopen, niet alleen inhoudelijk, maar ook formeel door de ‘nieuwe ruimtelijke logica’, zoals Engelman het zou noemen, te volgen in de scènes en verdwijnpunten. Primair wordt een eenvoudige allegorie op de Arbeid weergegeven, waarvoor Toorop met het tableau Heden in de Beurs het prototype schiep. Jonas nam eveneens rokende schoorstenen op en plaatste naast de arbeider – de mijnwerker met zijn zwarte gezicht – de fabrieksdirecteur. Op de achtergrond is die andere prominente vorm van arbeid, de landbouw, weergegeven. Tegelijkertijd herinnert de mijnwerker aan de dood: niet alleen knielt hij, maar door het ver naar achteren gestrekte gezicht en de gevouwen handen lijkt hij tevens de geest te geven. De houding van de directeur met eerbiedig geloken ogen en de vrouw met het kind daaronder bevestigen deze betekenislaag, die bij uitstek past in de symboliek van Jozef als patroon van de stervenden. Een detail dat weer een volgende duiding onthult, is het object in de hand van de directeur: een plaquette of boek met een duidelijk expressionistisch-kubistische voorstelling van Maria met kind. Iconografisch gezien zou deze manager een samensmelting kunnen zijn van David als patroon van de muziek (en dus de kunst) met Jozef als beschermer van de werklieden. Jonas verleende hier een actuele boodschap aan doordat de fabrieksdirecteur tot de klasse behoorde die voldoende gevormd was om kunst te kunnen waarderen én voldoende bemiddeld was om zich kunst te kunnen veroorloven. Anders dan bij Toorop en Lebeau krijgt men bij dit type niet het gevoel dat er enige maatschappijkritiek aan ten grondslag ligt.[8] Eerder lijkt het een kleine hommage aan het type mecenaat waarvan Jonas het als kunstenaar moest hebben.

De Madonna en Jonas als pictor doctus

Zelfportret in de aanbidding van Maria

In de jaren hierna liet Jonas de invloed van Thorn Prikker achter zich, maar de romaans-middeleeuwse zweem liet hij juist op een dominantere manier toe, zoals te zien is in De aanbidding van Maria uit 1929 (afb. 348). In het centrale raam is de iconografie van de Hemelkoningin doorgedetailleerd met het gebaar van de open handen van de Onbevlekte Ontvangenis en de lelie van de Annunciatie. De omlijstende engelen doen middeleeuws aan, waarbij het gelaat van Maria neigt naar dezelfde amandelvorm die Nicolas ontleende aan het type dat bekend is van de Noodkist van Sint Servaas. De verticale volgorde die Jonas in het Davidraam aanhield, heeft hij hier horizontaal gekanteld: in het linkerglas zijn de oudtestamentische prefiguraties weergegeven, Judith, Esther en Ruth. In het midden zetelt de vervulling in de vorm van Maria die als Moeder van God voorwaardenscheppend was voor de heilsgeschiedenis. Rechts is de wereld van vandaag voorgesteld, die zich in Maastricht afspeelt. We komen hier de stapeling van scènes tegen die we eerder bij Nicolas (en Toorop) hebben gesignaleerd. Zelf staat de kunstenaar hier tussen een moeder met kind boven hem en – mogelijk – een jager onder hem. Volledig gericht op Maria, vormen zij wellicht variaties op de archetypische dualiteit tussen microkosmos en macrokosmos: tussen de beschermde ambiance binnenshuis en het bestaan in de wereld daarbuiten, het vrouwelijke en het mannelijke van Lenz (de kunstenaar was niet zomaar een leerling van Derkinderen). Tussen die twee personificaties beeldde Jonas zichzelf af als in gedachten verzonken.

Maritaineske pictor doctus

Van het zelfportret is een eerdere versie in houtskool bekend (afb. 349a). Engelman schreef hierover:

‘Er is van Jonas een recent zelfportret in houtskool, dat treffend is als zielsbekentenis en als materie. Het gezicht heeft een ingekeerdheid, een mijmerende uitdrukking die misschien eerst op stroefheid lijkt, maar een diepe, innige eenvoud blijkt te zijn. De gestalte is in groote, [p. 412] met waarachtige kracht uitgevoerde contouren en schaduwen aangeduid en de handen, als stukken halfverteerden mergelsteen, liggen in een zielvolle schamelheid en simpelheid bijeen. Zoo is hij, een man die zich moeilijk en langzaam uitdrukt, maar soms dingen loslaat van een bekoorlijke wijsgeerigheid en vol van de rust waarover wij spraken. Hij heeft geen pose en geen onwaarachtigheid, waar hij de techniek vermeestert schrijft hij een rijp en gedragen innerlijk uit’.[9]

Dat dit zelfportret Jonas bleef bezighouden blijkt wel uit het het feit dat hij het later verwerkte in Het gezin (afb. 349b). Dit werk kreeg een recensie in De Tijd van Herluf van Merlet:

‘Wij herinneren ons een schilderij van Henri Jonas, waarin deze Katholieke Limburgsche schilder een schoone en klare, diep en zuiver doorvoelde expressieve synthese gaf van “Het Gezin”. De arbeider en zijn kind zien met wachtend geduld toe, hoe de van zorg verwelkte moeder het dagelijksch brood snijdt. Er was in dit werk een innerlijke gelatenheid, een stilte vol leven, een ontroerende gedachte. Bovendien was dit doek in geen enkel opzicht litterair, maar enkel schilderlijk’.[10]

Zo wordt Jonas in de kunstkritiek aan de ene kant getypeerd als een weerbarstige denker, aan de andere kant volledig in ambachtelijke, Maritaineske termen neergezet. Het illustreert de dualiteit tussen hoofd en hand, wijsgeer en arbeider, die Jonas hier in één beeld verenigde. In overeenstemming met de opvattingen van Maritain, Engelman en Van Merlet profileerde hij zich met dit zelfbeeld bij uitstek als de artiest die zijn eigen taal (symboliek) ontwerpt: als een peinzende man die doende is de indrukken van de wereld te verwerken om vervolgens door middel daarvan op synthe(tis)tische wijze kunst te creëren. Jonas gaf zo bij uitstek de intuïtieve kracht van de kunstenaar, die naar binnen kijkt (letterlijk intuere) om het schone concept te vatten waarmee kunst kan worden gemaakt. Het doet denken aan de pictor doctus (de geleerde schilder) uit de academische traditie die als de klassieke beeldhouwer Phidias vanuit het denkbeeld in zijn geest werkt. Maar ook Maritain is niet ver weg:

‘De H. Thomas[van Aquino], die even eenvoudig van stijl als wijs was, bepaalde het schoone als dat wat geschouwd zijnde behaagt, id quod visum placet. Deze vier woorden zeggen alles wat noodig is: ’n visie [visum], dat wil zeggen een intuïtieve kennis en ’n vreugde. […] Wanneer een ding de ziel verheft en blij maakt juist daardoor, dat het intuïtief verkregen en bezeten wordt, dan is dat ding goed om aldus in bezit genomen te worden, het is Schoon’.[11]

Elementair is dat het schone ons verstand ‘door de zinnen en hun intuïtie’ komt verblijden. Zo geeft de kunst ons ‘den smaak van ’t aardsche paradijs, omdat zij voor een oogenblik den vrede en het gelijktijdig genot van verstand en zinnen opnieuw teweegbrengt’. De toeschouwer kan deze intuïtie voeden door zich te verdiepen in de wetenswaardigheden van de kunst.[12] Terwijl aan de rol van intuïtie bij het waarnemen veel passages worden gewijd, geldt dat voor het proces van het scheppen van schoonheid in de vorm van kunst veel minder. Maritain zoekt daarvoor zijn toevlucht bij een begrip dat er dicht tegenaan zit, namelijk ‘zicht’: de conceptie vindt plaats in termen van een ‘zicht’ op het werk dat gemaakt moet worden en dat de kunstenaar weet te vatten ‘in zijn persoonlijke ziel’. Dit zicht hangt zonder meer af van de intuïtie, maar ook van ‘de verbeelding en de gevoeligheid’. Het beantwoordt ‘aan een onbepaalden indruk van ontroering en van medevoelen’ die de schilder communiceert via zijn werk. Oftewel door middel van de stemmingsdragers van Brandt, zoals Jonas prachtig in Het gezin heeft verbeeld. Daarom kan dit zicht ‘niet in begrippen’ worden weergegeven, hoewel kunstcritici als Van Merlet en Engelman dat nu net per definitie wel doen. In hun bewoordingen sluiten zij zich aan bij hun mentor, waar deze stelt: ‘Wat de schilders hun “visie” der dingen noemen speelt daarin een wezenlijke rol’.[13] En die visie omvat bij Jonas vele facetten: het ambachtelijke en het denkbeeld, het verhevene en het nederige, de zinnen en het verstand, en vooral niet te vergeten de ontroering (het movere): met elkaar vloeien deze over in een ‘gelijktijdig genot’. Met één oog dicht en één slechts deels geopend laat Jonas dit alles door zijn gedachten gaan, opdat intuïtie, zicht en ontroering convergeren in kunst.

Henri Jonas, Mariaraam met zelfportret, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 348 Henri Jonas, De aanbidding van Maria (1929) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Middenrechts heeft de kunstenaar zichzelf afgebeeld.

Nog éénmaal heeft Jonas zichzelf op verwante wijze uitgebeeld, in het dubbelportret met zijn vrouw Eugénie Servais (ca. 1938-1939): terwijl zij haar handen gevouwen houdt, heeft hij zijn armen om haar heengeslagen en houden zijn handen palet en penselen vast. Programmatischer kan het haast niet. Of hij nu aanwezig is als secondant bij Maria als schoonheidsideaal – ‘tota pulchra et perfecta’ (door en door mooi en volmaakt) –, bij de moeder van het gezin als synthetistische weerklank van de Moeder van God, of in omstrengeling met zijn aardse Maria en [p. 413] muze, de trekken van het zelfportret illustreren hoe Jonas de wereld vanuit zijn inzichten bekeek en verwerkte. Voor iemand die bij tijden geveld werd door zware depressies, moet de vredige ‘smaak van ’t aardsche paradijs’ die de kunst bood, wel het hoogst denkbare doel hebben geleken.[14]

De Mariacyclus in de Koepelkerk ‘al fresco’ in keimverf

De enige muurschilderingen in het oeuvre van Jonas bevinden zich in de Mariakapel van de Koepelkerk, direct aan de noordzijde van het priesterkoor (afb. 350). Vergeleken met de glazen is de compositie tamelijk eenduidig van opzet, doordat de kunstenaar heeft afgezien van de gecompliceerde stapeling van figuren, decor en enscenering. Alles is op een veel bescheidener plan uitgevoerd. De precieze datering van dit werk is niet bekend, maar uit krantenartikelen viel te achterhalen dat enkele onderdelen, waarschijnlijk proefstukken ervan, in 1926 op de Maastrichtse tentoonstelling van ‘bouwkunst, sierkunst en plastiek’ te zien waren:

‘Van een tweetal detail-schetsen voor muurschildering is de eene gezet in de zgn. keimsch-verf, waarmee “al fresco” geschilderd wordt. Ook hier toont Jonas zijn forsche opvatting en breede behandeling’.[15]

De beschrijving roept de vraag op of Jonas, vergelijkbaar met Grégoire en Wiegman, werkte met proefstukken op mortel die in een lijst werden gevat. Opvallend is verder het begrip al fresco, dat we met een zekere regelmaat in combinatie met het gebruik van keimverf tegenkomen en dat hier vooral lijkt te slaan op de analoge manier van toepassing. Van huis uit vakschilder, moet Jonas heel goed hebben geweten wat het vergde om een muur duurzaam met verflagen af te werken. Het wekt dan ook verwondering dat de schilderingen zich in een zeer slechte staat bevinden, niet vanwege het verval van de keimverf, maar doordat de pleisterlaag van de muur komt. Op dit punt mag beslist de noodklok worden geluid.

Wie de Verheerlijking van Maria vergelijkt met het werk van Jonas uit dezelfde jaren, waarin met name het vrouwelijk naakt centraal staat, kan niet anders dan verrast zijn. Qua stijl lijkt deze uitmonstering in helemaal niets op wat hij tot dusver had gedaan. Verreweg de meeste kunstenaars zochten voor hun monumentale schilderwerk aansluiting bij hun glazen, zoals Molkenboer met zijn oeuvre in de kerk van O.L. Vrouwe van Goede Raad in Den Haag. Niet echter Jonas, die een heel andere richting koos dan een vertaalslag van het idioom van Thorn Prikker. Hij lijkt zich met de Mariakapel doelbewust te hebben gezet aan de ontwikkeling van een aparte stijl voor kerkelijke schilderingen met een bescheiden barok contrapost. Wat dit helemaal bijzonder maakt, is dat hij daarbij kennelijk aansluiting zocht met ideeën die onder Duitse kunstkenners leefden. Zoals hierboven al bleek, is heel weinig bekend van Jonas’ intellectuele bagage. Dit heeft ongetwijfeld ook te maken met het door Engelman geschapen beeld ‘van den simpelen huisschilder’. Maar uit de toelichting bij de zelfportretten blijkt Engelman zeker niet blind te zijn geweest voor de ‘wijsgeerigheid’ van Jonas. Engelman en Van Merlet stonden voor het probleem kost wat kost te voorkomen dat er ook maar een zweem van het literaire aan de schilder zou kleven. Dit gold niet alleen voor Jonas, maar ook voor Cantré, Wiegersma en andere schilders uit de waaier van Meuleman. Vandaar de nadruk op de ambachtelijkheid en de eenvoud, die gelijkgesteld werden met authenticiteit.[16] Daarmee is wel het kind met het badwater weggegooid. Zo werd namelijk opnieuw het misverstand gevoed dat iemand die meer op beelden dan op woorden is gericht – een beelddenker dus – niet intellectueel zou zijn.[17] Dit vormt een sterke nawee van de opkomst van het concept van de pictor doctus in de renaissance, hoewel juist Jonas zich door middel van het beeld als zodanig neerzette. Een van de weinigen die zich op dit punt werkelijk wist te profileren, was Nicolas, die het geluk had dat hij in woord én beeld over een vaardige hand beschikte. In wat mindere mate gold dat ook voor Adams, zoals later in dit hoofdstuk zal blijken. Nicolas is overigens de enige kunstenaar die zich rond 1926 met de verwerking van de barokke contrapost in zijn figuren aan een soortgelijk experiment waagde als Jonas. Deed Nicolas dat echter in de profane ambiance van het raadhuis van Breda, waar de klassiek aandoende sfeer van de burgerlijke deugden volledig in het decor past van de modern-classicistische uitbreiding van Hanrath, Jonas zette deze stap in de Koepelkerk. Dat wil wel wat zeggen, want zoals al is opgemerkt zou Nicolas het barokke idioom aanvankelijk alleen in niet-religieuze gebouwen toepassen.

Henri Jonas, Verheerlijking van Maria, middenstuk muurschildering, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 350 Henri Jonas, De verheerlijking van Maria (1926) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Muurschildering in keimverf.

Het ‘middenluik’

Bij de schilderingen van Jonas gaat het om een betrekkelijk eenvoudig programma, waarin enkele verrassende elementen niet [p. 414] ontbreken. Centraal staat het beeld van Maria met kind, waarvan het originele exemplaar uit het interbellum heeft moeten wijken voor een veel lagere, middeleeuwse Sedes sapientiae (Zetel der wijsheid).[18] Het beeld is ingekapseld in een scène waarin de boom van goed en kwaad, de slang en Eva als voorafbeelding figureren. Terwijl de slang zich afwendt van Maria, buigt Eva zich naar haar toe om vergeving te vragen. Daarboven zijn rond de Moeder van God musicerende engelen opgesteld, waarin nog de Beuroner thematiek doorklinkt. Op een aparte manier heeft Jonas de Madonna en haar hemelse orkest met de flankerende figuren verbonden door middel van instrumenten en een liedboek. Vandaar dat we links opnieuw David met de harp tegenkomen met Isaias of Jesaja achter hem die een bazuin vasthoudt. Dankzij de kalligrafie van enkele bijbelteksten die Jonas heeft verwerkt – te vinden op de plaquette bij de entree naar de sacristie – beschikken we over de sleutel tot het programma. Zo weten we dat David in de schildering een van de psalmen ten gehore brengt en Isaias de tekst uitspreekt: Ecce virgo concipiet et pariet filium et vocabitis nomen eius Emmanuël (Zie, de vrouw is zwanger, en zal een zoon ter wereld brengen, en u zult hem de naam Emmanuël geven). Aan de andere zijde bevinden zich twee figuren, van wie Jonas de naam niet aan de zoom van de schildering heeft geplaatst. De tegenhanger van David kan echter worden geïdentificeerd als Salomo vanwege de tekst op het manuscript dat hij vasthoudt: canticorum. Dit slaat op de Canticum canticorum Salomonis, oftewel het lied der liederen van Davids zoon en opvolger Salomon, beter bekend als het Hooglied. Hoewel juist het Hooglied een belangrijke bron van mariale metaforen is, kwamen we deze oudtestamentische persoonlijkheid eerder in de uitmonsteringen niet tegen. De man achter hem vervult, gelet op zijn houding en gewaad, dezelfde rol als Isaias. Ook voor zijn naam biedt de geschilderde plaquette uitkomst, want de enige andere profeet die vermeld staat is Ezechiël. Van hem komt de beeldspraak van Maria als gesloten poort, omdat geen levende man mag binnentreden waar God is binnengaan.[19] De over elkaar geschoven zon en maan, waar de ster van Bethlehem langs schiet, grijpen terug op het vers uit het Hooglied dat ook op de muur staat: pulchra ut luna electa ut sol terribilis ut castrorum acies ordinata (mooi als de maan, stralend als de zon, ontzagwekkend als een leger in slagorde). Het gaat hier om zinnebeeldige prefiguraties die terug te vinden zijn in de Litanie van Loreto en die voor een deel overgenomen zijn in de tekst van het dogma De immaculata conceptione. In relatie tot de eerdere omschrijving van Maria als ‘tota pulchra et perfecta’ geven deze typeringen een goed beeld van het aura van schoonheid waarmee Maria in de dagelijkse devotie werd omgeven.[20]

Henri Jonas, Verheerlijking van Maria, linkervleugel muurschildering, Koepelkerk Maastricht.

Henri Jonas, Verheerlijking van Maria, rechtervleugel muurschildering, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 351a-b Henri Jonas, a. Bovenaan het linker ‘luik’ van De verheerlijking van Maria (1926) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Van links naar rechts: de jezuïetenheilige Johannes Berchmans, Bernardus van Clairvaux en de evangelist Johannes. b. Onderaan het rechter ‘luik’ van De verheerlijking van Maria (1926) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Van links naar rechts: Dominicus, Theresia van Lisieux en Agnes.

De ‘zijpanelen’

Het mariale programma wordt voortgezet op de zijmuren, die door Jonas zijn opgevat als de opengeslagen luiken van een triptiek en de penanten waarop de aartsengelen Gabriël en Michael staan (zie afb. 210a). Op de ‘muurluiken’ zijn onder meer heiligen weergegeven die een nauwe band hebben met Maria (afb. 351a-b). Aan de ene kant is dat haast vanzelfsprekend Bernardus van Clairvaux, die vergezeld wordt door Johannes met de Apocalyps in zijn hand: hierin staat de prachtige beschrijving van Maria als de vrouw bekleed met de zon en de maan aan haar voeten.[21] Dat ook de jezuïetenheilige Johannes Berchmans hier staat afgebeeld, heeft te maken met de persoonlijke devotie van Leo Dehon, de oprichter van de paters van het Heilig Hart van Jezus, die de Koepelkerk onder hun hoede hadden.[22]

Op het andere luik treffen we uiteraard Dominicus aan, die de rozenkrans invoerde, en voorts Agnes en Theresia. Uit de letters a j.i. (Teresiae ab Jesu Infante) kan worden afgeleid dat het hier om de kleine Theresia van Lisieux gaat, die dankzij Maria van een zwaar ziekbed genas. Omdat Agnes op dezelfde positie staat als Johannes Berchmans, is ook haar aanwezigheid mogelijk te verklaren uit meer persoonlijke motieven. Door het kettinkje in haar hand roept ze associaties op met de heidense priesteres van Joep Nicolas. Hier hangt echter geen toverkristal aan, maar een ring die duidt op haar huwelijk met de hemelse bruidengom. In het spoor van de Apocalyps is deze als lam verbeeld. Het dier in haar arm (agnus in het Latijn) slaat dus zowel hierop als op de naam van Agnes.[23] Bij dit luik heeft Jonas overigens moeten woekeren met de ruimte, doordat hier de doorgang naar de sacristie zit. Daardoor heeft hij hier vrij weinig met de enscenering kunnen doen. Daarentegen was er aan de andere kant alle ruimte om een volledig landschap in kaart te brengen met als synthetistische kwinkslag het Limburgse dorpje met de karakteristieke witte hoeves geheel links. Op de achtergrond [p. 415] is onder de regenboog – het teken van het verbond tussen God en de mensheid – de ark van Noach geschilderd: als schip en toevluchtsoord van getrouwen verwijst dit naar de kerk, zoals in hoofdstuk 5 bij Jan en Kees Dunselman is toegelicht. Daarbij vormt de ark een van de klassieke mariale metaforen. De duif met het takje in zijn bek lijkt hier niet alleen te wijzen op het einde van de zondvloed, maar tevens te zijn ingezet als symbool van Pinksteren.[24] Dit past bij de driehoek rond Johannes, wiens visioen op hemelse openbaring berust en daarmee de vervulling vormt van de voorafbeelding in de scène rechtsboven, waar Mozes de stenen tafelen van Jahweh ontvangt. Men kan zich afvragen hoe Jonas aan deze laatste invulling komt, want ze berust niet op een van de traditionele concordanties tussen het Oude en het Nieuwe Testament.[25] Zo blijkt hij zich opnieuw te ontpoppen als een kunstenaar wiens concepties als beelddenker van veel meer ‘gehersend overleg’ getuigen dan Engelman lief was.

Vormgeving en factuur

In de vormgeving heeft Jonas haast geaquarelleerd met de keimverf. De factuur onthult een onvoorstelbaar gemak waarmee hij grote kleurpartijen neerzette en voorzag van schaduwen en ophoogsels. Vloeiende lijnen geven de gewaden meer diepte, waarbij de bollingen de positie van knieën en schouders aangeven. Die lijnvoering keert terug in het beekje en de smalle boomstammen. Een bijzonder detail vormt het blauwe gebladerte, dat we inmiddels als een expressionistische stijlindicator herkennen dankzij het werk van Nicolas in Asselt. Jonas heeft de koppen, met name die van de heiligen in het linkerluik en Salomon in het centrale luik, voorzien van wat fellere gelaatstrekken, waardoor hij het door Lenz voorgeschreven puur typologische voorbijgaat. Dit illustreert heel mooi welke veranderingen zich voltrekken zodra de rol van het beeld als stemmingsdrager op de voorgrond mag treden. Het is duidelijk dat Jonas hier persoonlijkheden met een sterke overtuiging heeft willen neerzetten; mannen die staan voor het geloof en getekend zijn met de vlam van de openbaring. Wel is het de vraag waarom hij dat bij de een wel en bij de ander niet deed, en vooral, waarom de vrouwen zo non-descript ogen. Lenz triumphans, zou je bijna zeggen. Niet geheel onvoorspelbaar hield Jonas zich ook bij de engelen aan gedepersonaliseerde koppen.

Jonas toont hier zijn vakmanschap in de weergave van vleugels die door hun transparantie verfijnd ogen. Het is jammer dat het oorspronkelijke devotiebeeld is verdwenen, want de architectuurelementen die het op het platte vlak van de muur omlijsten en bekronen, verwijzen niet alleen naar de O.L. Vrouwekerk van Maastricht, maar refereren bovendien aan architectonische metaforen: hiervan is de turris Davidicae (de toren van David) tussen de hoogst geplaatste engelen wel de meest toepasselijke. Juist in dit centrale luik valt op hoe Jonas met de gotisch-barok-expressionistische drieslag van Brandt en Worringer is omgegaan: hij lijkt te hebben gehandeld conform de ingeprente associatie dat de engelen op hun gotische voorbeelden horen te lijken, terwijl de heiligen door aard en aantal sterk contrareformatorisch aandoen. Lang voordat de barok een alibi werd in de liturgische stijlslag, maakte Jonas hem tot onderdeel van zijn kerkelijke muurschilderstijl, die helaas na deze ene uitvoering al tot stilstand kwam. Ook op dat punt dringt zich een vergelijking met Nicolas op, die na Asselt evenmin nog veel schilderingen maakte. Het verschil is wel dat Nicolas met zijn jeugdwerk ruimschoots de publiciteit haalde. Algemeen had Jonas daar overigens ook niet over te klagen, zeker niet toen Van der Meer en Engelman hem eenmaal hadden ontdekt. Maar als men ziet hoeveel er geschreven is over de glazen van de Koepelkerk, blijft het verbazen dat zijn schildering niet meer aandacht heeft getrokken. Net als zijn ramen laat dit werk zien wat voor een zeldzaam begenadigd kunstenaar Jonas was. Het heeft dan ook iets tragisch dat dit oeuvre pas effect sorteerde toen Matthieu Wiegman en Charles Eyck Jonas’ indrukwekkende voorzet overnamen voor de uitvoerig bejubelde muurschilderingen in de Amsterdamse Obrechtkerk (1927) en in Rumpen (1929).

Henri Jonas, zelfportret in houtskool.  Henri Jonas, Het gezin, met zelfportret van de kunstenaar.
Afb. 349a-b Henri Jonas, Zelfportret in variaties, onder meer verwerkt in de glazen met De aanbidding van Maria (1929) in de Koepelkerk te Maastricht. a. Houtskoolschets (ca. 1927); b. Het gezin (ca. 1931).154 Fotografie: Paul Mellaart, Maastricht. Met dank aan Museum aan het Vrijthof.

Naschrift

Tot zover het fragment uit De genade van de steiger. Meer lezen? Bestel het boek dan bij de Walburg Pers!

Wil je dit artikel delen of mailen, ga dan naar het einde van deze pagina.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

← Terug naar Joep Nicolas of De genade van de steiger | Door naar Jos ten Horn

Bronnen

Nota bene — In de voetnoten staan verkorte titels die volledig zijn aangehaald in de bibliografie van het boek dat rechtstreeks besteld kan worden bij de Walburg Pers.

[1]    Zie de lemmata over Henri Jonas en Jan Grégoire in P.J.H. Ubachs en I.M.H. Evers, Historische Encyclopedie Maastricht, Zutphen 2005.

[2]    Dickhaut, Jonas, pp. 26-29, 39, 161-163. Claire Nicolas-White, Joep Nicolas, pp. 21-22. Engelman, Jonas (1936), p. 201

[3]    Van der Meer, Kunst in het Zuiden (1924), p. 849. Over het debat rond de architectuur van de Heilig Hartkerk in Maastricht – beter bekend als de Koepelkerk – zie Pouls, Ware schoonheid, pp. 135-139.

[4]    Zie hierover uitgebreid Dickhaut, Jonas, pp. 212-222; de dateringen zijn aan deze studie ontleend.

[5]    Zie paragraaf 6.3.2 Thorn Prikker terug in Den Haag: Lou Asperslagh; 6.3.3 Een breed register aan stijlen: Toon Ninaber van Eyben, en 6.3.6 Toetssteen: Augustijn Hermans en Gerhard Jansen.

[6]    Deze invloed werd in de eigen tijd al gesignaleerd: KB krantenbank, zoektermen: Jonas Henri Thorn Prikker (Veritas 30-04-1938).

[7]    Zie paragraaf 6.3.6 Toetssteen: Augustijn Hermans en Gerhard Jansen

[8]    Voor Toorop zie paragraaf 6.2.5 De pelgrim (1921). Voor Lebeau 6.5.1 Het kosmische programma in de oudkatholieke kerk te Leiden (1926-1931).

[9]    Engelman, Jonas (1927), p. 198.

[10]   KB krantenbank, zoektermen: Henri Jonas gezin (H.V.M. [=Herluf van Merlet] De Tijd 15-12-1931).

[11]   Maritain, Kunst en scholastiek, p. 35. Over de pictor doctus en Phidias zie Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. xxx-xxx.

[12]   Maritain, Kunst en scholastiek, pp. 38, 144-145

[13]   Maritain, Kunst en scholastiek, p. 157 (cursief door de auteur).

[14]   Dickhaut, Jonas, p. 91. De omschrijving ‘tota pulchra et perfecta’ komt uit het dogma De immaculata conceptione. Geciteerd naar Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 289. Voor Maria als schoonheidsideaal: Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 126-132.

[15]   KB krantenbank, zoektermen: Jonas, Boosten, muurschildering (Limburger Koerier 28-09-1926).

[16]   Engelman, Jonas (1927), p. 198. Timmer, Kunstkritiek Engelman, pp. 97-109.

[17]   Voor het begrip beelddenken zie het betreffende lemma op Wikipedia met de betreffende literatuurverwijzingen. Met dank aan Mieke Siemons van Knockart: http://knockarttrainingen.blogspot.nl/2010/04/beelddenken-en-begripsdenken.html.

[18]   Op een historische ansichtkaart uit de collectie van Wil Lem te Maastricht is het oorspronkelijke beeld te zien.

[19]   Timmers, Symboliek en iconographie, p. 422.

[20]   Hooglied 6-10 (ten onrechte staat op de plaquette Cant. VI-9). Zie voor de Litanie van Loreto paragraaf 5.4.4 Kees Dunselman in de Obrechtkerk: een iconografische exercitie. Voor Maria als schoonheidsideaal: Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 126-132.

[21]   Nieuwbarn, Kerkgebouw, p. 96.

[22]   Driedonkx, H. Hartklooster Asten, p. 19.

[23]   Timmers, Symboliek en iconographie, p. 851. De afkorting a j.i. voor Theresia van Lisieux kon herleid worden dankzij een inscriptie op de toren uit 1926 van de kathedraal van Reggio Calabria (Zuid-Italië); vergelijk www.catedralescatolicas.com/?p=3394&cpage=1.

[24]   Nieuwbarn, Kerkgebouw, pp. 34-35, 102. Timmers, Symboliek en iconographie, p. 313.

[25]   Noch gevonden in Nieuwbarn, Kerkgebouw, noch in Timmers, Symboliek en iconographie.

Nota bene — De verkorte link van dit item is http://bit.ly/VHH-Jonas1.

Inkijkexemplaar van ‘Verhalen op de muur’

Clemenskerk inkijkexemplaar Verhalen op de muur

Op 22 november 2014 werd de digitale publicatie Verhalen op de muur als uitdraai gepresenteerd tijdens de opening van de Clemenskerk te Merkelbeek. Dit rijksmonument was vanaf 2013 in restauratie, waarbij niet alleen de constructie onder handen is genomen, maar ook de schilderingen die in 1901 zijn aangebracht. Dankzij de expertise en het vakmanschap van de Stichting Restauratieatelier Limburg (SRAL) zijn ze na ruim één eeuw weer in volle glorie te bewonderen.

Welke verhalen vertellen die schilderingen nu precies? Daar kun je je een idee van vormen via dit het inkijkscherm hieronder of via http://bit.ly/Clemenskerk-inkijkbestand.

Bestellen

Je kunt dit boek niet downloaden, maar wel een uitdraai bestellen bij de vrijwilligersorganisatie clemensdomein.nl die de kerk en het bezoekerscentrum beheren.
Stuur daarvoor een mail naar info@clemensdomein.nl met je bestelling en adresgegevens.

Op de site www.clemensdomein.nl staat informatie over de openingstijden en andere bezienswaardigheden rond de Clemenskerk.

Wie overigens de publicatie vanwege een visuele handicap of studiedoeleinden in PDF zou willen hebben, kan dat laten weten via bernadette@vanhellenberghubar.org.

Als auteur ben ik altijd blij met feed back, dus mocht je nog iets tegenkomen dat informatief is, geef het me door. Ik verwerk het dan bij de eerstvolgende editie.

B.*

Clemenskerk inkijkexemplaar
De Clemenskerk te Merkelbeek herbergt intrigerende verhalen op de muur. Foto Leo Reijnen (oktober 2014).

* Post scriptum
  • Toelichting bij de collage: linksboven, Dom Romanus Jacobs als jonge monnik in de benedictijner abdij van Merkelbeek. Linksonder, het monstertje op de stoel van koning David is mogelijk Titynillus. Er gaat een rijke symboliek achter dit wezen schuil. Midden: de omslag van het boek ‘Verhalen op de muur’ met de medaillons met de heiligen Gregorius, Scholastica en Benedictus (boven) en Placidus, Clemens en Bernardus (onder); daaronder bevindt zich koning David. Rechtsboven: de gerestaureerde bloemenbies in de apsis. Rechtsonder: de restauratie van de schilderingen in de apsis.
  • Verkorte link van dit item: http://bit.ly/VHH2Inkijk-Clemenskerk.

Terug naar de hoofdpagina!

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewarenBewarenBewaren

Een jeugdwerk van Joep Nicolas

Jeugdwerk van Joep Nicolas in Asselt, noorderportaal.
Vue op het noorderportaal van de crypte van de Dionysiuskerk te Asselt (Foto: RCEPixelpolder).

Joep Nicolas in Asselt

Het is wat paradoxaal om de aandacht te vragen voor een kunstwerk dat je nauwelijks iemand kunt laten zien. Want de bijzondere cyclus over de mens en de dood en het hiernamaals in de crypte van de Dionysiuskerk te Asselt verdraagt maar mondjesmaat bezoek. Met name de gangetjes die de twee portalen met de centrale ruimte verbinden zijn zo nauw dat de verf alleen al te lijden heeft van onze jassen die er langs schuren als we er door heen gaan. Enkele dagen geleden gaf ik er op verzoek van Galerie Mariska Dirkx uit Roermond uitleg voor het Prins Bernhard Cultuurfonds van Limburg. Het gezelschap was diep onder de indruk van dit jeugdwerk van Joep Nicolas in Asselt en vond het toch wel jammer dat zo’n bijzonder oeuvre zo onbekend was. Dat vormde voor mij het sein om het betreffende stuk uit De genade van de steiger op deze site voor het voetlicht te plaatsen.

Afgelopen jaar deed zich een zeldzame gelegenheid voor om nader kennis te maken met Joep Nicolas dankzij de tentoonstelling die tot 22 februari 2015 liep in museum Cuypershuis te Roermond. Daar was ook Morte fortior te zien, het jeugdwerk waarmee Nicolas de Vigeliusprijs won en dat hierna besproken wordt. Alleen al qua legendevorming vertegenwoordigt deze opmaat tot de cyclus van Asselt een boeiend stukje geschiedenis.

Lees hier verder →

B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Joep Nicolas in Asselt

Joep Nicolas in Asselt, noorderportaal
Vue op het noorderportaal van de crypte van de Dionysiuskerk te Asselt. De schilderingen verkeren in goede staat, doordat ze in 2001 zijn geconserveerd door de Stichting Restauratie Atelier Limburg (SRAL).*

Joep Nicolas in Asselt

Het is wat paradoxaal om de aandacht te vragen voor een kunstwerk dat je nauwelijks iemand kunt laten zien. Want de bijzondere cyclus over de mens en de dood en het hiernamaals in de crypte van de Dionysiuskerk te Asselt verdraagt maar mondjesmaat bezoek. Met name de gangetjes die de twee portalen met de centrale ruimte verbinden zijn zo nauw dat de verf alleen al te lijden heeft van onze jassen die er langs schuren als we er door heen gaan. Enkele dagen geleden gaf ik er op verzoek van Galerie Mariska Dirkx uit Roermond uitleg voor het Prins Bernhard Cultuurfonds van Limburg. Het gezelschap was diep onder de indruk van dit jeugdwerk van Joep Nicolas in Asselt en vond het toch wel jammer dat zo’n bijzonder oeuvre zo onbekend was. Dat vormde voor mij het sein om het betreffende stuk uit De genade van de steiger op deze site voor het voetlicht te plaatsen.

Nicolas @Cuypershuis tot 22 februari 2015 — Afegelopen jaar deed zich een zeldzame gelegenheid voor om nader kennis te maken met Joep Nicolas dankzij de tentoonstelling die tot 22 februari 2015 liep in museum Cuypershuis te Roermond. Daar was ook Morte fortior te zien, het jeugdwerk waarmee Nicolas de Vigeliusprijs won en dat hieronder besproken wordt. Alleen al qua legendevorming vertegenwoordigt deze opmaat tot de cyclus van Asselt een boeiend stukje geschiedenis.

Joep Nicolas in Asselt, vignet van de kunstenaar
Joep Nicolas, Vignet voor De Gemeenschap met de kunstenaar als personificatie van de schilderkunst. Het motto Ars longa vita brevis (De kunst is lang het leven kort) staat  overigens ook op het Amsterdamse woonhuis van Pierre Cuypers senior in de Vondelstraat, dat Joep dankzij zijn vriendschap met Pierre Cuypers junior zeker gekend zal hebben.*

Uit paragraaf 7.3 | Joep Nicolas

Ontleend aan: Bernadette van Hellenberg Hubar, Angelique Friedrichs en Gerard van Wezel, De genade van de steiger (Rijksdienst Cultureel Erfgoed | Walburg Pers 2013), pp. 389-402.

Nota bene — De tekst weerspiegelt de stand van zaken medio 2013.

Joep Nicolas

Joep Nicolas (1897-1972) is zonder meer een van de grootste kunstenaars van het interbellum en steekt ook binnen de expressionistische stam met kop en schouders boven de anderen uit. Men zal op een afzonderlijke studie naar deze veelzijdige persoonlijkheid moeten wachten om te beoordelen of hij een plaats verdient in de canon van de internationale kunstgeschiedenis. In dit stadium kan deze plaats wel al worden gereserveerd, want een vergelijking van zijn oeuvre met dat van Marc Chagall geeft daar alle reden toe. Waarschijnlijk zal ook zijn hoogst bijzondere jeugdwerk in de crypte van Asselt aan de onderbouwing van een internationale positie bijdragen. Dan hebben we het nog niet gehad over zijn medium bij uitstek, het glas-in-lood, en het door hem uitgevonden vermurail. Ten slotte leverde Nicolas een cruciale bijdrage aan de ‘nieuwe barok’, die ook bij hem diepere wortels blijkt te hebben dan alleen de eisen van de liturgie.

Artistieke vorming

Als derde generatie in een familiebedrijf van glazeniers kreeg Nicolas de kunst met de paplepel ingegoten. Toch, of misschien wel juist daarom, verzette hij zich lange tijd tegen dit vak. Terwijl hij andere studies volgde, lijkt hij echter wel steeds het gezelschap van kunstenaars te hebben opgezocht. Voor zijn vorming zijn vooral de periodes dat hij in Fribourg en in Amsterdam verbleef, van grote betekenis geweest. Daarnaast heeft het contact met de groep gelijkgezinde kunstenaars rond De Gemeenschap en Clemens Meuleman hem vrienden en vijanden voor het leven bezorgd. Nicolas heeft formeel geen enkele academie bezocht, maar zich het vak in het familiebedrijf eigen gemaakt. Wel heeft hij in zijn Amsterdamse tijd een avondcursus tekenen gevolgd en bewoog hij zich daar net als in Fribourg tussen de verschillende kunstenaarsnetwerken. In de sociëteit Het Honk ontmoette hij de schilders Rik Wouters, Henri Le Fauconnier, Carel Willink, Raoul Hynckes, Jan Sluijters, Piet en Mathieu Wiegman en Charley Toorop, en de dichters A. Roland Holst en Werumeus Buning. Volgens Claire Nicolas heeft haar vader in deze kring een ‘expressionistisch impressionisme’ leren waarderen, omdat de resultaten ervan direct, spontaan en sensueel waren. De jonge Nicolas, die zich in deze scene als een dandy profileerde, kon de betekenis van de Nederlandse variant van het expressionisme uitstekend doorgronden, omdat hij in zijn Zwitserse periode de hele avant-garde langs had zien komen.

‘Mijn vacanties bracht ik door aan de boorden van het Lago Maggiore, waar vooral Ascona een kiembed was van de nieuwe verlangens der mensheid. Daar kreeg ik mijn eerste contacten met alle nieuwlichters: anarchisten, nihilisten, communisten, Nietzscheanen, Freudianen en Einsteiners. Daar zaten fauves, cubisten, futuristen en dadaïsten; Klee, Kandinsky en Kurt Schwitters warmden dagelijks hun “Eintopfgericht” op, en voerden dat aan de snakkende mensheid: blauw aangeslagen vuurprofeten, die nu geclasseerd en gecollectioneerd zijn.’[1]

Op een alternatieve manier had Nicolas dus de nodige vorming ondergaan. Toen hij in 1922 na lang afhouden toch besloot [p. 390] om kunstenaar te worden, had hij een referentiekader waar menigeen jaloers op kon zijn. Voeg daaraan toe zijn uitgebreide relatiepatroon en het laat zich raden dat de eerste grote opdracht zich spoedig aandiende. Intermediair hiervoor was zijn vroegere leraar aan het gymnasium, de priester-dichter en neerlandicus René Klinkenberg, met wie Nicolas na zijn schooltijd een hechte vriendschap onderhield.[2]

Asselt: de ‘groote symphonie der doodenmysteriën’

De mecenas in Asselt

Het was niet de eerste keer dat rector Jean Pinckers te Asselt als een soort mecenas zijn vermogen inzette om zijn kleine Dionysiuskerk meer aanzien te geven. Op de keper beschouwd was het ook zijn gebouw, want hij had ervoor gezorgd dat de piepkleine romaanse kapel na 1916 flink was uitgebreid. Op grond van een ontwerp van Pierre Cuypers kwam er een toren, een volwaardig schip en priesterkoor, en werden een kinderkapel en sacristie toegevoegd. Nadat Eugène Lücker (1876-1943) – uit de stal van Cuypers – een deel van de schilderingen van de kerk had uitgevoerd, werd de rest van de polychromie uitbesteed aan vakschilders. Door de vochtproblemen werd dit geen succes en moest het werk driemaal worden overgedaan. Later betreurde Pinckers het dat zijn comité toen niet de gelegenheid te baat had genomen om af te zien van de drukke ‘fondant kleuren’.[3] De wisselende reacties die hij daarop kreeg, maakte dat het roer al snel radicaal werd omgegooid.

Hoe het contact tot stand is gekomen, weten we niet, maar in 1919 werd de later wereldvermaarde illustrator van kinderboeken Henriette Willebeek le Mair (1889-1966) uitgenodigd om de kinderkapel van schilderingen te voorzien. Dit bleek een groot succes en leverde veel aandacht in de landelijke pers op, ook al moest het werk in 1927 wegens voortijdig verval over worden gedaan.[4] Toen Joep Nicolas in 1922 voorstelde de fundering van het nieuwe priesterkoor in te richten als crypte en door hem te laten beschilderen, was het vochtprobleem het eerste punt waarvoor hij een oplossing moest bedenken. De Maas drong immers met hoog water jaarlijks dit lager gelegen deel van de kerk binnen, met alle gevolgen van dien. Het antwoord van Nicolas heette ‘keimsche Farbe’. Achteraf was Pinckers er heel gelukkig mee dat de kunstenaar dit werk niet in ‘Fresco’ had uitgevoerd.[5]

Legendevorming

Er is nogal wat legendevorming rond de opdracht in Asselt ontstaan, waar Nicolas overigens zelf aan heeft meegewerkt. Uit het register van Pinckers blijkt dat de kunstenaar het voortouw nam. Om het comité van Pinckers, bestaande uit Schreurs, Molenaar en René Klinkenberg te overtuigen, diende Nicolas een ‘beschrijving’ in waarover met name de laatste zeer enthousiast was.[6] Bij het lezen van het qua opmaat beslist poëtische en visionaire stuk kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat er een tweede scribent van klerikale herkomst in de trant van het Gildeboek bij betrokken moet zijn geweest. Gelet op de vriendschap tussen de priester Klinkenberg en de kunstenaar Nicolas ligt een wisselwerking bij het opstellen van dit stuk voor de hand. Vaststaat dat het qua toon en woordgebruik op bepaalde plaatsen sterk afwijkt van de latere, vlotte schrijfstijl van Nicolas’ publicaties.[7] Op dat moment zal vooral geteld hebben dat Nicolas nu voor Asselt twee hordes had genomen: hij had een oplossing voor de technische problematiek bedacht en een prachtig programma voorgelegd.

Joep Nicolas in Asselt, Morte fortior, Vigeliusprijs 1922.
Afb. 321 Joep Nicolas, Morte fortior (Sterker dan de dood), olieverf op doek. Met dit werk won de toen nog onbekende Joep Nicolas de Vigeliusprijs in 1922.  Huidige verblijfplaats: Museum Cuypershuis te Roermond.*

Toch was dit nog niet voldoende. De jonge kunstenaar had namelijk nog geen enkel werk op zijn naam staan dat als referentie kon dienen. In het verslag van Pinckers lezen we dan ook:

‘Wij stelden hem op de proef door hem te dwingen om mede te dingen voor den Vigeliusprijs van 1922 – het maken van een Groot Olieverf schilderstuk. Allergunstigst was het oordeel over zijn “Zalving van Christus Lichaam” en de Vigeliusprijs werd hem toegekend met algemeene stemmen, zelfs een bod van 1800 fl werd gedaan voor dien prijs (afb. 321).

Daar geen plaats was voor dat groote stuk in Asselt hebben wij het aangeboden zooals zijn eerste raam v/d Crypta aan de stad Roermond. Per omgaande werd het schilderstuk gehaald (het raam echter bleef hier)’.[8]

Legt men dit verhaal naast de biografie van Nicolas’ dochter Claire, dan ervaart men hoe sterk een geschiedenis door de jaren heen van inhoud kan veranderen. Bij haar heet het dat Nicolas de brochure voor de Vigeliusprijs te pakken kreeg toen hij datzelfde jaar in dienst zat. Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat dit klopt en dat er opnieuw sprake was van een-tweetje met Klinkenberg, waardoor Pinckers in de waan verkeerde dat zijn comité de kunstenaar tot deelname aan de prijskamp dwong. Het resultaat was er in ieder geval naar. [p. 391]

Dankzij de Vigeliusprijs is het mogelijk een preciezere chronologie van de totstandkoming van de schilderingen te bepalen: het programma dateert van februari 1922, de uitslag van de prijskamp werd bekend in december 1923, dus toen Claire later schreef dat de Maas zich in het voorjaar terugtrok en Nicolas eindelijk aan de slag kon, zou het 1924 zijn geweest. Dit rijmt echter weer niet met het artikel van pater Molenaar in Roeping van 1923-1924, waaruit blijkt dat een deel van het werk toen al af was, wat wordt bevestigd door een bericht in De Limburger Koerier van april 1923: Nicolas blijkt dan in de crypte bezig te zijn met de ‘schetsen’.[9] Kennelijk had de kunstenaar een voorschot genomen op de afloop van de prijskamp. Ook het verhaal van Pinckers over het unanieme oordeel van de jury blijkt trouwens niet te kloppen:

‘Motto: Morte Fortior. Door sommigen worden bijzonder gewaardeerd de orkestrale werking van het geheel, de goed gebouwde compositie en de kleur vol uitdrukking. Desondanks is de jury in haar geheel van meening, dat er groote onvolmaaktheden in dit werk zijn. De minderheid der jury acht deze onvolmaaktheden zelfs zóó overwegend, dat zij niet tot een waardeerend oordeel kan geraken. De zeer moeilijke taak voor de jury om uit de vier schilderijen van groep IV een keuze te doen ter bekroning, bracht een langdurige bespreking’.[10]

Uiteindelijk kreeg de inzending van Nicolas toch de meeste stemmen binnen de jury, waarin onder anderen Roland Holst zitting had. Het maakt wel nieuwsgierig wat de laatste van dit werk dacht, en of de onvolmaaktheden toe te schrijven zijn aan de gedeformeerde stijl waardoor Claire Nicolas White de vroege stijl van haar vader associeerde met het Vlaamse expressionisme. Morte fortior, zoals de inzending van Nicolas formeel heette, werd in verschillende vakbladen met foto en al onder de aandacht gebracht, zoals in Opgang en Elsevier’s Geïllustreerd Maandblad. Het schilderij zelf is niet te bezichtigen, doordat het werk van Nicolas in het nieuwe museumbeleid van de gemeente Roermond tot het depot veroordeeld is.[11] Het tekent het de situatie dat op dit moment in geen enkel Nederlands museum nog werk van Nicolas te bewonderen valt.

Programma

De cyclus van Nicolas in de crypte is de enige tot dusver waarvan een uitgewerkt programma bekend is. Hier geen achteraf gepubliceerd verslag in een krant of periodiek, zoals bij Derkinderen en Lebeau; geen dichterlijk dictaat over klokgelui zoals bij Roland Holst; geen moeizaam bij elkaar gesprokkelde snippers tekst uit brieven en commentaren, zoals bij Toorop en Bach; geen fragmentarisch geciteerde uitleg van de kunstenaar zelf, zoals bij Molkenboer, maar een door de kunstenaar zelf vooraf opgesteld verhaal. Qua verbeeldingskracht ademt dit een sfeer die alleen door de uitmonstering van Lebeau in Leiden wordt geëvenaard. Net zoals daar wordt in Asselt binnen de christelijke thematiek een volstrekt ongebaand pad ingeslagen. Behalve de meest elementaire iconografische indicatoren om de figuren te kunnen positioneren, heeft Nicolas de gebruikelijke rebusachtige stapeling van symbolen vermeden. Hij is teruggekeerd naar de epische traditie, waarbij echter de reminiscenties aan de historieschilderkunst, die in Morte fortior nog duidelijk doorklinken, zijn verdwenen. De titel, Cyclus van dood en eeuwig leven, verscheen voor het eerst in Molenaars publicatie in Roeping. Er werd zoveel belang gehecht aan dit project dat de bekende fotograaf Matthias Koch uit Roermond opdracht kreeg er beeldmateriaal bij te leveren.[12] Met name de foto van de doodsengel heeft vervolgens haar weg gevonden naar verschillende periodieken en de monografie van Plasschaert.

Nicolas heeft gekozen voor een dialectische opzet door in de cyclus twee typen mensen tegenover elkaar te plaatsen: de innig gelovige tegenover de wanhopige twijfelaar. In zijn beschrijving werkte hij deze structuur uit via het motief van de levensweg, dat een archetypisch karakter draagt. Vanuit Bijbels perspectief wordt men herinnerd aan Christus die volgens Johannes zei: ‘Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Alleen door Mij heeft men toegang tot de Vader’.[13] Maar het is vooral Mattheus die hier spreekt:

‘Ga binnen door de nauwe poort. Want wijd is de poort en breed is de weg die naar de ondergang leidt; er zijn vele mensen die daarlangs gaan. Hoe nauw is de poort en hoe smal de weg die naar het leven leidt; er zijn maar weinig mensen die hem vinden.’[14]

Bij Nicolas gaat het om twee letterlijk nauwe toegangspoorten, met de sombere kant aan de noordzijde en de lichte aan de zuidzijde. Los van de evangelische associaties is er nog het thema van de symbolische bedevaart die de mens tijdens zijn leven maakt: vanuit christelijk perspectief is iedereen, net als Toorops pelgrim, op weg naar de hemelse stad. Ook Joan Collette en Anton Molkenboer [p. 392] verbeeldden dit thema in respectievelijk de Veertiende zondag na Pinksteren en het Gebodenraam.[15] Beide kunstenaars verwezen daarbij naar de kruisweg, want iedereen heeft op zijn levenspad wel een kruis te dragen. Allesbepalend daarbij is de overwinning die de gelovige in het voetspoor van Christus zal behalen.[16] Nicolas verwoordde dit laatste bij wijze van ‘praeludium op de groote symphonie der doodenmysteriën’ als volgt:

‘Twee menschen gaan op het levenspad, en de Dood komt twee menschen tegemoet. Beiden zijn kinderen van den eerstgeschapene; beiden moeten sterven.

De één gaat den weg langs, en weet niet waarom, en weet niet waarheen. Hij trekt voort en beziet al wat er ligt langs den weg, en verstrooit zijne blikken over het land en de boomen, en de rimpelende wateren. Maar waarheen hij schrijdt weet hij niet. Hij zoekt in den wind, in het licht van den dag, en in de sterren van den nacht, hij zoekt in het water en in de planten. En blijft zoeken de reden van alle dingen en het waarom. Maar vóórt moet hij, altijd voort. En zijn voorhoofd staat gefronst en zijn oogen star en angstig, want hij wilde weten, en het weten is hem niet gegeven. En hoelang hij nog zoo voort gaat, maakt niemand hem bekend. Tot opeens een hand wordt gelegd op zijn schouder, een kille greep voelt hij aan de keel, een ijzige koude omgeeft hem.

Dan ziet hij zijn leven wéér in één oogenblik, dan wil hij terug – anders leven. Maar de greep laat niet los, de koude groeit nog aan. Hij ziet voor zich uit en erkent – den Dood, die hem gegrepen heeft. Een wanhopige worsteling, angst en pijn en onstilbaar heimwee naar het leven en het volgend oogenblik houdt een mensch op, het levenspad te bewandelen …….

Een ander volgde hetzelfde levenspad. Rustig ging hij en kalm in de middagen en in de morgenuren. Hij wist waarheen het pad hem voerde. Hij las in de planten, die opschoten en weer verdorden, in de boomen die knoppen deden zwellen om in den herfst hun bladeren te strooien in den wind. Hij las in het zonnelicht, dat geel in het oosten rees, en rood verzonk in het westen. Hij wist, dat alles sterven moet om opnieuw te leven in grooter glorie en hij wist dat er een uur kwam, dat de dood een hand op zijn schouder zou leggen en met kille lippen een kus zou drukken op zijn voorhoofd. Maar ook wist hij dat Één hem voorgegaan was, die de bitterheid ontnomen had aan het sterven: Christus, die den dood stervende verwonnen had en ons voorging naar den slaap des lichts.

En deze mensch ging zijn weg in vrede; in vrede ondanks zijn strijden met de moeilijkheden des levens, in vrede ondanks de raadselen die rezen langs den weg. Omdat zijn oogen den dood hadden leeren zien als een vriend die hem brengen zou tot Christus.

En eens kwam hem de dood tegemoet; Een groote engel met stille gebaren die bei zijn schouders vatte en een lichten kus, haast onvoelbaar drukte op het onbewogen voorhoofd. En ook deze mensch hield op, het levenspad te bewandelen. Zijn laatste blik was: geloof, en hoop, en liefde om de komende Liefde.’[17]

Dit praeludium roept allerlei associaties op die niet per definitie allemaal een directe relatie met het programma hebben. De hierna volgende analyse is vooral bedoeld om een indicatie te geven van de intellectuele bagage waaraan dit werk kon appelleren. Ze wil een beredeneerde inschatting geven van de indruk die de schilderingen op de toenmalige intelligentsia gemaakt zou kunnen hebben. Nicolas maakte daar zelf deel van uit, gelet op zijn gymnasiumopleiding en verblijf aan de universiteiten van Fribourg en Amsterdam voor filosofie en rechten. De opgeroepen beelden variëren van Victor Hugo die weet waarheen de weg gaat als hij het graf van zijn jong gestorven dochtertje Leopoldine bezoekt, tot de tuinman en de dood die de dichter P.N. van Eyck ontleende aan Jean Cocteau. Op zijn beurt liet deze vriend van Maritain zich door de Perzische schrijver Roemi inspireren, die de onverwachte ontmoeting met de dood herleidde tot een verhaal met koning Salomon in de hoofdrol.[18] Hij die niet te ontlopen valt, vormt een oerthema par excellence. Zeker zo prominent is het andere leidmotief: dat van de man die alles wil weten, de natuur en de kosmos onderzoekt en botst tegen zijn eigen machteloosheid. Hier wordt gewoonweg Faust ten tonele gevoerd, waarbij de moraal hier niet eens zo zeer is dat hoogmoed voor de val komt, maar dat kennis zonder geloof de mens op een dood spoor zou leiden. Dit is kortweg het motto van het noorderportaal.

Joep Nicolas in Asselt, noorderportaal worgengel
Afb. 322 Joep Nicolas, De worgengel en de wanhopige faustiaanse figuur in het uur van de dood (uit de cyclus De dood en het eeuwig leven): ‘De Doodsengel in zwarte sluier, teruggeslagen achter het witte voorhoofd. De oogen klaar en passieloos – niets ontziende: een zuiver werktuig Gods. Zijn handen zeker en onbewogen, in vasten greep houdende een mensch. Deze mensch is het beeld van den niet wetende: angst en onrust liggen op zijn gelaat, zijn handen trachten den greep van Gods engel los te wringen, zijn oogen staan wijd verschrokken opengerukt en staren in de koele oogen van den dood’. Noorderportaal van de crypte te Asselt (1923-1924).*

Noorderportaal

Bij betreding van het noorderportaal wordt men direct geconfronteerd met de engel des doods, die al snel de naam kreeg van de ‘worg-doods-engel’ of de ‘worgengel’.[19] Gelet op de manier waarop hij ‘Faust’ in zijn greep houdt en hem de adem beneemt, ligt dat voor de hand (afb. 322). Nicolas gaf hem geen vleugels, maar vlerken als van een vleermuis, wat iconografisch hoogst zeldzaam, zo niet uniek is. Niettemin draagt de worgengel een nimbus, als om aan te geven dat niet híj de verschrikking is, maar de mens zelf. De hoek van het geknikte hoofd doet symbolistisch aan – het is een van de stijlindicatoren van Toorop die [p. 393] bijvoorbeeld ook bij Grégoire is terug te vinden – waartegenover de koppen rechts aan de types van James Ensor en Jeroen Bosch herinneren. Het landschap op de achtergrond is somber: de man links die met een zeis langs een kale boom gaat, zou zo uit een tafereel van Jeroen Bosch geplukt kunnen zijn. Zijn werktuig herinnert aan het wegmaaien van het leven, het doorsnijden van de draad des levens, het onherroepelijke einde voor wie Gods woord niet aanvaardt. Volgens Nicolas houdt de worgengel ons dan ook voor dat we zonder openbaring enkel as zijn en tot as zullen wederkeren. In die zin ademt het noorderportaal onmiskenbaar de sfeer van Herfsttij der middeleeuwen (1919), het meesterwerk van Huizinga dat Nicolas haast onmogelijk niet gelezen kan hebben. Vooral het woord macaber doemt in dit verband op, dat volgens Huizinga pas in de veertiende eeuw zijn entree maakte en kort en bondig de gehele laatmiddeleeuwse visie op de dood markeerde (afb. 323):

‘Er raakte in de voorstelling van den dood een nieuw, aangrijpend fantastisch element gemengd, een rilling, die opkwam uit het bewustzijnsgebied van ijzige spokenvrees en klammen schrik. De alles-beheerschende godsdienstige gedachte zette haar aanstonds om in moraal, herleidde haar tot memento mori, maar maakte gaarne gebruik van al de huiveringwekkende suggestie, die het spectrale karakter der voorstelling meebracht.’[20]

Nicolas in Asselt: De dodendans van Huizinga, ontleend aan Guyot Marchant 1485.
Afb. 323 Guyot Marchant, houtsnede uit de Danse macabre (Parijs, 1485). In de editie van Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen van 1957 wordt hiermee de morbide fascinatie met de dood in de late middeleeuwen geïllustreerd.*

Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit laatste beslist ook voor de worgengel van Nicolas gold, die omringd wordt door publiek dat doorweekt is van klamme schrik. Qua sfeerbeeld zijn al namen gevallen als Jeroen Bosch en James Ensor, terwijl Claire Nicolas White de invloed van het Vlaamse expressionisme bespeurde en weer anderen op het voorbeeld van de Bergense school hebben gewezen. Toch doet niets in dit werk aan als een direct citaat, wat wel een van de sterkste eigenschappen van Nicolas moet zijn: uit de gigantische hoeveelheid beelden in zijn hoofd selecteerde hij wat hij nodig had en gaf er een eigen draai aan. Iets wat overigens, vooral later, niet altijd het geval zou zijn. Waar Eyck met enige regelmaat van wordt beticht, kan niet minder Nicolas worden verweten: ook hij wilde wel eens op zijn – barokke – routine drijven.


Joep Nicolas in Asselt, noorderportaal, sombere filosoof
Afb. 324 Joep Nicolas, De gedeprimeerde filosoof en de rattenvanger die de dodendans fluit in het noorderportaal van de crypte te Asselt (1923-1924).*

Het faustiaanse thema van het noorderportaal krijgt een vervolg in de filosoof die aan het eind van zijn Latijn is (afb. 324). Hij was al te zien in De pelgrim van Toorop, waar hij echter een blijmoedige betekenis aan de scène geeft. Nicolas heeft daarentegen – net als na hem Lebeau met Saul (zie afb. 299) – gekozen voor de sombere kant, die vanouds vertegenwoordigd werd door Melencolia I van Dürer. Dit icoon genoot in de negentiende en twintigste eeuw zoveel bekendheid dat het tot de standaardbagage hoorde van de kunstenaar en de intellectueel, vooral omdat de psychologische implicaties ervan nog steeds actueel waren. Tekenend is de lezing van H.J. Lulofs over ‘antieke melancholie’ (1923) die in de Nieuwe Rotterdamsche Courant werd afgedrukt:

‘Wie kent niet de kopergravure van Albrecht Dürer: Melencolia? Daar zit, belicht door den onder een regenboog uitbarstenden stralenkring der ondergaande zon aan den oever van een meer met een stad in het verschiet, eenzaam een forsche vrouwenfiguur in een wijdgeplooid gewaad, omringd door de attributen van tijd, arbeid, godsdienst, wetenschap, kunst, natuur en liefde; chaotisch door elkaar gegooid. Zij zit er midden in … en ziet niets. De walging van het leven is al wat haar het leven liet! Symbolisch liggen werkelijkheid en idealisme om haar opgestapeld … háár waan is blind! De afgrijselijkheid van dit beeld ontroert, door de eeuwige waarheid: de ouden en wij mogen melancholie verschillend verklaren en genezen – het lijden bleef hetzelfde.’[21]

Niet alleen artsen maar ook dichters waren geïntrigeerd door deze figuur, die dan weer een vrouw, dan weer een engel heette te zijn. In een bespreking van het gedicht The City of Dreadful Night van James Thomson in Onze Eeuw van 1901 wordt Melencolia als ‘That City’s sombre Patroness and Queen’ ten tonele gevoerd.[22] In dezelfde tijd zet Derkinderen Melencolia I, gezeten tussen de attributen van de bouwkunst, voor het voetlicht als voorbeeld van het verloren eenheidsbegrip in de kunst. Zeer waarschijnlijk kende hij de opvattingen over de creatieve kracht van de weemoed die losbarst nadat het diepste punt van de misère is bereikt. Zijn oude hoogleraar Thijm, wiens artikelen Derkinderen in de jaren negentig had bestudeerd als uitgangspunt voor een publicatie, kon er over mee praten.[23] Ook Thijm had zich in een van zijn geschriften verdiept in Melencolia I, waarbij hij verwees naar het romantische gedicht over deze hermetische personificatie van de hand van Théophile Gautier (1811-1872). Hoewel het primair over Dürers prent (afb. 325) gaat, tekent het tevens de stemming van de sombere peinzer in Asselt: [p. 394]

‘Toi, le coude au genou, le menton dans la main,
Tu rêves tristement au pauvre sort humain :
Que pour durer si peu la vie est bien amère,
Que la science est vaine et que l’art est chimère,
Que le Christ, à l’éponge, a laissé bien du fiel,
Et que tout n’est pas fleurs dans le chemin du ciel
[…]
Un mobilier de Faust, plein de choses sans nom;
Cependant c’est un ange et non pas un démon.
Ce gros trousseau de clefs qui pend à sa ceinture,
Lui sert à crocheter les secrets de nature.
Il a touché le fond de tout savoir humain;
Mais comme il a toujours, au bout de tout chemin,
Trouvé les mêmes yeux qui flamboyaient dans l’ombre,
Qu’il a monté l’échelle aux échelons sans nombre,
Il est triste; […]’
(voor de vertaling volg noot [24].)

000070 Melencolia I Durer
Afb. 325 Albrecht Dürer, Melencolia I, gravure (1514).*

Hoewel niet bekend is wat Nicolas precies in gedachten had, is het wel opvallend dat de worgengel net als Melencolia I een engel is en geen demon, gelet op de nimbus achter zijn hoofd. Terwijl ook Gautier het thema van de hemelse weg invlecht, zijn vooral de typologische overeenkomsten met de sombere filosoof frappant. De klassieke denk/treurhouding van de hand onder de kin of tegen de wang komt al vanaf de middeleeuwen veel voor, onder meer bij de slapende apostelen die bij Christus zouden waken, een motief dat Lodewijk Schelfhout integreerde in zijn glazen voor de kweekschool van Hilversum (zie afb. 308). Nicolas noemt in zijn beschrijving het gedreven zoeken ‘in de geheimen der natuur’ en ‘de teekenen der sterren’, maar dat levert allemaal niets op:

‘zijn voorhoofd blijft gefronst in diepe zorg en onbevredigdheid, en om zijn mond speelt een trek van peillooze teleurstelling. Los en krachteloos liggen zijn zwaargeaderde handen in den schoot, een perkament rol is zijn vingers ontgleden, ze ligt aan zijn voeten, doelloos, geen oplossing gevend aan het raadsel des doods – het eenige raadsel dat het zoeken waard was’.[25]

Kennelijk heeft Nicolas pas bij de uitwerking van zijn programma besloten de iconografie van Melencolia I toe te passen. Oorspronkelijk had hij deze bestemd voor de ‘priesteres der heidensche wijsheid’, die hij naar de taverne aan de overkant gedirigeerd heeft. In plaats daarvan loopt de jonge flierefluiter naar de filosoof toe, als om hem te vertellen dat de bezigheden van de wijsgeer net zoveel zin hebben als het fluiten van een wijsje. Door de kinderen achter hem wordt men onwillekeurig herinnerd aan de rattenvanger van Hamelen die als in een dodendans het leven wegvoert naar een onbekend oord waarvandaan geen mens terugkeert (afb. 326a en b). Tegelijkertijd herinnert het aan die andere fameuze dodendans, het ‘zuiver pijpen’ van de Goede dood uit het gelijknamige gedicht van P.C. Boutens:

‘Goede Dood wiens zuiver pijpen
Door ’t verstilde leven boort,
Die tot glimlach van begrijpen
Alle jong en schoon bekoort,

Voor wien kinderen en wijzen
Lachend laten boek en spel,
Voor wien maar verkleumde grijzen
Huivren in hun kille cel, […]’ [26]

Joep Nicolas in Asselt, noorderportaal, kinderen  Joep Nicolas in Asselt, noorderportaal, pijper
Afb. 326a-b Joep Nicolas, De kinderen grijpen naar hun oren (a.) vanwege de muziek van de ‘rattenvanger’ (b.) die hen meetrekt in een ongewisse dodendans. Noorderportaal van de crypte te Asselt (1923-1924).*

Van enig begrip, bekoring of gelach is in dit portaal echter geen sprake. Want welke diepzinnige gevoelens Boutens ook beleed, vanuit katholiek standpunt leidde zijn milde visie evenmin ergens toe, omdat de dichter de Goede dood niet koppelt aan de openbaring. Strikt bezien zal ook hij dus eindigen als de gedeprimeerde filosoof. Of de jonge Nicolas zover zou willen gaan, is zeer de vraag – zelfs bij de neerlandicus René Klinkenberg is dat zeer de vraag – maar menigeen binnen de Kerk zal er zeker zo over hebben gedacht.

Joep Nicolas in Asselt, noorderportaal, taverne
Afb. 327 Joep Nicolas, De taverne uit de cyclus De dood en het eeuwig leven is geïnspireerd op de Carmina burana en de vagantenliederen, waarmee Nicolas in Fribourg kennismaakte. De ‘heidensche priesteres’ (de primitieve kop rechts) met het ‘tooverkristal’ vormt mogelijk een variant op vrouwe Fortuna. Noorderportaal van de crypte te Asselt (1923-1924).*

In de scène tegenover de uitgeputte wijsgeer belandt men in de taverne (afb. 327). Associaties met de studietijd van Nicolas in [p. 395] Fribourg zijn onvermijdelijk: hier kwam hij– naar eigen zeggen – terecht in een quasi-middeleeuwse vagantenmilieu van ‘goliards’ en ‘zwervende scholiasten’. Hier leerde hij ‘in vele talen liederen zingen, geïnspireerd door wijn en vrouwen, zoals de Carmina Burana’. Ook in de taverne van het noorderportaal wordt feest gevierd, althans dat lijkt de bedoeling, maar hier overheerst vooral de droeve dronk. Omringd door zijn demonen die hem de roes van de vergetelheid voorhouden, omdat er ‘boven’ niets te winnen valt, wordt de centrale figuur door ‘het knagen der eeuwigheid’ verteerd:

‘hoelang nog, hoelang nog? Dat is de vraag die den beker deed zinken van zijne lippen, die den bloemkrans deed verwelken om zijne slapen. Waar is het feest, dat eeuwig duurt? Zijn oogen zoeken het. Hij schijnt te turen in ’t binnenste van zijn eigen ziel: dof en terneergeslagen is zijn blik. Hij vindt niet het feest, dat eeuwig duurt. Hij weet slechts: de dood, de dood, en alles is voorbij. Neen niet voorbij! Maar dan? en niemand geeft antwoord. […] Ziet die gezwollen aderen op ’t bange voorhoofd. Ziet die bevende lippen. En deze man zocht het geluk op de wereld …’[27]

Door twijfel overmand smaakt de wijn de tobbende kroegloper niet meer en leidt het gezelschap van de jonge vrouw, frivool gekleed als een moderne nachtclubdanseres, hem niet langer af van zijn existentiële misère. Eigenlijk had de drank hem net als zijn lotgenoten uit de Carmina burana even los moeten maken van het besef slechts stof te zijn (‘non curamus quid sit humus’) en van de angst voor de dood (‘ibi nullus timet mortem’).[28] Het is hem echter niet gegund. Zo niet zijn tegenhanger uit de vagantenbende die luidkeels zong:

‘Meum est propositum in taberna mori
ubi vina proxima morientis ori.
Tunc cantabunt laetius angelorum chori:
Deus sit propitius isti potatori’.[29]

‘Ik ben van plan om in de kroeg te sterven
Waar de wijn dicht bij mijn stervende mond zal zijn
Dan zullen de engelenkoren vol vreugde zingen:
Moge God deze dronkaard genadig zijn’.

Maar deze vagant gelooft in het hiernamaals, terwijl de kroegloper in het noorderportaal van de twijfel niet weet waar hij het zoeken moet. Op een averechtse manier past deze tobber in de groep die in de (latere) uitmonstering van Lebeau aan het vette der aarde de voorkeur gaf, maar dan nog dover voor de blijde boodschap dan zijn Leidse tegenhangers. Een spannend detail vormen de amforen op de voorgrond, die een vast element vormen in de weergave van een heel wat feestelijker bijeenkomst, de bruiloft van Kana. Zo zien we hoe Nicolas positieve associaties verwerkt in deze weinig opbeurende ambiance, met als boodschap dat er ook andere scenario’s mogelijk zijn, haast als een alternatieve voorafbeelding. Wat verder opvalt in de taverne zijn de kappen waarin de demonen hun hoofden hullen, als om hun ware aard te verbergen en de schijn van vreugde op te houden. Ook andere koppen van dit portaal, waarvan sommige wel op een toneelmasker lijken, dragen dit attribuut. Apart is ten slotte het primitieve maskerachtige hoofd rechts, dat kan worden geïdentificeerd aan de hanger aan de linkerhand. Zij is de ‘priesteres der heidensche wijsheid’:

‘Haar linkerhand houdt achteloos een geslepen cristal met vele facetten, waarin het leven zich weerkaatst als een tooverspiegel zoo toovert zij visioenen voor de onwetenden, en stelt de menschen tevreden met het bedrog, waarom ze zelf niet geeft. Maar het toovercristal is nutteloos voor het aanschijn des doods’.[30]

Deze priesteres lijkt gehoor te krijgen bij het meisje van plezier dat er een beetje giebelend bijstaat vanwege de visioenen die haar worden toegefluisterd. Het blijft ondertussen schijn. Er is maar één plaats waar we een vergelijkbaar type als de priesteres tegengekomen zijn: bij de Antoniuscyclus van Molkenboer in Scheveningen (1928; 1951). In deze scène, die vrijwel zeker op Molkenboers persoonlijke interpretatie van de Vita van Antonius Abt berust, treedt de heilige op tegen de exotisch geklede vrouw die de Fenicische moedergodin Astarte vereert. Zij staat net als het toverkristal voor het geloof in heidense wijsheid die het ten slotte af zal leggen tegenover de dood.

Het noorderportaal is één grote Vanitas, één samengebald Memento mori, één alternatieve dodendans waarin kinderen, feestgangers en wijsgeer participeren te midden van een publiek dat maskers draagt of zich onzichtbaar maakt door de kap over het hoofd te trekken: een bizar en treurig carnaval dat door een doodse stad en een kaal landschap trekt. Het tegenstrijdige is dat deze stoet in al zijn somberte deel uitmaakt van een medaille, waarvan de keerzijde echter níet door het zuiderportaal wordt bepaald. [p. 396] Die keerzijde bestaat namelijk uit de fascinatie die Nicolas met Huizinga deelde voor de macabere kant van de middeleeuwen:

‘En wie zou vergeten hoe soms alle dionysische driften losbraken in de wild bewogen vormen vooral der late gothiek, hoe het opbruisend en breed uitvloeiend temperament der beeldhouwers chimaeren en ironische maskers deed ontstaan aan de kathedralen, en hun sensatielust zich botvierde aan martelscènes en foltertafereelen, — Hoe een drom van helleschilders en fantasten zich uitsloofden om gruwel-lust en lust-gruwelen vast te leggen op doeken, paneelen en muren, tegelijk met de hoogste visioenen die ooit menschen teekenden!’[31]

Ondertussen geeft dit citaat precies weer wat Nicolas voor ogen had: naast de gruwelen van de uitputtende angst voor de dood de hoogste visioenen weergeven die een mens ooit zag. Dat is nu wat hij in het zuiderportaal deed.

Joep Nicolas in Asselt, zuiderportaal, zachte doodsengel
Afb. 328 Joep Nicolas, De doodsengel met de gelovige ziel in het zuiderportaal van de crypte te Asselt (1923-1924). Nicolas schreef hierover: ‘En dan staat voor ons: wederom Gods doodsengel, groot en heilig, in zijn zwart gewaad, onbewogen en met de zelfde klare blikken, die het onfeilbare van Gods raadsbesluit weerspiegelen. En zijn armen omvatten een mensch. Die omvatting is heerlijk; rust en gelatenheid spiegelt die gansche menschenfiguur’. Links op de muur is Franciscus van Assisi afgebeeld.*

Zuiderportaal

Is het motto van het noorderportaal dat de mens zonder de openbaring slechts as is, in het zuiderportaal is het: Ecce quomodo moritur justus (Ziet hoe de rechtvaardige sterft) (afb. 328).

‘En even buigt zich de engel naar haar over, drukt een kus op het klare voorhoofd. Dit is een teerheid als het plukken van een bloem, dit is als het verbleeken van een kaarsvlam bij het rijzen der zon. Zóó sterft een Christen’.[32]

Vergeleken met de gebeurtenis aan de noordkant, gaat het hier inderdaad om een milde, liefdevolle omhelzing. Hoewel het dezelfde engel heet te zijn, hebben de pezige ledematen die de ongelovige mens wurgen, plaats gemaakt voor gespierde armen die de gelovige ziel opbeuren. De benige vlerken die in het noorderportaal als macabere signalen in een rode weerschijn staan, fungeren in het zuiderportaal als een schutsmantel van weldadig blauw. De gespannen frons op het gezicht van de stervende is hier verzacht tot een uitdrukking van overgave.

Nicolas wist wel hoe hij de twee uitersten moest weergeven. Het is duidelijk dat hij in het zuiderportaal heeft gekozen voor de vorm van de zachte, ‘zalige dood’: dat archetypische verlangen van iedere mens, waarvoor de Una sancta verschillende beschermheiligen had, zoals al te zien was bij Toorop. Het was niet toevallig dat het programma ook had voorzien in de uitbeelding van Jozef in dit deel van de cyclus, die we elders bij Alphons Damen en Charles Eyck als patroon van de zachte dood zijn tegengekomen (zie afb. 179 en 209).[33] In tegenstelling tot het beeld van de doodsnood in het noorderportaal, heeft Nicolas met dit beeld in het zuiderportaal de sfeer getroffen die Boutens verwoordt in zijn gedicht Goede dood. Een sfeer die Plasschaert treffend wist te raken in zijn beschrijving van de figuranten in het zuiderportaal (afb. 329):

‘daar is, in ’t doorgangetje, kop na kop, die den dood indrinken met een zoeten lach, met een mond wijd-open, met d’ oogen dicht’.[34]

Joep Nicolas in Asselt, zuiderportaal, gelukzaligen
Afb. 329 Joep Nicolas, De processie van gelovigen die volgens Plasschaert ‘den dood indrinken met een zoeten lach, met een mond wijd-open, met d’ oogen dicht’ in de smalle gang van het zuiderportaal naar de middenruimte van de crypte te Asselt (1923-1924).*

In deze ambiance getuigen uiteraard ook de overige taferelen van de kracht van de openbaring. Nicolas heeft als tegenhanger van de machteloze filosoof Johannes genomen als schrijver van het laatste boek van het Nieuwe Testament, de Openbaring (afb. 330). Tegenover de wijsgeer die alles wil weten maar niet gelooft, staat de gelovige met de enige wijsheid die telt: die een van de belangrijkste getuigen van het christendom in een goddelijk visioen tot het schrijven van de Openbaring aanzette. Ook hier zien we weer een parallel tussen dit jeugdwerk van Nicolas en het Lebeau’s programma in Leiden: de laatste koppelt immers het gezelschap van de echte wijze mensen aan Johannes.

Joep Nicolas in Asselt, zuiderportaal, Johannes die zijn visioen van de Openbaring opschrijft
Afb. 330 Joep Nicolas, Johannes die zijn visioen van de Openbaring opschrijft. Nicolas schreef hierover: ‘De groote boodschapper van de heerlijkheid des doods, dien God in de Hemelen liet schouwen en in de komende heerlijkheid. Waar is hier angst, waar is hier onrust? Vastgeklonken aan den hemel zijn de blikken van St. Jan. En zijn oogen verhalen ons van de bruiloft van het Lam, die ze aanschouwen; van het Hemelsch Jerusalem dat op de aarde zal dalen, en van de groote menigte zaligen uit alle stam en taal en volk en natie’. Zuiderportaal van de crypte te Asselt (1923-1924).*

[p. 397] Op dezelfde dialectische manier als de filosoof versus Johannes, heeft Nicolas tegenover de tobber in de taverne de meest onthechte van alle heiligen geplaatst, Franciscus (zie afb. 328). Het aardige hiervan is dat de kroegloper in feite een voorafbeelding van Franciscus is, die immers een ‘werelds’, losbandig leven leidde voordat hij tot inkeer kwam. Hij wordt hier geplaatst vanwege zijn bijzondere relatie met de dood: ‘Hij die voor zijn heengaan een lied zong van de zon en de schoone wereld die hij ging verlaten en van “zijn broeder den lichamelijken dood”’. Niet alleen benaderde Franciscus met zijn stigmata het lijden van Christus op de meest nabije wijze, ook ging hij de pijn van zijn wonden voorbij door te denken:

‘aan den dood, en aan de heerlijkheid die Christus hem geven wil. Zie, hij ziet alles, hij hoort de engelen spelen op zuiver gestemde violen, zoo zoet, zoo zoet, dat zijn ziel welhaast gelokt wordt uit zijn lichaam om weg te vlieden op vleugelen van muziek. Uit zijn lichaam, dat arme lichaam: “broeder ezel” noemt hij het zelf. Ziet eens, nu lacht de goede St. Frans. God heeft hem toegelachen, en die lach spiegelt in zijn oogen, vurig als kolen onder de asch; die lach strijkt even over zijn mond, de dunne lippen rekken zich even en hij schijnt licht uit te stralen door zijn witte perkamenten huid. Is dat een mensch? Dat is het geluk, dat is de overwinning op het mensch-zijn, dat is de bespotting van den dood.’[35]

Joep Nicolas in Asselt, zuiderportaal rector Pinckers?
Afb. 331 Joep Nicolas, In de linkerhoek vindt een begrafenis plaats, waarbij zeer waarschijnlijk de rector van de kapel, Pinckers, als priester is weergegeven. Rechts twee franciscaner broeders die de hemelvaart van Franciscus bijwonen. Zuiderportaal van de crypte te Asselt (1923-1924).*

In dit soort passages, waarin met net nog niet overslaande stem getuigenis wordt afgelegd, is de klerikale toon het sterkst. De tekst is heel nauwkeurig, want precies zo heeft Nicolas de heilige met zijn stigmata, haast doorschijnende huid en lachende ogen neergezet, zwevend tussen hemel en aarde. De beschrijving geeft tegelijkertijd een adequate indruk waarom Lidwina in het interbellum zo populair was. Ook over haar lijden en visioenen werd in dit soort termen gedacht, waarin een echo van het masochisme van de middeleeuwse flagellanten doorklinkt. Als tegenwicht benadrukt Nicolas in zijn tekst de positie van het zonnelied van Franciscus, waarin de schepping als beeld van God wordt bezongen en de mens onderweg op zijn aardse pelgrimstocht naar de hemelse stad telkens weer van deze weerschijn van God mag genieten. Het geloof van Franciscus was dan wel sterk ascetisch, maar bepaald niet zonder vreugde over de schoonheid van het ondermaanse. De oorspronkelijk geplande Jozef is vervangen door een priester met een gebedenboek in de hand en naast hem een misdienaar en een rouwende vrouw (afb. 331). Het onderste deel van de schildering is verdwenen, maar zeer waarschijnlijk was hier een begrafenis uitgebeeld en is de uitvoerende priester niemand anders dan rector Pinckers. De vrouw heeft één oog gesloten en blikt met het andere schuin opzij naar Franciscus die symbool staat voor de hemelvaart van de ziel van de overledene.

Anders dan in het noorderportaal is de entourage van de taferelen zuidelijk van toon: de doodsengel is omgeven door palmen, de bomen rond Johannes en Franciscus herinneren aan de oudtestamentische ceders en cipressen, en er staat zelfs een apart soort bloeiende bomen op de achtergrond van de begrafenis. Heel bijzonder is de rode toon waarin Nicolas de lucht en de sterrenhemel heeft geschilderd. Vrijwel zeker refereert dit aan wat hij in zijn praeludium zegt over ‘het zonnelicht, dat geel in het oosten rees, en rood verzonk in het westen’: symbool voor alles wat ‘sterven moet om opnieuw te leven in grooter glorie’. De sterren tegen het plafond zijn dan ook niet goud en stralend, maar bleek en klein en zilverig. Dit krimpende beeld vormt een groot contrast met het uitbundige dak van de hemel in de hoofdruimte, waar geleefd wordt ‘in grooter glorie’.

Joep Nicolas in Asselt, de hemel in de centrale ruimte
Afb. 332 Joep Nicolas, De ziel op weg naar de hemelse gemeenschap in de kapel in de crypte te Asselt (1923-1924).*

De apotheose in de kapel

Nergens is een hemels gezelschap zo vrolijk en vrij van plechtstatigheid weergegeven als in de kapel van de crypte te Asselt (afb. 332). Aan zijn verloofde, Suzanne Nys, schreef Nicolas hierover: [p. 398]

‘En ik teken op de muren, en ik sta er voor in dat de crypte iets unieks wordt … De ruimte dwingt me tot een veel beter ontwerp, en daar beginnen die arme heiligen een dans rond de goede Christus die er zo simpelweg bij zit … de hele schildering wordt een dans, echt ongedwongen en lyrisch. Een paar gezichtsexpressies zijn zo gek en leuk dat ik me meegesleept voel …’[36]

Nicolas heeft het gezelschap op wolken geplaatst tegen een blauwe lucht, waarboven het geïdealiseerde landschap is te zien van het koninkrijk der hemelen, onder een lucht waar zon en maan tegelijk schijnen. Centraal in het oosten zetelt de verrezen Christus die de gelovigen in een orantenhouding verwelkomt. Zo toont hij tegelijkertijd de stigmata van zijn handen. Aan de zuidelijke kant staan twee mannelijke heiligen, vermoedelijk Petrus en Johannes, aan de noordelijke kant mogelijk Maria en Maria Magdalena. Er zijn geen attributen geschilderd, terwijl de vrouw die op de plaats van Maria naast Christus staat, wel heel afwijkend is uitgedost in een oranje gewaad. Al helemaal ondoenlijk is het de identiteit van de overige heiligen uit de voorstelling af te leiden (afb. 333). Op dit punt lijkt Nicolas volledig af te wijken van de beschrijving, waarin een beeld wordt opgeroepen van engelen die de zielen naar Gods troon geleiden. Wel zijn op de zijwanden heiligen weergegeven, maar het is niet duidelijk of de kunstenaar hier de indeling volgt van ‘de Apostelen, de Martelaren, de Belijders, de Maagden’. Vaststaat dat de figuur met de palmtak een martelaar is, maar meer aanknopingspunten zijn er niet. Had nu de staf van de oude man met de baard gebloeid, dan was het duidelijk Jozef, maar nu kan het ook heel goed om de heremiet Antonius Abt gaan. Opvallend is ook het numerieke overwicht van de vrouwen, van wie er enkelen, zeker voor die tijd, behoorlijk frivool zijn weergegeven: de een knipoogt, de ander schuift de kap ondeugend van het hoofd, terwijl ook de Maria in oranje steels glimlachend richting Christus kijkt. Zoals al uit de brief aan Suzanne Nys bleek, heeft Nicolas zich dan ook niet aan het deel van de tekst gehouden, waarin staat dat ‘deze groep van heerlijke klare gestalten licht van gebaar en aanraking, passieloos onbewogen van gelaat in de aanschouwing Gods’ is. Verre van dat![37]

Joep Nicolas in Asselt, centrale ruimte heiligen, engel, ziel, orante
Afb. 333 Joep Nicolas, Links een martelaar en een vrouwelijke heilige (maagd), rechts de ziel die naar Christus wordt geleid en de ziel die als orante voor de achtergebleven gelovigen bidt. Kapel in de crypte te Asselt (1923-1924).*

Bij nadere beschouwing blijkt Nicolas op een alternatieve manier toch meer van zijn programma te hebben uitgevoerd dan zich aanvankelijk liet aanzien. Hoewel het verwarrend is dat ze een nimbus dragen – of liever, het aureool dat bestemd was voor de gelukzaligen – zijn de twee paar westelijke figuren vrijwel zeker zielen. In Nicolas’ beschrijving heet het immers dat de zielen door een engel aan de hand worden genomen om naar Christus te worden geleid, precies zoals in het midden van de zuidelijke en noordelijke wand gebeurt. Omdat het woord ziel vrouwelijk is heeft de kunstenaar de beide personificaties in de beste humanistische tradities als vrouwen weergegeven. Daarnaast staat aan allebei de kanten in de westelijke hoek een orante. Kennelijk wist Nicolas dat de vroegchristelijke orante staat voor de gehemelde ziel, die de eeuwige zaligheid binnendringt om daar te bidden voor de gelovigen die achterblijven. Ook oranten worden traditioneel als vrouw weergegeven, waarmee duidelijk is waarom dit geslacht in de schilderingen van de kapel overheerst. [p. 399] Terwijl de orans volgens Nieuwbarn de schakel vormt met de strijdende kerk, trekt de engel de ziel naar de overwinnende kerk, waar volgens Nicolas de ‘triumphator […] in volkomen rust gezeten’ is.[38] Nicolas heeft die strijdende kerk tegen de westelijke wand weergegeven, waar Adam en Eva als prefiguratie van de verlossing het raam omlijsten (afb. 334). Hier heeft de kunstenaar op superbe wijze een scène uit de passie verwerkt die voorafgaat aan de laatste kruiswegstatie, namelijk het afleggen van Christus.

Joep Nicolas in Asselt, centrale ruimte, Adam en Eva met raam met grafaflegging Christus
Afb. 334 Joep Nicolas, De westelijke wand met Adam en Eva en de aflegging van Christus’ lichaam in glas-in-lood. Oorspronkelijk zat hier een ander raam van Nicolas met de graflegging van Christus. Kapel in de crypte te Asselt.*

Adam en Eva staan tussen de doornen die verwijzen naar de doornenkroon, terwijl het venster wordt gedragen door de boom van goed en kwaad, waar de slang zich doorheen slingert. Tegelijkertijd gaat het hier om de boom waaruit het kruis is gemaakt, gelet op de schedel die aan de voet ervan op Golgotha werd aangetroffen. Qua motieven doet de boom denken aan het Cholerawonder van Anton Molkenboer uit 1925-1928. [39] De vergelijking illustreert heel helder hoe twee grote talenten ieder een andere weg kozen om een verwant thema uit te drukken, want Molkenboers symbolistische handschrift is van een heel andere orde dan de expressionistisch bepaalde stijl van de jonge Nicolas. Dat verschil komt ook sterk naar voren in het (tweede) glasraam van de crypte, waarvan het lichtere, centrale deel als het ware de kroon van de geschilderde boom is. Dit samengaan van de glas- en de muurschildering herinnert aan het Geboorteraam van Augustijn Hermans in de kapel van Johannes de Deo te Den Haag. Doordat de datering van het exemplaar in Asselt niet vaststaat, valt niet uit te maken wie hierin wie gevolgd heeft. Nicolaas trok overigens het concept van de wisselwerking van afzonderlijke technieken in zijn glas nog verder door dan Hermans: behalve het verschil tussen muur en glas, is in het raam zelf ook een opvallend contrast in de makelij zichtbaar. Dit laatste komt hierna nog aan de orde.

Schilderstijl

Voor al het werk van Nicolas geldt dat het zich moeilijk laat vangen in het bekende systeem van stijlpredicaten. Bij vergelijking van Morte fortior met de cyclus te Asselt vallen op dit punt niet alleen de grote overeenkomsten op, maar ook de verschillen. Veel meer dan de uitmonstering van de crypte is de inzending voor de prijskamp opgezet als een Bijbels historiestuk in de trant van Derkinderen. Weliswaar had Nicolas geen onderwijs bij Derkinderen genoten, maar de hoogleraar bleek in 1924 hoge verwachtingen van hem te koesteren.[40] De opzet van Morte fortior is heel statisch gehouden, vermoedelijk om te voorkomen dat het niet verheven genoeg zou ogen. Hoewel Nicolas een vrij klassiek compositieschema heeft toegepast van horizontalen en driehoeken, werkt het lichaam van Christus als een verrassende verticaal, mede door de witte lijkwade. Het werk is dus allerminst saai, waarbij de driehoek die Christus en de drie vrouwen omvat, duidelijk effect sorteert. Inmiddels zijn we vertrouwd met de formule van de figuur die op de rug wordt afgebeeld. Deze krijgt een plaats op de voorgrond om de toeschouwer het tafereel binnen te leiden. Derkinderen maakte van die formule onder meer gebruik in zijn eerste versie van De processie, met de rij soldaten. Los daarvan laat zelfs de zwart-witfoto zien dat de ingetogenheid waarmee Christus door de drie vrouwen wordt verzorgd, een zekere intimiteit oproept. De hoofdfiguren rond de Verlosser zijn in werkelijkheid in helder gekleurde gewaden – rood, blauw en oranje – neergezet, omsloten door donkere partijen waaruit zich enkele figuranten losmaken. Het lijdt geen twijfel dat dit de stijl was waarin Nicolas in 1922 de crypte had willen uitmonsteren. Hij was kennelijk nog zo bezig met dit thema dat dat hij later het oorspronkelijke raam met de graflegging alsnog vervangen heeft door het raam met de aflegging, Morte fortior.

Het is hiervoor al opgemerkt: toen Nicolas eenmaal op de muren in de crypte aan het schetsen ging, ontwikkelde hij geleidelijk aan een dynamischer en meer uitgesproken concept, waarin hij qua hoofdlijnen toch dicht bij het aanvankelijke programma bleef. Waarschijnlijk is deze verandering mede ingegeven door het totaal andere karakter van de drager: de muur vormt nu eenmaal een heel ander medium dan het doek. Voor de factuur of makelij zal het directe contact tussen de hand van de kunstenaar en de wat grove pleister van groot belang zijn geweest. In dit contact manifesteert zich immers het handschrift dat refereerde aan aspecten als spontaniteit, improvisatie en onbelemmerde creativiteit: zo kreeg het intuïtieve vatten van het concept, de idee of het teken de meeste kans. Nicolas beantwoordde hiermee in feite aan de mythe van de middeleeuwse muurschilder uit de eloge van Huib Luns op het gotische werk in de Sint Jan in Den Bosch. De jonge kunstenaar werd op dit punt op de voet gevolgd door Collette, Lebeau en Eyck.

Na het schetsen volgde het aanbrengen van de keimverf. Nicolas lijkt hiermee het effect van de frescotechniek te hebben willen [p. 400] oproepen. Heel anders dan bij de olieverf van Morte fortior, is de factuur droog en mat en speelt ze duidelijk in op de korreligheid van de pleisterlaag die er op verschillende punten doorheen schemert (afb. 335), al kan dit ook het aandeel van de eroderende tijd zijn. Het gaat grotendeels om relatief grote partijen kleur. Op verschillende plekken rond de koppen en zelfs bij de haardos is in contourachtige slagen gewerkt, waardoor een enigszins golvend effect is ontstaan. Deze factuur is terug te vinden in de kleding, zoals de schaamdoek van de wanhopig stervende en het daaronder zichtbare gewaad van de worgengel, of dat van de kroegloper. Het gaat om vrij lange halen, die sterk bijdragen aan de dynamiek. De dramatiek wordt echter vooral bepaald door de factuur van de ophoogsels die de spieren en de gewaden volume geven. Ook Nicolas wist hoe hij een lichaam onder de kleding door moest laten schemeren. Aan de koppen gaf hij vervolgens uitdrukking door met smallere penselen lijnen en schaduwen aan te brengen. De factuur draagt op dit punt bij aan het maskerachtige karakter van de koppen in het noorderportaal en de meer ontspannen expressie in de gezichten in de centrale ruimte en het zuiderportaal.

Joep Nicolas in Asselt, noorderportaal, factuur
Afb. 335 Joep Nicolas, De factuur in het werk van Nicolas in het noorderportaal van de crypte te Asselt (1923-1924). Let op de korrelige structuur en de borstelstreken die met name in de ophogingen van de kleding en schaduwen van de anatomie en de gezichten een duidelijke rol spelen.*

Het werk kreeg al tijdens zijn ontstaan grote aandacht: Plasschaert en Van der Meer de Walcheren kwamen kijken, Piet Wiegman, die in Thorn woonde, bood zijn hulp aan, Raoul Hynckes kwam langs en iedereen was even enthousiast. Daarom blijft het verbazen dat een echte kunstkritische analyse van de cyclus ver te zoeken is. Alsof het jargon tekortschoot. Terwijl Van der Meer in prachtige bewoordingen het werk van Wiegman wist te typeren, waarbij hij het woord ‘factuur’ ook gebruikte ter beoordeling van monumentale schilderingen, komt hij in Asselt niet verder dan opmerkingen als de ‘glorie der kleuren’ en ‘het zware rhythme’ dat ‘door heel de compositie’ gaat. Als een ontsnappingsclausule – de affaire Servaes lag nog vers in het geheugen – positioneert hij Nicolas als de man die tussen traditie en vernieuwing in staat:

‘Onmiddellijk begrepen wij te doen te hebben met een ras-kunstenaar, een sterk artiest, die niet grillig zoekt naar een gewild-moderne uiting, maar den adaequaten vorm tracht te vinden om het innerlijk-geziene, direct en vol en intens, geladen en zuiver, in zichtbare gestalte te verwezenlijken. Want voor hem gaat het niet om modern of niet-modern. Dat geldt hem geen probleem. Hij creëert uit vollen innerlijken nood. En zoo men hem wil bepalen, dan kan men hem noemen een kunstenaar der traditie. Dit lijkt paradoxaal. Maar het is toch zoo. Want hij sluit zich aan bij den geest der levende traditie. Hij toetst zijn werk niet aan den modernen tijd, maar aan al het levende oude dat er ooit geweest is.’[41]

Hoewel dat laatste zeker waar was en Nicolas ten opzichte van zijn directe collega’s een behoorlijk onafhankelijke koers voer, was hij zich waarschijnlijk wel ter dege bewust van zijn positie te midden van de kunst van zijn tijd. In een door zijn dochter Claire geciteerde uitspraak merkte Nicolas op dat hij traditie zag als ‘dat wat van het verleden naar de toekomst leidt’.[42] Het ziet ernaar uit dat deze briljante eclecticus in het begin van zijn carrière vooral die equivalenten in de geschiedenis heeft opgespoord, die bij uitstek pasten bij de expressionistische beeldtaal, waarmee Nederland dankzij Het Signaal van Le Fauconnier en Piet van Wijngaerdt kennis had gemaakt. De meest treffende beschrijving van Nicolas’ Asseltse stijl vinden we dan ook in Jan Engelmans recensie uit 1925 van het werk van Piet van Wijngaerdt. De betreffende passage kan woordelijk worden geëxtrapoleerd naar de schilderingen in de crypte. De relevantie is zo frappant dat de passage nogmaals wordt geciteerd (de stijletiketten die Engelman niet noemde, maar wel bedoelde, zijn in vierkante haken toegevoegd):

‘De schilder Piet van Wijngaerdt is een goed vertegenwoordiger van de talrijke moderne Hollanders, die in hun beelding streven naar het geven van een sterke psychische spanning in eenvoudige, breede, niet-verbijzonderde vormen [expressionisme]. Met het noemen van dit streven is, in den chaos der richtingen, een hoofdneiging geteekend, die in de individuën schakeeringen kan aannemen, maar ondanks differentiatie herkenbaar blijft. In het algemeen-waarneembare loslaten van het naturalisme onderscheiden zich deze schilders1), die allen naar hun aard invloeden ondergingen van de verschillende wijzen, waarop voor en tijdens den oorlog de z.g. “ontbinding” van den vorm werd bewerkstelligd [kubisme, expressionisme], door een visie op het onderwerp die fel-psychologisch is en door een hanteering van het materiaal die zuiver-schilderlijk blijft [expressionisme]. Dat wil hier zeggen: zij idealiseeren en schematiseeren niet, zij trachten niet naar een haastige “styleering” [symbolisme], noch treden zij de aanschouwde wereld met literaire neigingen tegemoet [symbolisme]. Toch weten zij zich van een vorig geslacht te onderscheiden, doordat zij de copiëerlust des dageIijkschen levens [impressionisme] afzwoeren, zich niet bepalen tot het beelden van een uiterlijke werkelijkheid, [p.401] maar ook met opzet, en soms overwegend, trachten, in hun uiting de geestelijke beteekenis der dingen vast te leggen [synthetisme]’.[43]

Tot deze groep rekende Engelman terecht óók Nicolas, die in de crypte van Asselt in ‘eenvoudige, breede, niet-verbijzonderde vormen’ op een erudiete manier vol spannende verwijzingen naar het verleden een ongekend programma had verwezenlijkt. Dat wat Engelman als ‘fel-psychologisch’ betitelde, heeft Nicolas op sterk empathische wijze verwerkt in de twee doodsengelen, die archetypisch zijn voor wat de mens vreest en wenst in het uur van zijn sterven. Met name in het noorderportaal tonen stijl en factuur een onmiskenbaar ‘sterke psychische spanning’ bij de verbeelding van het onderwerp. De verwerking in het zuiderportaal zou – als tegenpool – niet als fel kunnen worden omschreven, maar met zijn sfeer van overgave, liefde en vertrouwen als innig psychologisch. Vertaald in eufore termen gebeurt dat ook in de dans van de apotheose, waar Nicolas als eerste – en voorlopig ook laatste – de hemelse zaligheid van de ziel in uitbundige vrolijkheid viert. Die vreugde om de hemel is niet statisch, plechtig, of verheven, zoals de Una sancta dat het liefst zag, maar gewoon, als op een feestje, uit het leven gegrepen, en dus niet alleen psychologisch goed getroffen, maar ook synthetistisch qua uitdrukkingsvorm.

Dat Nicolas het naturalisme hierbij heeft losgelaten, is duidelijk. Zijn vervormingen, hyperbolische verkort en scheve perspectief herinneren vooral aan Cézanne, die overigens ook blauwe bomen heeft geschilderd in een van zijn vele versies van de Mont Victoire. Bij hem gaat het echter om een blauwe, niet erg gedetailleerde massa die steeds verder naar de achtergrond treedt, terwijl Nicolas vooral zuidelijke bomen met een blauwe kroon weergeeft (populieren, cipressen en loofbomen) (afb. 336). De locus classicus van deze kleurtoepassing is te vinden bij Van Gogh met zijn blauwe knotwilgen en dennen bij zonsondergang, of populieren in de regen. Met name deze weergave van de bomen kan Nicolas hebben geïnspireerd om het bladerdak van de bomen in de landschappen van de portalen en het hemelrijk te schilderen in volle blauwe, vaak kegelachtige vormen. Bij het zuiderportaal betreft het immers ook een zonsondergang die niet alleen de bomen, maar ook de sneeuwranden van de bergen in een blauwe schijn zet, terwijl de lucht daarboven rood verkleurt. Deze kleurtransposities horen tot de standaarduitrusting van het expressionisme, waarvan Nicolas zich heel goed bewust was, gelet op zijn opmerking over de ‘blauw aangeslagen vuurprofeten’ die hij in Ascona had gezien: de directe verwijzing naar Klee en Kandinsky leidt vanzelf naar de Blaue Reiter, tot wie ook de jonge Heinrich Campendonk behoorde. Overigens beschouwde de toenmalige kunstkritiek het palet van Nicolas als een van zijn sterke kanten, zoals blijkt uit de recensie ‘Modernen bij Kleykamp’ in het Algemeen Handelsblad (1926). Hierin werd hij tot de ‘de groep der zuivere kleurtranspositoren’ gerekend.[44]

Joep Nicolas in Asselt, zuiderportaal kleurtranspositie
Afb. 336 Joep Nicolas, Detail van het zuiderportaal met het zuidelijke landschap (1923-1924). Dit werk vormt een voorbeeld bij uitstek van de typisch expressionistische kleurtransposities, waar Nicolas ook volgens de contemporaine kunstkritiek een meester in was. De locus classicus van de bomen is te vinden bij Vincent van Gogh. Nicolas zette dit middel voor een deel in om de symboliek van de cyclus leven-dood-leven uit te beelden.*

Hiervoor is opgemerkt dat Nicolas voor zijn expressionistische beeldenschat zocht naar stilistische equivalenten in het verleden. Welke dat zijn valt met name te achterhalen via Plasschaert. De criticus noemt heel specifiek de ‘Romaansche perioden’, waarin hij wat betreft de geestelijke staat sowieso veel verwantschap met de eigen tijd meent aan te treffen. Qua sfeer ziet hij veel overeenkomsten op het gebied van architectuur, schilderkunst en ‘de glazeniers. De figuren zijn zwaar van bouw; de kleur is zwaar en traag, de psychische gang gaat naar ’t donkre diep’. Maar Plasschaert noemt ook Brueghel (door hem gespeld als Breughel), omdat met name het glas van Nicolas vol kan zijn van ‘het tumult van ’t leven’.[45] Hierin lijkt zich opnieuw de invloed van het kunsthistorisch onderzoek van die tijd te manifesteren, want niet lang daarvoor had Max Dvořák een studie over deze Vlaamse schilder gepubliceerd, waarin de expressieve kant van diens werk veel aandacht kreeg.[46] De associatie met Brueghel is heel toepasselijk, niet alleen omdat Nicolas dat ‘tumult’ inderdaad weet op te roepen, maar vooral ook omdat ze Plasschaert ontslaat van een vergelijking met die andere kunstenaar die aan Brueghel inspiratie ontleende, James Ensor. Tegenover de maskerachtige parade in het noorderportaal plaatst Nicolas de processie in het zuiderportaal. Beide monden uit in het joie de vivre van de centrale ruimte waar hemel en aarde samenvloeien en Nicolas de pure vreugde van de mens als symbool, als stemmingsteken kiest voor de ultieme zaligheid. Een uitleg daarvoor is te vinden, niet bij de katholieke recensenten, maar bij Plasschaert:

‘Nicolas is een der weinigen, die het Christendom en Jezus beleven in het tegenwoordige; het katholicisme is voor hem geen traditie, maar spontaniteit des harten. Wat ge zoo ervaart, kunt ge met eerbied en met speelschheid vertolken. Ge kunt altijd speelsch zijn met dat waarvoor ge een volstrekten eerbied bezit. Nicolas is een der tegenwoordigen, die den ernst durft geven, en de uitbundigheid, die het tegenspel, het evenwicht is van dien ernst’.[47]

[p. 402] Terwijl de nadruk op dat ‘beleven in het tegenwoordige’ uit de mond van Plasschaert beslist een synthetistische ondertoon heeft, bevestigt hij wat al eerder is opgemerkt: eigenlijk was Nicolas de nar die Roland Holst in zijn openingsrede als hoogleraar aan de Rijksacademie in 1918 tegenover de priester plaatste.[48]

Nicolas, Omslag van 'Wij glazeniers' (1938)
Omslag van het boek van Joep Nicolas, ‘Wij glazeniers’, Utrecht, z.j. (1938) met het zelfportret van de kunstenaar. Het gaat om een met vaart geschreven bespiegeling van de hedendaagse rol van de glasschilderkunst, bezien vanuit de traditie. Een pregnante opmerking onderstreept dit streven: ‘Wij, glazeniers, mogen ons de vraag stellen welke taak en welke zending nog de onze kan zijn in een tijdvak waarin Hitler naar Italië reist in een trein met achtdubbele glasramen, die bestand zijn tegen geweer- en mitrailleurkogels?.*

Naschrift en verkorte link

Tot zover het fragment uit De genade van de steiger. Het vervolg over de crypte in Asselt, waarin aandacht wordt besteed aan het prachtige raam in de centrale ruimte, kun je op deze site vinden onder de link: http://bit.ly/GvdS-Nicolas-glazen.

Meer lezen? Bestel het boek dan bij de Walburg Pers!

Wil je dit artikel delen of mailen, ga dan naar het einde van deze pagina.
De verkorte link van dit item is: http://bit.ly/GvdS-Nicolas-Asselt.

Bernadette van Hellenberg Hubar

← Terug naar De genade van de steiger! | Verder naar Joep Nicolas tussen de glazen

Bronnen

Nota bene — In de voetnoten staan verkorte titels die volledig zijn aangehaald in de bibliografie van het boek dat rechtstreeks besteld kan worden bij de Walburg Pers.

[1]    Claire Nicolas White, Joep Nicolas, p. 19, citeert een ongedateerde en onverzonden brief aan Godfried Bomans, die Nicolas in 1956 voor de Volkskrant interviewde.

[2]    Claire Nicolas White, Joep Nicolas, pp. 19-22, 27.

[3]    GAR archief 4118, Parochie van de H. Dionysius te Asselt, inv.nr. 69: Pinckers verwijst in zijn verslag naar KB krantenbank, zoektermen: Asselt, kinderkapel (M.V., Algemeen Handelsblad 13-09-1919). De uitbreiding van de kerk, die onder P.J.H. Cuypers plaatsvond, was voltooid in 1917: Van Leeuwen, Cuypers, p. 204.

[4]    KB krantenbank, zoektermen: Asselt, kinderkapel (M.V., Algemeen Handelsblad 13-09-1919). Ibidem, zoektermen: Asselt, kinderkapelletje (Algemeen Handelsblad 25-08-1927).

[5]    GAR archief 4118, Parochie van de H. Dionysius te Asselt, inv.nr. 69.

[6]    GAR archief 4118, Parochie van de H. Dionysius te Asselt, inv.nr. 69. Alleen bij Klinkenberg staat de naam vermeld. Mogelijk is Schreurs de priester-dichter Jac. Schreurs die lovend schreef over het werk van Albert Verschuuren. Molenaar zou is vrijwel zeker Maurits Molenaar kunnen zijn, die in het blad Roeping over het werk in Asselt publiceerde: Molenaar, Asselt (1923-1924), pp. 6-7. Zie over hem: Ronald Peeters, Ed Schilder en stichting Cultureel Brabant, ‘De paap van gramschap’, op: cubra.nl (1992-2015).

[7]    Nicolas, Ontwerp van de cryptebeschildering. Vergelijk de items van Nicolas in de bibliografie. Over de vriendschap met Klinkenberg zie Claire Nicolas White, Joep Nicolas, pp. 19, 27, 30.

[8]    GAR archief 4118, Parochie van de H. Dionysius te Asselt, inv.nr. 69. Dit schilderij beindt zich momenteel in de collectie van museum Cuypershuis te Roermond.

[9]    KB krantenbank, zoektermen: Nicolas, prijs (Het Vaderland 06-12-1923); ibidem, zoektermen; Nicolas, Asselt (Limburger Koerier 05-04-1923). Molenaar, Asselt (1923-1924), p. 7.

[10]   KB krantenbank, zoektermen: Nicolas, prijs (Nieuwe Rotterdamsche Courant 12-12-1923).

[11]   Van der Meer, Nicolas (1925), p. 171. Hana, Nicolas (1925), afb. LXVII (foto: Matthieu Koch, Roermond). Morte fortior bevindt zich in het depot van museum Cuypershuis te Roermond.

Nota bene — Morte fortior is tijdelijk tentoongesteld in het kader van de tentoonstelling over Joep Nicolas in het Cuypershuis die tot begin januari 2015 loopt.

[12]   Molenaar, Asselt (1923-1924), z.p. (volgen na p. 7).

[13]   Geciteerd naar www.willibrordbijbel.nl, zoektermen: weg, waarheid, leven (Johannes 14: 6).

[14]   Geciteerd naar www.willibrordbijbel.nl, zoektermen: weg, smal (Mattheus 7: 13-14).

[15]   verwijzingen (omissie in De genade van de steiger. Bedoeld is een verwijzing naar de volgende noot).

[16]   Zie het slot van paragraaf 6.2.6 De pelgrim voorbij: Willem van Konijnenburg en Joan Collette, en 6.4 Anton Molkenboer. Algemeen: Timmers, Symboliek en iconographie, pp. 694-697.

[17]   Nicolas, Ontwerp van de cryptebeschildering, p. 1.

[18]   Voor Hugo zie http://fr.wikisource.org/wiki/Les_Contemplations: ‘Demain, dès l’aube, à l’heure où blanchit la campagne’. Voor de tuinman en de dood zie het betreffende lemma op Wikipedia.

[19]   Molenaar, Asselt (1923-1924), p. 6. Plasschaert, Muurschilderingen, p. 46.

[20]   Het hier vermelde citaat is afkomstig uit de eerste druk uit 1919, integraal opgenomen op http://nl.wikisource.org/wiki/Herfsttij_der_Middeleeuwen, hoofdstuk V, Het beeld van den dood, zoekterm: macabre.

[21]   KB krantenbank, zoektermen: Melencolia (Nieuwe Rotterdamsche Courant 21-10-1923).

[22]   DBNL, zoekterm Melencolia, zoekgebied 1900-1940.

[23]   Derkinderen, Kunst- en ambachtsonderwijs (1902), p. 392. Tibbe, Roland Holst, pp. 30-31: van de betreffende publicatie zag Derkinderen uiteindelijk af. Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 229-234; 245-246.

[24]  Vertaling door Rita Duponcheel:

Jij, de elleboog op de knie, de kin in de hand,
Droom je treurig over het droeve lot van de mens:
Dat het leven wel bitter is zo kort als het duurt,
Dat de wetenschap ijdel is en de kunst een hersenschim,
Dat Christus aan de spons heel wat gal heeft laten zitten,
En dat het niet allemaal bloemen zijn langs de weg naar de hemel
[…]
Meubilair als van Faust, vol dingen zonder naam;
Toch gaat het om een engel, en niet om een demon.
De grote bos met sleutels die hangt aan zijn ceintuur,
Dient hem bij het doorgronden van de geheimen der natuur.
Hij raakte aan de grens van alle menselijke kennis;
Maar omdat hij telkens weer, aan het einde van iedere weg,
Dezelfde ogen ontmoette die schitterden in het duister,
Daar hij de ladder beklom met treden zonder tal
is hij triest; […]

Voor de volledige tekst zie: http://fr.wikisource.org/wiki/Melancholia_%28Gautier%29. Zie voorts Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 246: ook het beeld Bezieling in de topgevel van het Rijksmuseum is op dit prototype gebaseerd, zij het positief omgemunt.

[25]   Nicolas, Ontwerp van de cryptebeschildering, p. 3.

[26]   DBNL, zoektermen: Boutens, Goede dood: het gedicht verscheen in de bundel Stemmen uit 1907.

[27]   Nicolas, Ontwerp van de cryptebeschildering, p. 3. Claire Nicolas White, Joep Nicolas, p. 19, citeert een ongedateerde en onverzonden brief aan Godfried Bomans, die Nicolas in 1956 voor de Volkskrant interviewde.

[28]   Zie het veertiende lied van de Carmina Burana onder deze link op Evernote: ‘we maken ons geen zorgen dat we stof zijn’; ‘hier vreest niemand de dood’. | Opnemen bij de errata!

[29]   Zie: http://ingeb.org/Lieder/meumestp.html. Uit het materiaal op de site van de DBNL blijkt dat vanaf 1920 wetenschappelijke artikelen verschenen over de ‘Goliardi’ en ‘clerici vagantes’ (op te sporen via de zoekmachine van site).

[30]   Nicolas, Ontwerp van de cryptebeschildering, p. 3.

[31]   Nicolas, Religieuse kunst van dezen tijd (1932), p. 94.

[32]   Nicolas, Ontwerp van de cryptebeschildering, p. 4.

[33]   Zie de analyse in paragraaf 6.2.5 De pelgrim (1921), van Toorop. Voor Damen zie paragraaf 5.7.2 De Beuroner stijlindicator, en voor Eyck 5.9 Op Beuroner wieken: Charles Eyck. Behalve Christoffel tegen de onvoorziene dood, zijn er naast Jozef ook nog Vincentius en Barbara, terwijl ook Maria ‘in het uur van de dood’ om bijstand wordt gesmeekt in het Wees gegroet, dat dagelijks gebeden werd.

[34]   Plasschaert, Muurschilderingen, p. 46.

[35]   Nicolas, Ontwerp van de cryptebeschildering, p. 4.

[36]   Claire Nicolas White, Joep Nicolas, p. 28.

[37]   Nicolas, Ontwerp van de cryptebeschildering, p. 6.

[38]   Nieuwbarn, Kerkgebouw, p. 92. Timmers, Symboliek en iconographie, pp. 718-719 (orante).

[39]   Nieuwbarn, Kerkgebouw, p. 83. Zie paragraaf 6.4.2 De Antonius Abtkerk in Scheveningen (1925-1928).

[40]   NHA, Archief Rijksacademie, inventarisnummer 269: ongedateerd typoscript van een artikel over de eerste voorbeelden van de moderne mozaïekkunst in Nederland.

[41]   Van der Meer, Nicolas (1925), pp. 172-173; p. 175.

[42]   Claire Nicolas White, Joep Nicolas, p. 29.

[43]   Engelman, Schilderkunst I (1925), p. 264, noot 1: ‘Behalve Van Wijngaerdt o.a. te noemen Sluyters, Colnot, Gestel, Schelfhout, Schuhmacher, Matthieu Wiegman, Piet Wiegman, Van Rees, Nicolas, Leyden, Charley Toorop’. Zie voorts voor Engelman paragraaf 4.5.2 Een ‘plastisch en poëtisch esperanto’.

[44]   Zie paragraaf 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer. Voorts KB krantenbank, zoektermen: Matthieu Wiegman expressionisme (Algemeen Handelsblad, 1926). Over kleurtranspositie vergelijk onder meer http://www.openbaarkunstbezit.be/OKV-artikel/albert-saverijs-winter-vlaanderen?page=show, met betrekking tot het Vlaams expressionisme.

[45]   Plasschaert, Muurschilderingen, pp. 45-46.

[46]   Max Dvořák, ‘Pieter Bruegel der Ältere’, in: idem, Kunstgeschichte als Geistesgeschichte, München Piper, 1928. (1e editie 1924), pp. 219-257. Met dank aan Paul van den Akker die me op de rol van Dvořák wees naar aanleiding naar zijn onderzoek over het maniërisme: Van den Akker, Looking for Lines, pp. 98-100; 386.

[47]   Plasschaert, Muurschilderingen, p. 45.

[48]   Zie paragraaf 2.3.5. Roland Holst aan het roer. Voorts Roland Holst NRC 1926 (21 oktober) in NHA, archief Rijksacademie, inv.nr. 463 Krantenknipsels.

[49]   Claire Nicolas White, Joep Nicolas, p. 29. Eliëns, ‘Limburgse glasschilderkunst’, pp. 146-147, afb. 183A-D.

[50]   Vergelijk Bisanz-Prakken, Toorop / Klimt, pp. 191, 219. Nicolas, Kroniek (1939), p. 218. voor de invloed van Klimt zie hierna ook paragraaf 7.11.3 Jaap Mes (1892-1983).

[51]   Nicolas, Wij Glazeniers, pp. 90-91. Miek Janssen, Toorop deel XII (1932), p. 397.

[52]   Zie http://ocmw.antwerpen.be, zoekterm Jacob Jordaens.

[53]   Claire Nicolas White, Joep Nicolas, p. 34. De datering 1926 danken we aan KB krantenbank, zoektermen: Nicolas, Derkinderen, Bazel (Algemeen Handelsblad 27-05-1926).

[54]   Nicolas, Wij glazeniers, pp. 68-69 (Nicolas noemt alleen de zestiende-eeuwse glazen, hoewel er ook uit de zeventiende eeuw dateren). Zie voorts paragraaf 2.3.3 De collegestof van Derkinderen en 4.5.4 Tussen joie de vivre en devotie (Van Gelder).

[55]   Vergelijk ‘Sapientia en Stultitia’ in de serie Deugden en ondeugden van ontwerper Willem van Haecht en graficus Hieronimus Wierix uit 1579 (Museum Boijmans Van Beuningen), te vinden op de site van het Geheugen van Nederland. Algemeen, zie Levi e.a., Tot lering en vermaak, passim.

[56]   Claire Nicolas White, Joep Nicolas, pp. 64-65.

[57]   Hubar, Arbeid en Bezieling, passim.

[58]   Claire Nicolas White, Joep Nicolas, p. 39.

[59]   Zie de site van het RKD, zoekterm: Nicolas, Joep: afbeeldingnummer 000092493: kunstwerknummer 61882.

[60]   Voor het Maartensraam, waarmee Nicolas 1925 op de Exposition lntemationale des Arts Decoratifs et Industriels Modernes in Parijs zowel een gouden medaille won als de Grand Prix des Maitres Verriers de France, zie paragraaf 4.2 Albert Plasschaert.

[61]   Nicolas, Religieuse kunst van dezen tijd (1932), pp. 91-94, 105-108. Een steekproef aan de hand van het oeuvre in Limburg bevestigt dit beeld. Vergelijk: www.Kerkgebouwen-in-limburg.nl.

[62]   Van der Meer, Joep Nicolas (1929), p. 198.

[63]   Voor de datering zie Ars scara, p. 91, afb. 162, Nicolas, Religieuse kunst van dezen tijd (1932), pp. 105-108, en het monumentenregister. Voorts Claire Nicolas White, Joep Nicolas, p. 53.

Beeldmateriaal

* Wat betreft het beeldmateriaal en andere verwijzingen via de asterisk * in dit item, het volgende:

  • Voor meer informatie over de Stichting Restauratie Atelier Limburg (SRAL) zie deze link.
  • De foto’s zonder nummering komen in het boek níet voor.
  • Alle foto’s van de crypte van de Dionysiuskerk te Asselt zijn afkomstig van de beeldbank van de RCE en van de hand van Sjaan van der Jagt van Pixelpolder (2012-2013).
  • Ook de verkorte titels hieronder verwijzen naar de bibliografie van het boek dat rechtstreeks besteld kan worden bij de Walburg Pers.
  • Het vignet met het zelfportret van Joep Nicolas is afkomstig uit De Gemeenschap, jaargang 30.
  • De foto van Morte fortior is afkomstig uit Elsevier’s geïllustreerd maandschrift, 1925
  • De dodendans van Guyot Marchant is ontleend aan de editie van Huizinga’s Herfsttij der middeleeuwen op dbnl.org.
  • Melencolia I komt van Wikimedia Commons.
  • Voor de herkomst van de citaten in de bijschriften van afb. 322, 327, 328 en 330 zie Nicolas, Ontwerp van de cryptebeschildering, pp. 2, 4, 5.
  • Voor de herkomst van het citaat in het bijschrift van afb. 329 zie Plasschaert, Muurschildering, p. 46.
  • De omslag van het boek van Joep Nicolas, Wij glazeniers, komt uit de eigen collectie van de auteur. Het citaat is te vinden op p. 12.

← Terug naar De genade van de steiger! | Verder naar Joep Nicolas tussen de glazen

BewarenBewaren

Fragmenten

 

Register op namen

‘De genade van de steiger’ kan rechtstreeks besteld worden bij de Walburg Pers.1

A

  • Abel [Oude Testament], 212, 221-222, 326, 327, 447-449
  • Abraham [Oude Testament], 223, 447-448
  • Academie Minerva, Groningen 213
  • Academiegebouw Utrecht afb. 15, 42, 328, 406
  • Adam [Oude Testament], 10, 118, 138, 212, 218, 221-223, 285, 320, 362, 399, 434, 450, 451, 454, 455, 458, 512
  • Adams, Jean afb. 373, afb. 374, afb. 375, afb. 376, afb. 377, afb. 378, 12, 16, 21, 66, 71-72, 93, 152, 171, 388-389, 409, 413, 422, 430, 435-445, 451, 454-456, 463-466
  • Adelbertusabdij Egmond afb. 315, 383
  • Agatha, heilige, 183, 186, 207
  • Agathakerk Lisse afb. 79, afb. 124, afb. 130, afb. 132, afb. 134, afb. 139b, afb. 146, afb. 147, afb. 155, afb. 157f-g, afb. 158, afb. 159, afb. 163, afb. 397a, 117-118, 177, 183-187, 190, 196, 198, 204, 206-208, 212, 219, 267, 327, 467
  • Agnes van Montepulciano, heilige, 330-331
  • Agnes, heilige, 331, 408, 414, 435, 440-442
  • Agneskerk, Amsterdam afb. 319, afb. 390a, 244, 386, 407, 458-459; Den Haag, 317
  • Ahasverus, 295-296
  • Alberdingk Thijm, Joseph A. afb. 169b-c, 9, 36-37, 40-42, 44, 46-47, 50, 55, 58, 70, 73, 81, 110-111, 119, 121-122, 125, 128, 131, 144, 167, 174-176, 179-180, 182, 187-189, 201, 204, 206-207, 212-216, 221, 238, 255-256, 261, 267, 279, 284-285, 294, 301-304, 331, 372, 376, 384, 406, 436, 439, 444, 454-455, 466-467, 469, 472
  • Alberti, L.B., 50-51, 180, 470, 471
  • Albright–Knox Art Gallery te Buffalo, New York afb. 90, 128
  • Algemeen Handelsblad, 142, 155, 181, 254-255, 258, 260, 290, 294, 374, 401, 429
  • Algemene Katholieke Kunstenaarsvereniging, 324
  • Algemene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond [ANDB] Amsterdam afb. 83, afb. 219, 48, 51, 98, 122, 217, 271-272, 372
  • Allebé, August, 36
  • Alma, Peter, 62, 147
  • Aloysius van Gonzaga, heilige, 204, 275, 355
  • Aloysiuskerk Utrecht afb. 307b, 373
  • Ananias van Damascus [Nieuwe Testament], 246, 249
  • Andreas, apostel, 274, 278; -kruis, 439
  • Andriessen, Mari, 16, 337, 379
  • Antonieten, kloosterorde, 356
  • Antonius Abt, heremiet en heilige, 260, 330, 349-350, 355-356, 395, 398
  • Antonius Abtkerk Scheveningen afb. 280, afb. 281, afb. 282, afb. 283, afb. 284, afb. 285a-b, afb. 286a-b, 11, 329, 339, 341, 344-345, 348-350, 354, 356-357, 439, 475
  • Antonius en Lodewijkkerk Den Haag afb. 7, 30, 456
  • Antonius van Padua, heilige, 194, 204, 207, 236, 260, 310, 330, 404
  • Antoniuskerk van Paduakerk [Korvel] Tilburg afb. 4, afb. 189, afb. 267, afb. 268a-b, 244
  • Apollinaire, Guillaume, 424
  • Apollinare in Classe, Ravenna afb. 192, 244-245
  • Appel, Karel afb. 31b, 63
  • Aquino, Thomas van, 11, 131, 213-214, 307, 309, 332, 412
  • Arianen, 356
  • Ariens, priester Alphons, 302, 366
  • Arondéus, Willem, 35-36, 108
  • Arp, Hans, 424
  • Ars sacra afb. 40, afb. 257a-b, afb. 276a-b, afb. 300, afb. 308a-b, afb. 341, afb. 347b-c, 2, 29, 317-319, 323-324, 339, 366, 373, 377, 404, 406
  • Arti Amsterdam, kunstenaarsvereniging, 287
  • Asperslagh, Alex afb. 85, afb. 251, afb. 253a, afb. 254, 11, 124-125, 137-138, 311-314, 318, 321, 323-324, 327, 475
  • Asperslagh, Lou afb. 255a-d, afb. 263, 11, 19, 21, 124, 137, 273, 276, 311, 314-318, 323-324, 328-329, 338, 355, 409
  • Astarte, Fenicische moedergodin, 356, 395
  • Atlas, 278
  • Audsley, George Ahsdown, 7, 45, 49, 51-52, 54-55
  • Audsley, William, 7, 45, 49, 51-52, 54-55
  • Aurier, Albert, 8-9, 20, 58, 110-114, 117-118, 120-122, 125-127, 129, 135-136, 141, 210, 225, 237-238, 267, 269, 272, 284, 298, 305, 314, 338, 416, 422, 469

B

  • Baams, Anton, 212, 225-226
  • Bach, Franciscus H. afb. 164, afb. 165a-e, afb. 166, afb. 167, afb. 168, afb. 170, afb. 172, afb. 173a-c, afb. 174a-b, afb. 217, 10, 21, 34, 80, 93, 99, 177-178, 212-225, 228, 234-235, 238, 243, 251, 255, 262, 267-269, 273, 294, 326, 329-330, 332, 334, 343, 355, 372, 376, 391, 408, 426, 437, 449, 471
  • Barlach, Ernst, 380
  • Bartels, P.H., 75, 81
  • Bartholomeus, apostel, 278
  • Baudelaire, Charles, 108, 131, 145
  • Baudouin, Paul, 88
  • Bavo kathedrale basiliek Haarlem afb. 81, 10, 119, 206, 262-264, 266
  • Bazel, Karel de, 35, 37, 147, 280, 360, 372, 404, 470
  • Beerends, Jan, 386
  • Begijnhofkerk Amsterdam afb. 10, afb. 11, afb. 18, afb. 70, 34, 36, 47, 105
  • Bègue, Jehan Le, 50
  • Beiaard, De [Tijdschrift], 295
  • Bekkers, Jos., 374
  • Bellefroid, Edmond, 435
  • Bellini, 46
  • Bellot o.s.b., Dom, 358
  • Benedictus van Nursia, heilige, 212-214
  • Benoit Labre, heilige, 260
  • Berchmans, Johannes, 414
  • Bergen, pater, Raymond van, 29, 317-318
  • Berger, Ernst, 45, 49-51, 91-92, 102
  • Berlage, H.P., 36-37, 41, 48-49, 51, 57-58, 70, 72-73, 111, 147, 264, 271, 285, 313, 363
  • Bernadette Soubirous, heilige, 284, 286
  • Bernardus van Clairvaux, heilige, 212-214, 219, 330, 414
  • Bernini, Gian Lorenzo afb. 105, afb. 313c, 124, 149, 197, 381, 473
  • Bernulphusgilde, 29, 67, 115, 118, 121, 168-169, 206, 307
  • Bernulphushuis, Amsterdam, 385
  • Bernulphuskerk Oosterbeek afb. 20, afb.184a, afb. 233a-n, afb. 236a, afb. 238b, 49, 98, 101, 236, 289, 293
  • Bethlehem, klooster Nijmegen afb. 89, 129
  • Beukering, F.C., pastoor, 357
  • Beuroner kunstschool (Kunstschule), 28, 67, 259
  • Beurs van Berlage Amsterdam afb. 23, afb. 24, afb. 226, afb. 228, afb. 232, 35-37, 49, 55-58, 70, 112, 278-279, 281, 284-287, 298, 300, 302, 363, 372, 411, 420, 467, 470, 476
  • Beyart, zie broeders
  • Biënnale Venetië, 16, 63, 140, 436
  • Bijvoet, Han afb. 215, afb. 216a-b, 10, 263-267, 376, 379, 386, 388
  • Bingen, Hildegard van, 311
  • Blaauw, Sible de, 458
  • Blaue Reiter, 61, 113, 150, 401
  • Blavatsky, H.P., 360, 371-372
  • Bleijs, A.C., 30
  • Blom, Th., 68
  • Bloy, Léon, 130
  • Boendermaker, Piet afb. 353, 143, 415-416
  • Boers, Willy, 63
  • Bogtman, Willem [glas-in-lood atelier], 19, 54
  • Boijmans van Beuningen, museum Rotterdam afb. 239, 295
  • Boissevain, Barthold Hubert afb. 288, 358, 388
  • Bond van Nederlandsche Schilderpatroons, 76
  • Bonifatius, heilige Bonifacius, 343
  • Bons, Jan, 62
  • Bonsel, H.C., 67
  • Boom, A. van der, 58
  • Boonekamp, G., 68
  • Boosten, Alphons, 13, 159, 164, 174, 259, 409-411, 413-414, 446-451, 455-456
  • Bosboom, Johannes, 29, 42
  • Bosch, Hiëronymus, 179
  • Bosch, Jac. van den afb. 41, 72-73, 77, 147
  • Bosch, Jeroen, 393
  • Botticelli, Sandro afb. 313b, 381
  • Bourlier, E.G.S., 367
  • Boutens, P.C., 394, 396
  • Bouvy, D.P.R.A., 159, 161-162, 426
  • Brandt, Paul, 162-163, 381-384, 406, 412, 415, 417-418, 425
  • Braque, Georges, 130, 132, 424, 428
  • Breitner, G.H., 43, 46, 151-152, 313
  • Bremer, Rob, 183
  • Bremmer, H.P., 9, 109, 145-146, 148-149
  • Bressers, Leon, 44
  • Bröcker, Hermann, 30-31
  • Broeders, van de Beyart, – van Maastricht, – van de congregatie, 34, 94, 212-218, 221, 225
  • Brom, Gebroeders, edelsmeden, 349, 385, Leo -, 385 Jan Eloy -, Joanna -, 385
  • Brom, Gerard, 36, 167-168, 174-176, 181, 183, 206, 291-292, 385
  • Brueg(h)el, 114, 131, 401
  • Bruno van Keulen, 176
  • Buning, J.W.F. Werumeus, 389
  • Bus, Dirk afb. 248, 307
  • Buurman, R., 359-365, 367-368

C

  • Calixtuskerk Groenlo afb. 154, afb. 275, afb. 312, afb. 396, 203-204, 337, 381, 464
  • Callier, A.J., bisschop, 206-207, 263
  • Campendonk, Heinrich afb. 28, afb. 32, 7, 30, 35, 53, 60-65, 81, 108, 111, 113, 150, 162, 315, 338, 359, 372, 388, 401, 474, 475
  • Campendonkianen, 61-62
  • Canticum canticorum Salomonis (zie Hooglied), 414
  • Cantré, Jozef afb. 108a-b, 64, 137, 150, 152-153, 155, 337, 413
  • Capiau, Paul, 25
  • Caravaggio, M.M. da, 461
  • Carmontelle, Louis de, 241
  • Carolus Borromeus, heilige, 330-331
  • Catharijneconvent museum Utrecht afb. 77, afb. 235, afb. 241, afb. 243, 128, 273, 292, 299
  • Catharina, heilige, – van Alexandrië, 36, 209, 402, 411 – van Siena, 332, 334
  • Catharinakerk Den Bosch afb. 160, 10, 208-212
  • Cecilia, heilige, 285
  • Ceciliakerk Berkel-Enschot afb. 37a-b, 69, 71, 158, 226
  • Cenakelkerk Heilig Landstichting afb. 186, afb. 190, afb. 193, afb. 194, afb. 195, afb.196, afb. 197, afb. 198, afb. 199, afb. 200a-b, afb. 201a-b, afb. 202a-e, afb. 203a-c, afb. 397b, 10, 220, 240-254, 258, 303, 321, 437, 467, 474, 475
  • Cendrars, Blaise, 424
  • Cennini, Cennino, 49-51, 87, 477
  • Cézanne, Paul; Cezannisme afb. 99, 21, 64, 65, 107, 131, 140-141, 149-152, 165, 174, 179, 249, 380-381, 401, 421-422, 436, 461
  • Chabot, Henk, 153
  • Chagall, Marc afb. 338a-b, 389, 402, 403, 424
  • Chamael, engel, 214-215, 219-220, 450
  • Chavannes, Puvis de, 42, 107, 131, 155
  • Christoffel, heilige, 11, 95, 300, 304
  • Christus Koning, 10, 182, 194-199, 207, 220, 261, 264
  • Cillekens-Dreesens, Roermond, 385
  • Citroen, Paul, 63
  • Clara, heilige, 10, 184, 194, 199, 207, 310, 349
  • Cleevers, Pierre, 437
  • Clemens XII, paus, 180, 472
  • Clemens-Sels-Museum Neuss afb. 230, 285
  • Cobra, 62
  • Cocteau, Jean, 130, 132, 137, 140, 383, 392, 424, 426, 473
  • Collette, Joan afb. 5, afb. 148b, afb. 154, afb. 176, afb. 182, afb. 183, afb. 184a-b, afb. 250, afb. 261, afb. 262b, afb. 275, afb. 396a, 2, 10-11, 21-22, 25-26, 28-30, 42, 48, 53, 71, 93, 98-99, 102, 108, 113, 124, 127, 171, 178, 183, 199, 203-204, 226-227, 234-238, 251, 256, 258, 267, 269, 293, 298, 306-307, 310-312, 317-318, 321-324, 327-331, 337-338, 344, 355, 384, 386, 388, 391, 399, 431, 437, 456, 464, 471, 474, 475
  • Colnot, Arnout, 142
  • Concilie van Trente [1545-1563], 220, 331, 447, 472
  • Congregatie van O.L. Vrouwe Onbevlekt Ontvangen [Fratres immaculatae conceptionis], 214
  • Coppens, Piet, 434
  • Cornarokapel van Santa Maria della Vittoria Rome afb. 105, 149
  • Cornelius, heilige, 236, 246
  • Cramer, Rie, 44
  • Crane, Walter, 44, 263, 367
  • Cremer, Frans Gerhard, 50
  • Crispinus, heilige, 236, 331
  • Crouwel, Joop, 59
  • Cunibertus en Dionysiuskerk Wahlwiller, 337, 470
  • Cuypers & Co Kunstwerkplaatsen afb. 118, afb. 176, afb. 180, afb. 181a-c, afb. 182, afb. 183, afb.185a-b, 10, 22, 25-26, 28, 76, 93, 167, 226-231, 234-235, 237-238, 328, 385, 431
  • Cuypers, Eduard, 244, 329-331
  • Cuypers, Joseph Th.J. afb. 176, afb. 177, afb. 178, afb. 180, 10, 21, 25-26, 28, 30, 35-37, 42, 67, 69, 76-77, 113, 118-119, 127, 167, 178, 180-181, 183, 193, 201, 204, 206, 208, 220-221, 226-231, 234, 236-239, 241-243, 251, 256, 262-263, 267, 285, 310, 328-331, 337, 345, 348-350, 355-356, 381, 385, 416-420, 423, 427, 464, 469, 474, 475
  • Cuypers, Pierre J.H. [senior] afb. 178, 9, 21, 23, 25, 28-30, 34-37, 41-42, 48, 54-55, 57, 64, 69, 73-77, 79, 100, 117, 166-167-169, 175, 178-185, 188, 196, 201, 204, 210-211, 227-231, 236, 239, 241, 251, 269, 307, 325, 328, 331, 338-339, 342, 345, 348-350, 354, 356, 360, 363, 370, 372, 385, 390, 461, 469, 470
  • Cuypers, Pierre J.J.M. [junior], 28

D

  • Dalsum, Albert van, 435
  • Damen, Alphons afb. 179, 34, 166, 228-229, 238, 259, 267, 396
  • David [Oude Testament], 11, 100-101, 193, 212, 214-215, 223, 229, 256, 285, 300-304, 365, 367-368, 409-410, 414-415, 423
  • David, Gerard, 293
  • Dehio, Georg, 47
  • Delftse school, 15
  • Denis, Maurice, 131, 141, 147, 154, 161, 173, 272, 311, 329, 348
  • Derkinderen, Antoon, afb. 10, afb. 11, afb. 12, afb. 13, afb. 14, afb. 15, afb. 16, afb. 17, afb. 18, afb. 19, afb. 21, afb. 69a-b, afb. 70, afb. 111, afb. 212, afb. 213, afb. 340, afb. 367, 2, 7-8, 10, 12, 19-21, 25, 28-29, 31, 34-57, 62, 64, 66-73, 81-83, 87-94, 98-126, 138-139, , 153-157, 167, 173-188, 208, 217, 223, 238, 255-272, 279, 284, 305-307, 335-341, 358, 367, 372-273, 377, 381, 388, 391-393, 399, 403-411, 420, 427-430, 435-437, 443-445, 449, 456-461, 469-476, 512
  • Deumens, Guillaume, 34
  • Dickhaut, Monique, 19
  • Didron, A. N., 50, 83, 201, 377
  • Diederen, Hubert, 254
  • Diepenbrock, Alphons, 11, 36, 40, 130, 305, 328
  • Dietsche Warande, 44, 55
  • Dionysius de Areopagiet, 144, 163, 473
  • Dionysiuskerk Asselt afb. 1, afb. 25, afb. 27, afb. 322, afb. 324, afb. 326a-b, afb. 327, afb. 328, afb. 329, afb. 330, afb. 331, afb. 332, afb. 333, afb. 334, afb. 335, afb. 336, afb. 337, afb. 339, afb. 345, 16, 44, 58-60, 92, 390, 402, 512
  • Dionysiuskerk of Goirkese kerk Tilburg afb. 370, afb. 371, afb. 372, 431, 434
  • Divina Comedia, 260
  • Doerner, Max, -Instituut, 91
  • Doesburg, Theo van, 21, 65, 111, 154, 162, 332, 382, 384, 416, 421-422, 425-426, 430-431, 456, 464, 472-473
  • Dom Utrecht afb. 113a-b, 55, 160-161, 467
  • Dom, Siena afb. 313c, 381
  • Dominicanerkerk Zwolle, 309
  • Dominicuskerk Amsterdam afb. 177, afb. 178, 227-228-231, 263, 328
  • Dongen, Kees van, 424
  • Donner, O., 50
  • Doré, Gustave, 352
  • Douwes, W.F., 271-272
  • Doveninstituut Sint-Michielsgestel [toenmalig] afb. 58, afb. 67, afb. 392, afb. 393a-b, afb. 395, 94-95, 103, 165, 460-461, 463
  • Drents Museum Assen afb. 41, 72
  • Drie-eenheid, 10-11, 191-192, 195-196, 208, 216, 263, 276, 278, 285, 298, 310, 320-321, 329-330, 342-343, 356, 361, 367, 446
  • Driekoningenkerk te Neuss afb. 256, 317, 409
  • Duinkerken, Anton van, 386
  • Duinoordkerk Den Haag afb. 255b-c, 315-317
  • Dunselman, Jan afb. 79, afb. 124, afb. 129, afb. 130, afb. 131, afb. 133, afb. 134, afb. 135, afb. 136, afb. 137, afb. 138, afb. 139b, afb. 140a-b, afb. 141, afb. 146, afb. 147, afb. 152, afb. 155, afb. 158, afb. 159, afb. 397a, 9, 20-21, 29-30, 49, 72, 100, 117-118, 123, 166-169, 177-193, 196, 198, 202, 204, 207-210, 222, 228, 231, 236-239, 244, 259, 263, 266-267, 327, 355, 372, 382, 408, 415, 467, 469, 474, 475
  • Dunselman, Kees afb. 118, afb. 124, afb. 126, afb. 128, afb. 130,afb. 132, afb. 133, afb. 134, afb. 140c, afb. 143, afb. 144, afb. 147, afb. 151, afb. 153, afb. 155, afb. 156a-b, afb. 157a-g, afb. 158, afb. 163, afb. 352, afb. 397a, 9, 20-21, 29-30, 100, 117, 166, 171, 174, 177-187, 191, 193-212, 220, 222, 228, 231, 236, 239, 244, 267, 269, 294, 327, 329, 356, 372, 382, 386, 408, 415-417, 428, 467, 469, 474, 475, 512
  • Dürer, Albrecht afb. 325, 23, 42-43, 46, 179-180, 285, 296, 393-394, 470
  • Dusseldorfer Malerschule, 182
  • Dvořák, Max, 164, 297, 401
  • Dysney, 297

E

  • Eden, 455
  • Eerenbeemt, Herman van den, 131, 133
  • Egbertus, heilige, 212-214
  • Eibner, Alexander, 91
  • Elia [Oude Testament], 422, 461
  • Elias, 223
  • Elisabeth [zuster van Maria], heilige, 46, 138, 278, 442
  • Elisabeth van Hongarije (zie Elisabeth van Thüringen)
  • Elisabeth van Thüringen, heilige, 76-77, 236, 440-441
  • Elout-Drabbe, Mies, 288, 296, 384
  • Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift, 51, 58, 88, 108, 162, 362, 391
  • Emaus, abdij Praag afb. 142, 191-192, 263
  • Emmanuel, Emmanuël [Christus], 10, 212, 216-217, 223, 244, 414
  • Engelman, Jan, 9, 11, 14-20, 28, 40, 47, 55, 57, 62-66, 108-116, 122-177, 197, 225, 254, 257-260, 267, 271-272, 280, 292, 295, 312, 314, 320, 324, 326, 328, 338, 352-357, 372, 375-386, 400-403, 408-417, 423-429, 434, 436, 443-444, 456, 461, 463, 465, 466, 468, 469, 471, 473
  • Ensor, James, 295, , 393, 401
  • Erens, Emile, 177
  • Erens, Frans, 10, 293-294
  • Erftemeijer, Anton, 263
  • Eschauzier, F.A., 162
  • Escher, Maurits, 249, 281, 371
  • Esther, koningin [Oude Testament], 301-304, 311
  • Eva [Oude Testament], 10, 118, 138, 207, 212, 218, 221-223, 320, 399, 414, 434, 450, 454-455, 458, 512
  • Evers, Henri, 59
  • Experimentelen, De, 62
  • Eyck, Charles afb. 3b, afb. 63a-b, afb. 68b, afb. 110, afb. 111, afb. 204, afb. 206, afb. 207, afb. 208, afb. 209, afb. 210b, d-e, afb. 311, afb. 379, afb. 380, afb. 381, afb. 382, afb. 383, 9-10, 13, 16-21, 29, 34, 42-44, 63, 65-66, 81, 93, 98, 101-104, 137, 155-164, 171, 173, 177-178, 198, 251, 254-260, 266-267, 273, 296, 304, 320-321, 326-328, 332, 359, 366, 371, 379-380, 388-389, 393, 396, 399, 404, 408, 415, 417-418, 424-430, 435-439, 445-459, 464, 466, 473-474, 512
  • Eyck, P.N. van, dichter, 392
  • Eyckeler, Jean, 250
  • Ezechiël [Oude Testament], 211, 229, 237, 414

F

  • Faassen, Egbert, 19
  • Faassen, Sjoerd, 19
  • Fauconnier, Henri Le, 21, 142, 147, 152, 384, 389, 400, 409
  • Faust, 392, 394
  • Federle, Anton, 93, 266, 369
  • Fernbach, Franz, 91
  • Feuerstein, Martin von, 386
  • Fierens, Paul, 151-152, 382
  • Filarete, 51
  • Filarski, 142
  • Fischer, Hildegard, 385
  • Flaton, Peter, 213, 215-216
  • Fourna, Dionysius van, 50-51
  • Fra Angelico, 131-132, 264, 287, 443
  • Franciscus van Assisi, heilige, 10, 194, 199, 201, 260, 310, 313-314, 317-318, 330, 332, 386, 396-397, 440-441, 443
  • Franciscus van Assisikerk Heerlen afb. 63, 98
  • Franciscus Xavierus, heilige, 212-214
  • Franciscuskerk Steenwijksmoer afb. 39, 71
  • Frederik Barbarossa, keizer, 262
  • Freundlich, Otto, 424
  • Friedhoff, Gijsbert, 59, 358
  • Fuchs, Johann von, 92

G

  • Gabriël, engel, 10, 97, 164, 212, 214-215, 218-220, 223, 256, 320, 414, 512
  • Gamaliël, 246, 250
  • Gambier Parry, Thomas, 7, 48, 51-52, 103
  • Gauguin, Paul afb. 75, afb. 90, 55, 110, 112, 114, 117, 127-128, 140-141, 173, 272, 353, 366, 376, 421, 425, 459, 464, 470-471, 474, 476
  • Gautier, Théophile, 393-394
  • Geelen, Hendrik, 25
  • Geetere, George de, 90, 206
  • Geffen, Gerrit van, 93
  • Geffen, H van, 68
  • Gelder, J.G. van, 47, 163-164, 405
  • Gemeenschap, De, afb. 3a-b, afb. 102a-b, afb. 108a-b, 9, 18, 40, 43-44, 61, 65, 108, 110, 127, 129-133, 136, 144-145, 147, 149, 152-153, 155, 157, 163-165, 168, 171, 256, 259, 291, 310, 319, 321, 325, 337, 353, 355, 371, 373, 376, 382, 386, 389, 409, 424, 436, 440, 451, 456, 458, 463, 468, 470, 471
  • Gemeentelijken Geneeskundigen Dienst Amsterdam afb. 120, 172
  • Gemeentemuseum Den Haagafb. 248, afb. 253b, 142, 158, 307, 313, 465
  • Genadekapel Beuron afb. 80a-d, afb. 205, 118, 228, 245, 254-255
  • Geraedts, Wijnand afb. 78, 116-117, 123-124, 128, 133, 166, 169, 177, 229, 266, 373, 386, 388
  • Gerardus Majella, heilige, 193, 204
  • Gerardus Majellakerk Den Haag, 243
  • Gerardus Majellakerk Heksenberg Heerlen afb. 115, afb. 380, afb. 381, afb. 382, afb. 383, 159, 163, 407, 446, 448-449
  • Gerardus Majellakerk Tilburg afb. 187a-c, afb. 188, 10, 241-245, 248, 366, 474, 475
  • Gerbrands, Roelf afb. 71, 108
  • Géricault, Théodore, 46
  • Germaan, Germaans, Germaansch, 151, 159
  • Gerrits, Ger, 142
  • Gerrits, Piet afb. 186, afb. 187a-c, afb. 188, afb. 190, afb. 193, afb. 195, afb. 196, afb.197, afb. 199, afb. 200a-b, afb. 201a-b, afb 202a-e, afb. 203a-c, afb. 397b, 10, 21, 93, 116, 178, 220, 238-255, 258, 267, 269, 303, 321, 326, 329, 366, 383-384, 420, 437, 442, 458, 467, 474, 475
  • Gervasius, pater, 67, 70-71, 121, 124-125
  • Gestel, Leo, 63, 147, 151
  • Ghandi, M.K., 364-365
  • Gibhardt, E. van, 53
  • Gildeboek, 8, 18, 58, 67-68, 70, 80, 90, 108, 115-116, 121, 124-125-127, 129, 137, 147, 159, 165-166, 171, 177, 181, 190, 223, 236, 315, 318, 323, 328-329, 336, 340, 342, 386, 390, 439, 472
  • Giotto di Bondone, 42, 51, 88, 107, 131, 150, 157, 181-182, 287, 465
  • Goebbels, Matthias, 49, 102
  • Goethe, W.A. von, 131, 305
  • Gogh, Vincent van, afb. 107, 13, 108, 110, 127, 150-151, 273, 313, 381-382, 401, 443-445, 466, 470, 473
  • Goossens, Th., 67
  • Gourmont, Remy de, 305
  • Grand prix, 61
  • Granpré Molière, M.J., 118, 324
  • Greco, [Domenikos Theotokopoulos] El, 164, 322, 379, 425, 443, 445, 457, 460
  • Grégoire, Jan afb. 48, afb. 49a, afb. 50a-b, afb. 51, afb. 52, afb. 53, afb. 120, afb. 306, 8, 12, 20, 83-90, 93, 126, 137, 171-172, 312, 372, 386, 388, 393, 408-409, 413, 460
  • Gregorius de Grote, paus en heilige, 173
  • Gregorius de Wit, 126
  • Gris, Juan, 424, 428
  • Groenen, P.G., 290
  • Groenestein, Jan; 62
  • Groot, Giovanni de; 90
  • Grote, Karel de, 250
  • Gruyter, Jos. de; 109, 160, 356-357, 371, 418
  • Guichard, Edouard, 54

H

  • Haalen, Leo van, 355-356
  • Haas, Aad de; 114, 337, 436, 460, 470
  • Hadewych, 291
  • Hahn, Albert; 281
  • Hammacher, Bram, 35-37, 41, 44, 47-49, 52, 60, 102, 104, 109, 160, 429
  • Hamman [Oude Testament], 303
  • Haniël, engel, 450
  • Hanrath, J.W., 405, 413
  • Hardy, Joop, 62
  • Harzing, Wim, 337
  • Haterd, Lex van de, 18, 144
  • Hebreeuws, Oud–, 215-216, 343
  • Heemkerk, Jacoba van, 304
  • Heilig Hart, 10, 69, 183, 197-198, 206-207, 226-227, 228, 234, 239, 301-302, 305, 313-314, 343-344, 350, 352, 356, 372, 385, 409, 414, 423, 467
  • Heilig Landstichting, 10, 116, 240-241, 243-244, 247-253, 267, 437, 474, 475
  • Heilige familie, – gezin, 11, 228, 312-313, 319, 321, 334, 411
  • Heilige Land; 10, 187, 237, 239-241, 243-246, 262
  • Helman, Albert, 256
  • Helwegen, Piet, 48
  • Hemelse Jeruzalem; 11, 209, 211, 214, 221, 223, 276, 332, 335, 344, 363
  • Henckens, Frans; 72, 80
  • Hendricks, J.H, 159, 162
  • Hendrik, hertog van Brabant, 262
  • Hendriks, Berend, 62, 65
  • Henricus, 93, 294
  • Heraclius, 50-51
  • Herman Jozef, heilige, 330-331
  • Hermans, Augustijn afb. 45, afb. 266, afb. 267, afb. 268a-b, afb. 269, afb. 270, afb. 271, afb. 272, 8, 11, 21, 35, 48, 76-77, 171, 273, 312, 328-336, 338, 367, 371, 377, 382, 399, 409, 426, 475
  • Hermans, W.F., 63
  • Hermsen, Dorus, 20, 29, 168, 266,
  • Heukelum, G.W. van, 206, 466-467
  • Heyenbrock, Herman, 424
  • Hippolytuskerk Delft afb. 264, 325, 459
  • Hittorf, Jacques Ignace, 46
  • Hodler, 51
  • Hoek, Loek van afb. 4, 21-22
  • Homerus; 284-285
  • Honée, pastoor Giel, 447, 450
  • Honk, het [kunstenaarssociëteit], 389
  • Honnecourt, Villard de, 46
  • Hoofdpostkantoor op het Neude Utrecht afb. 22, 53
  • Hoogewerff, G.J., 348
  • Hoogveld, Carine, 19
  • Hoornaer, Joannes van, pater dominicaan [martelaar van Gorcum], 343
  • Hoosemans, pastoor, 201, 386, 389, 437
  • Hordijk, Gerard, 17
  • Horn, Jos ten afb. 370, afb. 371, afb. 372, 12, 29, 66, 162, 171, 320, 379, 388-389, 425, 431, 434-435, 456, 465, 475
  • Horn, Lex, 62
  • Hosea, voorheen Osee [Oude Testament], 237
  • Houthem Sint Gerlach afb. 54, 29, 90, 451
  • Hugo, Victor, 40, 392
  • Huizinga, Johan, 54, 292, 393, 396, 467
  • Huysmans, J.K., 305
  • Hynckes, Raoul, 16, 63, 142, 389, 400

I

  • Immanuel (zie Emmanuel)
  • Ingendael, pastoor, 84
  • Instituut Collectie Nederland [ICN], 19
  • Instituut voor Kerkelijke Kunst Bonifacius, Amsterdam, 385
  • Isidorus, heilige, 260
  • Israëls, Jozef, 43, 46

J

  • Jacob, Max, 424
  • Jacobs, Gerard, 80
  • Jacobskerk Den Bosch afb. 266, 76, 90, 206, 211, 328, 467
  • Jacobskerk Enschede, 385
  • Jacobus of Jakobus de meerdere, apostel; 245, 274, 278
  • Jacobus of Jakobus de mindere, apostel, 278
  • Jaffé, Hans, 61
  • Jan van Eyck Academie, 65, 71, 152, 176, 258, 434, 456, 462
  • Jansen, Gerhard afb. 273, afb. 274a-b, 11, 29, 44, 273, 328, 335-338, 475
  • Janssen, Miek, 275, 291-293, 296-297
  • Janssens, pastoor Bernhard, 451, 454-455
  • Jesaja of Isaias [Oude Testament], 219, 229, 244, 257, 293, 414
  • Jesse [Oude Testament], 219, 229, 257
  • Joannes de Deo, heilige, 334
  • Joannes de Deokapel, Westeinde Ziekenhuis, Den Haag afb. 45, afb. 269, afb. 270, afb. 271, afb. 272, afb. 273, afb. 274a-b, 11, 76-77, 329, 338, 367, 399
  • Job [Oude Testament], 300, 383
  • Johannes Baptiste la Salle, heilige, 212-214
  • Johannes de Doper, heilige, 198, 212, 214-215, 234, 236, 250-251, 278, 435, 440-442
  • Johannes, evangelist, 50, 188, 197, 203, 204, 209, 211-214, 217, 225, 235, 243-246, 276, 278-279, 288-289, 296-297, 307, 321, 323-324, 343, 363, 391, 396-398, 402-403, 414-415, 419-422, 427-428, 444, 448, 458, 463
  • Jonas [Oude Testament], 407-408
  • Jonas, Henri afb. 94, afb. 102a, afb. 116, afb. 210a, afb. 314, afb. 346, afb. 347a-c, afb. 348, afb. 349a-b, afb. 350, afb. 351a-b, afb. 384, 12, 18, 21, 28, 31, 34, 43-44, 81, 87, 137, 144-145, 147, 149-150, 152, 158-159, 161, 164-165, 171, 179, 259-260, 317, 320-321, 366, 371, 376-377, 379-380, 382-383, 388-389, 408-409-415, 417-419, 422, 424-425, 427, 430-431, 435-437, 439-440, 451, 454, 456, 464-466, 473
  • Jordaens ,Jacob, 155, 403
  • Jordens, J.G., 142
  • Josephus Calasanctius, heilige, 212-214
  • Jozef, heilige, 10, 174, 178, 194, 197-199, 204, 207, 212, 214-215, 228-230, 235, 253, 258, 268, 304, 312, 320-321, 334, 336-337, 349, 354-355, 396-398, 411, 425, 455
  • Jozef, onderkoning van Egypte [Oude Testament], 69, 189, 371
  • Jozefkerk Enschede afb 148b, 199, 323
  • Jozefkerk Nijmegen afb. 223a-e, afb. 344, 275, 406-407
  • Jozefkerk Noordwijkerhout afb. 129, 182, 208
  • Jozefkerk Zeist afb. 140b, 191
  • Jozefkerk Zwolle, 385
  • Jozefkerk, Broekhem-Valkenburg afb. 116, afb. 121, afb. 314, afb. 384, afb. 385a-b, 164, 174, 198, 382, 451, 455
  • Jozefkweekschool Zeist afb. 111, afb 311, 157-158, 380, 426, 445, 447
  • Judas Iscariot, apostel, 240, 243-244, 249, 278, 374, 384
  • Judas Thaddeus, apostel, 278, 458
  • Judith [Oude Testament], 411
  • Jung, Car, 324, 425l
  • Juvenaatskapel Maastricht afb. 164, afb. 165a-e, afb. 166, afb. 167, afb. 168, afb. 170, afb. 172, afb. 173a-c, afb. 175, 34, 80, 177, 212-219, 222-223, 225, 228, 262, 330-331, 334, 437, 512
  • JX; 10, 217

K

  • Kalf, Jan, 30, 181, 184, 188, 207
  • Kana, 12, 395, 419, 422, 461
  • Kandinsky, Wassily afb. 106, 64, 147, 150, 389, 401
  • Kapucijnen, 67, 70-71
  • Kasteel De Haar, kapel afb. 180, 10, 57, 228-231, 237
  • Kasteelkapel, Fleury-en-Bière, Frankrijk afb. 353, 415-416
  • Kathedrale koorschool, kapel Utrecht afb. 149, 199
  • Katholieke Leergangen, 7, 47, 65-67, 70, 121, 137, 145, 475
  • Keijzer, Matthijs de, 23, 87, 96-97
  • Keim, Adolph Willem, firma-, 52, 91-93, 101
  • Kepler, Johannes, 285
  • Kerkhof Barbara, kapel Utrecht afb. 379, 426, 445
  • Kerkhof, Joannes a Cruce, 298, 314
  • Keyser [of Keijser], Hendrik de (Architectura Moderna), 46
  • Keyzer, Nicaise de, 179, 239
  • Kikkert, Conrad, 424
  • Kinseher, Kathrin, 92
  • Klee, Paul, 389, 401
  • Kleykamp Den Haag, kunstzaal, 142, 287, 401
  • Klimt, Gustav, 402, 461, 463
  • Klinkenberg, René, 390, 394, 467
  • Knuttel, Daniel, 59
  • Koch, Matthias, 391
  • Koch, Pyke, 16, 63, 107
  • Kocken, Henricus [Hein] afb. 238a, 294-295, 334
  • Koepelkerk Maastricht afb. 94, afb. 346, afb. 347a-c, afb. 348, afb. 350, afb. 351a-b, 12, 137, 158-159, 259, 320, 389, 409-415, 417-418
  • Koldeweij, B.J., 337
  • Konijnenburg, Willem van afb. 76, afb. 246, afb. 248, afb. 249, 11, 19, 42, 108-109, 113, 115, 117, 145, 150-151, 273, 298, 306-307, 309-310, 317, 328, 353, 367, 474
  • Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen afb. 125, 179, 239
  • Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, 239, 470
  • Koninklijke Bibliotheek, 28-29, 59, 142
  • Koninklijke School voor Beeldende Kunsten, Den Bosch 67
  • Koninklijke Schouwburg Den Haag afb. 72, afb. 74a-b, 109, 111
  • Krebs, Paulus afb. 80c, afb. 205, 118, 202, 255
  • Kröller-Müller Museum Otterlo afb. 231a-b, afb. 242, afb. 244, 286, 298, 302
  • Kropholler, A.J., 37, 181, 313, 315, 319, 324, 337, 437
  • Kruiskapel benedictijner abdij Montecassino afb. 127a, 181
  • Kruiswegpark Heiloo afb. 139c, 190
  • Kruyder [of Kruider], Herman, 150-152, 154, 383
  • Kruysen, Jan afb. 64, 100
  • Kuijpers [of Kuypers], Johan; 29
  • Kuitenbrouwer, Louis (zie ook Albert Kuyle), 424
  • Kultuurkamer, Nederlandsche, 15-16, 63, 424, 437, 454, 458
  • Kuyle, Albert (zie ook Louis Kuitenbrouwer), 132, 337, 375, 386, 424

L

  • Laan, Dom Hans van der, 67
  • Laan, Jan van der, 66-67
  • Labergerie, Raphaël, 357
  • Laer, Jean van de, 48
  • Lambertuskerk Maastricht afb. 47, afb. 48, afb. 49b, afb. 50b, afb. 51, afb. 59, afb. 60a-b, afb. 61, afb. 62, afb. 65a-b, afb. 394, 8, 20, 83-89, 92-97, 100-101, 114, 165, 402-403, 455, 460-462, 465, 512
  • Lau, Thé afb. 55, afb. 312, 20, 66, 90-91, 99, 381, 463
  • Laudy, Eugène afb. 68a, afb. 384, afb. 385a-b, 13, 104, 389, 451, 454-456, 462, 465, 512
  • Laurentiuskerk Dongen afb. 5, afb. 176, afb. 181a-c, afb. 182, afb. 183, afb.184b, afb.185a-b, 10, 22, 25-26, 127, 220, 226-227, 230-231, 234-237, 322-323, 330
  • Lauweriks, Jean, 25
  • Lauweriks, Mathieu, 281, 285, 360, 372, 470
  • Lawrence, T.E. [Lawrence of Arabia], 239
  • Lazarus [Nieuwe Testament], 242-243
  • Lebeau, Chris afb. 278e, afb. 289, afb. 290, afb. 291, afb. 292a-c, afb. 293, afb. 294, afb. 295, afb. 296, afb. 297, afb. 298, afb. 299, afb. 301, afb. 302a-b, afb. 303a-c, afb. 304, afb. 305, 11, 19, 21, 139, 171, 179, 269, 273, 280, 312, 329, 338, 344-345, 359-372, 376-377, 391, 393, 395, 397, 399, 411, 424, 437, 470, 474, 512
  • Lebègue, Jehan, 51
  • Leck, Bart van der, 18, 111
  • Leerink, A.J., 63
  • Leerling, J.A., 64
  • Lenin, V.I., 364-365
  • Lenoir, Alexandre, 241
  • Lenz, Desiderius afb. 80a-d, afb. 127a-b, afb. 139a, afb. 142, afb. 205, afb. 214, afb. 278c, 21, 55, 67, 107, 117-118, 129, 174, 177, 181-182, 190-193, 204, 208, 210, 212, 219, 222, 227-228, 231, 236-238, 244, 251, 253, 255, 257-258, 261-264, 267-269, 271-276, 280, 284-286, 293-294, 298, 301, 325, 328, 330, 339-341, 344-345, 360, 364, 367, 372, 376-377, 411, 415, 417, 425-426, 449, 468-470
  • Leo XIII, paus, 234
  • Lessing, G.E., 180
  • Levensverzekeringsmaatschappij ‘De Algemeene’ Amsterdam afb. 19, 48
  • Levigne, Huub, 435
  • Leyden, Lucas van, 179
  • Leys, Henri afb. 125, 179, 186, 239
  • Lichtveld, Lou, 265
  • Lidwina van Schiedam, heilige [Luduina], 187, 207, 314, 327, 338, 344, 352, 397, 460
  • Lidwinakapel Maastricht afb. 57, 94
  • Lidwinakerk Schiedam, 121, 187
  • Liefland, W.B. van, 30
  • Limburger Koerier; 88, 142, 391
  • Limburgsch Dagblad, 84, 147
  • Limburgse school, 9, 19-20, 163, 465-466
  • Linse, Jan afb. 72, afb. 74a-b, 109, 111, 306
  • Lommen, Jos., 29
  • Loosjes-Terpstra, A.B., 19
  • Loots, Jan, 266
  • Looy, Jacobus van, 180
  • Looyenga, Arjen, 263
  • Lourijssen, Lambert, 266
  • Louwerse, Jan, 116, 118, 266
  • Lubbe, J.C.A van der, 460
  • Lucas, Lukas, evangelist, 211, 219, 258, 288, 289, 363
  • Lucifer, engel, 215
  • Lücker, Eugène, familie-, 48, 390
  • Ludgerus Kweekschool Hilversum afb. 308, afb. 309, 373-375, 394
  • Ludgeruskerk Balk afb. 389, afb. 391, 458-460
  • Lulofs, H.J., 393
  • Luns, Huib, 158, 168, 208, 266, 370, 399

M

  • Maas, Willem, 157, 159, 380, 426, 447, 459
  • Madonna, heilige, 12, 231, 274, 276, 280-281, 284, 286-287, 302, 328, 334, 344, 358, 411, 414, 419, 421, 435
  • Maleachi [Oude Testament], 229
  • Maloney, Jade, 52
  • Mammen, Jan afb. 390, 386, 458-459, 463
  • Mander, Karel van, 40, 43
  • Mandos, Kees afb. 189, 244
  • Marchant, Guyot afb. 323, 393
  • Marcus, evangelist, 211, 288-289, 362-363, 422
  • Margareta Maria Alacoque, heilige, 10, 197, 239-240, 245
  • Margry, Jos, 241
  • Maria Magdalena, heilige, 243, 297, 356-357, 373, 381, 398, 427-428, 448
  • Maria Middelares, heilige, 12, 200-201, 246, 257, 418-420, 422
  • Maria onbevlekt ontvangen, 10, 201, 221, 245, 284, 296, 430, 512
  • Maria Rosa Mystica,11, 281, 284, 356
  • Maria van Jessekerk te Delft, 196
  • Mariakerk Enschede afb. 218, afb. 390b, 268, 459
  • Mariakerk Stuttgart afb. 139a, afb. 214, 190-191, 222, 263, 469
  • Maris, Jacob, 43
  • Maris, Matthijs, 43
  • Maritain, Jacques, 9, 13, 20, 126, 130-144, 146-149, 152-155, 157, 161-168, 172-173, 179, 237-238, 253-254, 267, 272, 274, 280, 292, 309-311, 314, 318, 323-325, 340, 355, 357, 375-376, 379-380, 383, 392, 402-403, 408, 412, 416, 418, 421-423, 426, 428-429, 435-436, 439-440, 444, 451, 464, 466, 468-475,
  • Marius, Grada, 48, 52
  • Martelaren van Gorcum, 186, 191-193, 207, 331, 343-344
  • Marthakerk Den Haag afb. 8, afb. 251, afb. 254, afb. 263, afb. 265a-d, 30-31, 312-314, 324, 326-328, 426
  • Martin, J., 48
  • Martinus, heilige, 72, 94, 118
  • Martinuskerk Beegden afb. 40, 72, 437
  • Matisse, Henri, 150, 381, 457
  • Mattheus, evangelist, 203-204, 209, 211, 251, 278, 288-289, 321, 362-363, 367, 391
  • Maurus, heilige, 181
  • Mauruskapel Beuron afb. 127b, 181
  • Mauve, Anton, 43, 49
  • Meer de Walcheren, Christine van der; 311
  • Meer de Walcheren, Pieter van der, 9, 28, 108, 110, 116, 122, 125, 127, 130-131-146, 152, 155, 163-167, 171-173, 180-181, 205, 225, 254, 267, 272, 274, 280, 298, 311-315, 318, 323, 372-376, 382-383, 386, 400, 409, 415-417, 420-424, 426, 428-429, 435, 443, 468, 471-473, 475
  • Meer, Frits van der, priester, hoogleraar, 17, 176, 407-408, 458, 463, 466-467
  • Meere, J.A.P., 75-76, 81
  • Meily, Jan, 72, 75, 184, 204
  • Melle [Oldenboerrigetr], 63
  • Memling, Hans; 195
  • Mengelberg, Friedrich Wilhelm, 180, 190
  • Mengelberg, Hans afb. 216, 264
  • Mengelberg, Willem afb. 126, 317, 328
  • Merinck, Albert afb. 342, 405
  • Merlet, Herluf van, 375, 386, 412-413, 429-430
  • Mes, François, benedictijner naam voor Jaap Mes (zie aldaar)
  • Mes, Jaap Afb. 47, afb. 56, afb. 57, afb. 58, afb. 59, afb. 60a-b, afb. 61, afb. 67, afb. 117a-b, afb. 392, afb. 393a-b, afb. 394, afb. 395, 8, 13, 20-21, 29, 43, 50, 66, 80, 83, 92, 94-97, 101, 103, 132, 141, 152, 161, 164-165, 171, 173, 321, 384, 388, 455-456, 460-466, 512
  • Mestrom, glas-in-lood atelier, 19, 437
  • Meuleman, Clemens afb. 49a, afb. 50a, afb. 88, afb. 92, afb. 259a, afb. 288, afb. 317, afb. 319, afb. 349b, afb. 357a, afb. 368, 12, 21, 28, 36, 85, 128, 134, 144, 158-159, 167, 324, 327-328, 337, 355, 358, 375, 379-381, 385-386, 388-389, 409, 413, 424, 429-431, 451, 456-458, 463, 466
  • Mey, Jacques van der, 66, 132, 137, 388, 451
  • Meyer, Sal, 63
  • Meysing, 67
  • Michael, engel, 10, 95, 138, 212, 214-215, 219-220, 223, 256, 259, 320, 372, 409, 414, 417-418, 449
  • Michelangelo; 2, 46, 100
  • Middelburgse Courant, 85
  • Min, Jaap afb. 29, afb. 33, 58, 61, 64-66, 355, 463
  • Minerva, 284-285
  • Moerkerken, Pieter van, 49-50, 340, 344
  • Molenaar, Nicolaas sr., 30-31, 312, 314, 324, 340-342, 345, 390
  • Molenaar, pater; 391
  • Molin, Willem afb. 26, 58-59
  • Molkenboer, Anton afb. 276a-b, afb. 277a-b, afb. 278a-b en d, afb. 279, afb. 280, afb. 281, afb. 282, afb. 283, afb. 284, afl. 285a-b, afb. 286a-b, afb. 287, 2, 11, 21, 99-100, 115, 118, 126, 167-168, 171, 179, 181, 269, 273, 312, 315, 324, 329, 338-361, 372-373, 376-377, 379, 384, 386, 388, 391, 395, 399, 407, 409, 413, 431, 439, 374-375
  • Molkenboer, Bernard H. o.p, dominicaan, 8, 68, 115-125, 128, 133-134, 166-167, 169, 174, 177, 182-183, 191, 206, 210, 253, 266-267, 287, 290, 293-298, 307, 309, 339, 373, 461, 472
  • Molkenboer, Theo, 115
  • Molkenboer, W.B.G., 36, 73-74, 115, 339
  • Moller, H.W.E., 121, 137, 145
  • Möller, rector J.B.W.M., 8, 67, 115-130, 134, 140, 168, 267, 272, 279, 286, 292, 314, 323, 325, 416, 472
  • Mondriaan; 65, 113, 126, 293, 304, 384, 424, 425-426
  • Monfortanen, 250
  • Mont Sainte Victoire, Frankrijk, 141, 401, 436
  • Montessori, Maria, 441
  • Moor, Chris de, 42, 63, 100, 328, 355
  • Moor, Pieter Cornelis de, 90
  • Moorsel, C.M. van, 319, 337
  • Mordechai [Oude Testament]; 303
  • Mottez, Victor; 88
  • Mozes [Oude Testament]; 212, 214-215, 217, 223, 415, 422, 458
  • Mozes en Aaronkerk Amsterdam, 30
  • Muche, Georg; 150
  • Muis, Ab afb. 30a, 62
  • Munch, Edvard; 150
  • Münchner Kunstausstellung 18, 93, 90
  • Museum aan het Vrijthof Maastricht afb. 9, 19, 512
  • Museum Cuypershuis Roermond 321, 390
  • Museum De Wieger Deurne afb. 101, afb. 109, afb. 114, afb. 316, afb. 362, 144, 153, 162, 384, 424, 512
  • Museum Valkhof Nijmegen afb. 240a, 297
  • Mussini, 50

N

  • Nabi(s), 55, 112, 117, 127-128, 131, 421, 425, 469, 476
  • Nazareners, 49, 182, 264
  • Nederlandsch Israëlitische Gemeente, 306
  • Nederlandsche Handel-Maatschappij Amsterdam, 35, 404, 406
  • Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst [kortweg de V.A.N.K.], 359, 361
  • Nicolaaskerk Amsterdam afb. 131, afb. 133, afb. 135, afb. 136, afb. 137, afb. 138, afb. 140a, afb. 141, afb. 152, afb. 157d-e, 9, 30, 179, 183-192, 198, 202-203, 206-208, 263
  • Nicolaaskerk Jutphaas afb. 17, afb. 367, 44, 119, 206, 337, 429, 466, 512
  • Nicolas en Zonen, glas-in-lood atelier, 19
  • Nicolas White, Claire, 19, 60, 385, 391, 393, 404-406
  • Nicolas, Edmond, 403, 450
  • Nicolas, Joep afb. 1, afb. 27, afb. 77, afb. 115, afb. 319, afb. 320, afb. 321, afb. 322, afb. 324, afb. 326a-b, afb. 327, afb. 328, afb. 329, afb. 330, afb. 331, afb. 332, afb. 333, afb. 334, afb. 335, afb. 336, afb. 337, afb. 339, afb. 340, afb. 341, afb. 343, afb. 344, afb. 345, 12, 16, 19-21, 28, 35, 42-44, 47, 52, 55, 57, 60-62, 81, 92-93, 108, 113-115, 129-130, 137, 142, 147, 149, 151, 153, 159-168, 171, 173, 179-180, 244, 258, 267, 273, 280, 312-315, 318, 321, 326, 328, 331, 336-337, 357, 379-425, 430, 435-437, 450-451, 456-457, 464, 466-467, 469, 512
  • Niehaus, Kasper, 51
  • Nieuw Amsterdam, stoomschip Holland Amerika Lijn, 328
  • Nieuwbarn, M.C. afb. 122, afb. 123a-f, afb. 145a-b, afb. 148a, afb. 169a, afb. 224, afb. 225, 9, 174-176, 181, 187-222, 255-256, 264, 267, 274-281, 285, 321, 330, 336, 343, 353, 365, 386, 399, 408, 442, 449, 458, 467, 472
  • Nieuwe Eeuw, De, 64, 130-131, 145, 155
  • Nieuwe Maas- en Roerbode, 93
  • Nieuwe Rotterdamsche Courant, 90, 93, 290, 293, 349, 359, 393
  • Nieuwe Tilburgsche Courant, 69, 243
  • Nijland, Dirk, 384
  • Nijs, Wim, 162, 388
  • Ninaber van Eyben, Toon afb. 257a-b, afb. 258, afb. 259b, afb. 260a-d, 11, 124, 137, 162, 312, 318-321, 326, 328, 332, 337-338, 355, 388, 409, 425-426, 430
  • Nolde, Emil, 380, 473
  • Nolet, Anthonij, 290, 297
  • Norden, Hans van, 61
  • Nys, Suzanne, 397, 398, 408

O

  • O.L. Vrouwe Hulp der Christenenkerk Nieuwenhagen-Landgraaf afb. 68a, 104, 454
  • O.L. Vrouwe ten Hemelopnemingkerk Beltrum afb. 174a-b, afb. 217, 198, 223-224, 268
  • O.L. Vrouwe ter Nood Heiloo afb. 64, afb. 215, afb. 216a-b, 100, 264-265
  • O.L. Vrouwe van Altijddurende Bijstand, Mariakapel Bilthoven afb. 117a-b, afb. 210c, afb. 357b, afb. 386, afb. 387, afb. 396b, 164, 457, 461, 464
  • O.L. Vrouwe van Goede Raadkerk Den Haag afb. 276a-b, afb. 277a-b, afb. 278a-b en d, afb. 279, 11, 118, 339-341, 345, 359-360, 384, 413, 475
  • O.L. Vrouwe van Lourdeskerk, Lourdesgrotkapel Den Haag afb. 258, afb. 259b, afb. 260a-d, afb. 261, 93, 319-322, 331
  • Obrechtkerk Amsterdam (zie Rozekranskerk, Rozenkranskerk of O.L. Vrouwe Rozekranskerk) afb. 93, afb. 100, afb. 118, afb. 128, afb. 140c, afb. 143, afb. 144, afb. 150, afb. 151, afb. 153, afb. 156a-b, afb. 157a-c, afb. 320, afb. 352, afb. 354, afb. 355, afb. 356, afb. 358, afb. 359, afb. 360a-b, afb. 361, afb. 364, afb. 365, afb. 366a-d, afb. 368, afb. 369, 9, 12, 30, 114, 135, 139, 143, 166, 175-185, 191, 193-208, 220, 235, 237, 244, 258-261, 267, 278, 328, 356, 382, 386, 389, 406, 415-416-431, 434, 437, 440, 447, 464, 466, 475, 512
  • Odo van Clugny (Cluny)
  • Odulphuskerk Bakhuizen afb. 2, afb. 388, 17, 458
  • Oever, Karel van den, 11, 291-294, 296-297, 329, 332
  • Ommegangen, tijdschrift, 40
  • Onze Eeuw, 393
  • Oosterman, Jan 139c, afb. 160, afb. 161, afb. 162, 8, 10, 29-30, 80, 99, 117-118, 121, 171, 178, 190-191, 208-212, 215, 238, 251, 263, 267, 343, 362, 427
  • Op Steiger, tijdschrift, 65
  • Openbaring, boek der (zie Apocalyps), 216, 276, 397
  • Opgang afb. 250, afb. 253a, 108-109, 121, 126-127, 130-131, 133, 136, 138, 143-144, 168, 171, 236, 271, 274, 298, 300, 307, 310, 313-315, 318, 323, 327, 342, 372-373, 379, 386, 391, 404, 406, 409, 424, 429, 436, 456, 458, 463, 472
  • Osee, tegenwoordig Hosea [Oude Testament], 237
  • Ossian, 285
  • Ostwald, Wilhelm, 75
  • Otto, Rudolf; 324
  • Oudkatholieke kerk Leiden 278e, afb. 290, afb. 291, afb. 292a-c, afb. 293, afb. 294, afb. 295, afb. 296, afb. 297, afb. 298, afb. 299, afb. 301, afb. 302a-b, afb. 303a-c, 11, 21, 273, 329, 344-345, 359-365, 367-369, 371, 376, 512
  • Overdonk, Huize, Dongen afb. 35, 68

P

  • Paaslam, 10, 194
  • Palestrina, 328
  • Pancratiuskerk Heerlen afb. 68b, 104
  • Papegaai Amsterdam (zie Petrus en Pauluskerk) afb. afb. 119, afb. 287, afb. 306, 89, 167, 357, 372
  • Parthenon, 45-46, 284
  • Paschalis van Baylonkerk Den Haag afb. 255a, 315-316
  • Paulus, heilige; 11, 13, 212-214, 246-247, 249-250, 255, 260, 276, 278, 285, 296, 303, 313-314, 364, 371, 437-440, 443, 467
  • Peeters, Jan, 62
  • Peeters, Kees; 127, 240
  • Pereira, Alfons von, 48, 102
  • Perey, Arnoldus, Emmanuel-, Firma-, Johannes-, Lambertus-, 8, 34, 77-80, 166-167
  • Permeke, Constant, 151, 153, 155, 383, 409
  • Peters, C.H., 59
  • Petrus Cassianus, heilige, 212-214, 343
  • Petrus Donders, redemptorist, heilige, 343-344
  • Petrus en Pauluskerk Amsterdam (zie Papegaai) afb. 119, afb. 287, afb. 306, 89, 375
  • Petrus en Pauluskerk Bergen aan Zee afb. 29, afb. 33, afb. 53, afb. 255d, 58, 61, 65, 315-317
  • Petrus Stoel van Antiochiëkerk Uden afb. 161, afb. 162, 10, 210-211
  • Petrus, apostel en eerste paus, 10, 174, 175, 186-187, 194, 198-199, 203-204, 220, 245-246, 248-249, 256, 260, 278, 321, 323, 336, 398, 439, 512
  • Pettenkofer, Max von, 50-51, 91
  • Phaedrus; 304
  • Philippus, apostel, 278
  • Picasso, Pablo,, 64, 130, 132, 140, 150, 384, 408, 418, 424, 426, 428, 444, 473
  • Pieck, Nicolaas, pater franciscaan [martelaar van Gorcum], 343
  • Pinckers, Jean, rector Dyonisiuskerk Asselt, 390-391, 397
  • Pino, Paolo, 51
  • Pius X, paus, 66, 176, 441
  • Pius XI, paus, 380
  • Placidus, heilige; 181
  • Plasschaert, Albert, kunstcriticus, 8, 35-36, 42, 58, 60, 107-121, 127, 138-140, 143, 145, 148, 154, 163-164, 166, 210, 225, 237, 267, 274-276, 284, 287, 306-307, 314-315, 318, 335, 338, 353, 371-372, 382, 391, 396, 400-402, 416-418, 420, 431, 469, 474, 475
  • Plinius, 51
  • Ploeg, De, 231
  • Poels, priester H.A., 366, 422-423
  • Polak, Bettina, 19, 108, 273, 367, 372
  • Pollones, J.A., 162
  • Polman, Mariël, 19-20, 23, 41, 45, 75, 79
  • Pop, meesterschilder, 34, 75
  • Porceleynen Fles, Delft, 264
  • Pouls, Jos, 19, 431
  • Poussin, Nicolas afb. 98, 138, 140-141, 146, 172-174, 179-180, 253, 268, 298, 340, 408, 422, 469, 473
  • Prado Madrid afb. 237, 294
  • Prisma der Kunsten, vakblad, 62
  • Prix de Rome, 9, 30, 69, 178-180, 255
  • Prometheus, 284, 302
  • Puyvelde, Leo van, 291

Q

  • Quellinusschool, Amsterdam, 73, 360, 372

R

  • R.K. Kunstenaarsvereeniging, Den Haag, 67, 307
  • R.K. Militaire Vereenigingkapel Tilburg afb. 38a-b, 70
  • Raaijmakers, pater Ch., 296-297
  • Randag, Humbert afb. 34, 66-67, 71
  • Ravesteyn, Sybold van afb. 3a, afb. 101, 18, 144, 162
  • Realist, De, tijdschrift, 65
  • Realisten, De, 62-63
  • Reclair, Frans; 48
  • Redon, Odilon; 147, 323
  • Rees, Otto van afb. 114, afb. 259a, afb. 357a, afb. 362, afb. 363a-b, afb. 364, afb. 365, afb. 366a-d, afb. 368, afb. 369, afb. 396b, 12, 16-17, 19, 21, 44, 65, 113, 130-132, 137, 139-140, 145, 147, 149, 153, 159, 162, 171, 273, 312, 320-321, 326, 328, 332, 337, 355, 379-380, 382, 384, 388-389, 403, 415, 418-420, 423-431, 434-435, 437, 443-445, 456-458, 463-466, 473-475
  • Regout, Petrus [Aardewerkfabrieken Sphinx] Maastricht, 73
  • Religiöse Kunst der Gegenwart Folkwang-Museum, Essen, 324, 379, 470
  • Remmen, Herman van afb. 263, 124, 324, 326, 338
  • Residentiebode [krant], 331
  • Riegl, Alois, 10, 21, 154, 222, 235, 238, 244, 246, 269, 297, 314, 317, 322, 326, 329-330, 338, 353, 361, 371, 377, 425-426, 471, 473
  • Rietveld, Gerrit afb. 102b, 18, 144-145, 458
  • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed [RCE] Amersfoort afb. 247, 16, 19, 22-23, 87, 97, 118, 306, 512
  • Rijksmuseum Amsterdam afb. 66a-c, 23, 35-36, 41, 45, 48, 59, 62, 73, 100, 102, 166, 179, 241, 279, 341, 360, 406, 466, 470
  • Rijksschool voor Kunstnijverheid, Amsterdam, -Haarlem, 73, 80, 372, 431
  • Rijnders, Mieke, 19, 145, 307
  • Ripa, Cesare, 406
  • Rodin, Auguste, 147
  • Roelofsz, Charles afb. 30a, 62-63
  • Roemi, 392
  • Roeping, tijdschrift, 137, 145, 391
  • Roermondsche School voor Nuttige en Beeldende Kunsten, 76
  • Roermondsche Typographen-Vereeniging, 76
  • Roland Holst, A., 389
  • Roland Holst, Henriette, 58, 130, 279
  • Roland Holst, R.N.; R. Holstiaansch afb. 22, afb. 23, afb. 24, afb. 83, afb. 113, afb. 219, 7, 12, 18, 28, 30, 35-36, 40-72, 81, 98, 101, 108, 110-117, 122-123, 126, 130, 137, 153, 158-162, 168, 173, 181-182, 217, 223, 226, 263-264, 271-273, 284-285, 325-326, 358, 367, 370, 373-376, 391, 402, 435, 437, 443, 467, 469-471, 474, 476
  • Rolduc, 49, 72, 102, 152, 409, 422, 435-437, 443, 451, 455, 463, 465
  • Rooi Hartenkapel Tilburg afb. 179, 10, 34, 228-229, 259
  • Rooijen, Henri van, 327, 379-380, 386, 403, 466
  • Roomsche Academie, 7, 65, 67
  • Roomse Haagse School, 11, 21, 61, 121, 124, 138-139, 158, 165, 168-169, 171, 174, 225, 236, 273, 298, 311-312, 318, 325, 329, 335-337, 375-377, 388, 409, 471, 473
  • Roon, Marike van, 363
  • Roos, De, 61
  • Roos, S.H. de, 340
  • Rooy, van, pastoor, 343
  • Rotterdamse Courant, 88
  • Rotterdamse Kunstkring, 62
  • Rouault, Georges, 130, 141
  • Rovers, Anton, 17, 62
  • Rubens, P.P., 196, 461
  • Ruskin, John, 465
  • Ruth [Oude Testament], 411
  • Rutten, Gerard afb. 262a, 124, 318, 323
  • Ruusbroec, Jan van, 70, 286, 305

S

  • Sacco, Nicola, 364
  • Sacramentskerk Den Haag afb. 257a-b, 319
  • Saenredam, Pieter, 29
  • Salem van Hosn, sjeik, 239-240
  • Salomon, 237, 392, 414-415
  • Samaritaan, 242-343
  • Sandberg, Willem, 62-65, , 445
  • Saphira, 246
  • Saraceen, 199, 207
  • Sarneel, Ko, 258, 436, 445
  • Saul, Saulus; 246-247, 250-251, 285, 303, 365, 367, 393, 467
  • Scheffer, Karl, 47
  • Schelfhout, Lodewijk afb. 220, afb. 253b, afb. 308, afb. 309, afb. 310, 12, 71, 108, 126, 137, 147, 271-272, 312-314, 318, 338, 361, 367, 373-375, 377, 384, 386, 388, 394, 424
  • Schendel, Annie van, 297
  • Schendel, Arthur van; 297
  • Schermer, Willem afb. 390a, 458-459, 463
  • Schilder, Klaas, 292
  • Schlotthauer, Joseph, 92
  • Schmincke, Hermann, 50
  • Schmitt, Pierre, 76
  • Schoonbrood, Henri [Harry, Harrie], 63, 162, 320, 388, 435, 451, 463
  • Schöpf, Johann Adam afb. 54, 90
  • Schreurs priester, Jacques, 390, 435
  • Schrieck, M. van der; 386
  • Schrimpf, Georg afb. 313d, 381, 417
  • Schumacher, Wim, 142
  • Schwitters, Kurt, 389
  • Scottish National Gallery Edinburgh afb. 75, 112
  • Semiet, 249
  • Sengers, Lode afb. 263, afb. 264, afb. 265a-d, 11, 312, 314, 320, 324-328, 337-338, 355, 357, 365, 373, 376, 388, 425-426, 430, 458-459
  • Serbrock, J.C., bouwpastoor, 193, 201
  • Servaas, Servatius, heilige, 168, 212-214, 343, 411, 439
  • Servaaskerk, Maastricht, 23, 34, 168, 175, 185, 206, 402
  • Servaes, Albert afb. 88, afb. 91, afb. 93, 9, 71, 110, 114, 128, 133-135, 144, 150, 153, 173, 269, 280, 292, 313, 317, 325, 329, 353, 357, 375, 384, 400, 416, 430, 470, 472-473
  • Servatiushuis, Nunhem, 435, 437, 440, 445
  • Servatiuskerk Nunhem afb. 373, afb. 374, afb. 375, afb. 376, afb. 377, afb. 378, 435, 438, 441-443
  • Sicking, Henri afb. 35, afb, 36, 7, 67-69, 71, 118, 266
  • Signaal, Het, 22, 147, 151-152, 400, 409
  • Sijben de Maroije, Edmond von, 80
  • Sijben de Maroije, Marcel von, 80
  • Simon [tovenaar] [Nieuwe Testament], 246
  • Simon de IJveraar, apostel, 278
  • Simon Petrus, 203
  • Simon van Cyrene [Nieuwe Testament], 191, 288, 290, 297, 302, 375, 459
  • Simon, Lambert afb. 112, afb. 149, afb. 317, afb. 386, afb. 387, 13, 17-18, 21, 29, 158-159, 161-162, 171, 199, 320-321, 379, 385, 388, 425, 456-458, 465
  • Sisyfus, 310
  • Six, Jan, 36, 44, 47
  • Sixtijnse kapel, 46, 100, 189
  • Sjollema, Joop, 62
  • Sluyters, Jan afb. 92, 16, 63, 65, 134, 135, 137, 142, 151-152, 173, 375, 389
  • Smeets, René afb. 40, afb. 121, 29, 44, 72, 81, 93, 162, 174, 259, 260, 320, 388, 435, 437, 451, 463
  • Smet, Gustave de, 147, 151, 155
  • Smets, pastoor, 239
  • Smit priester, Gabriel, 440, 442
  • Smit, G.A. pastoor Oudkatholieke kerk Leiden, 360, 362-363
  • Smits, Xavier, priester, 206, 467
  • Spectator, De, 63
  • Spengel, Oswald, 47
  • Speybrouck, Jos, 325-326
  • Sphinx, Maastricht, 258, 385
  • Spirito Sancto [Heilige Geest], 260
  • Sprenkels, Vic, 25
  • Staatscourant, 42
  • Stadhuis Amsterdam afb. 31b, 63, 359, 370
  • Stadhuis Breda afb. 343, 403, 405-407, 413
  • Stadhuis Brugge, 239
  • Stadhuis Den Bosch afb. 12, afb. 13, afb. 14, afb. 21, afb. 69a-b, afb. 111, afb. 212, 40, 50, 105, 179, 261-262
  • Stadhuis Deventer, 59, 358
  • Stadhuis Hilversum, 403
  • Stadhuis Rotterdam, 59, 306
  • Stauthamer, Cephas afb. 175, 212, 225-226
  • Stedelijk Museum Alkmaar afb. 95, afb. 96, afb. 97, afb. 103, afb. 104, 138-140, 147-148, 512
  • Stedelijk Museum Amsterdamafb. 30a-b, afb. 222, afb. 234, afb. 246, 62-63, 113-114, 142-143, 150, 274, 291, 306
  • Stedelijk Museum, Brugge afb. 236b, 293
  • Steffens, Lucie, 58
  • Steiner, Rudolf, 304
  • Stephanus [of Stefanus] heilige, 204, 230, 246
  • Stichting Restauratie Atelier Limburg [SRAL], 22, 84, 86-87, 94, 98, 102-105
  • Stijl, De, 15, 64, 113, 142, 154, 293, 382, 384, 416, 421, 426, 431, 456, 472
  • Stok, Henri van der; 60, 109
  • Stokvis, Willemijn, 19
  • Straet, van der, 46
  • Strawinsky, Igor, 130
  • Stuers, Victor de, 25, 29, 36-37, 41, 59, 69, 73-74, 115-116, 119, 179-180, 241, 339, 466, 469
  • Stummel, Friedrich, 185
  • Sturm, Der afb. 313d, 61, 150, 381
  • Sturm, Georg afb. 66a-c, 48, 100, 102, 179, 236, 339, 341
  • Stuyt, Jan afb. 194, afb. 198, 30, 37, 66, 80, 116, 167, 180-181, 193, 206, 208-209, 211, 227, 239-244, 247-252, 263, 265, 328, 386, 416-420, 423, 427, 467, 470
  • Sulpice, 133, 155, 168
  • Suys, priester Arnold, 116, 239, 240
  • Suys, T.F., 30, 239

T

  • T(h)eresia van Avila, heilige; 10, 124, 149, 194, 197, 236, 286, 325-326, 328, 332, 365, 473
  • T(h)eresia van Lisieux, –a.j.i. [ab Jesu Infante = van het kindje Jezus], kleine–, heilige, 319, 414
  • Te deum, 194, 205
  • Teeken en Ambachtschool, Roermond, 74-75, 307
  • Teekenschool voor Kunstambachten, Amsterdam, 73
  • Termote, Albert [Termooten], 337, 379
  • Thaddeus (zie Judas Thaddeus), apostel, 278, 458
  • Theophilus, 37, 50-51
  • Theresiakerk Maastricht afb. 52, 85, 87, 89
  • Thissen, Christof, 435
  • Thomas van Aquino, heilige, 11, 131, 213-214, 307, 309, 332, 412
  • Thomas van Kempen [a Kempis], 286, 292, 305
  • Thomas van Villenova, heilige, 339-340, 353
  • Thomas, apostel, 212, 278
  • Thomson, James, 393
  • Thorn Prikker, Johan afb. 256, 11, 21, 61, 77, 108-109, 113, 115, 117, 126, 151, 273, 312, 314-319, 328-329, 331-332, 334-336, 338-339, 341-342, 344, 353, 359, 372, 376-377, 388, 402, 409-411, 413, 418, 426, 437, 474
  • Tibbe, Lieske, 18
  • Tielens, George, 44, 176, 456
  • Tielraden, P. van, 30
  • Tiepolo, G., 196
  • Tijd, De, 29-30, 68, 95, 240, 287, 293, 298, 300, 303, 311, 349, 352, 354, 412, 429, 451
  • Tilburgse Leergangen, 7, 47, 65-67, 70, 121, 137, 145, 475
  • Timmers, J.J.M. [Zef], 9, 176, 196, 198, 206, 434, 451, 455-456, 462-463, 466-467
  • Tombergen, Daniel afb.342, 405
  • Tonnaer, J.H., 196
  • Toorop, Charley, 63, 142, 147, 151, 153, 389
  • Toorop, Jan afb. 20, afb. 81, afb. 82, afb. 84, afb. 86, afb. 89, afb. 184a, afb. 221, afb. 222, afb. 223a-e, afb. 224, afb. 225, afb. 226, afb. 227, afb. 228, afb. 229, afb. 230, afb. 231a-b, afb. 232, afb. 233a-n, afb. 234, afb. 235, afb. 236a, afb. 238b, afb. 239. Afb. 240a-c, afb. 241, afb. 242, afb. 243, afb. 244, afb. 245, afb. 252, afb. 300, 8, 11, 21-22, 25, 28, 36, 44, 49, 58, 71, 77, 98-99, 101, 107-130, 137-138, 147, 151, 169, 171, 173-177, 181, 195, 208, 217, 225, 236, 238, 244, 257, 264, 266, 269, 272-323, 326, 329, 331-338, 342-344, 352, 355, 360-367, 370-373, 376-377, 383-388, 391-393, 396, 402, 408, 411, 424, 426, 428, 456, 460, 469-474, 476, 512
  • Topografische namen staan in de rubriek topografica. Die namen ondergebracht die sterk gerelateerd zijn aan de iconografie, de kunsttheorie en de techniek staan in de begrippenlijst.
  • Tours, Gregorius van, 173, 469
  • Trautwein, A.H.,polychromeur, 30
  • Troost, Albert, 62
  • Trouwkamer der Eerste Klasse vroegere gemeentehuis, Amsterdam afb. 289, afb. 304, afb. 305, 359, 367, 369-371
  • Tweede Vaticaans Concilie [1962-1965] (Vaticanum II), 176, 197, 243-244, 253, 472

U

  • Una sancta [R.K. Kerk], 65-66, 71, 119-121, 133-134, 136, 144, 173, 176, 198, 203, 243, 268, 273, 280, 291, 298, 300, 311, 320, 324, 344, 357, 359, 361, 357, 377, 379, 380, 384, 396, 401, 460, 466, 470, 472, 474
  • Universiteitsgebouw Utrecht zie Academiegebouw afb. 15, 42, 328, 406
  • Urbanus, paus; 261

V

  • Vahânaschool, 360, 470
  • Van Abbemuseum Eindhoven afb. 106, 64, 150
  • Van Goghmuseum Amsterdam afb. 107, 151
  • Van Onzen Tijd, tijdschrift, 37, 168, 184, 266
  • Vanzetti, Bartolomeo, 364
  • Vasari, G., 50, 116, 117
  • Vaticaan [R.K. Kerk], 133, 348-358, 380, 403
  • Veghel, Leonardus van, pastoor [martelaar van Gorcum], 236, 327, 330, 331, 343
  • Verf en Kleur, vakblad, 76, 77
  • Verheyen, Jacgues, 29
  • Verhulst, Rombout, 46
  • Verkade, Eduard, 435
  • Verkade, Jan [Willibrord] afb. 80d, afb. 87, afb. 171, afb. 205, 9, 13, 36, 49, 53, 55, 57, 67, 69, 88, 98, 101-102, 112, 116-118, 127-129, 181, 217-218, 228, 240, 255, 262, 302, 373, 469, 470, 476
  • Verkuylen, Albert
  • Verschure, pastoor, 241
  • Verschuuren, Albert afb. 37a-b, afb. 38a-b, afb. 39, 7, 67, 69-71, 121, 124-125, 137, 158, 220, 226, 266, 272, 290, 373, 376
  • Verschuuren, Charles, 70
  • Versuchsanstalt für Maltechnik, 91
  • Verwey, Albert, 35, 47, 57, 147, 150, 291, 381
  • Verwilst, J., liturgist dominicaan, 269, 324-327, 357, 373, 472
  • Veth, Cornelis, 386
  • Veth, Jan, 36, 42-43, 57, 470
  • Via dolorosa, 240
  • Vigeliusprijs, 28, 390-391
  • Vincentius a Paolokerk Rumpen Brunssum afb. 110, afb. 204, afb. 206, afb. 207, afb. 208, afb. 209, afb. 210b en d, 156, 254-260, 512
  • Vincentiuskapel, Den Haag, 317
  • Violier De, kunstkring, 9, 28, 37, 167-169, 171, 174, 176, 180-183, 188, 191, 193, 201, 208, 227, 239, 255, 275, 329, 339, 468-469
  • Viollet-le-Duc, E.E., 7, 55-57, 64, 74-75, 115, 168, 182, 202, 204, 212, 230, 251, 256, 262, 269, 335, 344, 354, 370, 384, 461, 466, 469, 473
  • Visser, Leo; 60
  • Vitruvius, 50-51
  • Vlaamse Primitieven, 281, 284, 291-294, 296-298, 320, 461
  • Vliet, Nico van der, 239-240, 243
  • Vogel, C., 49, 51
  • Volk en Vaderland, NSB-blad, 65
  • Vondel, Joost van den, 13, 49, 443
  • Voragine, Jacob a, 198
  • Vos en van Straaten, firma de, 76
  • Vos, Charles, 379, 409, 451
  • Voskuil, Han, 15, 63
  • Voskuyl [Voskuil], Jeroen, 62-63
  • Vossenaar, pastoor A.C.H, 287, 294
  • Vredeman de Vries, Hans, 404, 406
  • Vriendt, Albrecht de, 239
  • Vrijman, J.A.W., 59
  • Vulcanus, 284

W

  • Wagner, Richard, 184, 471
  • Walburgis(?)kerk Tiel afb. 307a, 373
  • Walburgiskerk, Arnhem, 162
  • Walstra, Herman afb. 307a, 12, 373
  • Waterkamp, J.M.J., 175, 324-325, 377
  • Weber, Carl; 210-211
  • Weglau, J. afb. 126, 180
  • Weiss, Max afb. 319, 386
  • Weissenbruch, 43
  • Wenzel, Karl; 198
  • Werkhoven, Wil, 83
  • Westerwoudt, L.A.A.M., 263
  • Weyden, Rogier van der afb. 237, 220, 291, 293-294
  • Wichman, Erik, 115
  • Wichman, Johanna, 379
  • Wiegers, Jan, 142
  • Wiegersma, Hendrik afb. 109, afb. 316, 16, 18, 63, 130, 137, 145, 149, 151, 153-155, 158, 321, 337, 353, 379-380, 383-384, 388, 409, 413, 424-425, 430, 435, 464
  • Wiegman, Matthieu afb. 95, afb. 96, afb. 97, afb. 100, afb. 118, afb. 150, afb. 210c, afb. 315, afb. 352, afb. 353, afb. 354, afb. 355, afb. 356, afb. 357b, afb. 358, afb. 359, afb. 360a-b, afb. 361, 12-13, 16-17, 19, 21-22, 28, 34, 44, 51, 65, 81, 93, 109, 114-115, 126, 137-140-144, 147, 149, 151-152, 154, 157, 159, 166, 171-173, 179, 196-197, 200-201, 259-260, 267, 273, 311, 326, 332, 371, 380, 382-384, 388-389, 409, 413, 415-430, 434-437, 440, 443, 445, 454, 456, 458, 463-466, 473
  • Wiegman, Piet; 142, 153, 400
  • Wiegman, Tia, 19
  • Wiegmans, Willem afb. 307b, 12, 93, 373-374
  • Wielders, Jos., 409
  • Wiener Sezession, Wenen afb. 171, 217-218, 469
  • Wijnberg, Nico afb. 30b, afb. 31a, 62-64
  • Wijngaerdt, Piet van afb. 103, afb. 104, 129, 142, 147-150, 383, 400, 409
  • Wilde, Oscar, 145, 146
  • Wildschut, Daan, 81, 260
  • Wilfried, heilige, 343
  • Willebeek le Mair, Henriëtte afb. 25, 44, 48, 58-59, 98, 118, 390, 440-442
  • Willibrordus, heilige, 207, 213, 343, 422, 441
  • Willibrordusstichting, kapel Heiloo afb. 55, 91
  • Willink, Carel, 16, 63, 107, 389
  • Winckelmann, J.J., 140, 472
  • Windhausen, Fons afb. 390b, 459
  • Windhausen, Paul, 190, 435
  • Witsen, Willem, 46
  • Witteman, Nico afb. 312, 379, 381, 388
  • Woerdensch Weekblad, 89
  • Wölfflin, Heinrich, 154
  • Worm, Piet, 19, 21, 44, 162, 199, 418, 440, 442, 463
  • Worringer, Wilhelm, 47, 150, 154, 381, 406, 415, 425, 458
  • Wouters, Rik, 389

Y

  • Ydema, Jacob afb. 2, afb. 388, afb. 389, afb. 391, 13, 16-17, 21, 171, 381, 388, 456, 458-460, 463, 465

Z

  • Zacharia, heilige, 11, 306-307, 310
  • Zadkiël, engel, 450
  • Zadkine, Ossip, 130, 424
  • Zusters van de Sociëteit van Jezus Maria Jozef, kapel Nieuwkoop afb. 36, 68-69
  • Zusters van Liefde, -Nevers, -Tilburg, 330

  1. De foto’s betreffen van links naar rechts: Jos ten Horn in de Goirkese kerk te Tilburg, Jan Toorop in de Beurs van Berlage en Antoon Derkinderen in het stadhuis van Den Bosch. Ze kunnen gedownload worden via de beeldbank van de RCE en zijn gemaakt door Pixelpolder.

    < Terug naar De genade van de steiger

Register van begrippen

‘De genade van de steiger’ kan rechtstreeks besteld worden bij de Walburg Pers.1

A

  • aarde, 124, 138, 139, 143, 144, 155, 198, 199, 203, 205, 207, 209, 211, 214, 215, 219, 223, 234, 256, 278, 300, 320, 321, 330, 343, 361, 363, 383, 395-397, 401, 423, 428, 434, 439, 400, 447, 454, 455 groene -, 87, 476-477
  • Aartsengel (zie ook hiërarchie der engelen), 95, 214, 223, 256, 259, 414, 418, 419, 449, 450
  • abstract expressionisme, 62
  • abstract, 15-17, 62-64, 111-113, 117, 132, 140, 143-144, 150, 154, 173, 206, 293, 334, 371, 379, 383, 408, 416, 419, 445, 469, 471, 473, 474; abstracten, 63, 64, 112, 113 abstrahering (geabstraheerd, abstraherend), 15, 61, 236, 267, 331, 333, 461, 463, 471 abstractie, 17, 64, 112, 138, 146, 159, 174, 402, 425, 471
  • academie (academisch), 7, 9, 17, 19, 21, 25, 28-30, 34, 40-47, 49-50, 54, 57, 59, 60, 65, 67, 70, 72, 79-81, 87, 88, 111, 117, 118, 121, 135, 138, 140, 152, 178-183, 193, 205, 208, 227, 231, 238, 263, 290, 339, 398, 409, 418, 424, 455, 467, 470, 471, 473 Zie Antwerpen, Den Haag, Maastricht, Groningen en Tilburg
  • acht zaligsprekingen, 208, 209, 210, 317, 362
  • achtergrond [schilderkundig], 26, 34, 46, 59, 112, 157, 178, 189-191, 193, 194, 202, 203, 226-228, 230, 243-245, 250, 253, 256-257, 262, 275, 279, 281, 284, 286, 295, 302, 304, 307, 332, 335, 352, 374, 393, 397, 401, 403, 405, 407, 411, 414, 421, 423, 427, 434, 435, 439, 449, 454-455, 468, 469
  • adagium, 44, 131, 162, 147, 193, 28, 285, 436
  • adoratie (zie verering), 197, 312
  • afbladderen, afgebladderd 51, 98
  • affiche, afficheren, 15, 29, 57, 70, 217, 281
  • aflaat, 280, 472
  • aflegging, 12, 399, 402-403
  • afschilferen, 92, 103
  • agrariër (zie boer), 279
  • albe, 220
  • alfa (alpha) en omega, 159, 174, 212, 216-217, 246, 256, 355, 451, 454
  • alkali’bestendig, 87 –vast; 93 alkalisch, 99, 102
  • allegorie, 124, 250, 258, 291, 295, 300, 310, 311, 339, 364, 406, 411 allegorisch, 173, 207-208, 260, 284, 286, 291, 298, 311, 352, 355, 365, 406
  • allerheiligste, 68, 326, 465
  • altaar, 11, 93, 129, 134, 135, 162, 191, 192, 194, 196, 201, 207, 220, 223, 226-228, 234, 237, 238, 254, 259, 260, 268, 284, 291, 292, 313, 321, 324, 332, 334-337, 349, 353, 356, 360, 361, 363, 366, 369, 374, 404, 407, 422, 423, 431, 441, 448
  • ambacht, 8, 28, 37, 40, 41, 72, 73, 75, 167, 186, 336, 363; ambachtelijkheid, 73, 76, 148, 413, 436, 437, 439, 445, 466, 468, 471; ambachtsman, 7, 34, 40, 42, 73, 75, 131, 179, 260, 315, 370; –onderwijs, 7, 41-42; –school, 75, 76, 473
  • anachronisme, anachronistisch, 18, 107, 157, 172, 173, 182, 408, 471
  • analogie, 44, 114, 122, 153, 154, 188, 239, 302, 321, 439
  • analyse, 20, 21, 23, 36, 42, 44, 57, 64, 83, 95, 104, 105, 107, 109, 114, 141, 154, 158, 159, 166, 173, 174, 177, 178, 255, 273, 286, 287, 291, 292, 305, 313, 323, 329, 376, 384, 392, 400, 409, 415, 442, 450, 454, 460, 465, 471; analytisch, 64, 148, 426
  • anamorfose, 449
  • anarchisme, anarchist, anarchistisch, 291, 364, 365, 389, 423
  • anarcho–communist, 359, 364, 366
  • anekdote, anekdotisch, 157, 198, 250, 257, 406, 449
  • ankh, 360
  • annunciatie, 10, 94, 164, 198, 201, 214, 218, 219, 221, 250, 256, 257, 319, 320, 411, 442, 445, 461
  • antichrist, 359, 444
  • anticipatie (anticiperen), 48, 74, 154, 253
  • antifoon, 216, 305
  • antimodern, 17, 18, 37, 41, 66, 107, 144, 198, 269, 273, 284, 298, 357, 363, 377, 475
  • antitype, 157, 189, 207, 418, 422, 447, 454
  • antropomorfisch (anthropomorphisch), 177, 196, 250
  • antroposofie, 303, 304
  • Apocalyps, 26, 195, 196, 211, 215-219, 225, 235, 360, 414, 418, 422, 454
  • apocrief, 258, 336, 472
  • apollinisch endionysisch, 423, 425
  • apologie, 133, 403
  • apostel, 71, 83, 163, 178 188, 196, 199, 203-204, 213, 219-220, 223, 235-236, 243-250, 252-254, 258, 274-276, 278, 284-285, 291, 294, 302, 313, 315-316, 321, 323, 334, 342-344, 363, 370, 374, 394, 398, 402, 421, 434, 437-439, 464, 472; apostolaat, 213, 343
  • apotheose, 12, 94, 352, 368, 397, 401, 417, 423, 449, 462
  • après la lettre, 9, 54, 166, 179
  • apsis, 10, 30, 68, 155, 180, 193, 194, 197-203, 212-217, 221-237, 241, 245-247, 254-259, 329-330, 348-349, 354, 369, 407, 416, 431, 434, 442, 446-454, 469; –boog, 228; –mozaïek, 352, 355–muur, 217, 228, 330, 348; –raam, 195; –schildering, 157, 197, 434; –gewelf, 26, 149, 201, 218, 428
  • aquarel, 44, 295, 445, 466; aquarelleren, 53, 415, 417, 435, 476, 477; aquarelachtig, 255, 256
  • arbeider (werkman), 57, 198, 271, 279, 300, 302, 362-363, 411-412
  • arbeidersbeweging, 198, 279
  • arboraal, 341, 352-355
  • arcade, 202, 243, 246, 247, 249, 256, 257, 447, 457
  • archaïsch, archaïsme, archaïstische, 15, 55, 238, 253, 285, 286, 312, 322, 326
  • archangeli [aartsengelen] 214, 419
  • archeologisch (archaeologisch), 138, 177, 189, 472; archeoloog, 83, 158
  • archetypisch, 111, 287, 318, 367, 391, 396, 401, 408, 411
  • architectuurpolychromie, 95, 178, 181, 183, 269
  • ark des verbonds, 70, 196, 198, 215-217, 220, 330
  • arma Christi (lijdenswerktuigen, passiewerktuigen), 61
  • armenbijbel (zie ook biblia pauperum), 340,469
  • art deco, 68, 223, 225, 228, 230, 237, 268, 329, 339, 341, 373
  • art devant lequel on prie [de kunst waar men voor bidt], 164, 173, 314, 375, 384, 416, 440
  • art nouveau, 217, 225, 228, 339, 341, 444
  • arte blasfema [godslasterlijke kunst], 324, 357, 379, 409, 473
  • artiest, 18, 57, 145, 147, 292, 311, 314, 400, 473
  • artistiek, 8, 12, 15, 17-20, 25, 28, 34-36, 41, 43, 44, 54, 60-62, 70, 71, 80, 86, 100, 117, 124-127, 129, 130, 132, 136-139, 143-145, 147, 150, 154, 158, 164, 168, 169, 174, 178, 183, 190, 193, 201, 205, 217, 223, 238, 239, 241, 260, 272, 273, 287, 290, 292, 293, 298, 302, 307, 310, 338, 348, 357, 358, 373, 383, 385, 389, 405, 409, 424, 429, 431, 436, 440, 444, 445, 460, 461, 470, 472
  • ascese, 153, 291; ascetisch, 168, 177, 231, 236, 291, 312, 327, 362, 397
  • assemblage, 17, 367
  • assimilatie, 17, 21, 52, 121, 153, 178, 208, 227, 238, 263, 266-267, 317, 354, 377, 409; assimileren, 262, 338
  • astrologisch, 371
  • atavistisch, 402, 408
  • atelier, 10, 19, 28-30, 42-43, 48-49, 54, 59, 76, 88, 93, 100, 144, 168, 171, 183, 185, 190, 227-228, 238, 287, 311, 330-331, 339, 345, 348-349, 358, 385-386, 406, 427, 431, 437, 458, 474, 475
  • attribuut, 59, 76, 173, 178, 194, 196, 198, 207, 213-214, 217, 219-221, 278-281, 286, 301. 311, 321, 349, 352, 355, 393, 395, 398, 411, 439, 450, 471, 474
  • auctor intellectualis, 193
  • aureool, 217, 235, 286, 322, 349, 362, 375, 398, 417, 423, 435
  • autodidact, 17, 62, 153, 154
  • avant-garde, 15, 63, 130, 142, 389
  • Ave Maria [weesgegroet], 219

B

  • Babylon, hoer van, 418
  • Babylonische spraakverwarring, 150, 152, 450
  • baksteen, 51, 93, 99-100, 166, 211-212, 227, 230, 231, 334, 335, 238, 321, 434; –mozaïek, 62; –kleuren, 227
  • baldakijn, 47, 227-228, 264-265
  • balustrade, 227-228, 462
  • banderol, 159, 161, 229, 258, 320, 447, 450-451
  • barmhartigheid, 71, 221, 264, 266, 365, 442
  • barok, nieuwe, 12, 18, 158, 160, 162, 171, 311, 320, 327, 379, 380-381, 386, 389, 402-403, 406, 434, 445, 463-466, 468, 470-474
  • bederf, 52, 325, 337
  • bedevaart, 221, 240, 391
  • bedoeïenen, 239, 243, 249
  • beeld’denker, 413, 415, 431; –formule, 256, 461; –houwer, 28, 30, 43, 67, 69, 74, 137, 226, 324-325, 379, 396, 409, 425-426, 428, 468; –spraak, 12, 221, 226, 414, 422-423; –taal, 17, 113, 177, 193, 207, 225, 254, 266, 329, 376, 400, 406, 408; –verhaal, 175, 187, 251, 253
  • beeldende kunsten, 7, 34, 37, 44
  • beeldentaal, 340
  • begeerte, 132, 195, 278, 301, 355
  • beits, 71, 375
  • bekering, 21, 55, 62, 119, 127, 138, 179, 182, 238, 246-247, 249-250, 274, 286-287, 305, 389, 467; bekeerling, 9, 125, 130, 137, 250, 273, 373, 424, 449
  • belijder, 331, 398
  • Benedicite, 205-206, 237
  • benedictijnen (benedictijner), 20, 29, 49, 55, 66, 94, 118, 126-127, 132, 168, 176-177, 181, 191, 214, 240, 260, 263, 266, 269, 368, 462, 468, 476
  • beoordelingscriteria (zie criteria), 10, 267, 269
  • Bergensche school (zie Bergense school), 9, 142, 163
  • Bergense school, 20, 94, 143, 147, 163, 271, 393, 409, 416
  • Bergrede, 76, 208-209, 362
  • beschadiging, 87, 104
  • beschermheer, 182, 189
  • beschermheilige, 396
  • bescherming (beschermer), 16, 23, 52, 67, 73, 182, 198, 205, 207, 214-215, 220, 258, 293, 304, 367, 411, 450
  • beschermvorst, 198, 336
  • betonplastiek, 355, 357, 359
  • Beuroner beurtzang, 7, 9, 19, 21, 177, 197, 208, 377, 474; – idioom, 10, 209, 254, 257; – Malerschule, 8, 476; – school, 10, 21, 47, 117-118, 174, 181, 190-191, 203, 208-210, 222, 227, 229, 231, 236, 259-263, 266-267, 269, 273, 294, 313, 328, 373, 417, 468-470, 467; – stijlindicator, 10, 228, 268; – typologie, 10, 258, 274
  • beweeg, beweging [schilderkundig], 11, 56, 61, 112, 155, 161, 210, 212, 251, 253, 290, 294, 300-301, 317, 323, 343, 371, 407, 421-422, 426, 444, 468
  • Bewening (zie Pieta), 12, 85, 91, 100, 426-427, 475
  • bezield (bezieling), 11, 64, 66, 108, 111, 129, 148-149, 167, 196, 260, 285, 293, 301-302, 307, 312-313, 318, 343-344, 360-361, 367, 376, 383
  • biblia [biblium] pauperum, 7, 44, 46, 68, 71, 81, 94, 135, 157-158, 179, 189, 207, 255, 267, 301, 422, 447, 454, 458, 464-465, 469; – virginum, 68
  • bidimensionaal (bidimensionaliteit), 9, 57, 61-62, 161, 182, 321, 420, 469
  • bien étonnés de se trouver ensemble, 64, 118, 360, 435
  • bies, 227-228, 251, 329, 360, 370, 474
  • bijenwas, 8, 52, 92, 103-104
  • bindmiddel, 8, 51, 84, 87, 89, 92, 93, 97, 99, 101-104; –analyse, 8, 87, 97, 103; – ei, 51,89, 101, 103; – melk [caseïne], 51, 102; – azuur, 51 en; – gom, 43, 51, 348
  • bisdom, 206, 343, 451; episcopaat, 67, 121; bisschop, 198, 206, 215, 263, 278, 310, 330, 331, 339, 360, 380, 389, 407, 436, 462
  • bloem, 68, 121, 124, 174, 198, 204, 211, 256-257, 278, 281, 339-342, 355-356, 359, 367-368, 371, 394-396, 423, 428, 440, 442-443; – van Nazareth, 442; – der bloemen, 442; passie– 251, 252, 256, 313
  • Blut-und-Boden, 15, 62-63, 465
  • boek der leken, 21, 44, 71, 135, 157, 173, 207-208, 267, 276, 450, 469
  • boer, 260, 297, 300, 302, 385, 392
  • boogveld, 188-189, 222, 25, 227, 469
  • boom, 13, 64, 219, 237, 257, 339-341, 349, 353, 393, 399, 421, 423, 425, 448; – van goed en kwaad, 200, 399, 414, 448; – des levens, 237, 353
  • boot, 34, 281, 286
  • borst (boezem), 71, 87, 124, 195, 197, 217, 219, 220, 245, 284, 286-287, 293, 296, 343, 365
  • bouw’heer, 204, 281, 467; –iconografie, 213
  • bouw’pastoor, 174, 193, 206, 358, 447, 451; –symboliek, 174, 285, 472; –vak, 41, 73
  • bruid, 198, 263, 291, 298, 339, 341, 420; bruidegom, 197, 215, 229, 258, 420; Drie bruiden, 291, 298
  • Bruiloft van Kana, 12, 395, 419, 422, 461
  • Byzantijns, 18, 22, 107, 118, 177, 193, 208, 237, 238, 244, 245, 254, 256, 258, 260, 269, 275, 337, 357, 360, 431, 434, 456, 474; – Beuroner, 245, 249, 251, 258, 357, 358

C

  • calcium, 86, 87, 96; –hydroxide, 84, 86, 87, 92
  • calvariekruis, 343
  • canongebed, 447-450
  • carbonaat, 84; calcium–, 84, 86, 87, 92; carbonatatie, 89, 92
  • carton, 19, 76, 326, 342, 348, 410
  • cartouches, 404-406
  • caseïne, 8, 43, 51, 83, 89, 93, 101-103, 227, 475, 477
  • cassette, 10, 228, 231, 255, 256; –plafond, 182, 205, 255, 429
  • catechese, 13, 71, 440-443, 450
  • cederhout, 287
  • cenakel, 244, 245
  • cerebraal, 21, 130, 138, 165, 173, 291, 371, 471, 473; cerebralen, 307
  • ceremonie, 176, 472
  • charitas, 302, 340, 344, 365, 366, 441
  • chef d’oeuvre, 339
  • cherubijnen (zie ook hiërarchie der engelen), 68, 196, 215-217, 220, 223, 227, 268, 320, 419, 449
  • choreografie, 171, 176, 340, 417, 472
  • Christus’ Koning, 10, 182, 194-199, 207, 220, 261, 264; –monogram, 194, 195, 212, 218, 237, 251, 252, 334, 355; – Overwinnaar, 334, 335; –pantocrator, 11, 360, 361, 366
  • chromatisch, 97, 455
  • chroom’groen, 97, 476; –oxide, 87; –oxidegroen, 87
  • ciborie (zie miskelk), 199, 355
  • ciboriumaltaar, 180
  • cijfer (zie getal), 276, 285, 424, 430
  • cisterciënzer orde, 330
  • Civitas dei, 343
  • classicisme, 140, 416, 473; classicistisch, 17, 107, 111, 128, 174, 209, 231, 256, 406, 413, 469, 472
  • clerus, 21, 68, 70, 71, 116, 120, 134, 165, 174, 269, 272, 298, 310, 311, 317, 337, 359, 366; clerici, 115, 134, 340, 436
  • codificatie, 193
  • co-existentie, 18
  • collage, 17, 18, 430
  • coloriet (zie kleur), 63, 114, 149, 152, 157, 187, 253, 382
  • combinerende verbeelding, 208, 225, 267, 298, 450
  • communie, 69, 195, 220, 310, 441, 443
  • communisme, 424; communist, 389; anarcho –, 359, 364, 366
  • compartimenteren, 202, 341, 352, 420
  • compositie, 25, 46, 54, 55, 57, 61, 66, 69, 98, 113, 125, 138-140, 143, 144, 158, 159, 161, 164, 173, 174, 177, 182, 186, 191, 243, 256, 258, 273, 290, 300, 307, 311, 312, 314, 317, 318, 321, 325, 326, 329, 332-334, 342, 348, 349, 353, 372, 377, 380, 382, 391, 400, 403, 413, 417, 421, 423, 435, 449, 451, 457, 461, 468, 473; –schema, 177, 181, 190, 191, 221, 229, 293, 312, 320, 399, 406, 445, 466; compositorisch, 112, 143, 326, 341, 343, 344, 359, 363
  • concaaf,423, 434, 447, 450
  • concentrisch, 209, 251, 342, 361
  • concordans, 447
  • condensatie, 98
  • confessie (confessioneel), 115, 135, 149, 240
  • congregatie, 214, 226, 240
  • connotatie, 18, 126, 140, 153, 155, 161, 162, 165, 258, 380, 429, 473
  • consecratie, 202, 220, 244, 447
  • console, 221, 222, 255
  • constructie, 62, 73, 93, 227, 230, 248, 255, 324, 344, 345, 425, 469
  • consumptie (mystieke huwelijk), 197
  • contaminatie, 195, 234, 285
  • contemplatie, 40, 70, 159, 177, 253, 383, 428, 450; contemplatief, 214, 220, 331
  • contemporain (eigentijds, hedendaags), 20, 36, 88, 91, 105, 108, 111, 130, 151, 174, 254, 261, 311, 315, 359, 382, 401, 404, 416, 457, 467
  • contour, 26, 30, 83, 87, 89, 107, 114, 134, 190, 193, 210, 240, 248, 256, 276, 360, 361, 370, 375, 403, 412, 417, 419, 425, 427, 435, 451, 454, 458; –lijn, 57, 134, 341, 357, 427
  • contrapost, 381, 413, 418-421, 425-427, 435, 445, 457, 469
  • contrareformatie, contrareformatorisch, 155, 196, 197, 380, 415, 474
  • contrast, 59, 77, 190, 193, 235, 246, 329, 330, 336, 344, 358, 365, 374, 397, 399, 436, 468; contrasterend, 95, 212, 461
  • conventie, 71, 165, 403
  • copal (kopaal), 52
  • Cor jesu (zie heilig Hart), 234
  • craquelé, 104
  • creatie, 97, 129, 144, 272; creatief, 37, 43, 101, 126, 135, 139, 143, 149, 153, 173, 178, 180, 260, 294, 306, 393, 405, 408, 470; creativiteit, 76, 113, 159, 165, 281, 399, 408, 428
  • criteria, 23, 120, 171, 172, 210, 238, 254, 340, 385, 468; subcriteria, 172, 468
  • Cubisme (zie kubisme), 150-152, 159, 291, 292, 424, 456, 475
  • cultureel, 16, 18, 19, 22, 23, 87, 97, 118, 155, 306, 435, 437, 455
  • cultuur, 41, 46, 60, 110, 180, 206, 241, 285, 291, 292, 301, 305, 451, 468, 471, 472
  • cultuurhistorie, 10, 12, 13, 22, 23, 172, 208, 238, 260, 269, 311, 338, 377, 388, 466, 468
  • curriculum, 19, 25, 28, 34, 43, 57, 61, 75, 215, 358
  • curve, 342, 381, 468

 D

  • Dada, 113, 424; dadaïsten, 389
  • daimonisch (zie demonisch), 113
  • dampdoorlatend, 103; –heid, 92, 93
  • Daniel (oudtestamentische boek), 196, 205, 405
  • danse macabre (zie dodendans), 393
  • datering (dateren, gedateerd), 34, 49, 61, 69, 89, 92, 174, 193, 195, 263, 312, 329, 337, 344, 356, 391, 399, 404-406, 411, 413, 438
  • decadent, 126, 151, 305, 313; decadentie, 474
  • decoratie, 29, 30, 64, 65, 68, 76, 80, 93, 95, 112, 119, 127, 161, 167, 180, 183, 184, 194, 208, 212, 227, 229, 230, 237, 243, 246, 251, 262, 324, 330, 331, 361, 406, 409, 469; –schilder, 73, 75; decoratief, 8, 15, 25, 31, 34, 36, 48, 54, 56, 64-67, 69, 72, 75-77, 80, 93, 95, 110-115, 117, 119, 139, 147, 165, 184-186, 204, 210, 223, 225, 227, 231, 236, 237, 251, 252, 267, 284, 295, 314, 318, 323, 332, 338, 342, 344, 354, 370-372, 376, 402, 404, 416, 418, 421, 429, 461, 463, 469; decorateur, 67, 78, 80, 81, 178, 205
  • decorum, 8, 9, 17, 61, 71, 111, 115, 134-136, 144, 173, 176, 180, 187, 191, 207, 208, 238, 240, 267, 273, 314, 325, 326, 333, 334, 375, 384, 406, 407, 409, 416, 430, 440, 460, 465, 469-471, 473, 474
  • deformatie (zie gedefigureerd, gedeformeerd, gedenatureerd), 64
  • delamineert (loslaten)= 86
  • demiurg, 204
  • demon, demonisch, 113, 295, 297, 394, 395
  • desiderata, 267, 325, 331, 405
  • desintegratie, 51
  • destilleren, gedestilleerd, destillaat,, 91, 92, 110, 149, 172, 271, 474
  • detail, 36, 44, 47, 50, 84, 85, 89, 90, 94, 95, 98, 100, 102-104, 113, 123, 201, 211, 220, 227, 231, 237, 250, 258, 259, 261, 262, 275, 278, 294, 295, 300, 316, 322, 323, 327, 340-342, 356, 360, 368, 380, 395, 401, 403, 406, 409, 411, 415, 421, 429, 434, 445, 448, 449, 451, 455, 458, 461; detaillering, 13, 95, 190, 230, 256, 268, 314, 405, 449, 458; gedetailleerd, 68, 84, 85, 105, 178, 179, 189, 191, 227, 236, 295, 330, 352, 353, 370, 374, 401, 451, 454, 461, 468
  • deugd, 9, 47, 71, 132, 136, 142, 165, 196, 209, 229, 305, 310, 325, 343-356, 361, 363, 364, 371, 373, 384, 405, 406, 413, 439, 440, 442, 443, 450; –zaam, 179, 187, 209, 243; on–, 18, 91, 126; kardinale en theologische; –, 196, 229, 344, 361, 363, 440
  • deus absconditus [de verborgen god], 199; – artifex [kunstvaardige god], 204
  • deuterocanoniek, 204, 205
  • devotie, 9, 68, 133, 138, 162, 173, 193, 197, 198, 206, 211, 239, 243, 280, 287, 331, 333, 349, 362, 374, 375, 379, 384, 414, 423, 430, 436, 475; –park, 241
  • diagonaal, diagonaalsgewijs, 86, 111, 140, 159, 187, 220, 250, 281, 293, 294, 335, 468, 473
  • diaken, 215, 220
  • dialectiek, dialectisch, 8, 25, 40, 117, 120, 154, 159, 197, 199, 259, 278, 292, 357, 391, 397, 425, 428, 430, 454, 464, 472
  • dichotomie [van Riegl], 10, 154, 222, 235, 244, 246, 269, 297, 314, 317, 326, 330, 338, 353, 361, 371, 377
  • diepte, 95, 97, 101, 102, 111, 123, 146, 157, 178, 222, 228, 230, 235, 244, 257, 264, 275, 286, 334, 341, 344, 354, 361, 415, 421, 473; –werking, 182, 190, 222, 354, 384, 402, 459
  • dierenriem, 166, 205
  • differentiatie, 34, 148, 153, 236, 253, 344, 400, 468, 474
  • dilectare (zie genieting), 408, 473
  • dionysisch, 171, 396, 423, 425
  • diorama, 250
  • directeur, 7, 30, 34, 36, 49, 54, 60, 64, 67, 75, 76, 159, 258, 366, 385, 411, 462
  • discipline, 21, 25, 178, 182, 471
  • dispositie, 174, 188, 212, 384, 469
  • dochters van Israël, 365
  • doctrine, 63, 121,125, 126, 134, 180, 181, 208, 250, 297
  • dodendans, 297, 302, 393-395
  • doek [betreft alleen hoofdstuk 2 en 3], 36, 43, 48-51, 60, 69, 85, 90, 93, 100, 100, 102, 102, 104
  • dogma, dogmatisch, 18, 37, 48, 55, 63, 115, 123, 141, 176, 182, 201, 291, 386, 414, 430, 472
  • dominicaan, dominicaner, 68, 115, 116, 117, 120, 174, 177, 201, 214, 269, 309, 318, 324, 326, 332, 343, 472
  • doop, 49, 108, 197, 215, 234, 236, 250, 251, 290, 293, 296, 336, 337, 362, 419, 441, 442; –kapel, 44, 176, 250, 251, 429, 441, 464
  • doornenkroon, 301, 329, 332, 349, 353, 355, 399, 448
  • doorzichtkunde (zie perspectief), 67
  • drager, 7, 8, 20, 47, 50, 51, 83, 85, 94, 100, 104, 111, 139, 145, 185, 198, 231, 238, 290, 382, 399, 421, 422, 465, 470, 473, 474; losse –, 8, 85, 100
  • drama, dramatisch, dramatiek, 15, 22, 51, 60, 71, 114, 119, 133, 139, 140, 157, 158, 178, 179, 181, 182, 191, 208, 210, 212-214, 228, 250, 290, 323, 340, 349, 352, 367, 380, 384, 400, 445, 447, 449, 450, 458, 460, 469
  • dramatis personae, 191, 222, 248, 249, 301, 338, 439, 450
  • draperie (zie tapisserie), 219
  • drie’hoek, 55, 129, 215, 216, 219, 244, 285, 294, 298, 300, 307, 310, 322, 330, 334, 342, 352, 399, 415, 417, 419, 421, 449, 470; –kruis, 198; –luik, 61, 248, 249, 278, 298, 303, 319-321, 338, 352, 354, 366, 419; driehoekscompositie, 13, 417, 448
  • driedimensionaal, 56, 151, 179, 195, 212, 222, 241, 245, 258, 373; driedimensionaliteit, 86
  • Drie-eenheid, 10, 11, 191, 192, 195, 196, 208, 216, 263, 276, 278, 285, 298, 310, 320, 321, 329, 330, 335, 342, 343, 356, 361, 367, 446; Drievuldigheid, 135, 195, 196, 206, 216, 219, 229, 250, 276, 321, 329, 366, 372
  • droge naald (etstechniek), 272, 374, 375, 377
  • droom, 20, 53, 110, 144, 155, 179, 268, 336, 394, 467; –beelden, 474
  • druiven, 222, 226, 256, 264, 349, 353, 355, 434; –rank, 167, 223, 244, 353, 386
  • dualiteit, 11, 305, 339, 340, 353, 411, 412
  • duif, 87, 194-196, 251, 256, 323, 343, 354, 356, 383, 386, 415, 441, 448,
  • duivel, duivels, 133, 291, 355
  • duurzaam, 23, 34, 47, 52, 72, 83, 91, 92, 97, 101-104, 135, 149, 172, 177, 317, 413; –heid, 36, 48, 50-52, 58, 88, 91, 92, 94, 98-100, 103, 185
  • dynamiek, 23, 59, 114, 155, 159, 253, 316, 317, 332, 343, 400, 419, 420, 421, 454, 466; dynamisch, 59, 129, 142, 148, 157, 158, 172, 187, 190, 231, 271, 326, 342, 383, 468, 469

E

  • Ecce homo, 280, 296, 430; – homines, 306
  • Ecclesia militans (zie strijdende kerk), 175
  • Ecclesia triumphans (zie ook overwinnende kerk en triomferende kerk), 175, 203, 475
  • eclecticisme, 17, 108, 113, 129, 403, 408; eclecticus, 400, 408; eclectisch, 7-9, 16, 17, 19, 20, 107, 108, 110, 112-114, 116, 118, 120, 122, 124, 126, 128, 130, 132, 134, 136, 138, 140, 142, 144, 146, 148, 150, 152, 154, 156, 158, 160, 162, 164-166, 168, 266, 317, 335, 377, 436, 461, 474
  • educatie, educatief, 41, 172, 180, 253, 267, 450, 471
  • Egyptische driehoek, 285, 470; gelijkzijdige –, 216, 244, 285, 298, 330, 334, 342, 449, 470
  • ei, 43, 51, 89, 101, 103, 359, 367, 368, 370, 371
  • eigenheid (zie individualiteit), 118, 151, 471
  • eigentijds (zie contemporain), 15, 20, 25, 28, 44, 47, 50-52, 61, 62, 69, 77, 80, 81, 110, 116, 136, 149, 153, 167, 169, 171, 183, 238, 258, 263, 266, 298, 305, 313, 324, 326, 355, 357, 361, 365, 386, 406, 408, 409, 420, 422, 456, 469, 471
  • einzelgänger, 10, 21, 44, 171, 172, 178, 263, 338, 359, 379, 386, 431, 458, 463
  • elasticiteit, 99, 113, 201, 455
  • Elemiharz, 52
  • email’kunstenares, 385; –mozaïek (zie mozaïek), 348
  • embleem, 68, 193, 256, 313, 321, 366
  • Emmanuel, 10, 34, 78-80, 166, 212, 216, 217, 223, 244
  • Emmaüsgangers, 246, 416, 417
  • empathie, 36, 134, 189, 287, 430, 472
  • emulsie, 102
  • en face, 213, 296; – profil, 222, 320, 338, 344; – trois quarts, 222
  • engelen’cyclus, 12, 259, 382, 417; doods–, 391, 392, 396, 397; –koren, 10, 68, 114, 191, 192, 211, 214, 231, 247, 259, 395, 417-419, 449; priester- –, 10, 219, 220; worg–, 392-394, 400
  • Entartete Kunst, 15, 16, 60, 63, 144
  • entourage, 180, 187, 191, 227, 262, 397, 420, 434, 471
  • epiek, episch (zie ook mise-en-scène), 7, 9, 10, 19, 21, 60, 114, 117, 118, 142, 177, 178, 190, 191, 210, 237, 239, 250, 253, 263, 264, 269, 273, 298, 315-317, 372, 377, 382, 383, 391, 407, 458, 469, 473, 474
  • episcopaat, 67, 121
  • epitaaf, 193, 256
  • epos, 10, 239
  • erfgoed, 15, 16, 19, 22, 23, 87, 97, 118, 306, 377, 467, 468
  • erfzonde, 189, 200, 221, 320, 362
  • eros, 144, 145, 151, 155, 292; erotiek, 124; erotisch, 149, 286, 292
  • Esperanto, 9, 147, 152, 153, 379, 475
  • esthetica, 9, 10, 20, 21, 47, 121, 125, 126, 131, 162, 163, 172, 178, 181, 208, 237-239, 253, 262, 267, 269, 274, 281, 298, 309, 408, 416, 439, 440, 464, 466, 468, 475, 476; esthetisch, 23, 91, 117, 122, 123, 135, 138, 172, 253, 267, 273, 338, 377, 386, 430, 431, 468; –-filosofisch, 470
  • eterniet, 20, 30, 48, 51, 88, 100, 474
  • ether, 365; etherisch, 222, 225, 235, 244, 297, 330, 352, 371
  • etsvloeistof, 93, 94
  • eucharistie, 12, 70, 121, 125, 126, 194, 195, 197, 199, 202, 204, 222, 236, 244, 256, 278, 330, 349, 353, 361, 386, 419, 420, 422, 443; –viering, 175, 220, 474
  • euritmisch, 344, 384, 473
  • evangelie, 195, 197, 199, 203, 209, 219, 239, 240, 243, 244, 251, 256, 307, 321, 367, 419, 420, 421, 422, 444, 463; evangelisatie, 12, 420, 422
  • evangelisten, 11, 94, 160, 178, 182, 189, 193, 195, 211-214, 257-259, 289, 321, 356, 360-364, 371, 386, 402, 403, 414, 428, 451, 454, 455; –symbolen, 31, 196, 229, 235, 278
  • evenwicht, evenwichtig, 59, 60, 138, 140, 146, 159, 161, 227, 230, 279, 318, 344, 353, 361, 384, 401, 424, 429, 461, 468, 469, 472, 473
  • evocatie, evocatief, 62, 236, 250, 251, 253, 365, 381
  • excerpt, 50-52, 55
  • exegese, 124, 213
  • exemplum virtutis, 179, 187, 197, 344, 471; exempla virtutis, 213, 222, 234, 334, 365
  • exercitie, 9, 17, 55, 64, 125, 177, 193
  • experiment, 13, 17, 20, 21, 42, 44, 50, 59, 62, 91, 111, 139, 140, 144, 178, 180, 186, 263, 293, 311, 373, 374, 406, 413, 427, 431, 444, 445, 457, 466, 474
  • exponent, 12, 17, 21, 109, 171, 361, 379, 389, 403, 409, 422, 436, 456, 464, 465, 475
  • expositietroon, 356
  • expressie (zie uitdrukking), 55, 68, 86, 111, 114, 134, 140, 149, 159, 174, 254, 258, 260, 276, 325, 326, 358, 383, 400, 428, 469; expressief, 55, 59, 133, 370, 401, 412
  • expressionisme, Duitse, 61, 64, 317, 379; Vlaamse –, 391, 393
  • extase, 148, 149, 163, 197, 257, 312, 466; extatisch, 71, 149, 167, 285, 292, 315, 326, 332
  • ezelschilderkunst, 62, 143

F

  • factuur (zie handschrift), 12, 21, 109, 139, 143, 145, 159, 225, 266, 267, 365, 382, 384, 399-402, 408, 415, 417, 418, 420-423, 427, 445, 450, 451, 454, 464, 466, 470-472
  • fantasie (zie verbeelding), 153, 154, 274, 384, 408, 474
  • farizeeën, 188, 243; farizeeër, 246; Pharizeeër, 295
  • Fauves, 389, 461
  • feniks, 352, 449; Phoenix, 63
  • ferula (zie pausstaf), 198, 199, 220
  • figuranten, 187, 191, 208, 213, 248, 295, 296, 396, 399; figurist, 7, 48, 72, 78, 80, 166, 171, 178, 184, 186, 205, 431, 461, 473
  • figuratie, 64, 129, 174, 185, 211, 212, 228, 230, 259, 269, 284, 326, 338, 341, 344, 403, 461; figuratief (ook versus abstract, non-figuratief), 15, 17, 31, 34, 48, 64, 68, 80, 95, 97, 99, 100, 107, 112, 113, 132, 144, 177, 178, 181, 184-186, 211, 212, 225, 231, 251, 357, 402, 419, 461, 469, 474
  • film, 99, 297, 357, 426; teken–, 297
  • filosofisch, 131, 143, 148
  • fin de siècle, 305, 474
  • firmament, 187, 204, 205, 342
  • fixatief, 93, 94; fixeerlagen, 93
  • flora, florale, 251, 256, 339, 341, 342, 343, 344, 352, 353, 354
  • Formwille, 381, 406, 417, 418, 425, 473
  • fotografie, 43, 65, 87, 412; fotografisch, 189, 295, 297, 323, 451
  • fragment, 36, 51, 65, 324, 348, 355, 467
  • franciscanen, 199, 201, 343
  • frescant, 90, 91
  • fresco, 7, 8, 12, 20, 29, 34, 36, 43, 46, 48-53, 62, 69, 81, 83, 84-92, 99, 100, 103-105, 185, 236, 243, 326, 369, 372, 390, 413, 417, 429, 457, 475; –techniek, 8, 20, 52, 84-91, 101, 372, 399
  • frontispies, 174, 276
  • furor divinus [goddelijke razernij], 285
  • futurisme, futuristen, 150, 151, 152, 379, 389, 409

G

  • geabstraheerd (zie abstractie), 15, 236, 257, 333, 471
  • geboorte, 9, 38, 97, 149, 368, 405, 441; –raam, 331-334, 399
  • gedachtegoed, 19, 20, 131, 141, 148, 181, 208, 238, 301, 371, 425, 435, 442, 470
  • gedateerd, 15, 45, 78, 80, 88, 164, 228, 229, 254, 263, 268, 295, 382, 445, 465, 474
  • gede’figureerd, 64, 470; –formeerde (deformatie), 107, 107, 391, 391; –natureerd (vertekening, vertekend),21, 153, 154, 163, 470
  • geel, 57, 77, 95, 97, 168, 220, 248, 312, 335, 354, 370, 373, 392, 397, 427, 476, 477; cadmium–, 87, 97; loodtin-–, 87; oker–, 262, 370
  • geheimschrift, 138, 141, 147, 173, 383, 474
  • gehersend (zie cerebraal), 383, 415
  • geheugen, 36, 174, 400; collectieve –, 36, 174
  • geijkt (zie ijkmaat), 71, 153, 171, 180, 194, 207, 227, 266, 272, 280, 312, 334, 376, 384, 408, 469, 474
  • Geloof, Hoop en Liefde, 196, 361, 364, 371, 439, 440
  • geloofsbelijdenis, 125, 208, 365, 368, 474; geloofsleer, 135, 360, 471
  • gemeenschapskunst, 9, 19, 36, 38, 72, 121, 123, 155, 178, 325, 470, 471, 474
  • genademiddelen (zie sacrament)= 195, 278, 291, 325
  • Genadestoel, 30, 195, 196
  • genieting, 138, 172, 473
  • genre, 9, 22, 29, 63-65, 70, 72, 78, 111, 113, 114, 135, 139, 164, 166, 171, 172, 178-180, 183, 184, 186, 191, 205, 208, 210, 222, 237, 251, 254, 280, 298, 306, 338, 341, 354-356, 358, 359, 372, 376, 403, 407, 431, 460, 470, 471
  • geometrie, 11, 129, 138, 181, 273, 301, 307, 339, 344, 360, 364, 377, 468, 470; (a)esthetische, bezielde –, 11, 129, 181, 301, 364, 470; kosmische –, 377; geometrisch, 55, 64, 77, 112, 113, 223, 287, 292, 298, 307, 314, 315, 318, 322, 331, 335, 338, 353, 360, 361, 374, 447, 469, 470; – module, 470
  • geoxideerd, 51
  • gerectificeerd terpentijn, 52
  • gereedschapskist, 22, 138, 143, 379, 406
  • Gerhardtischen Caseïnfarben, 53
  • gesamtkunstwerk, 241, 331, 359, 363, 385
  • Geschmack, 222, 471
  • gestileerd, 28, 50, 64, 68, 76, 77, 131, 165, 198, 211, 225, 230, 237, 251-253, 256, 262, 278, 293, 297, 322, 324, 332, 334, 335, 352, 359, 361, 371, 417
  • gesublimeerd, 71, 128, 210, 236, 276, 294, 314, 323, 333, 409, 423, 430, 473, 474
  • getal, getale, 65, 101, 176, 204, 208, 209, 235, 281, 285, 325, 330, 426, 470; getallen, 174, 285; –symboliek, 168, 213, 276, 330
  • getijden, 215, 220, 455
  • getordeerd, 159, 458, 468
  • gevoel, 17, 45, 61, 64, 68, 70, 71, 97, 107, 111, 114, 127, 132, 133, 137, 138, 140, 143, 145, 148, 150-152, 159, 162, 172, 181, 182, 187, 208, 248-250, 274, 287, 294, 295, 300-302, 314, 315, 326, 332-334, 340, 362, 364, 367, 379, 384, 386, 388, 394, 408, 411, 418, 421, 423, 424, 447, 460, 461, 463, 466, 471, 473; gevoelsuitdrukking (zie ook expressie), 136, 430, 470, 473, 474
  • gewelf, 17, 22, 68, 70, 80, 83, 94, 95, 97, 100, 210-212, 217, 228, 230, 231, 236, 278, 325, 458, 461; koor–, 96; schelp–, 231, 234, 236; –ribben, 95, 211, 469; ton–, 252-257, 427
  • gewijd, 20, 44, 65, 69, 71, 93, 107, 115, 145, 147, 174, 176, 177, 179, 184, 186, 187, 220, 223, 227, 241, 246, 248, 261, 275, 284, 286, 296, 311, 334, 352, 353, 355, 357, 361, 364, 365, 389, 406, 412, 418, 434, 438, 440, 441, 472
  • gezel, 37, 72, 73, 75
  • gilde, 179; –systeem, 83, 91; –wezen, 37
  • giornate, 84, 86
  • glacis, 51
  • glas, 12, 41-43, 47, 76, 114, 163, 201, 216, 241, 275, 290, 315, 317, 318, 334, 335, 341, 344, 359, 367, 373, 377, 384, 394, 399, 401-407, 409, 412, 413, 415, 419, 420, 422, 437, 438, 451, 454, 457, 464, 469, 475; –mozaïek, 62, 77, 316-319, 328, 334, 418, 437, 474; –schildering, 42, 54, 164, 332, 334, 381, 382; glazenier, 21, 28, 42, 54, 60, 108, 294, 312, 315, 321, 355, 379, 384, 389, 401, 402, 404, 405, 410; –kunst, 314, 405
  • glas-in-lood, 11, 19, 29, 36, 45, 48, 49, 59, 62, 65, 76, 77, 124, 137, 174, 175, 222, 230, 273, 310, 311, 312, 314-319, 323, 324, 327, 328, 331, 332, 334-336, 339, 344, 345, 355, 373, 374, 377, 389, 399, 402, 403, 405, 409, 418, 434, 437, 451, 456, 469
  • gobelin, 62
  • goddelijk hart (zie heilig Hart), 197
  • godsvrucht [pietas], 15, 70, 125, 215, 286, 287, 472
  • Goede herder, 137, 242, 353, 366, 367, 383, 389, 428, 442; – vrijdag, 280
  • Golgotha [schedelberg]= 221, 399
  • gotiek, 12, 47, 150, 154, 155, 158, 159, 161-163, 167, 171, 220, 227, 264, 380, 381, 460, 466, 473; gotisch, 47, 153, 167, 183, 229-231, 239, 307, 322, 352, 361, 377, 381, 382, 399, 406, 415, 417, 418, 425, 434
  • gotiek-barok-expressionistisch, 12, 21, 380, 458, 466, 464, 473; gotisch-barok-expressionisme, 382, 386, 403, 415, 469, 471
  • gouache, 427, 445, 457, 466
  • Goudse glazen, 12, 47, 403-406, 475
  • graan, 222, 434
  • gradatie, 77, 205, 407
  • grafiek, 11, 18, 64, 124, 292, 318, 373, 375, 406; grafisch, 7, 43, 44, 57, 81, 95, 116, 137, 150, 266, 287, 311, 313, 336, 337, 339, 406; graficus, 64, 95, 137, 153, 321, 326
  • graveerkunst, 43; graveur, 43
  • Gregoriaans, 171, 328; Gregoriusmis, 61
  • Grieks(ch), 45, 46, 181, 182, 190, 191, 208, 212, 216, 217, 220, 227, 231, 262, 267, 330, 334, 368, 425, 426, 439, 455, 469, 471; – Christelijk, 83; – cultuur, 468, 472; – katholieke, 240
  • grisaille, 77, 336, 405, 407
  • groene aarde, 87, 476, 477
  • grond, –kleur,287; –laag, 34, 72, 321, 425, 473; –stof, 91; –toon, 20, 83, 227, 230, 290, 444
  • gronden [techniek], 52, 102, 173
  • gulden snede, 470

H

  • habitus, 9, 148
  • hamer, 12, 221, 279, 436
  • Handelingen van de Apostelen, 246, 253, 472
  • handschrift (zie factuur), 12, 37, 133, 139, 231, 256, 273, 276, 339, 352, 353, 370, 377, 382, 384, 399, 407, 418, 421, 437, 443, 451, 464, 466, 470, 471, 473
  • haptisch, 10, 222, 236, 269, 297, 314, 317, 326, 338, 353, 361, 423, 471; – modus, 326, 471, 473; –-tactiele, 21, 222, 471
  • hardboard, 100, 101, 185, 474
  • harmonie, 54, 56, 117, 122, 124, 144, 161, 181, 208, 237, 239, 240, 248, 285, 286, 287, 301, 344, 365, 367, 368, 371, 384, 470, 473
  • harmonieën tussen het Oude en het Nieuwe Testament, 189
  • harp, 11, 100, 215, 274, 284-286, 301, 359, 365, 367, 368, 376, 411, 414
  • hars, 51, 52, 99, 103
  • hedendaags (contemporain), 15, 16, 21, 64, 85, 107, 108, 119, 136, 142, 154, 172, 199, 280, 357, 471
  • Heerschappijen (zie ook hiërarchie der engelen), 215, 419, 377, 449
  • Heiland, 195, 201, 217, 226, 262, 278, 290
  • heilig gezin (zie heilige familie), 320
  • heilig Hart, 10, 69, 197, 198, 206, 207, 227, 228, 234, 301, 302, 305, 314, 343, 344, 350, 352, 356, 414
  • heilig land, 250
  • heilige familie (heilig gezin), 11, 312, 313, 321, 334
  • heilige Geest (Spiritus sanctus), 194-196, 201, 207, 212, 215, 219, 229, 235, 244, 247, 250, 251, 257, 258, 291, 302, 310, 316, 322, 323, 330, 343, 356, 361, 362, 366-368, 383, 417, 448, 449
  • heilsgeschiedenis, 173, 175, 198, 207, 214, 219, 250, 253, 256, 301, 320, 325, 353, 362, 368, 403, 447, 454, 458
  • hemelgeest, 210, 212, 215, 223, 320, 355, 365
  • hemelingen, 212, 222, 246, 326, 329, 333, 434
  • Hemelvaart, 196, 246, 247, 397
  • herbestemming, 16, 66, 67
  • heremiet, 398
  • herinterpretatie, 61
  • hert, 195, 278, 279, 286, 389
  • herwaardering, 15, 23, 47, 73, 163, 164, 388, 405, 445
  • heterogeen, 98
  • hiërarchie, 8, 65, 68, 72, 80, 81, 111, 174, 198, 207, 208, 214, 220, 225, 234, 236, 259, 267, 273, 297, 334, 354, 436, 454, 461, 465, 471; – der engelen, 214, 259; – der genres, 208
  • hiëratisch, 30, 61, 118, 177, 178, 182, 191, 210, 211, 243, 245, 251, 256, 275, 278, 295, 311, 329, 352, 417, 468
  • historia (zie historieschilder), 9, 180, 187, 189, 471; –grafie, 7, 25, 117, 261
  • historie, 190, 257, 339, 454; –schilder, 9, 119, 179, 180, 187, 189, 193, 213, 222, 225, 243, 250, 253, 254, 261; –schilderkunst, 9, 21, 35, 111, 114, 117, 133, 178-183, 186, 191, 197, 207, 208, 213, 239, 241, 250, 253, 254, 260, 262, 266, 267, 268, 340, 344, 391, 411, 449, 461, 469-471, 473; –stuk, 179, 180, 205, 399, 471
  • historisch presens, 69, 112, 128, 129, 157, 158, 173, 226, 257, 258, 266, 272, 297, 331, 360, 365, 366, 371, 376, 379, 380, 411, 420, 439, 445, 459, 463, 464, 471, 474
  • historiserend, 70, 108, 112, 122, 166, 168, 273, 336
  • Hoge Raad, 100
  • hokjesgeest, 15, 423
  • honing, 7, 51
  • hoofdcriteria, 13, 22, 172, 208, 261, 269, 377, 466, 468
  • Hooglied, 237, 286, 414
  • hoogsel (zie ophoogsel), 370
  • hoop, 91, 107, 116, 162, 196, 220, 302, 320, 335, 339, 352, 358, 359, 361, 364-366, 368, 371, 373, 392, 438, 439, 440, 455
  • horizontaal, 64, 114, 140, 172, 175, 187, 229, 234, 248, 261, 278, 292, 293, 315, 328, 369, 399, 411, 416, 417, 420, 421, 447, 450, 451, 472, 473
  • hostie, heilig, 187, 199, 204, 207, 216, 217, 220, 244, 349, 352, 355, 361, 362
  • houtgravure, 43; houtsnede, 43, 152, 318, 321, 381, 393
  • houtskool, 49, 313, 411, 466; –schets, 412
  • hygroscopisch [waterminnend], 98, 99
  • hymne, 194, 201, 229, 261
  • hyperindividualisering (zie individu), 471

I

  • IC [Jezus Christus], 220, 334
  • iconograaf, 203, 219, 281, 406, 462; iconografie, 9, 11, 35, 46, 61, 171-174, 176, 177, 187, 189, 195, 198, 200, 201, 207, 212, 219, 231, 238, 244, 245, 251, 253, 256, 266, 268, 272, 274, 275, 280, 281, 285, 298, 325, 338, 340, 349, 353, 368, 372, 376, 384, 394, 408, 411, 416, 418, 422, 435, 437, 440, 442, 445, 461, 463, 465-469, 472, 473, 475; iconografisch, 9, 13, 21, 34, 61, 68, 70, 136,156, 157, 164, 165, 173-178, 186, 188, 193-196, 201, 203, 206-208, 210, 214, 217, 219, 220, 222, 225, 229, 238, 243, 244, 253, 256, 257, 260, 263, 264, 276, 280, 281, 307, 313, 314, 317, 320, 322, 327, 330, 334, 338, 352, 353, 356, 359, 365, 372, 376, 391, 392, 408, 411, 417, 422, 428, 434, 445, 448, 450, 455, 455, 461, 462, 465-472, 475
  • identificatie, identificeren, geïdentificeerd, 69, 187, 214, 228-331, 395, 414, 431, 450, 471, 474
  • idioom, 9, 10, 21, 68, 136, 137, 143, 145, 149, 163, 193, 209, 253, 254, 257, 258, 314-316, 326-328, 333, 339, 342, 353, 359, 377, 380, 402, 406, 408-410, 413, 419, 421, 434, 437, 445, 456, 458, 461, 464, 466, 469, 474, 475
  • ijk, –maat, 28, 127; –punt (geijkt), 36, 138, 171, 267
  • ijzeroxide, 96;–rood, 87, 96
  • illustratie, 34, 43, 46, 63, 64, 131, 189, 235, 250, 251, 253, 256, 284, 301, 315, 320, 336, 352, 357, 380, 381, 408, 421, 450, 455, 459, 460, 469; illustratief, 70, 142, 144, 146, 182, 221, 237, 267; illustrator, 44, 67, 187, 250, 253, 259, 390; illustreren, 20, 40, 51, 58, 59, 63, 64, 68, 72, 88, 108, 116, 117, 162, 172, 207, 208, 211, 278, 328, 362, 364, 367, 384, 391, 393, 402, 413, 425, 428, 436, 442, 454, 461, 469
  • Immaculata conceptione, 201; onbevlekte ontvangenis, 201, 302, 411; Maria onbevlekt ontvangen, 10, 201, 245, 284, 296, 430
  • Immanuel (zie Emmanuel), 216
  • impregneren, 92, 103
  • impressionistisch, 34, 36, 57, 92, 103, 119, 127, 213, 295
  • indigo, 87
  • individu, 112, 121, 126, 260, 292; individueel, 25, 41, 55, 129, 134, 168, 181, 227, 236, 249, 262, 267, 275, 292, 304, 334, 335, 361, 364, 367, 374, 382, 383, 429, 450, 474; individualiteit (eigenheid), 77, 121, 125, 136, 291, 292, 304, 471
  • ingetogen, 149, 191, 210, 311, 340, 428; –heid, 70, 193, 399, 472
  • initiatiesacramenten, 13, 441
  • initiator, 62, 112, 154, 474
  • inkt, 55, 71, 273, 375, 384
  • innovatie, innovatief, innovativiteit, 25, 73, 173, 225, 275, 290, 315, 377, 444, 459
  • inspiratie, 12, 117, 127, 136, 173, 201, 208, 254, 269, 273, 274, 293, 294, 302, 312, 322, 324, 338, 363, 377, 383, 401, 403, 421, 435, 436, 474, 475; –bron, 47, 63, 182, 212, 229, 231, 245, 264, 296, 426; geïnspireerd, 66, 104, 108, 118, 126, 128, 151, 155, 163, 180, 181, 229, 231, 237, 238, 244, 247, 262, 275, 310, 313, 328, 329, 337, 358, 372, 386, 395, 401, 404, 424, 437, 454, 460, 463, 472
  • instrumentarium, 9, 171, 172, 377
  • intellectief, 313, 314, 474
  • intellectus, 215
  • intermediair, 21, 63, 125, 385, 388, 390, 466
  • internuntius, 324, 357, 379, 428
  • intrados, 194, 251, 255, 354, 386
  • intuïtie, 136, 148, 412, 444, 465, 474; intuïtief, 112, 138, 141, 147, 148, 153, 154, 158, 161, 163, 173, 254, 383, 384, 399, 408, 412, 444, 470, 474
  • inzicht [intellectus],18, 20, 28, 37, 45, 51, 71, 108, 120, 136, 139, 166-178, 181, 215, 216, 223, 254, 256, 261, 269, 281, 314, 331, 376, 377, 388, 413, 428, 431, 449, 464

J

  • Januskop, 15, 199
  • jargon, 11, 18, 22, 108, 111, 114, 121, 138, 139, 163, 271, 322, 379, 400, 415, 475
  • Jezus Christus, 217, 220, 240
  • JHWH, 216, 343
  • joie de vivre, 9, 162, 257, 310, 401, 475
  • joods, 191, 221, 243, 244, 294, 296, 297
  • jugendstil (zie art nouveau), 225, 228
  • juvenaat, 213

K

  • kabinetskunst, 7, 41
  • kakochromie, 118, 177, 461
  • kalisilicaat (waterglas), 92-94, 97, 98
  • kalium, 97
  • kalk, 46, 51, 53, 83, 84, 86, 96, 99, 457, 477; –bepleistering, 100; gebluste natte –, 86; –laag, 84, 102; –mortel, 86, 89; –muur, 52
  • kalligrafie, 72, 76, 77, 81, 112, 184, 199, 204, 244, 414, 469, 473; gekalligrafeerd, 205, 209, 234, 237, 257, 447, 450
  • kalot, 94, 194, 201, 203, 207, 214, 217, 235, 245, 246, 262, 427, 428, 430, 434, 451, 454, 455, 462, 465
  • kameel, 76, 240, 248, 302
  • karakteristiek, 22, 54, 79, 97, 101, 111, 113, 203, 225-228, 257, 259, 260, 268, 275, 311-314, 316, 321, 325, 328, 344, 364, 373, 414, 430, 472, 474
  • karton, 42, 76, 84, 158, 236, 256, 345, 348
  • katholicisme, 18, 55, 119, 125, 127, 132, 149, 272, 273, 284, 287, 291, 292, 305, 368, 401
  • Katholieke Kunstenaarsdagen, 324, 325, 332, 338, 357, 386, 456, 472
  • katholieken van begeerte, 301
  • Keim Dekorfarben of B-Techniek, 8, 93; Künstlerfarben of A-Techniek, 8, 93; –verf, 8, 12, 20, 51, 52, 60, 81, 83, 92-95, 98, 101, 103, 186, 243, 260, 266, 267, 326, 355, 369, 373, 399, 413, 415, 417, 457; –verftechniek, 20; Keims(ch)e mineraalverf, 72
  • keizerskroon [zie tiara], 196
  • kennis [scientia], 16, 37, 42, 47, 49, 50, 52, 53, 61, 67, 69, 76, 83, 89-92, 99, 101, 115, 154, 158, 172, 176, 177, 188, 215, 239-244, 260, 265, 276, 301, 336, 360, 372, 392, 394, 400, 408, 412, 430, 448, 462
  • kenniswinst, 10, 12, 13, 20, 22, 172, 261, 266, 267, 376, 377, 463-466, 475
  • kerk, lijdende – (zie ook aldaar), 10, 11, 175, 225, 226, 245, 250, 256, 262, 280, 472; overwinnende (zie ook aldaar) –, 21, 69, 175, 178, 191, 193, 194, 202, 203, 206-208, 213, 214, 221-223, 225, 229, 230, 234, 241, 243, 253, 255, 256, 261, 262, 269, 278, 280, 297, 310, 332, 343, 349, 355, 361, 386, 418, 439, 440, 454, 458, 465, 469, 472; –schilder (zie ook aldaar), 29, 30, 31, 34, 68, 72, 173, 178, 180, 185, 208, 228, 229, 240, 431, 471
  • kerkelijke hiërarchie, 65, 174; – kunst, 17, 21, 29, 67, 74, 132, 135, 136, 140, 158, 164, 165, 167, 168, 173, 177, 179, 195, 206, 225, 243, 254, 258, 268, 269, 307, 310, 314, 324, 325, 331, 376, 379, 385, 386, 388, 409, 431, 456, 466, 468, 470-473
  • kerkschilder, 29, 30, 31, 34, 68, 72, 173, 178, 180, 185, 208, 228, 229, 240, 431, 471
  • keurslijf, 65, 159, 173, 471
  • kinderkapel, 13, 44, 59, 98, 103, 164, 199, 382, 390, 440-442, 450, 464; –Jozefkerk Broekhem-Valkenburg, 164, 382; – Servatiuskerk Nunhem, 440-442, 450, 464; – Dionysiuskapel Asselt, 44, 59, 98, 390, 441
  • klankbord, 196
  • klasse, 125, 284, 302, 359, 362, 370, 411
  • klassiek, 7, 12, 17-19, 46, 47, 107, 108, 117, 127, 130, 140-142, 144, 159, 173, 179, 180, 201, 246, 259, 268, 273, 284-286, 301-304, 307, 324, 325, 332, 367, 372, 383, 386, 394, 399, 402, 406, 413, 415-430, 445, 450, 455, 456, 463, 464, 466, 468, 469, 472-475
  • klassiek-barok-modern, 21, 154, 162, 332, 416, 422, 426, 464, 466
  • klassieke oudheid, 7, 46, 179, 386, 472
  • kledij, 69, 191, 321, 334, 406, 425, 471
  • kleur[en], coloriet, 63, 114, 149, 152, 157, 187, 253, 382; –gamma, 57, 77, 217, 227, 231, 254, 313, 341, 344, 356, 373, 405; –gebruik, 61, 143, 222, 269, 273, 298, 313, 335, 373, 403; –leer, 75, 77, 81, 182, 335, 370; –pigmenten, 52; –rijk, 22, 28, 83, 98, 171, 181, 194, 208, 225, 229, 237, 238, 244, 246, 359; –symboliek, 354; –toepassing, 111, 401; –transposities, 401, 466, 470; –transpositoren, 142, 401; –waaier, 248, 249
  • kleurendruktechniek, 461
  • klompen, 279
  • kolom, 255, 469
  • koning (zie ook Christus Koning), 10, 100, 101, 182, 194-199, 207, 214, 216, 220, 261, 264, 285, 300, 301, 303, 304, 364, 367, 392, 409-411; Drie Koningen, 240, 317, 461; koningin, 200, 215, 219, 300, 301, 334, 354, 389, 418, 440; koningspaar, 301, 303
  • kooldioxide, 84, 86
  • koolstofzwart, 87
  • koor, 21, 83, 193, 202, 220, 324, 368, 421, 440, 441, 462; –gewelf (zie gewelf), 96, 96; –travee, 10, 69, 184, 202, 204, 205, 212, 224, 228, 243, 244, 251, 252, 255-257, 336, 417, 441-443; priester–, 13, 17, 25, 26, 30, 68, 69, 72, 157, 158, 175, 193-196, 199, 203, 207, 219, 222, 223, 227, 255, 256, 264, 278, 321, 326, 330, 332, 367, 390, 413, 438, 440, 441, 443, 451, 458, 469, 472; –zang, 215
  • kopergravure, 393
  • korbeel, 243, 248
  • kosmos, 128, 144, 166, 330, 334, 423, 454; kosmisch, 11, 219, 246, 273, 274, 281, 285, 301, 311, 329, 330, 334, 336, 338, 339, 342, 343, 356, 359-361, 368, 371, 376, 377, 411, 449, 470, 475
  • kostumering, 179, 187, 190, 241, 243
  • Krachten (zie ook hiërarchie der engelen), 41, 47, 54, 58, 59, 149, 164, 181, 352, 373, 375, 419, 450
  • krimpscheur, 99
  • kristallisatie, 84, 98
  • Kroning van Maria, 191, 192, 196, 207, 220, 231, 319, 389, 417, 418
  • Kronos, 455
  • kroon, 186, 198, 200, 215, 297, 334, 335, 354, 355, 399, 401, 443, 449; –lijst, 96, 97
  • kruis, Griekse –, 439; Latijnse – 439; Petrus – 439; Andreas – 439; Antonius – 439; Tau – 439
  • kruis’offer, 195, 201, 326, 356, 362; –staf, 198, 332; –tocht, 214, 261, 262, 330, 337; –vaart, 261, 262
  • kruisnimbus, 310, 360; kruisnimbe (zie nimbus), 334
  • kubisme, 12, 18, 63, 64, 107, 113, 140, 141, 143, 159, 163, 165, 226, 311, 379, 384, 409, 424, 456, 475; cubisme, 150-152, 159, 291, 292, 424, 456, 475; kubisten, 63, 249, 380, 389, 418, 428; kubistisch, 61, 132, 140, 142, 150, 293, 297, 312, 342, 348, 424-426, 430, 443, 473
  • Kunradersteen, 86, 95, 96
  • kunst’ambacht= 42, 73; –criticus, 16, 35, 58, 64, 107-110, 113, 114, 116, 127, 130-132, 136-140, 145, 151, 153, 162, 206, 257, 271, 293, 338, 339, 416, 436; –debat, 53, 64, 473; –leer, 176, 181, 376; –politiek, 403; –systeem, 301; –theoreticus, 126, 180, 339
  • kunstenaars’groep, 213, 476; –kring, 55, 304; –strijd= 64
  • kunstenaarsgenootschap, 120, 121, 129, 311, 314, 315, 322-324, 336, 474; Haags –, 120, 121, 129; R.K. – Den Haag, 314, 315, 322-324, 336
  • kunstgeschiedenis (zie kunsthistorie, –historicus), 15, 21, 34, 36, 46, 47, 53, 60, 67, 72, 115, 131, 178, 385, 389, 471
  • kunstgeschiedschrijving, 61, 430
  • kunsthistorisch, 16, 20, 401; kunsthistoricus, 47, 83, 127, 154, 163, 164, 168, 174, 176, 181, 206, 348, 381, 425, 467
  • kunstnijverheid, 41, 73, 74, 81, 372, 431; kunstnijveraar, 239, 362, 363
  • Kunstwollen, 222, 425, 471
  • kwalificatie, 9, 19, 67, 107, 114, 126, 138, 139, 142, 153, 162, 163, 276, 379, 384, 418, 465, 468, 471, 473
  • kwaliteit, ,7, 23,45, 51, 52, 54, 55, 61, 73, 74, 80, 81, 99, 100, 107, 110, 122, 124, 135, 136, 138, 143, 166, 172, 176, 179, 185, 186, 210, 222, 236, 238, 266, 267, 272, 294, 298, 310, 323, 338, 359, 371, 377, 384-386, 402, 408, 419, 436, 440, 445, 451, 454, 463, 465, 466, 471
  • kwarts [zand], 86
  • kwast, 34, 86, 332, 447; droge –, 86
  • kwekeling, 212, 213, 215, 220, 226

L

  • laatste avondmaal, 94, 139, 202, 203, 243, 244, 245, 249, 291, 292, 296, 315, 323, 374, 375, 419, 420, 422, 448, 449
  • laatste oordeel, 76, 209, 214, 215, 217, 235, 237, 256, 303, 320, 449
  • labyrint, 352; labyrintisch, 279, 286
  • Lam Gods, 26, 194, 195, 197, 203, 206, 210-212, 234, 235, 251, 252, 296, 332, 422, 439, 442
  • land, 52, 60, 90, 153, 239, 240, 249, 254, 256, 285, 300, 303, 349, 357, 392, 408, 429, 448, 455, 460, 465
  • landman (zie boer), 300, 302
  • landschap [in de kunst], 76, 127, 163, 178, 235, 237, 246, 249, 258, 264, 284, 393, 395, 398, 401, 414, 421, 439, 440, 444, 461
  • lavendelolie, 52
  • leek, 62, 86, 126, 152, 174, 280, 300, 327, 344, 388, 408
  • leerling, 8, 22, 28, 30, 35, 37, 40-42, 44, 45, 49, 50, 55, 58-62, 64-66, 69, 73, 74, 76, 81, 83, 88, 91, 139, 157, 161, 166, 168, 183, 203, 208, 221, 236, 238, 243, 245, 250, 255-256, 296, 298, 340, 343, 358, 363, 376, 411, 417, 420, 421, 430, 437, 441, 467
  • Leerplichtwet 1901, 441
  • leesbaar, 134, 138, 158, 254, 314, 379, 383, 428; –heid, 134, 135, 136, 138, 157, 225, 278, 471, 475; leesrichting, 11, 278, 281
  • Legenda aurea, 198
  • legitimatie, 63, 149, 204, 470
  • leidmotief, 45, 81, 158, 197, 201, 203, 231, 261, 290, 383, 425, 465
  • lelie, 194, 197, 198, 214, 219, 223, 230, 256, 257, 336, 354, 368, 411, 442; –tak, 198, 204, 214, 215, 312
  • levensmysterie, 370, 371
  • lijdende kerk, 10, 11, 175, 225, 226, 245, 250, 256, 262, 280, 472
  • lijdenswerktuigen, 61, 157, 230, 256, 355, 380, 434, 450
  • lijm, 43, 51, 89, 99, 101, 103, 477; –verf, 99, 101
  • lijnbeweeg, 11, 273, 290, 291, 326
  • lijnolie, 8, 89, 94, 101, 102, 103; –verf, 102
  • lila, 95
  • lineair, 115, 130, 139, 151, 164, 264, 332, 334, 410, 471, 474
  • liniaal, 468
  • linoleum, 51, 100, 104, 105, 185, 474; –snede, 95
  • Litanie van Loreto, 174, 193, 200, 201, 226, 414
  • liturgie, 9, 11, 12, 19, 67, 70, 173-176, 194, 195, 273, 281, 324, 325, 377, 379, 384, 389, 436, 441, 443, 447, 450, 460, 465, 470-472, 474, 475; lithurgisch, 273, 274, 280, 284, 285, 286, 290, 344
  • liturgisch, 11, 21, 37, 40, 133, 171, 173, 176, 177, 193, 194, 201, 222, 240, 253, 275, 280, 281, 311, 312, 324, 325, 327, 328, 331, 333, 338, 357, 359, 362, 373, 377, 379, 407, 415, 419, 428, 430, 435-438, 456, 464-466, 472; – beweging, 176; – stijlstrijd, 21, 171, 327, 331, 333, 338, 359, 373, 379, 407, 437, 464, 466
  • locus classicus, 8, 49, 108, 401
  • locus sanctus, 175, 349
  • loodmenie, 102
  • loodwit, 102
  • loslaten, 128, 148, 365, 400
  • lucht, 84, 86, 151, 291, 294, 357, 397, 398, 401, 421, 450, 455; –vervuiling, 52; –vochtigheid, 100, 103

M

  • maagd, 53, 97, 197, 219, 244, 245, 254, 258, 300, 307, 358, 371, 398
  • maan, 200, 209, 219, 398, 414, 418, 455
  • maatschappij, 15, 47, 53, 66, 73, 111, 115, 123, 143, 144, 221, 279, 281, 284, 302, 366, 404, 470; –beeld, 362, 363; –kritiek, 411
  • macaber, 393
  • Machten (zie ook hiërarchie der engelen), 305, 419, 450
  • Madonna, 12, 231, 273, 274, 276, 280, 281, 284-287, 302, 318, 328, 334, 344, 358, 411, 414, 419, 421, 435; – lactans, 287
  • makelij, 133, 139, 353, 382, 399, 470, 472
  • Man van Smarten, 61, 197, 278
  • mandorla, 196, 231, 257, 258, 268, 320, 352
  • maniërisme, 107, 163, 164, 403, 475; maniëristisch, 163, 164, 404, 407, 457, 458
  • Mariacyclus, 12, 413
  • mariale, 174, 193, 201, 215, 220, 246, 284, 301, 310, 320, 330, 331, 414, 415, 428, 435, 437, 442
  • Mariaverering, 214, 330
  • Maritaineske, 12, 134, 141, 143, 153, 162, 383, 411, 412, 436
  • marouflage, 100
  • martelaar, 213, 223, 230, 331, 398
  • Martyrologium Romanum, 229
  • massacultus, 197
  • Mater amabilis, 245
  • materiaal, 51, 83, 84, 92, 100, 101, 103, 138, 139, 148, 166, 171, 185, 313, 332, 400, 467; –polychromie, 469
  • mathesis, 68, 298, 360; mathematisch, 55, 112, 113, 118, 150, 181, 193, 227, 229, 258, 273, 274, 276, 280, 281, 284-286, 294, 326, 334, 344, 345, 348, 353, 367, 417, 470
  • mecenas, 12, 390, 416
  • mechanische verankering, 92
  • medaille miraculeuse, 201
  • mediocre (–criteit), 125, 132, 137, 143, 163, 165
  • meditatie(f), 8, 116, 124, 128, 172, 177, 267, 287, 373, 374, 429, 472
  • medium, media, 19, 21, 41, 45, 50, 77, 94, 102-103, 107, 123, 137, 139, 172, 185, 241, 246, 250, 254, 273, 280, 287, 295, 297, 298, 321, 334, 335, 340, 357, 358, 374, 376-377, 382, 389, 399, 402, 406, 431, 470
  • meerstijlig(heid), 17, 22, 328, 474
  • meester (–schap), 11, 40, 42, 43, 51, 65, 83, 91, 95, 112, 129, 131, 139, 140, 148, 149, 158, 163, 164, 178, 180, 184, 211, 227, 257, 263, 287, 312, 318, 326, 338, 372, 374, 375, 377, 384, 401, 412, 443, 465, 466, 468 (zie ook vakmanschap)
  • Meester [Christus], Nieuwe Testament], 343
  • meester, ceremonie–, 420; groot–, 61, 121, 140, 310, 311, 315, 317, 322, 332, 338, 376; leer–, 25, 46, 55, 61, 113, 154, 188, 196, 226, 236, 333, 418, 420, 443, 444, 461; rijksbouw–, 59; –schilder, 34, 37, 72, 75, 80, 184, 204, 473; school–, 325; Staal–, 146; universele –, 205
  • meesterlijk, meesterstuk, meesterwerk, 114, 139, 141, 208, 273, 287, 292, 344, 393, 494, 420, 426, 450, 458
  • melancholie, melancholisch (zie ook zwartgallig), 300, 393
  • Memento mori, 393, 395
  • Menora, 244
  • Mensenzoon [Chistus, Nieuwe Testament], 217, 219, 221, 321, 329, 455
  • metaal, 41, 74, 99, 348, 407, 458
  • metabolisme, 290
  • metaconcept, 425
  • metafoor, metaforiek, metaforisch, 70, 157, 195, 222, 237, 244, 276, 281, 284, 380, 386, 414, 415, 450, 469, 474
  • metafysiek (metaphysiek) metafysisch (metaphysisch), 141, 272, 163, 423
  • metamorfose, 30, 250
  • methode, 9, 17, 20, 29, 48, 52-55, 64, 65, 75, 88, 91, 117, 118, 124, 176, 181, 185, 193, 230, 327, 328, 339, 342, 348, 461
  • metropool, 11, 280, 281, 284
  • microkosmos, 10, 204-206, 362, 363, 368, 411, 439, 440
  • middelmatig (zie ook mediocre), 63, 133, 143, 164
  • mijn’streek, 256, 366; –werker, 57, 411, 422, 477
  • mijter, 198, 215
  • miniatuur, 294, 360, 402, 458
  • Mirakel van Amsterdam (Mirakelprocessie), 184-186, 188, 207
  • mis (zie ook eucharistieviering), 13, 195, 201, 211, 217, 219, 220, 284, 329, 357, 367, 447, 448, 450, 474; Gregorius–, 61; –dienaar,119, 294, 295, 297, 327, 397; –kelk (zie ook ciborie), 199, 207, 278, 279
  • mise-en-scène (epische), 7, 9, 177, 178, 377, 474
  • Missale romanum, 447
  • missie (boodschap), 34, 121, 131, 164, 199-320, 373, 436
  • missie, missionaris, 13, 213-215, 228, 431, 434, 447, 450; volks–, 120, 199
  • mode, 364, 424, 459; modieus, 320
  • model, 34, 44, 46, 73, 185, 190-191, 262, 275, 285, 320, 327, 344, 348, 404, 470; rol–, 10, 43, 47, 57, 182, 213, 214, 264, 388, 436, 443, 460; modelleren, 86, 94, 102, 152, 210, 222, 225, 235, 302, 373; modelé, 222, 273, 365, 371, 417, 435
  • modern–antimodern, 17, 18, 37, 41, 66, 107, 144, 269, 273, 284, 298, 357, 475
  • modernisme, 66, 150, 353; moderniteit, 254, 445, 472
  • modus, 17, 108, 379; haptische en/of optische –, 21, 222, 269, 297, 314, 322, 326, 327, 338, 471, 473
  • monade, 361, 367, 368
  • monastiek, monachaal, 10, 214, 356
  • monochroom, 229, 244, 251, 252, 262, 328, 435
  • monogram (gemonogrammeerd, 174, 217, 278, 330, 343, 354, 357, 375; Christus–, 194, 195, 212, 218, 237, 351-252, 334, 355
  • monstrans, 184, 349, 491
  • monument, 45, 46, 72, 349; monumentaliteit, 155, 162, 287, 312, 407, 461; monumentenwet, 22, 23, 377, 468, 483; monumentenzorg, 30, 48, 238
  • moraal, 50, 380, 392, 393, 428, 459; moraliserend, 179, 180, 254, 300, 310, 40, 471; moralistisch, 61
  • mortel, 84-86, 348, 413
  • movere [bewegen, ontroeren], 70, 107, 115, 123, 138, 180, 193, 267, 383, 412, 471, 473
  • mozaïek –crucifix of –kruis, 357, 379; email–, 348; glas–, 62, 77, 316-319, 328, 334, 418, 437, 474
  • mozaïst, 11, 137, 348, 356, 358, 377, 388, 474, 475
  • muziek, 40, 57, 131, 215, 274, 284-286, 298, 310, 367, 368, 395, 397, 411, 419, 468, 474
  • mysticisme, 116, 177, 291
  • mysticus (mystieker), mystici, mystica, 11, 70, 151, 197, 199, 223, 286, 291, 473
  • mystiek (mystisch, 12, 40, 70, 71, 120, 123, 124, 128, 136, 144, 149, 163, 187, 197, 199, 220, 236, 239, 273, 274, 279, 280, 281, 284-287, 291, 292, 296, 298, 305, 313, 314, 337, 344, 371, 376, 402, 423, 440, 442, 472, 473

N

  • naald (zie droge naald)
  • naaldwerk, naaldkunstenares, 311, 379, 385
  • naasten(liefde) (zie ook charitas), 11, 124, 302, 365, 441
  • Nabi(s), zie Verkade, Jan (Willibrord), en Gauguin, Paul
  • naturalisme, 123, 148, 151, 253, 354, 382, 400, 401
  • natuur, 109, 122, 125, 128, 129, 140, 141, 144, 147, 150, 154, 158, 159, 161, 174, 181, 182, 236, 237, 240, 271, 272, 285, 294, 324, 325, 355, 380, 381, 392, 393, 394, 421, 422, 423, 443, 464, 470, 471; –steen, 256, 332, 427
  • neg(gen), 223, 469
  • negen,(koren), 290, 443 (zie ook getallensymboliek)
  • neoclassicisme (neoclassicistisch), 91, 212, 427
  • neogotiek (neogotisch), 22, 23, 79, 166, 167, 168, 180, 190, 196, 210, 227-231, 234, 238, 251, 275, 342, 372, 475
  • neoplatonisme, neoplatoons, 114, 122, 141, 285, 376, 473, 474
  • Neothomist, 131, 299
  • NIKA [overwinnaar], 334
  • nimbus, 289, 245, 251, 322, 334, 335, 352, 360, 392, 394, 398, 423, 428, 430, 449; kruis–, 310, 360
  • Numinose, 325, 377

O

  • objectief (objectiveren) (kunst), 276, 382, 384, 473
  • octagon, 210, 211
  • oertype, 194, 359
  • offer, 124, 175, 176, 194, 201, 221-223, 234, 236, 278, 310, 313, 326, 330, 352, 428, 441, 442, 447-450, 460, 472; – van Abel en Kaïn, 221, 223, 327, 447, 449; – van Abraham en Isaac, 189, 223, 447, 448, 461; kruis–, 195, 201, 326, 356, 362; – van Melchizedek, 78, 327, 447, 458; slacht–, 230, 244, 279, 304, 439; zelfopoffering (Pelikaan), 204, 256, 365, 441, 458
  • olieverf, 43, 46, 51, 53, 83, 94, 95, 99, 100, 102-105, 185, 223, 260, 267, 390-400, 419, 424
  • olijf’berg, 246; –groen, 429; –tak, 221
  • omber, 87, 476, 477
  • on(der)bewuste, 68, 111, 141, 292, 293, 470, 474
  • onbevlekte ontvangenis (zie ook Immacaluta conceptione), 10, 201, 214, 221, 245, 284, 296, 430
  • ondergrond (artistiek), 84, 86, 87, 92-95, 98, 99, 103, 328, 256, 266, 321, 373, 427
  • ondermaans, 159, 161, 163, 235, 256, 261, 262, 365, 397
  • ondertekening, 97
  • onderwijs, 7, 19, 25-81 (hoofdstuk 2), 83, 113, 115-116, 213, 214, 221, 227, 238, 269, 315, 339, 358, 360, 376, 399, 424, 441, 442, 451, 475
  • ondeugd (zie deugd), 126, 300, 303-305
  • onpersoonlijk, 118, 184, 193, 236, 267, 468
  • ontaarde kunst, 63, 65
  • onthecht(ing), 99, 135, 397
  • ontroeren, 70, 107, 115, 123, 125, 127, 128, 134, 136, 138, 139, 145, 148, 152, 168, 189, 193, 272, 298, 383, 393, 402, 412, 444, 473
  • ophogen, –hoging, –hoogsel, 70, 95, 97, 103, 222, 266, 267, 370, 400, 415, 418, 444, 450, 451
  • oppervlak(te) (kunstwerken), 52, 84, 86, 87, 89, 92, 93, 99-103, 139, 235, 318, 382, 421, 434, 447, 455, 470
  • opschrift (kunstwerken), 49, 72, 195, 219, 223, 229, 234, 261, 284, 286, 342, 343, 473
  • oranje, 57, 77, 97, 217, 287, 321, 335, 354, 398, 399
  • orante, 245, 398, 408
  • orde (artistiek, aards-hemels), 10, 127, 132, 191, 211, 212, 214, 262, 285, 292, 298, 355, 356, 365, 383, 439, 440, 444, 470
  • originaliteit (artistiek), 157, 172-174, 255, 338, 469
  • ornament, ornamentaal, ornamenteel, ornamentiek, 10, 46, 49, 56, 64, 68, 76, 78, 80, 81, 112, 114, 115, 163, 166, 177, 180-183, 203, 212, 225, 237, 238, 244, 251, 252, 254-256, 275, 284, 325, 329, 342, 370, 404, 461, 473, 476
  • ouderling [Apocalyps] (zie ook oudste), 212, 215
  • oudkatholiek, –kerk, zie Leiden, Utrecht
  • Oudste [Apocalyps] (zie ook ouderling), 10, 28, 211, 214-216, 234, 236
  • oudtestamentisch (zie ook Testament), 70, 188, 189, 196, 207, 217, 229, 235, 237, 257, 285, 326, 353, 367, 371, 383, 397, 411, 414
  • Overjordaans (zie ook Jordanië), 239
  • overwinnaar, overwinning, 15, 120, 175, 194, 195, 210, 211, 246, 278, 280, 332, 334, 356, 361, 362, 380, 392, 397, 448, 458, 472
  • overwinnende kerk (zie ook ecclesia triumphans en triomferende kerk), 21, 69, 175, 178, 191, 193, 194, 202, 203, 206-208, 213, 214, 221-223, 225, 229, 230, 234, 241, 243, 253, 255, 256, 261, 262, 269, 278, 280, 297, 310, 332, 343, 349, 355, 361, 386, 418, 439, 440, 454, 458, 465, 469, 472

P

  • paard, 152, 239, 249, 250, 302-304, 318, 403, 449, 457
  • paaslam, 10, 194
  • palet, 21, 22, 31, 54, 61, 64, 68, 77, 94, 95, 191, 208, 210, 222, 226, 230, 231, 239, 248, 290, 313, 321, 327, 332, 333, 335, 341, 354, 357, 370, 401, 412, 418, 427, 429, 441, 444, 454, 458, 477
  • pallium, 215, 220
  • palmtak, 221, 321, 352, 398
  • paneel, 85, 69, 187, 195, 230, 248, 249, 255, 256, 264, 290, 296, 297, 326, 330, 324, 326, 330, 372, 374, 375, 420, 422
  • papier, 12, 21, 41, 44-46, 53, 84, 115, 143, 171, 214, 222, 250, 268, 287, 290, 321, 348, 382, 386, 406, 427, 429, 431, 434, 444, 450, 457, 459, 464, 466, 475
  • parabel, 76, 242, 243, 428, 302, 353, 366, 383, 389, 455
  • paradijs, 10, 11, 144, 207, 214, 234, 245, 247, 262, 278, 279, 300, 301, 320, 334, 356, 365, 412, 413, 434, 444, 448, 450, 455, 465; aards –, 11, 278, 279, 455
  • paradox, 63, 73, 119, 162, 172, 175, 220, 353
  • paradoxaal, 21, 28, 51, 162, 269, 294, 400, 464
  • parallel, 11, 15, 18, 46, 108, 176, 180, 187, 201, 204, 227, 236, 286, 301, 326, 397; –logram, 420
  • paslood, 215
  • passer, 83, 129, 468
  • passie, 87, 113, 133, 175, 189, 280, 287, 296, 349, 365, 399, 420, 472; –engelen, 214; –scène, 207, 230; –werktuigen, 183, 256, 280, 423
  • pasteus, 86, 93, 102, 103
  • pathos, pathetiek, pathetisch, 40, 119, 128, 151, 155, 267, 357, 423, 469
  • patina, 355
  • patronaat, 197, 258, 363
  • patroon, 64, 68, 72, 77, 78, 100, 129, 169, 193, 198, 217, 228, 230, 234, 236, 251, 258, 359, 281, 304, 322, 327, 330, 336, 360, 371, 389, 396, 403, 409, 411, 417, 444, 461–463, 468; ‑heilige, 185, 188, 207, 209, 236, 404, 439, 462
  • paus, 66, 180, 197, 198, 199, 203, 215, 220, 234, 261, 262, 278, 324, 325, 334, 338, 357, 379, 380, 436, 441, 472; –staf, 199 (zie ook ferula, 198, 199, 220)
  • peinture, 7, 55, 57, 74, 75, 112, 165, 169, 182, 183, 466 ; – pure, 165, 466
  • pelgrim, 10, 11, 138, 173, 212, 218, 221, 223, 264, 273, 274, 281, 286, 298–307, 310, 318, 360, 371, 376, 391, 393, 402; –staf, 197, 336; –tocht, 239, 300, 397
  • pelikaan, 256, 441, 444
  • pendant, 196, 199, 203, 221, 279, 356
  • pendentieven, 94, 97, 193, 248, 249, 276, 278
  • penseel, 15, 16, 184, 225, 313, 384, 422, 400, 412, 461, 476
  • pentekening, 71, 256
  • periodiek, 37, 107, 108, 120, 126, 127, 133, 136, 144, 145, 147, 298, 391, 456
  • perpetuum mobile, 172
  • personificatie, 102, 195, 209, 215, 291, 301, 302, 304, 305, 310, 340, 341, 352, 364, 393, 398, 405, 406, 411, 428, 430, 437, 449, 455, 471, 474
  • perspectief (zie ook verschiet), 8, 46, 56, 61, 67, 76, 97, 127, 142, 157, 167, 249, 253, 320, 357, 384, 391, 401, 402, 409, 465, 473
  • Phoenix, 63 (zie ook Feniks, 352, 449)
  • pictor doctus, 12, 179, 411, 413
  • pictor imaginarius, 11, 358
  • picturaal, 8, 12, 35, 56, 114, 115, 139, 165, 171, 187, 208, 311, 326, 338, 376, 382, 422, 461
  • piëdestal, 215
  • pigment, 84, 86, 87, 89, 92, 97
  • pijlerbundel, 213
  • Pinksteren, 11, 246, 251, 298, 310, 314, 392, 415
  • piramide, 286, 298, 301
  • plamuurmes, 139, 470
  • planeet, 455
  • plastisch, 9, 12, 64, 109, 134, 138, 139, 140, 145, 147, 150, 153, 161, 172, 212, 222, 246, 330, 382, 403, 418, 427, 435, 444, 471, 475
  • pleister, 50, 52, 84, 86, 185, 231, 266, 321, 399, 444, 474; –laag, 7, 8, 22, 46, 48–51, 84, 86, 89, 90, 92, 97– 99, 103, 139, 185, 369, 400, 413, 434, 457
  • plooien, 85, 190, 210, 222, 225, 235, 268, 293, 325, 328, 330, 332, 341, 342, 360, 374, 450, 477
  • plooival, 193, 266, 275, 321, 326, 333, 334, 353, 356, 357, 370, 375, 468
  • pluriform, 16, 21, 147
  • podium, 28, 30, 137, 176, 187, 209, 235, 243, 253, 262, 269, 313, 330, 352, 371, 417, 425, 435, 436, 447, 451, 457, 469, 472
  • poederen, 92, 99
  • poëzie, 114, 135, 155, 239, 292; poëtisch, 9, 147, 153, 180, 379, 390, 475
  • polychromie, 7, 8, 23, 30, 34, 45, 46, 48, 55, 116, 117, 166-168, 174, 175, 177, 184, 210, 211, 238, 248, 251, 265, 354, 390, 427, 461, 469, 473; polychroom, 49, 70, 171, 222, 402, 407, 419; polychromeur, 19, 30, 72, 95, 166, 456, 461
  • polyfonie, 302; polyfoon, 177
  • Pompeiaans, 92, 104
  • pondération, 12, 344, 384, 417, 421, 424, 443, 461, 466, 473
  • ponstechniek, 84, 89
  • Pop art, 297, 335
  • poriën, 52, 93, 103
  • porositeit, 92
  • porta coeli (deur des hemels), 201, 226, 230
  • Portland cement, 99
  • portret, 67, 109, 111, 131, 145, 179, 196, 236, 274, 275, 276, 294-297, 302, 305, 313, 334, 361, 370, 412, 428, 436
  • positionering, 8, 10, 42, 60, 107, 114, 115, 118, 121, 198, 206, 210, 213, 236, 243, 280, 329
  • predicaat, 29, 138, 140, 142, 144, 147, 149, 152, 163, 201, 210, 382
  • preekstoel, 163, 196, 361, 407
  • prefiguratie 160, 190, 196, 215, 218, 220, 221, 237, 267, 285, 301, 304, 326, 399, 407, 408, 411, 419, 420, 422, 448, 449, 454, 455
  • prent, 43, 46, 123, 217, 336, 344, 393
  • prepareren, 72
  • priester, 13, 60, 66, 115, 119, 122, 129, 175, 195, 206, 211, 215, 217, 220, 240, 272, 302, 325, 330, 356, 360–362, 366, 369, 374, 389, 390, 397, 402, 422, 436, 437, 444, 445, 447, 462, 466, 467, 472; –engelen, 212; –koor, 13, 17, 25, 26, 30, 68, 69, 72, 157, 158, 175, 193, 194, 195, 196, 199, 203, 207, 219, 222, 223, 227, 255, 256, 264, 278, 321, 326, 330, 332, 367, 390, 413, 438, 440, 441, 443, 451, 458, 469, 472; –schap, 11, 220, 246, 361, 362
  • primitief, 15, 83, 112, 154, 281, 284, 291-294, 296, 297, 298, 311, 318, 320, 369, 402, 443, 461
  • Principatus (zie ook hiërarchie der engelen), 214, 215, 419
  • principium charitatis, 7, 18, 172
  • Prix de Rome, 9, 69, 178-180, 255
  • procedé, 47, 51, 52, 88
  • processie, 34-36, 47, 48, 104, 105, 112, 119, 173, 180, 185, 213, 234, 236, 330, 396, 399, 401
  • profanatie, 380
  • professionalisering, 76
  • programma, 7, 9–13, 25, 28, 31, 43, 45, 53, 68, 70, 71, 75, 143, 145, 165, 177, 178, 185, 189, 193, 194, 201, 206–217, 219, 223, 225, 226, 229–231, 234, 237, 241, 243, 246, 254–257, 262, 266, 267, 278, 279, 281, 284, 307, 309, 320, 332, 349, 355, 359–362, 366, 369, 371, 376, 390–392, 394, 396–399, 401, 413, 414, 418, 420, 428, 430, 435, 437–439, 442, 447, 450, 451, 458, 461, 462, 467, 471
  • programmatisch, 63, 64, 145,199, 207, 274, 276, 279, 281, 303, 330, 331, 355, 361, 363, 367, 379, 384, 426, 437
  • progressief, 18, 408, 431, 463
  • proletariaat, 123, 281
  • proportie, 2, 46, 62, 112, 235, 253, 254, 273, 274, 280, 281, 284, 286, 336, 344
  • prototype, 189, 207, 208, 215, 221, 411, 422, 447
  • psychologie, psychologisch, 35, 110, 123, 146, 157, 273, 274, 276, 280, 281, 284–287, 344, 370, 393, 401
  • psychomachia, 11, 305, 306, 371, 376
  • publicatie, 16, 18–20, 23, 42, 44, 50–52, 57, 75, 111, 114, 115, 121, 131, 144, 167, 174, 176, 179, 250, 260, 276, 296, 311, 388, 390, 391, 408, 431, 474

Q

  • quattrocento, 226, 459
  • quis ut deus, 215

R

  • raderwerk, 281, 284, 302
  • rank, 251, 252,
  • rappel à l’ordre, 140, 473
  • rationalisatie, 34, 41, 73, 78, 79, 80; gerationaliseerd, 73, 75, 81, 473
  • ravennatisch, 348, 354
  • realisme, 15, 60, 62-64, 107, 122, 123, 150, 341, 379; realistisch, 15, 16, 56, 63, 64, 117, 132, 140, 251, 253, 295, 296, 327, 355, 372, 473, 474
  • rebus, 61, 64, 177, 355
  • recursie, 304, 360
  • redemptoristen, 120, 199, 268
  • referentiekader, 20, 177, 359, 388, 390
  • reflectie, 7, 12, 20, 37, 53, 59, 71, 88, 102, 104, 133, 173, 206, 336, 368, 422, 425, 430, 464
  • reformatie, 116, 473
  • regenboog, 196, 229, 275, 287, 342, 352, 393, 415, 450
  • regioen, 234-237, 267, 329, 330, 332, 361, 386, 428
  • rekwisieten, 213, 253, 256, 262
  • religio catholica, 13, 437, 439, 440
  • reminiscenties, 15, 70, 138, 266, 317, 391, 406
  • renaissance, 47, 50, 70, 91, 180, 182, 189, 254, 264, 333, 381, 404-406, 413, 445, 469- 473; renaissancistisch, 189, 404
  • repoussoir, 461
  • restauratie, 22, 57, 58, 87, 90, 98, 104, 105, 183, 186, 293, 462; restaurator, 22, 104; restaurateur, 7, 29, 52, 335, 467
  • retabel, 326-328, 426; –altaar, 11, 324, 326, 338
  • retorica, 111, 115, 117, 267, 340, 469, 473 ; retorisch, 45, 115, 117, 118, 120, 121, 123, 136, 149, 193, 213, 260, 287, 324, 473
  • retoucheren, 51, 87
  • retour à l’ordre, 140, 171, 418, 472, 473
  • retrospectief, 15, 36, 110, 122
  • revolutie, 37, 241, 279, 403; revolutionair, 147, 181, 243, 298
  • rex regum, 296
  • Rijke Roomse Leven, 126, 194
  • ringen, 10, 217, 219, 220, 342; gevleugelde –, 10, 217, 219
  • ritueel, 176, 325, 462; ritus, 40, 176, 359, 472; romeinse ritus, 472
  • rococo, 512
  • rolmodel, 10, 43, 47, 57, 182, 213, 214, 264, 388, 436, 443, 460
  • romanesk, 402
  • romantisch, 9, 147, 148, 153, 155, 352, 393, 416, 429
  • rood, 54, 57, 70, 71, 77, 84, 96, 97, 168, 196, 201, 210, 211, 217, 220, 227, 248, 266, 303, 312, 313, 321, 327, 330, 335, 354, 370, 373, 389, 392, 396, 397, 399, 401, 420, 421, 427, 476, 477
  • roosvenster, 342, 343, 355, 418
  • rosa mystica, 11, 281, 284, 356.
  • rots, 76, 155, 187, 203, 256, 300, 340
  • roze, 95, 97, 281
  • ruimte, 49, 54, 65, 66, 88, 95, 100, 125, 139, 157, 159, 161, 166, 173, 183, 187, 189, 190, 199, 211, 217, 219, 223, 230, 231, 238, 241, 244, 245, 248–250, 255, 261, 267, 269, 280, 312, 321, 330, 342, 354, 359, 366, 367, 371, 384, 385, 398, 400, 401, 404, 406, 414, 423, 435, 441, 447, 457, 460, 464, 465, 466; –duiding, 424; –suggestie, 61; –werking, 469
  • ruimtelijk, 12, 21, 152, 161, 175, 176, 202, 207, 238, 241, 248, 255, 294, 384, 402, 411, 417, 424, 443, 447, 462, 472, 473; nieuwe – logica, 12, 384, 402, 417, 443
  • ruiter, 239, 300, 302–304, 403
  • Russells paradox, 172

S

  • sacra conversazione, 11, 225, 226, 301, 302
  • sacrament, 69, 120, 126, 173, 176, 194–197, 199, 216, 219, 220, 278, 307, 326, 330, 349, 352, 353, 361, 362, 422, 441, 442, 448, 450; – des altaars, 196, 326, 422; – van de eucharistie, 194; –sdag, 197; initiatie–, 13, 441, zeven –, 278, 318, 330
  • sacristie, 222, 360, 361, 390, 414, 435, 443
  • salpeter, 99
  • sapientia, 215
  • satanisch, 305
  • Saturnus, 455
  • schaap, 62, 117, 177, 185, 203, 215, 243, 251-353, 383
  • schaduw, 28, 44, 102, 143, 150, 168, 190, 193, 216, 222, 237, 256, 268, 276, 297, 321, 329, 337, 400, 412, 415, 420, 427, 443, 450, 451, 461
  • schelpgewelf, 231, 234, 236
  • schema, 9, 34, 44, 74, 117, 164, 165, 172, 175, 186, 195, 196, 202, 206, 219, 223, 230, 238, 245, 255, 256, 267, 286, 294, 312, 313, 315, 318, 329, 332, 334, 338, 352, 353, 365, 369, 376, 420, 428, 461; compositie–, 177, 181, 190, 191, 221, 229, 293, 312, 320, 399, 406, 445, 466; schemata, 173, 264, 471; schematisch, 111, 113, 210–212, 222, 230, 246, 388, 418, 471
  • schepping, 97, 143, 199, 201, 204, 205, 209, 216, 217, 220, 281, 285, 336, 338, 339, 361, 368, 397, 422, 437, 451, 454, 455
  • scheppingsdaad, 201, 455
  • schilder, decoratie–, 73, 75, 80, 81; huis–, 20, 29, 30, 54, 79-81, 152, 359, 413; kerkdecoratie–, 7, 16, 20, 30, 34; kerk–, 7, 29, 30, 31, 34, 68, 47, 52, 72, 74, 173, 178, 180, 185, 208, 228, 229, 240, 431, 471; –techniek, 8, 47, 51, 83, 84, 86, 90, 92, 95, 101, 105; vak–, 34, 41, 72, 73, 75, 77, 80, 81, 413, 437, 473
  • schilderlijk, 158, 165, 379, 382, 408, 412, 423, 445, 460, 463, 466, 471
  • schip, 10, 21, 30, 34, 174, 175, 177, 186–189, 194, 198, 204, 205, 207, 212, 213, 219, 222, 225, 242, 243, 246, 255, 256, 263, 266, 281, 284, 286, 321, 332, 361, 366, 390, 415, 417, 438, 447, 457, 469, 472
  • schittering, 141, 144, 356, 376, 402, 422, 444
  • scholastiek, 9, 131, 136, 138, 140, 144, 146, 148, 154, 464, 468, 470, 473
  • school, 9–11, 15, 19, 20–22, 28, 41, 45, 47, 50, 60–63, 67, 74, 76, 94, 117, 118, 121, 122, 124, 127, 138, 139, 142, 143, 147, 157, 158, 161–163, 165–169, 171, 174, 181, 190, 191, 193, 203, 208–210, 213, 222, 225, 227, 229, 231, 236, 258–260, 262, 263, 266, 267, 269, 271, 273, 298, 311–313, 318, 325, 328, 329, 335–337, 373, 375–377, 388, 393, 409, 416, 417, 435, 441, 465, 466, 468-471, 473; Avondnijverheid–, 74, 75; teeken–, 73, 74, 75, 307
  • schoonheid, 12, 13, 19, 22, 23, 111, 121, 127, 128, 131, 132, 135, 136, 138, 140, 141, 143, 144, 146, 149, 159, 172, 176, 208, 238, 260, 269, 305, 313, 324, 325, 338, 344, 377, 383, 388, 397, 412, 414, 429, 439, 440, 443, 444, 466, 468, 470, 473; –leer, 67, 182, 227, 238, 269, 272, 470; –norm, 132, 204
  • schop, 168, 221, 222, 278, 340
  • schriftgeleerden, 230, 243, 295
  • sculpturaal, 191, 222, 226, 332, 427; sculptuur, 46, 230, 427
  • secco, 51, 86, 89, 99
  • sectieltableau, 112, 263, 275, 278, 279, 284, 300, 302
  • seksualiteit, seksueel, 71, 126, 279, 355, 473
  • serafijnen (zie ook hiërarchie der engelen), 196, 212, 217, 229, 417, 419, 449
  • serpent, 200, 458
  • sferische, 104; atmosferische, 407
  • sgraffiti, 59, 98; sgraffito, 7, 58, 61, 62, 65, 284, 435, 442
  • si vis me flere, 193, 222
  • sierkunst, 162, 181, 267, 342, 376, 407, 413
  • siermotief, 227, 251, 469
  • signatuur, 61, 113, 122, 130, 273, 275, 284, 354, 370
  • silicaat, 92 (zie ook verf)
  • silicium, 97
  • sinterhuid, 93; sinterlaag, 92
  • situ, 83, 87, 89, 100, 323
  • sjabloon, 48, 51, 80, 117, 205; –werk, 29, 34, 72, 76, 77, 80, 81, 182, 185, 204, 222, 223, 227, 238, 265, 438
  • slang, 200, 339, 371, 399, 414, 454, 455, 458
  • slapende zielen, 11, 300, 303, 304
  • sleutel, 47, 50, 150,199, 203, 204, 217, 220, 278, 321, 394, 414; –woord, 80, 126, 222, 274, 333, 468
  • sluier, 58, 145, 209, 295, 296, 392
  • smart, 128, 175, 472
  • socialis’me, 198, 279; –tisch, 15, 36, 66, 123, 130, 279, 284, 375; –tisch realisme, 15
  • sol justitiae, 257, 258
  • Solesmes, 176
  • soliditeit, 36, 51
  • spa, 279, 300, 302
  • spec’traal, 168, 248, 312, 393; –trum, 20, 107, 158, 208, 358, 379
  • specia’lisatie, 25, 74, 178, 189, 190, 208; –list, 22, 29, 30, 72, 91, 201, 466; –listisch, 18, 45, 53, 65, 315, 462
  • speculatie, 305
  • spirit fresco, 7, 51, 52, 103
  • spiritualiteit, 36, 177, 197, 246, 257, 293
  • spiritueel, 10, 133, 136, 143, 159, 178, 222, 254, 258, 269, 286, 291, 298, 307, 326, 371, 440, 471
  • splendor veri, 141, 376, 422, 444, 465
  • spoor’brug, 305; –wegstaking, 281
  • stadhouder, 198
  • staf, 198, 214, 221, 300, 349, 398
  • stapeling, 114, 173, 214, 231, 303, 307, 311, 384, 391, 402-404, 407, 411, 413, 451
  • status quaestionis, 18
  • steen der wijzen, 7, 34, 47, 52, 53, 75, 98, 475
  • steen’hard, 52; –rood, 95; –snede, 58, 59
  • stemmings’drager (zie ook Stimmungsträger), 381, 383, 412, 415, 423, 428, 429, 444, 445, 464; –teken, 384, 401, 408, 423
  • ster, 116, 211, 217, 219, 251, 334, 342, 371, 374, 392, 394, 397, 414, 455
  • stereochromie, 7, 51, 52, 92
  • steriel, 138, 333, 471
  • sterkte, 215 (fortitudo, 229)
  • sterrenbeeld, 371
  • stier, 211, 363, 370, 371
  • stift, 225; –kerk, 90
  • stigmata, 199, 201, 278, 335, 397, 398, 441
  • stijl’figuur, 112, 417, 469; –indicator, 10, 227, 228, 268, 317, 328, 329, 377, 381, 382, 392, 409, 415, 469, 474; –keuze, 207, 238, 320, 331; –kritiek, 21, 465; –pluralisme (–pluralist ), 11, 15–17, 58, 71, 217, 230, 321, 331, 336, 357, 418, 420, 424, 425, 431, 445, 460, 470, 474; –strijd, 21, 171, 311, 327, 331, 333, 338, 359, 373, 379, 407, 437, 464, 465, 466
  • stileren (styleeren), 158, 323, 355, 379, 471; stilering (styleering), 10, 112, 138, 182, 148, 162, 223, 244, 251, 259, 315, 317, 318, 322, 344, 371, 400, 409, 445; gestileerd (gestyleerd), 21, 28, 50, 64, 68, 76, 77, 131,155, 165, 198, 211, 225, 230, 237, 251–253, 256, 262, 278, 293, 297, 322, 324, 332–335, 339, 352, 359, 361, 371, 374, 417, 471, 474
  • stilleven, 142, 147-149, 384, 424-426, 428, 471
  • Stimmungsträger, 381, 383, 464
  • strijdbare kerk, 10, 220, 246
  • strijdende kerk, 11, 21, 157, 174, 175, 188, 196, 214, 221, 222, 240, 246, 255, 256, 261, 343, 349, 361, 380, 399, 411, 439, 469, 471, 472
  • strijklicht, 84; –opname, 86
  • stripverhaal, 71, 243, 250, 253, 267, 297
  • stroming, 9, 15, 19, 20, 28, 36, 63, 110, 120, 123, 126, 128, 140, 141, 165, 171, 214, 227, 228, 253, 271, 291, 311, 320, 372, 376, 379, 382, 384, 385, 402, 409, 421, 442, 466, 470, 473, 474
  • stukadoor, 99, 473
  • subject, 129, 145, 272
  • subjectieve (subjectiviteit), 23, 61, 112, 124, 125, 129, 134, 292, 325, 382, 384, 473
  • subli(e)matie, 444; sublieme, 325, 353; subli(e)meren, 179; gesublimeerd, 71, 236, 323, 333, 423, 430
  • substantie, 52, 91,185
  • Sum Veritas, 342
  • symbiose, 12, 44, 68, 163, 181, 225, 298, 325, 428
  • symboliek, 7, 9, 21, 46, 57, 58, 70, 117, 121, 122, 129, 157, 173-176, 187-189, 196, 198, 201, 204, 208, 209, 213, 216, 220, 255-257, 272, 273, 286, 295, 298, 300, 307, 318, 330, 340, 352, 353, 359, 360, 368, 370, 371, 373, 376, 383, 401, 408, 411, 412, 428, 434, 442, 443, 451, 455, 475
  • symbolisch, 68, 94, 112, 117, 123, 125, 158, 175, 177, 178, 189, 194, 195, 201, 210, 216, 222, 240, 244, 250, 255, 262, 271, 275, 323, 356, 359, 362, 366, 370, 371, 381, 384, 391, 393, 471
  • symboliseren, 320, 354; gesymboliseerd, 207, 219, 221, 179, 300, 304, 330, 340, 355, 455, 463
  • symbolisme, 7, 9, 11, 12, 18-21, 34, 35, 59, 107, 110, 121, 125-127, 129, 130, 135, 138, 140, 143, 148, 151, 152, 158, 163, 165, 171, 173, 237, 267, 269, 271-274, 276, 278, 280, 281, 284, 286, 288, 290-292, 294, 296, 298, 300, 301, 302, 304-306, 310, 312, 314, 316-318, 320, 322-324, 326, 328, 330, 332, 334, 336, 338-344, 348-350, 352, 354-356, 358, 360, 362, 364, 366, 368, 370, 372-374, 376, 377, 379, 382, 383, 411, 463-465, 470, 474, 475; katholiek –, 11, 273, 320, 323, 338; kosmisch –, 11, 274, 281, 301, 338, 343, 411, 475
  • symbolist, 147, 165, 179, 261, 273, 274, 297, 298, 305, 339, 340, 342, 353, 367, 372, 382, 469-471, 473
  • symbolistisch, 35, 54, 58, 59, 111–113, 117, 119, 120, 124, 127, 138, 178, 225, 238, 272, 274, 276, 285, 286, 291, 295, 305, 306, 314, 317, 318, 320, 327, 344, 348, 352, 353, 355, 357, 358-371, 374, 376, 377, 381, 383, 392, 399, 408, 440, 444, 474
  • symbool, 35, 43, 50, 58, 70, 112, 125, 135, 138, 139, 141, 155, 187, 193-195, 197, 201, 204, 209, 213, 216, 219–223, 246, 256–258, 272, 273, 278, 280, 281, 285, 287, 295, 302, 303, 330, 334, 336, 339, 340, 342, 349, 352, 356, 362, 383, 384, 386, 391, 397, 401, 408, 415, 429, 448, 449, 464, 471, 474
  • synergie, 178, 193, 208, 298, 403
  • synthese, 66, 112, 113, 117, 119, 125, 129, 271, 272, 355, 412, 429, 458, 474
  • synthetisch, 64, 87, 96, 97, 107, 112, 125, 126, 129, 130, 165, 267, 271, 272, 292, 317, 319, 323, 338, 383
  • synthetisme, 7, 9, 11, 12, 18, 19, 21, 58, 69, 112, 117, 125, 126, 128-130, 138, 141, 158, 171, 173, 237, 238, 271-274, 276, 278, 280, 284, 286, 288, 290, 292, 294, 296, 298, 300, 302, 304, 306, 310, 312, 314, 316-318, 320, 322-324, 326, 328, 330, 332, 334, 336, 338, 340, 342, 344, 348, 350, 352, 354, 356, 358, 360, 362, 364, 366, 368, 370, 372, 374, 376, 377, 379, 382, 422, 464, 465, 471, 474

T

  • tabernakel, 68, 175, 196, 215, 216, 220, 234, 356
  • tableau, 9, 171, 178, 279, 284, 286, 287, 295, 302, 307, 340, 341, 343, 344, 348, 352, 353, 358, 363, 366, 377, 411; – vivant, 295, 340, 344, 348, 352, 353, 358
  • Tachtigers, 145, 294
  • tactiel, 65, 139, 222, 267, 382, 427, 451, 461, 470, 471
  • tafereel, 30, 34, 51, 56, 57, 83, 94, 95, 112, 158, 159, 174, 178–180, 183, 184, 186–190, 199, 207, 217, 219, 223, 227, 228, 230, 240, 243, 248–250, 256–259, 262, 263, 266, 280, 287, 293, 311, 314, 317, 319, 320, 326, 334, 342, 344, 361, 364, 372, 393, 397, 399, 402, 411, 417, 419, 421, 422, 425, 448, 450, 458, 459, 462, 470, 471
  • talent, 34, 36, 47, 60, 62, 71, 72, 77, 81, 117, 121, 126, 127, 130, 137, 145, 151, 153, 157, 158, 165, 169, 171, 173, 174, 177, 201, 237, 243, 250, 257, 281, 302, 321, 327, 335, 339, 358, 372, 424, 439, 451, 461, 474
  • talige, 20, 107, 108, 114, 128, 135, 136, 143, 164, 383, 423, 474
  • tapisserie, 257, 266
  • techniek, 7-10, 17, 19, 20, 22, 34, 36, 43, 45–53, 57–59, 61, 62, 67, 69, 81, 83, 84, 88–91, 93, 94, 97, 98, 100, 101, 103, 121, 125, 127, 135, 137, 138, 150, 162, 172, 179, 181, 183–185, 211, 227, 243, 249, 260, 266, 272, 318, 348, 358, 369, 375, 382, 388, 399, 402, 406, 407, 435, 437, 451, 460, 466, 468, 474
  • tegeltableau, 11, 179, 321, 355
  • teken’kunst, 7, 41, 75; –onderwijs, 36, 115, 116, 339; –scholen, 41
  • tempel, 41, 45-47, 164, 174, 221, 223, 276, 284, 286, 312, 458, 464
  • Tempeliers, 261
  • tempera, 7, 8, 48, 50-53, 57, 62, 89, 100-103, 406, 476, 477
  • temperament, 379, 285, 396
  • tentoonstelling, 16 ,29, 44, 61–63, 113, 121, 123, 137, 140, 142, 147, 150–152, 158, 159, 162, 208, 263, 273, 311–315, 318, 323–325, 348, 356, 362, 372, 375, 379, 384, 385, 407, 409, 413, 422, 435, 436, 443, 454, 456, 465, 466, 470
  • terpentijnolie, 103
  • Testament (Nieuw), 173, 189, 203, 216, 217, 235, 243, 300, 330, 397, 415, 419, 447; Oude –, 160, 189, 215, 237, 286, 300, 302, 454
  • tetragrammaton, 216, 343
  • tetramorf, 211, 212, 258
  • tex’tuur, 34, 65, 86, 139, 234, 333, 382, 470; –turaal, 65, 70, 418
  • theatraal, 237, 325, 447
  • theologie, 135, 136, 254, 379
  • theologisch, 9, 66, 121, 132, 134, 149, 196, 214, 226, 280, 281, 291-293, 361, 363, 440
  • theorie 45, 47, 50, 55, 58, 75, 269, 285, 310, 386, 431, 449, 469; kunst–, 107, 116, 180
  • theosofie, 361, 368, 371, 372; theosofisch, 11, 147, 359-361, 365, 367, 368, 370, 371, 376, 470
  • Theotokos, 245
  • thèta, 334
  • tiara, 196, 198-220, 278, 334
  • tijdgeest, 382, 425
  • timor dei, 215, 216
  • Titiaan, 379
  • toetssteen, 9, 10, 114, 130, 137, 142, 223, 262, 273, 328, 388, 403, 466, 475
  • tollenaar [Nieuwe Testament], 243, 253
  • tonaliteit, 95, 142
  • toneel, 51, 109, 111, 137, 145, 171, 178, 190, 197, 205, 210, 225, 227, 237, 281, 305, 312, 340, 352, 357, 358, 376, 377, 435, 437, 474
  • tongewelf, 255-257, 427
  • topoi, 181, 287
  • toren, 53, 281, 310, 335, 343; –van David, 193, 256, 415, 423
  • traceringen, 342, 344, 359, 361, 374, 377; raam–, 317, 342, 344, 374; venster–, 231, 343
  • traditie, 17, 19, 37, 40, 44, 46, 73, 80, 90, 91, 94, 111, 114, 116, 124, 128, 137, 150, 153, 157, 165, 171, 174, 175, 177, 178, 183, 186, 191, 195, 197, 207, 208, 211, 213, 219, 231, 239, 253, 257, 259, 264, 280, 281, 285, 291, 292, 298, 315, 320, 325, 331, 339, 352, 354, 357, 360, 365, 372, 377, 379, 380, 391, 398, 400, 401, 408, 464, 467, 470, 471
  • traditio’neel, 28, 29, 81, 107, 172, 185, 208, 221, 240, 250, 251, 280, 281, 332, 334, 336, 338, 359, 360, 384, 398, 415, 418, 422, 423, 442, 445, 454, 461, 465; –nalistisch, 15, 68, 431
  • trait d’union, 214
  • traktaat, 49, 87, 88
  • transcen’dent, 128, 272, 473; –dentale, 149; –dentele, 274, 376; –dentie, 11, 128, 131, 136, 274, 440, 444
  • transcriptie, 44, 189, 469, 476
  • transept, 184, 185, 199, 202, 207, 341, 420, 469
  • transfiguratie, 422
  • translatie, 343
  • transparant, 86, 89, 93, 101, 235, 251, 365, 417, 421, 427
  • transsubstantiatie, 126, 201, 202, 444, 447
  • Trap des levens, 12, 48, 102, 341, 367, 368
  • trecento, 88
  • triomf, 11, 175, 201, 214, 237, 307, 309, 330, 353; –boog, 11, 68, 94, 97, 175, 182, 194, 195, 197, 203, 212-217, 223, 224, 251, 332, 348, 354-356, 437-440, 472; –kruis, 195, 356, 438, 439
  • triomferende kerk (zie ook overwinnende kerk), 10, 191, 214, 234, 240, 246, 257, 261, 448, 454, 471
  • triplex, 71, 100, 101, 287, 290
  • trits (zie ook gotiek-barok-expressionistisch en klassiek-barok-modern), 22, 149, 150, 208, 214, 221, 225, 238, 260, 297, 332, 338, 354, 422, 458, 460, 464, 469, 472, 473
  • triumviraat, 176, 180
  • Tronen (zie ook hiërarchie der engelen), 419, 449
  • troon, 175, 194-196, 199, 201, 209, 211, 214, 216, 234, 235, 398
  • Tuin der weeën, 291
  • Tweede Vaticaans Concilie (zie ook Vaticanum II), 197, 472
  • tweedimensionaal, 56, 115, 222, 244, 326, 329, 338, 426, 469, 471; tweedimensionaliteit, 56, 182, 225, 275, 344, 469
  • type, 15, 25, 29, 46, 77, 92, 98, 108, 111, 116, 118, 124, 135, 157, 166, 172, 177, 179, 181, 183, 190, 194, 197, 202, 206, 207, 210, 227, 236, 244, 245, 250, 258–260, 271, 274, 275, 280, 284, 285, 294–297, 312, 320, 321, 328, 331–334, 337, 344, 357, 361–364, 367, 370, 383, 384, 388, 391, 393, 395, 406, 409, 411, 417, 418, 422, 426, 428, 434, 436, 439, 445, 454, 468, 470-472
  • typologie, 10, 22, 172, 177, 193, 197–199, 201, 238, 258, 274, 301, 327, 334, 465, 468
  • typus, 7, 35

U

  • uitdrukking, 2, 16, 34, 52, 54, 59, 61, 62, 68, 69, 71, 73, 111–113, 125, 129, 132, 138, 141, 142, 150, 157, 164, 173–176, 193, 197, 217, 222, 234, 236, 237, 240, 243, 244, 254, 257, 258, 260–262, 280, 281, 287, 292, 294, 303, 304, 311, 325, 326, 332, 334, 338, 340, 344, 352–354, 360, 366, 368, 370, 377, 381–384, 391, 396, 400, 402, 406, 411, 420, 426–428, 439, 443, 450, 454, 468, 470, 472.
  • uitdrukkings’middel, 124, 470; –vorm, 40, 112, 121, 154, 210, 222, 380, 401, 408, 466, 471; –wijze, 136, 435
  • uitharding, 93, 98, 99; –condities, 99
  • uitmonstering, 10, 23, 25, 29, 30, 48, 56, 57, 68–70, 72, 77, 80, 111, 116, 118, 157, 159, 166, 168, 171, 175–177, 179, 183, 185, 193, 201, 208, 213, 223, 225, 227–230, 234, 241–243, 247, 249–251, 254, 255, 261, 263, 266, 276, 280, 323, 329, 332, 334, 335, 338, 343, 353, 359, 360, 362, 369–372, 380, 386, 389, 391, 395, 399, 413, 414, 418, 429, 431, 437, 440, 442, 445, 447, 451, 462, 465–467, 469, 472, 473
  • uitzettingscoëfficiënt, 99
  • ultramarijn, 87, 97, 295, 476, 477
  • universum, 108, 132, 219, 305, 368, 423, 455, 470
  • Ut pictura poesis, 114, 180

V

  • vaasfiguurschilderkunst, 425
  • vakmanschap (zie ook ambachtelijkheid), 61, 71, 80, 90, 137, 149, 193, 238, 284, 344, 353, 356, 383, 415, 460
  • Vanitas, 395
  • Vaticanum II (zie ook Tweede Vaticaans Concilie), 176, 243, 253
  • Veertiende zondag na Pinksteren, 11, 298, 310, 314, 392
  • venster, 37, 76, 176, 200, 213, 223, 251, 275, 342, 343, 363, 374, 399, 417, 442; –harnas, 342, 344; – traceringen (zie aldaar)
  • verbeelding (combinerende), 208, 225, 267, 298, 450
  • verbeelding, 9, 44, 59, 94, 147, 159, 163, 173, 177, 208, 213, 225, 237, 250, 264, 267, 280, 298, 338, 356, 364, 376, 383, 384, 401, 412, 440, 450, 469, 473; –kracht, 273, 280, 359, 372, 377, 391, 474; –leven, 165, 280, 338, 384
  • Verbi divini inspiratio, 11, 307
  • verbond, 54, 153, 189, 215, 217, 220, 237, 243, 244, 301, 302, 305, 343, 379, 415, 441, 447, 449, 450, 454, 455
  • verdigris, 87
  • verdubbeling, 275, 286
  • verdwijnpunt, 69, 248, 249, 253, 281, 307, 311, 318, 326, 384, 402, 404, 411
  • verf, 8, 50, 51, 75–77, 83, 84, 86–89, 91–104, 114, 139, 158, 185, 234, 255, 260, 267, 280, 314, 382, 461, 470, 476; caseïne–, 7, 49, 52, 53, 109, 235; –industrie, 20; –materiaal, 475; mineraal–, 20, 52, 62, 72, 88, 93, 369; olie–, 43, 46, 51, 53, 83, 94, 95, 103, 104, 185, 223, 260, 267, 390, 400, 416, 424; silicaat–, 92, 101; was–, 7, 20, 48, 51, 52, 62, 81, 83, 475; waterglas–, 52; water–, 53, 84, 366
  • vergeving, 120, 199, 414, 449, 450; –macht, 199
  • verhaal, 21, 49, 62, 64, 68, 107, 108, 112, 124, 131, 133, 178, 180, 183, 187, 188, 196, 197, 225, 239-241, 243, 250, 258, 273, 278, 292, 298, 300, 302–304, 311, 315, 334, 359, 362, 370, 383, 390–392, 406, 407, 419–421, 434, 442, 443, 447, 450, 451, 458, 459, 463, 467; verhalend, 116, 174, 177, 180, 187, 207, 240, 243, 250, 255, 267, 315, 396, 402, 403, 406, 422, 425, 442, 450, 462, 467, 471; –verteller, 166, 177, 187
  • verheven, 125, 128, 180, 200, 204, 207, 214, 229, 231, 239, 244, 251, 260, 300, 334, 399, 401, 407, 418, 437, 463, 465, 469, 470
  • verhouding, 25, 34, 47, 50, 65, 68, 86, 113, 115, 130, 140, 154, 177, 178, 182, 183, 280, 285, 291, 333, 334, 363, 383, 424, 458, 468, 473
  • verhoudingsbeelding, 12, 384, 421, 473
  • verkort, 166, 361, 365, 401, 402, 448
  • verlangen, 41, 123, 124, 137, 138, 144, 148, 151, 159, 305, 396, 442, 444
  • verloren paradijs, 10, 214, 455
  • Verlosser, 134, 188, 198, 207, 208, 221, 237, 330, 344, 361, 383, 399, 454, 455, 457, 458, 460
  • verlossing, 12, 122, 175, 188, 201, 207, 209, 216, 219, 229, 234, 236, 243, 244, 246, 279, 280, 287, 294, 297, 301, 320, 325, 329, 330, 343, 353, 362, 399, 429, 430, 449, 450, 454, 458, 463, 472; –werk, 208, 244, 245, 292, 349, 374
  • vermurail, 12, 163, 357, 384, 386, 389, 407
  • vernieuwing, 17, 21, 37, 44, 132, 137, 153, 158, 400
  • vernis, 8, 48, 51, 103, 104, 105
  • verre muraille, 62
  • verrijzenis, 194, 237, 241, 246, 247, 253, 297, 325, 365, 407, 408
  • verschiet (zie ook perspectief), 276, 335, 342, 393
  • verte’kend (zie ook vervormd), 25, 107, 273, 388, 418, 428; –kening, 127, 187, 202, 203, 245, 258, 380, 403, 450, 466
  • verticaal, 140, 175, 207, 234, 244, 278,292, 317, 325, 328, 332, 341, 342, 356, 360, 375, 399, 411, 417, 419–442, 454, 469, 472-474
  • vervor’men, 141, 237, 380, 422, 470; –ming, 141, 151, 154, 237, 258, 384, 401, 403, 422, 470
  • verzeept, 99, 102
  • Victorie, 222, 294, 471
  • vier, 67, 74, 76, 93, 94, 104, 140, 160, 182, 187, 195, 196, 211, 220, 227, 229, 230, 248, 258, 261, 276, 278, 285, 290, 296, 328, 332, 334, 343-345, 349, 355, 356, 361-363, 369, 381, 386, 391, 403, 412, 427, 428, 451, 455; -kant, 278, 285, 287, 471; -pas, 342, 343
  • viering, 30, 84, 139, 182, 183, 196, 197, 205, 212, 278, 416, 417, 420; –koepel, 96, 276, 469; –toren, 114, 166, 259, 417,
  • Vigeliusprijs, 28, 390, 391
  • vignet, 258, 326, 443, 174, 195, 310, 458
  • virtuoos, 157, 211, 403, 429, 460; virtuositeit, 257, 356, 408, 465
  • vis, 12, 189, 193, 203, 222, 295, 334, 420, 421, 434, 443
  • visie, 16,18, 34, 36, 41, 47, 50, 53, 59, 61, 63, 68, 114, 119, 124-129, 132, 135, 148, 149, 151, 154, 159, 162, 163, 165, 173, 178, 180, 182, 183, 190, 201, 205, 206, 210, 212, 222, 236, 237, 260, 272, 285, 291, 292, 306, 311, 325, 355, 358, 365, 368, 376, 381, 383, 384, 393, 394, 400, 412, 423, 425, 428, 430, 431, 439, 444, 450, 460, 464, 466, 470, 474, 476
  • visioen, 50, 123,138, 139, 187, 196, 197, 199, 209, 211, 214, 223, 276, 286, 314, 363, 395-397, 415
  • visvangst, 246, 434
  • vita, 300, 364, 383, 395, 463
  • vitaal, 55, 153, 155, 159; vitaliteit, 151, 155, 471
  • Vitruvianisme, 470
  • vlak (vlakke, vlakken), 44, 46, 52, 56, 57, 61, 64, 65, 70, 84, 87, 95, 105, 111–113, 127, 138, 139, 146, 150, 155, 157, 161–163, 183, 195, 203, 212, 222, 226, 228, 254, 258, 262, 286, 287, 294, 295, 301, 326, 329, 330, 334, 342, 354, 360, 365, 370, 371, 374, 377, 384, 402, 404, 415, 420–422, 426, 428, 436, 437, 443, 447, 454, 461, 468, 470, 473, 477; –versierders, 112, 184, 473; –versiering, 112, 473; –werking, 326, 403
  • vloeibaarheid, 86
  • vocht, 34, 87, 92, 98, 99, 100, 103, 348; –buffer, 100; –transport, 103; vochtigheid, 52
  • voedstervader, 197, 198, 204, 214, 215, 223, 230, 336, 337, 354
  • voetspoor, 28, 30, 342, 392, 469, 472
  • volume, 222, 241, 267, 321, 344, 400,418, 427, 443, 444; volumineus, 193, 222, 225, 226, 228, 231, 236, 317, 329, 451, 461
  • voor’afbeelding, 132, 188, 189, 211, 221, 222, 301, 325, 326, 352, 383, 395, 397, 411, 414, 415; –afschaduwing, 189, 422; –beduiding, 189; –hang, 68, 352; –spreekster, 215, 226; –zetmuur, 100
  • Vorstendommen (zie ook hiërarchie der engelen), 215, 233, 419
  • vreze des heren (zie timor dei)
  • vrije wil, 121, 125, 292, 440, 471
  • vrijheid, 9, 13, 15, 25, 28, 35, 60, 97, 131, 136, 181, 368, 377, 407, 418, 422, 440, 466
  • vroom, 135, 137, 191, 193, 310, 362; –heid, 15, 70, 191, 257, 273
  • vulstof, 86

W

  • waardenstelling, 107, 172, 468
  • waardering, 10-13, 20, 36, 47, 107, 109, 115, 120, 123, 125, 134, 139, 147, 149, 157, 168, 171, 173, 177, 208, 225, 238, 253, 260, 261, 266, 284, 315, 328, 336, 353, 357, 371, 374, 376, 385, 391, 406, 431, 463, 466, 472, 474, 475
  • waardig, 13, 36, 59, 81, 135, 187, 215, 228, 300, 358, 441, 450, 469, 472; –heid, 112, 134, 144, 176, 198, 210, 215, 219, 220, 339, 361, 441, 460, 470, 472
  • waarnemingspsychologie, 178
  • wagenspel, 295
  • wandschilderkunst, 50, 62, 72, 87, 103, 116, 210
  • wapenschild, 256
  • was’mengsel (zie ook –verf), 103
  • water, 43, 53, 84, 86, 92, 93, 98, 101, 103, 189, 195, 197, 202, 251, 256, 264, 286, 293, 352, 388, 390, 392, 419, 420, 426, 428, 455, 460, 476, 477
  • water’glas (zie ook –verf), 52, 92
  • waterstaatskerk, 30
  • Wederopbouw, 7, 17, 19, 25, 29, 60, 61, 64, 238, 474, 475
  • weefsel, 330, 361, 406
  • wereldbol, 196
  • Wereldoorlog (Eerste ), 63, 74, 113, 123, 142, 152, 158, 291, 313, 386, 408; Tweede –, 118, 190, 263, 315, 316, 408
  • Wereldtentoonstelling, 61, 162, 328, 357, 431
  • werken van barmhartigheid, 264-266, 365-366
  • werkman, 198, 258, 284, 302, 310, 362, 366, 372
  • werkplaats, 28, 29, 42, 49, 58, 168, 331, 336, 443
  • wiel, 191, 209
  • wierook, 211, 216, 221, 234
  • wijsheid (zie ook sapientia), 134, 136, 204, 209, 215, 228, 230, 243, 301, 395, 397, 440, 470
  • winkelhaak, 215
  • Wonderbaarlijke vermenigvuldiging van vis en brood, 12, 420-422
  • Worgengel, 392-394, 400

X

  • XC [Christus] 202, 334

Z

  • zachtboard 20, 100-101, 255, 474
  • zaligsprekingen, acht, 76, 208-210, 317, 362
  • zang(er), 205, 223, 240, 269, 300, 328, 334, 340, 365, 368; koor–, 215; lof– of jubel–, 201, 205, 216, 229, 261, 287, 298, 443; tegen–, 229
  • zangerstribune, 223, 365-368
  • zegel, 55, 58, 198, 211, 220, 235, 268, 332, 339, 341, 360-361
  • zeggingskracht, 123, 172, 180, 250, 253, 267, 269, 273, 406, 463, 471
  • Zeitgeist (zie ook tijdgeest), 381
  • Zelfopoffering (zie offer)
  • Zelfportret (zie ook portret), 12, 150, 295, 411-413, 451
  • Zetel der Wijsheid (zie ook Sedes Sapientiae), 228. 230, 414
  • zeven (zie getal, getallensymboliek), 176, 209, 211, 212, 214-218, 220, 229, 244, 251, 278, 318, 332, 354, 362, 371, 418; – geesten, gaven van de heilige Geest, 176, 209, 215, 216, 219, 235, 244, 257; – sacramenten, 176, 220, 278, 318, 330, 362; – smarten van Maria, 226, 280, 354; – (paradijs)stromen of watersprongen, 195, 197
  • ziel(en), 60, 70, 121, 123-125, 127, 128, 134, 141-144, 149, 152, 153, 159, 163, 195, 201, 221, 257, 276, 278, 284, 286, 287, 294, 300, 303-305, 310, 313, 352, 360, 364, 265, 367, 368, 381, 395-399, 401, 411, 412, 439, 442, 444, 445, 448, 472-473; zieleleven, 123, 125; zielenweger, 215, 256, 320
  • zielenherder, zielzorg, 176, 439, 442, 454, 463
  • zilvernitraat, 407
  • zinkwit, 96-97, 476
  • zinnelijk(heid), 107, 113, 122, 145, 149, 155, 159, 163, 197, 222, 257, 286, 292, 300, 303-304, 383, 423, 439, 471; zinnen, 09, 122, 128, 145, 148, 301, 383, 412; zintuig(lijk)(heid), 23, 125, 127-129, 145, 161, 216, 234, 272, 273, 313, 314, 383, 408, 412, 468, 474
  • zon, 144, 149, 151, 195-196, 209, 212, 216-217, 219, 223, 228, 231, 251, 287, 361, 393, 396-398, 414, 424, 443, 455; – der genaden, 195, 219, 356, 361; – der gerechtigheid (sol iustitiae), 174, 195, 216, 217, 258, 262, 356, 361
  • zonde(n), 71, 195, 199, 215, 226, 317, 353, 361, 442, 450, 458, 470; erf–, 189, 200, 221, 320, 362, 450 –val, 44, 189, 190, 207, 208, 246, 278, 429, 448, 449, 454-455
  • zondvloed, 343, 415
  • zonne’bloem, 13, 42, 256, 442, 443; –lied (Franciscus), 199, 397, 440, 443; –schijf (gevleugeld), 219
  • zout(en), 51, 86, 98-99, 103, 348
  • zoutuitbloei, 87, 97, 98
  • zwaard, 169, 214, 215, 217, 266, 274, 321, 329, 439, 442, 449, 450, 465; vlammend–, 278, 320, 450
  • zwanenzang, 63, 183, 269
  • zwart, 16, 55, 57, 87, 95-97, 220, 235, 287, 318, 341, 370, 374, 375, 392, 396, 399, 411, 421, 423, 427, 435, 436, 476, 477
  • zwartgallig, –heid (zie melancholie), 285, 506
  • zwik, 96, 209, 211, 229, 243, 248, 251, 278, 321, 326

 


  1. De foto’s betreffen van links naar rechts: Piet Gerrits in de Gerardus Majellakerk te Tilburg, Kees Dunselman in de Obrechtkerk te Amsterdam en Jan Toorop in het Museum Catharijneconvent Utrecht. Ze kunnen gedownload worden via de beeldbank van de RCE en zijn gemaakt door Pixelpolder.

    Verkorte link: http://bit.ly/1QPco2y

    < Terug naar De genade van de steiger

Recensies & signalementen

Nota bene — Wie liever eerst wil kijken bij de samenvatting van het boek dan naar de recensies, kan deze link volgen.

Mieke Rijnders recensie-

Recensie Mieke Rijnders ‘Genade van de steiger’ in Museumtijdschrift, mei 2014.

  • Mieke Rijnders geeft een pittig lovende recensie onder de titel, ‘Roomse schilderkunst’, in Museumtijdschrift van mei 2014.
  • Henk van Os was aangenaam verrast door De genade van de steiger, zoals ook uit bijgaand signalement in Kunstschrift blijkt.
  • het enthousiaste artikel van Caspar Cillekens in Dagblad De Limburger.
  • ook het laatste nummer blad van het bisdom Roermond spreekt over ‘een standaardwerk maar zeker ook een lust voor het oog’.
  • een lovend verhaal van kerkenspecialist en VU-promovendus Herman Wesselink, nota bene op de site van Protestant.nu (in iets uitgebreidere vorm tevens te vinden in het laatste nummer van het Cuypersbulletin).
  • in de categorie klein, maar fijn, het signalement van dr Jos Pouls.
  • een mooie recensie op de site van De Leestafel, die illustreert dat wat we beoogd hebben met dit boek – de herwaardering van de monumentale schilderkunst – gaat lukken.

Het boek kan rechtstreeks besteld worden bij de Walburg Pers!

Wordt vervolgd!

B.1

Voetnoot:


  1. Verkorte link van dit item: http://wp.me/P4eh3s-sU