Clemens Merkelbach van Enkhuizen

Clemens Merkelbach van Enkhuizen — De nieuwsbladen kopten het al: Clemens Merkelbach van Enkhuizen schenkt zijn Bredase oeuvre aan Stedelijk Museum Breda en dit wordt gevierd met een tentoonstelling die loopt tot en met 23 februari 2020. Het thema is ‘Verstilling en verandering’: je komt oog in oog te staan met de ingrijpende afbraakprocessen die Clemens heeft vastgelegd van kerken van de architecten Cuypers* en hun leerlingen, zowel in Breda als in zijn latere woonplaats Amsterdam. Maar ook het verdwenen landschap van Gageldonk bij Prinsenbeek (Breda) komt in beeld.

Wat was de bijdrage van ons bureau? Het positioneren van dit deel van zijn oeuvre in de context van de verschillende relevante kunsthistorische stromingen. Dat was spannend werk, want als erfgoedspecialisten zijn we nog maar net begonnen met het waarderen van werk dat niet tot de avant-garde behoort, zoals dat van Clemens. Ook wij leren hierdoor opnieuw te kijken en ons gereedschap te ijken. Daarbij bots je ook tegen je eigen vooroordelen aan. Een mens wordt altijd wat kriebelig als de zoveelste verwijzing naar Vincent van Gogh langs komt. Kun je een groter cliché bedenken? Heeft die kunstenaar niet zelf genoeg in huis om het zonder zo’n gewilde opwaardering met Van Gogh te doen? In dit geval zaten we er goed naast. We spreken anno 1958 en de voorganger van Stedelijk Museum Breda organiseert een tentoonstelling over Van Gogh. Hier komt Clemens als jonge man van nog geen twintig voor het eerst direct in aanraking met het werk van Van Gogh, in al zijn kleurrijke en haptische weelde. En dat heeft een verpletterende indruk op hem gemaakt. Keer op keer komt hij terug, ook om anderen rond te leiden en in zijn enthousiasme te laten delen. 

De andere bijdrage die we hebben geleverd was het schrijven van de tekstbordjes van de tentoonstelling. In 60 woorden aan de toeschouwer uitleggen waar het om draait in het werk wat hij ziet, is echt een hele uitdaging! We komen er nog op terug!

Down memory lane — Voor Bernadette was dit project ook nog een trip down memory lane, zoals ze hieronder vertelt:

Het was een heerlijk project om aan mee te werken. Curator Linda Eversteijn* en ik kennen elkaar van Museum aan het Vrijthof. Ze zag de naam Cuypers staan, toen ze zich ging inlezen in haar project over Clemens. ‘Cuypers, mmm … Bernadette’; en zo kwam er iets moois op mijn pad. Het toeval wil dat ik Clemens in de jaren tachtig al heb leren kennen toen hij het dubbelportret schilderde van mijn oom en tante op het Geudje in Ohé. Ons gesprek ging al heel snel over Cuypers en om een lang verhaal kort te maken … Clemens maakte een prachtige tentoonstelling in het huidige Cuypershuis met behulp van zijn tekeningen en zijn collectie objecten uit de gesloopte kerken; dat was bij gelegenheid van het eeuwfeest van het Rijksmuseum in 1985. Peter van Dael die ook aan de Bredase expositie meewerkt, hield destijds een mooie inleiding. Dat gaat hij 17 augustus bij de officiële feestelijkheden in Breda weer doen. Zo wordt de cirkel gesloten.*

Nieuwsgierig geworden? Lees dan verder in het bericht hieronder dat het museum aan de pers heeft verstrekt.

Stadsblad 2-8-19, Clemens Merkelbach, B

Breda is een stad die op een verrassende manier rijk is aan kunst en cultuur, zoals we hebben ontdekt bij ons project #KunstinBreda. Als je naar de tentoonstelling gaat, wandel dan eens een van de kerken binnen die we behandeld hebben, zoals de kathedraal of de Begijnhofkapel. Heb je meer tijd, ga dan de Laurentiuskerk bezoeken van het Ginneken, ontworpen door Joseph Cuypers en Jan Stuyt. Zeer de moeite van een bezoek waard!

;-) B&M

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen
  • De volledige titel luidt: Kuilman, Dingeman, Linda Eversteijn, Peter van Dael, en Bernadette van Hellenberg Hubar. Clemens Merkelbach van Enkhuizen. Verstilling en verandering | Stillness and change. Breda: Stedelijk Museum Breda, 2019.
  • We spreken tegenwoordig over de architecten Cuypers, omdat inmiddels gebleken is dat zowel Pierre J.H. Cuypers en zijn zoon Joseph Th.J. Cuypers, als Joseph Th.J. Cuypers en diens zoon Pierre J.J.M. Cuypers op zo’n manier hebben samengewerkt dat van een dubbel of zelfs drievoudig auteurschap gesproken kan worden. Een markant voorbeeld is de zogenaamde kathedraal van Amsterdam, de Willibrordus buiten de Veste, die Clemens tijdens de sloop heeft getekend. De oostpartij was van Pierre J.H. Cuypers, schip en transept van zijn zoon Joseph en de vieringtoren van Pierre J.J.M. Cuypers.
  • Linda Eversteijn heeft haar eigen bedrijf DichtbijKunst en werkt in opdracht van musea en andere instellingen aan tentoonstellings- en collectieprojecten, kunsteducatie en workshops/trainingen rondom mindfulness en kunst.
  • Deze tekst is gebruikt voor verspreiding van dit bericht op de sociale media. Over de tentoonstelling in het Cuypershuis verscheen een artikel in Heemschut 1985 (pp. 174-175).
Sociale media en erfgoed

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media in zowel om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. Centraal hierin staat onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB

Ga eens kijken en ‘like’ onze pagina, zodat de berichten over onderwerpen als de voorgaande een nog grotere actieradius bereiken!

Je kunt ons en andere onderzoekers ook helpen door deze pagina te delen via de knop delen onderaan de pagina (graag de hashtag #ClemensSMB gebruiken).

Verkorte link van dit item: bit.ly/2M6JQFt-VanHH2Org

Gerard van Wezel (1951-2018)

Gerard — Maandag 23 april 2018 hebben we afscheid genomen van onze lieve vriend Gerard van Wezel tijdens een mooie plechtigheid in het crematorium van Bilthoven. Zijn wederhelft, Paul van den Akker, blikte terug op 35 jaar harmonisch samenzijn en vertelde over de moeizame laatste tocht die onvoorzien leidde tot het overlijden van Gerard. Hij richtte een drieluik voor hem op, waarvoor hij drie sprekers uitnodigde om dit te beschilderen: chronologisch vroeg Paul mij te spreken over architectuur en monumenten, Hans Janssen van het Gemeentemuseum van Den Haag over Gerards liefde voor Jan Toorop* en Mariëtte Haveman over de collectie Van Wezel.* Ieder van ons heeft licht geworpen op de veelkleurige persoon die Gerard was en het is verdrietig om te beseffen dat we nooit meer dat warme timbre van zijn stem zullen horen, nooit meer de in rap tempo versnellende argumentatie over iets dat hem bewoog, nooit meer dat vrolijke lachen …

Gerard van Wezel, Paul van den Akker, Marij Coenen en Bernadette van Hellenberg Hubar bij Droomkunst in Singer Museum Laren. Collage van foto's van Marij Coenen en van Paul van den Akker (linksboven), 6 juli 2014.
Praten, praten en nog eens heerlijk praten bij het bezoek aan Droomkunst, de tentoonstelling van de collectie Van Wezel in Singer Museum Laren. Op de foto’s Gerard van Wezel, Paul van den Akker, Marij Coenen en Bernadette van Hellenberg Hubar. Collage van foto’s van Marij Coenen en Paul van den Akker (linksboven), 6 juli 2014 (klik op de afbeelding voor een vergroting).

Gerard (1951-2018)

Gerard en ik deelden een passie! Of eigenlijk we deelden er twee. Intensief bezig met monumenten werd onze aanvliegroute bepaald door hout, steen en ijzer, en constructies in alle soorten en maten. Maar daarnaast was er die andere passie, en wel de liefde voor schilderingen. Ik zeg hier expres schilderingen, want de collectie van Gerard doet vermoeden dat het bij hem alleen om de roerende schilderkunst ging. Maar dat klopt niet! Gerard was ook geboeid door de monumentale variant en die bracht ons bij elkaar. Bij mij begon die fascinatie bij Cuypers (de man van het Rijksmuseum), bij Gerard – jawel, hij komt weer langs – bij Toorop. Het bijzondere was dat Gerard niet bleef steken bij de beroemde werken voor de beurs van Berlage – ware iconen – maar de moed had het veel verguisde, roomse werk van Toorop op het podium te plaatsen. Ook dat maakte de tentoonstelling van 2015 zo bijzonder.

Doordat hij ook met dit facet van Toorop bezig was, viel hem iets op wat niemand binnen de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) had gemerkt: dat er niets bekend was over de monumentale interbellum schilderkunst, de tijd dat Toorop zich aan verschillende experimenten waagde op het gebied van kerkelijke schilderingen en glas in lood. Het was vrijwel onmogelijk om zijn werk te positioneren. Maar dat was niet het enige. Hoe moest je als instelling voor beschermde rijksmonumenten hiervoor beleid ontwikkelen als er niets over bekend was. Daar moest wat aan gedaan worden. Dat Gerard daarmee een vooruitziende blik had, wordt vandaag de dag bevestigd met de hausse aan kerksluitingen. Bij de besluitvorming tellen de schilderingen na 1900 tegenwoordig mee, terwijl die voor 2013 tot de marge veroordeeld waren. Ik noem 2013 omdat dit het jaar was waarin onze coproductie gereed kwam: De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum.* Ik heb een exemplaar meegenomen en iedereen mag er in bladeren, zijn of haar naam inzetten, met koffie of thee morsen en vetvlekken achterlaten … als een memento wil ik het straks aan Paul geven, als een symbool van wat Gerard op het gebied van boeken heeft klaargespeeld. Daar kom ik nog op terug.

De erfenis van Gerard is niet gering en des te meer bijzonder omdat hij autodidact was; misschien wel de enige autodidact die ooit de Karel van Manderprijs heeft gekregen, de hoogste onderscheiding van de Vereniging van Kunsthistorici in Nederland. Dat was voor zijn monografie over het kasteel van Breda, waarop hij had kunnen promoveren.* Maar dat wilde hij niet … ach nee, zo’n gezeur, zei hij toen ik er hem naar vroeg. Wat zeker een rol zal hebben gespeeld, was dat Gerard eigenlijk niet echt graag schreef en dat terwijl hij dol op boeken was, ook als het om de esthetische kwaliteiten ging. Dat niet zo graag schrijven botste regelmatig met zijn ambitie om dingen over het voetlicht te brengen en maakte hem daarin selectief. Bij hem was het niet ‘pick your battles’, maar ‘pick your books’. Hij was zeker – ook als je naar zijn verzameling kijkt – meer de intuïtieve beelddenker dan een woordmens, wat hij overigens gemeen had met zijn grote voorbeeld Toorop. Als ik het een tikkeltje chargeer, ging het bij hem meer om het woordeloze begrijpen – de ervaring van het mooi vinden – dan om het educatieve verklaren. Daarom was het maar goed dat Paul er was en daarom was hij ook zo blij dat ik me bij ons project wel met uitleg en verklaren bezighield. We vulden elkaar aan met zijn kennis over het symbolisme en die van mij over de iconografie en liturgie en hadden er plezier in dat we beiden open genoeg waren om dingen te herijken en mooi te vinden die waarschijnlijk ook in dit gezelschap nog als non-kunst betiteld zullen worden. Voor Paul leidde dit project ertoe dat hij een prachtig artikel schreef over hoe kunstuitingen eerst wetenschappelijk – cultuurhistorisch – interessant worden gevonden, voordat men ze mooi gaat vinden.* Ik weet zeker dat Gerard op dit moment ergens boven zit te genieten dat dit nu vandaag verteld wordt.

De kruisweg van Jan Toorop in 'De genade van de steiger' (2013). Herkomst beeldmateriaal RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2012.
Een van de meest bijzondere kruiswegen op nationaal, zo niet Europees niveau, is die van Jan Toorop in de Bernulphuskerk van Oosterbeek die binnen afzienbare tijd gesloten zal worden. We kunnen ons nu al zorgen gaan maken wat dat betekent voor de toekomst van dit oeuvre. Gerard heeft me aangemoedigd om in ‘De genade van de steiger’ (2013) – waar dit ‘centerfold’ vandaan komt – alle aandacht te besteden aan het katholieke oeuvre van Toorop. De invloed van Toorop is ook op dit gebied ontzaglijk groot geweest, mede doordat hij door de elkaar bestrijdende generaties unaniem als autoriteit erkend werd. Herkomst beeldmateriaal RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2012 (klik op de afbeelding voor een vergroting).

Gerard was een inspirator. Onze autodidact was behept met een zeldzaam goede neus waar de expertise vandaan gehaald moest worden. Als ik mag spreken van een opus magnum dan is het toch wel de reeks bouwsculptuur die hij vanuit de RCE met WBooks heeft opgesteld. Stuk voor stuk geschreven door experts in een veld, dat voor veel mensen niet meer dan een superspecialisme is, maar Gerard als beheerder van de collectie bouwfragmenten van de RCE na aan het hart ging. Over de collectie van de oudste sculptuur in Nederland, maakte hij zich overigens grote zorgen. Hij zag met lede ogen toe hoe de digitalisering doorschoot en bij de overheid de mening postvatte dat het tastbare object rustig kon verdwijnen als het maar in enen en nullen was vastgelegd. Ook hier was het magische woord positioneren. Alleen zo zou respect afgedwongen kunnen worden voor dit haast ingekuilde erfgoed. En daar heeft hij voor gezorgd door kenners aan het werk te zetten die een kwartet schreven, gewijd aan de Sint-Eusebiuskerk te Arnhem, de Sint-Maartenskerk te Doorn, de bouwsculptuur van de Utrechtse Dom en de Sint-Jan te ‘s-Hertogenbosch.

Nu was een boek maken met Gerard niet alledaags, zoals zijn ‘huisuitgever’ Johan de Bruijn kan bevestigen. Gerard wist namelijk precies wat hij wilde, ook als het om vormgeving ging. Kwaliteit stond daarbij altijd voorop en als de uitgever niet zag waar het toe leidde, zette Gerard gewoon door; en terecht. Bij ons boek heeft hij een forse strijd geleverd om de rode achtergrondkleur erin te houden en die strijd bekroonde hij door bij de presentatie te verschijnen met een even zo rood overhemd. Iedereen hier weet hoe bijzonder dat was, Gerard die afweek van zijn monochrome uitmonstering in zwart en grijs!


Marij gefeliciteerd door Twinkel namens Gerard en Paul (2017).
Twinkel de boxer (2005-2017) feliciteert Marij. Aan Gerard als hondenmens is op 23 april het item in de reeks ‘Gedicht op maandag’ (#Gom) gewijd onder deze link.

Paul heeft me gevraagd om iets te vertellen over Gerard als kunsthistoricus, maar ik kan dit verhaal onmogelijk afsluiten zonder te vertellen over Gerard als hondenmens. Want ook daar hebben we elkaar in gevonden, ook al hadden wij (Marij en ik) geen boxer! Toen wij thuis problemen kregen met onze nieuwe hond – ook geen boxer – was Gerard de enige die wist wat we moesten doen om haar aan te pakken. Dat heeft geleid tot een aller plezierigste huisgenoot en daar zijn wij hem nog altijd heel dankbaar voor.

Laten we straks op Gerard drinken en verhalen uitwisselen en bedenken hoe fijn het was dat we deze inspirerende man hebben mogen kennen. De tijd van rouw komt snel genoeg.

Bernadette
23 april 2018

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen

De * in de tekst hierboven verwijst naar de volgende publicaties (opgemaakt met Zotero):

  • Wezel, G.W.C. van. Jan Toorop: zang der tijden. [Den Haag]: Zwolle: Gemeentemuseum Den Haag; WBOOKS, 2016.
  • Wezel, G. W. C. van, Jan Rudolph de Lorm, Mariëtte Haveman, Paul van den Akker, Anne van Lienden, Karlien Metz, en Tom Haartsen. Droomkunst 1900 & 2000: de kunst van twee fin de siècles. Zwolle: WBOOKS, 2014.
  • Hubar, Bernadette van Hellenberg, Angélique Friedrichs, en G. W. C. van Wezel. De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum. Amersfoort-Zutphen: Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Walburg Pers, 2013.
  • Wezel, G.W.C. van. “Het paleis van Hendrik III, graaf van Nassau te Breda. Waanders Uitgevers, Zwolle / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1999 · dbnl”. DBNL, 2011. bit.ly/2HpFFyM-VanWezel.
  • Het artikel van Paul is een bewerking van de lezing, die hij hield bij de presentatie van De genade van de steiger in de Obrechtkerk te Amsterdam, 21 november 2013.* Het zal dit jaar verschijnen in het Cuypersbulletin.

Dit item is met toestemming van Paul van den Akker on line geplaatst.
Verkorte link: bit.ly/2Fffh8J-VanHH2Org

Hovawart Frieda in de tuin in Ohe (Foto Marij Coenen 5 augustus 2018).
Dankzij Gerard heeft onze Hovawart Frieda zich ontwikkeld tot een gezellige huisgenoot en fijn wandelmaatje (foto Marij Coenen 5 augustus 2018).

Vakblad Vitruvius over het expressionistisch wegkruis van Leen Douwes te Breda →

Dit is een doorverwijspagina naar de PDF van het artikel in Vakblad Vitruvius over het expressionistisch wegkruis van Leen Douwes te Breda.

Doorverwjjspagina naar 'Vitruvius over het expressionistisch wegkruis van Leen Douwes te Breda'.

Kerstvertelling 2017

#Kerkverhalen | Kerstvertelling in de Poolse kapel op ifthenisnow.eu (screenshot bvhh.nu 2017).

Voor mijn kerstvertelling dit jaar surf je naar if then is now.

We maken via een omweg naar Polen een rit naar de Poolse kapel van Breda, op een prominent punt gelegen in een park aan de Lovensdijk.

Vanaf het moment dat ik die zag – wandelend langs de Wilhelminasingel van Breda, waar ik afgelopen jaar werkte aan het project #KunstinBreda – intrigeerde dit bouwsel me. Maar dat is niet zo vreemd, want een van mijn vroegste projecten – of acties, zo je wil – betrof onder meer het behoud van het ciborium altaar in de Servaaskerk.  Daar stond en – gelukkig – staat een juweel van negentiende-eeuwse edelsmeedkunst op de hoge koortravee van deze middeleeuwse kerk, in Breda gaat het om een baldakijn boven een altaar in de openlucht van na de oorlog. Het blijft fascinerend hoe structuren op pijlers met je mee bewegen, doordat het beeld dat ze omlijsten telkens verandert, terwijl je er langsloopt. Als je je daar bewust van bent, geniet je nog meer van architectuur, binnen én buiten!

Maar ik dwaal af, want daar gaat mijn kerstverhaal niet over, zoals je kunt zien op if then is now.

Fijne en vooral ook ontspannen feestdagen toegewenst!

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Naschrift — Woon je in Breda of ben je er tijdens een uitstapje, ga dan eens kijken bij de Poolse kapel. Ze ligt tegenover het adres wat hier wordt vermeld.

Kerstverhaal in de Poolse kapel

Deze diashow vereist JavaScript.

Ieder jaar staat het in december op de kalender: het feest rond de geboorte van een kind. In dit welvarende werelddeel is dat iets waar meestal zonder angst naar uitgekeken kan worden: een met alle zorg omringde bevalling, een gezonde baby, doodvermoeide, maar blije ouders en verheugde grootouders en vrienden en een prachtige start van het leven, waarover men in zalige onwetendheid verkeert. In het kerstverhaal liep het allemaal zo simpel niet, want er was geen thuis en ‘geen plaats in de herberg’; en dus beviel de moeder van God in een grot/stal met een os en een ezel om het kind warm te houden.

Van conceptie tot kerstverhaal

Deze scène is ontelbare malen afgebeeld in de kunst, vanaf de vroege (?) middeleeuwen tot heden; zo ook op de icoon in de Poolse kapel in het park tussen de Wilhelminasingel en de Lovensdijk te Breda.* Op deze voorstelling van de zwarte Poolse madonna van Częstochowa is niet alleen de geboorte van Christus te zien, maar ook het moment waarop het allemaal begon: de annunciatie of de boodschap aan Maria. Eigenlijk zou je moeten zeggen, de conceptie van Christus; hoe mooi en verheven de boodschap ook, zonder conceptie geen menswording. En daar ging het tenslotte allemaal om, om de menswording van de verlosser: Et incarnatus est (en hij is vleesgeworden). Het tafereel is heel eenvoudig weergegeven, als een miniatuurtje: met enkele lijnen wordt het dak van de stal gesuggereerd, waaronder Maria geknield zit voor het mandje waarin haar zoon ligt. De os en de ezel houden het kind warm. Ze bidt … zou het uit vreugde zijn, of omdat ze dan al denkt aan wat er gebeuren gaat? In haar geval geen zalige onwetendheid, want wat er te wachten staat is eveneens afgebeeld. Tegenover het verhaal van het komende ‘licht der wereld’ staan twee passietaferelen: onder de annunciatie de geseling van Christus en boven de geboorte, de bespotting van de koning der Joden; begin en einde zijn kruislings verbonden.

Nu zeg ik wel dat deze voorstellingen op de icoon staan, maar dat klopt niet helemaal. Hij staat in werkelijkheid op de oklad, het jasje van dit oeroude kunstwerk dat bestaat uit edelmetalen (zilver en goud), rijk gekleurde emaillering, parels, edelstenen en halfedelstenen. Voor wie pragmatisch denkt diende zo’n oklad ter bescherming van de icoon. Het kan echter heel goed zijn dat hier de traditie speelt die wil dat men heilige objecten altijd bedekt aanraakt. Vanaf de vroegchristelijke kunst tot die in het interbellum wordt dit gebruik in ere gehouden, onder meer door de handen met een doek omwikkeld af te beelden.* Ondertussen roept de oklad ook herinneringen op aan de oudtestamentische tent die het heilige der heilige aan het oog onttrok. Bij de Poolse madonna net niet helemaal, want gelaat en handen van moeder en kind blijven zichtbaar.


Links het kerstverhaal op het tegeltableau van de Poolse madonna in de Poolse kapel van Breda, ontworpen door Jan Gladdines (1954). Midden boven is de annunciatie te zien met daarnaast Barbara als patrones van de artillerie. Zij komt op de originele oklad niet voor. Midden onder de bespotting van Christus en rechts daarvan de geseling. Herkomst: Wikimedia Commons. Foto G. Lanting (2008). Collage bvhh.nu 2017.

Terugblik

De madonna van Częstochowa is nog altijd een voorwerp van intense devotie in Polen. Zoals gebruikelijk bij dit soort cultus objecten telt de icoon materieel veel minder jaren dan in de verhalen. De epische ouderdom is aanmerkelijk hoger dan de fysieke. Dat maakt dit soort wonderdadige beeltenissen ook zo fascinerend. Feit en fictie lopen voortdurend door elkaar. Het schijnt bewezen te zijn dat de geschiedenis van de icoon teruggaat tot 1384, het jaar dat ze in de kloosterkerk van Jasna Góra in Częstochowa geplaatst werd. Vele oorlogen en bezettingen later groeide de afbeelding met littekens en al uit tot een ander soort icoon: een nationaal symbool als ‘koningin van Polen’.* Zo kwam ze terecht in Breda, de meest Poolse stad van Nederland. Waarom dat een verdiend etiket is, wordt verteld op erfgoedweb Breda:

  • ‘Omdat de Poolse regering weigerde te capituleren voor de nazi’s, weken de meeste zittende leden van de Poolse regering en legerleiding uit naar West-Europa, met name naar Groot-Brittannië. Daar werden gedeserteerde Poolse militairen, emigrantenzoons, vluchtelingen uit Russische werkkampen en mannen uit het Afrika-corps van de Duitse generaal Romme, klaargestoomd voor de geallieerde strijd tegen de nazi’s. Zij vormden legereenheden. De divisie onder leiding van generaal Stanislav Maczek werd opgeleid en getraind in Schotland. Op 6 juni 1944 landde de Eerste Poolse pantserdivisie, onder commando van Maczek, tijdens de geallieerde invasie in Normandië. Na omzwervingen verdreven ze, met Canadese divisies, de Duitse bezetters uit Breda en omgeving. Officieel werd Breda op 29 oktober 1944 bevrijd’.*

Dit wapenfeit heeft in Breda geleid tot een aparte collectie oorlogsmonumenten, waaronder de Poolse kapel die werd opgericht in het internationale Mariajaar 1954. Bevrijding en devotie werden in één gedenkteken verenigd. Hoe sterk men dit beleefde, blijkt wel uit de keuze voor een buitenkapel, waardoor grote bijeenkomsten in het omliggende park mogelijk werden. Stadsarchitect Alphons Siebers en zijn associé Wim van Dael hebben een monumentaal baldakijn ontworpen waaronder de Poolse Madonna staat opgesteld. Hiermee wordt de traditie aange­houden waarbij een heilige plaats door een ciborium of baldakijn wordt gemar­keerd, zoals in Breda ook te zien is in de heilig Hartkerk. Centraal hieronder staat het altaar met de Poolse madonna, die kunstenaar Jan Gladdines heeft afgestemd op het hierboven besproken icoon.


Het altaar met de icoon van de madonna van Częstochowa in de Poolse Kapel te Breda. Herkomst Flickr. Foto Stadsarchief Breda-Alex Does 2010.

Kopie of interpretatie

Al bij al is in de Poolse kapel met de madonna van Częstochowa hetzelfde gebeurd als met talloze andere ‘kopieën’ van iconen: de uitbeelding werd verbijzonderd, waardoor niet langer sprake is van letterlijke reproductie, maar van een doelgerichte volkskunstige of artistieke interpretatie. In dit geval wordt ietwat paradoxaal een extra ‘metabolisch’ vernis aangebracht door twee fysieke lagen te versmelten: in het origineel gaat het om een geschilderde icoon die in een kostbare oklad is gehuld van edelmetaal en edel­stenen, bij het gedenkteken zijn beide als één geheel weergegeven in tegelvorm, waarbij de voorstelling in gebakken materiaal een metabolische verwijzing vormt naar het hout, de tempera, het goud en de edelstenen. Er heeft dus een stofwisseling plaatsgevonden, waarbij het ene materiaal het andere representeert. Ook hierdoor ontstaat vanuit het origineel een nieuw, zelfstandig kunstwerk. Dat wordt nog eens versterkt doordat Gladdines vanuit de interbellumvisie op de relatie tussen gotiek, barok en expressionisme de scenes op het jasje enige barokke zwier heeft gegeven. Anno 1954 was de nieuwe barok voor dit type monumentale kunst nog altijd een geaccepteerde stijl.*

Keren we terug naar de kerstscène, waar een apart detail opvalt: dat is de haas die langs het kind wegschiet. Hij blijkt achtervolgd te worden door de arend en een wegvluchtende duif op zijn geweten te hebben! Pick someone of your own size? Het grappige is dat het hier om details gaat, die op het origineel niet voorkomen, maar wel op verschillende devotieprentjes. Ook op de geschilderde icoon in de Laurentiuskerk van het Ginneken zijn die te zien. Dat Gladdines deze bijzonderheden bedacht heeft, omdat hij een uniek en op de situatie toegesneden ontwerp voor Breda wilde maken, is zeer waarschijnlijk. Maar op dit moment staat dat niet vast!* Het is wel apart, dit jagende stel bij het vredige tafereeltje rond de kerststal. En vreemd genoeg kom je ze ook tegen bij de annunciatie. Het kan heel goed zijn dat de adelaar ontleend is aan het nationale wapen van Polen, de haas vanuit de middeleeuwse symboliek als onrein dier geassocieerd kan worden met de duivel en de duif voor vrede staat. Hoe dat bij dit bevrijdingsmonument geïnterpreteerd moet worden laat zich raden.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen

Dit item kwam tot stand in de rubriek #Kerkverhalen van ifthenisnow.eu en kan daar bekeken worden via deze link: http://bit.ly/2DEol7z-ITIN

Met dank aan Marij Coenen voor de redactie en Diana Nieuwold van Kerkfotografie voor de foto van de icoon in de Laurentiuskerk in ‘t Ginneken.

De * in de tekst hierboven verwijst naar de volgende bronnen (opgemaakt met Zotero):

  • Van mei 2016 tot mei 2017 heb ik gewerkt aan het project #KunstinBreda, in welk verband ik ook over de Poolse kapel een waardestelling heb geschreven. Zie daarvoor: Hubar, Bernadette van Hellenberg. #KunstinBreda | Religieuze kunst, Waardestellingen van uitmonsteringen en clusters. Ohé en Laak: VanHH.org, 2017, pp. 184-187. Hierin heb ik abusievelijk de scene van de geseling van Christus verward met de verzoeking in de woestijn.
  • “Poolse Kapel”. Wikipedia, 22 oktober 2015. http://bit.ly/2oFrGhl.
  • Voor de omwikkelde hand, vergelijk onder meer de koorschildering van Kees Dunselman in de Jozefkerk van Noordwijkerhout (1927), in 2002 gerestaureerd door Rob Bremer en Wil Werkhoven. Zie hiervoor het E-boek Hubar, Bernadette van Hellenberg, Jojanneke Post (Davique Sierschilderwerken) en Marij Coenen. Tussen Gabriel en Michael. De schilderingen van Kees Dunselman in de Laurentius-Elisabethkathedraal te Rotterdam. Rotterdam: H.H. Laurentius-Elisabethparochie, 2018. ISBN 978-90-820976-2-7.
  • “Wandeling door Poolse Breda”. BCV Polonia Breda, z.j. http://bit.ly/2oFweUO.
  • Nickell, Joe. “The Black Madonna: A Folkloristic and Iconographic Investigation – CSI”. CSI | Skeptical Inquirer, 2015. http://bit.ly/2C1PIdP-Evernote.
  • “Bevrijding Breda door de Polen”. Erfgoedweb Breda, z.j. http://bit.ly/2D2asyN-Breda.
  • Voor zaken als metabolisme in de kunst, gotiek-barok-expressionisme, de nieuwe barok et cetera zie de registers van mijn boeken over De Genade van de steiger en De nieuwe Bavo te Haarlem.
  • De het tegeltableau toegesneden is op de situatie in Breda blijkt ook uit de gekroonde vrouwelijke heilige rechts van Christus op de oklad. Gelet op de palmtak in haar hand en de toren kan ze geïdentificeerd worden als Barbara, patrones van de artillerie. Zij ontbreekt op de originele oklad.

Afbeeldingen

  • Catholic Church England and Wales, Detail van de oklad en de gezichten van de Poolse madonna en het Christuskind te Częstochowa (Flickr, 2016)
  • Catholic Church England and Wales, De icoon van de Poolse madonna in de opstelling in oklad op het altaar in de kloosterkerk te Częstochowa (Flickr, 2016).
  • De Poolse madonna met Christuskind zonder de oklad. Herkomst: Wikimedia Commons (fotograaf en datum onbekend).
  • Het kerstverhaal op het tegeltableau van de Poolse madonna in de Poolse kapel van Breda, ontworpen door Jan Gladdines (1954). Herkomst: Wikimedia Commons. Foto G.Lanting (2008).
  • Het tegeltableau van de Poolse madonna in de Poolse kapel van Breda, ontworpen door Jan Gladdines (1954). Herkomst: Wikimedia Commons. Foto G.Lanting (2008).
  • Het altaar met het tegeltableau van de Poolse madonna in de Poolse kapel van Breda, ontworpen door Jan Gladdines met een natuurstenen lijst van Frans Verhaak (1954). Herkomst: Wikimedia Commons. Foto G.Lanting (2008).
  • De Poolse kapel bestaat uit een baldakijn – van de architecten Alphons Siebers en Wim van Dael – boven het altaar met het tegeltableau van de Poolse madonna in de Poolse kapel van Breda, ontworpen door Jan Gladdines met een natuurstenen lijst van Frans Verhaak (1954). Herkomst: Wikimedia Commons. Foto G.Lanting (2008).
  • Replica van de icoon van de Poolse madonna naar het exemplaar van Jan Gladdines in de Poolse kapel in de Laurentiuskerk in ‘t Ginneken. Foto: Diana Nieuwold van Kerkfotografie.nl (z.j.).
  • Links het kerstverhaal op het tegeltableau van de Poolse madonna in de Poolse kapel van Breda, ontworpen door Jan Gladdines (1954). Midden boven is de annunciatie te zien met daarnaast Barbara als patrones van de artillerie. Zij komt op de originele oklad niet voor. Midden onder de bespotting van Christus en rechts daarvan de geseling. Herkomst: Wikimedia Commons. Foto G. Lanting (2008). Collage bvhh.nu 2017.
  • Het altaar met de icoon van de madonna van Częstochowa in de Poolse Kapel te Breda. Herkomst Flickr. Foto Stadsarchief Breda-Alex Does 2010.

Al het beeldmateriaal mag gebruikt worden op basis van de Creative Commons license, behalve de foto van Diana Nieuwold, waarop alle rechten zijn voorbehouden.

Bezoek de locatie

Woon je in Breda of ben je er tijdens een uitstapje, ga dan eens kijken bij de Poolse kapel. Ze ligt bij het grijze labeltje, tegenover het adres wat hier wordt vermeld.

Dit item kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Kerstverhaal in de Poolse kapel”. VanHellenbergHubar.org (blog), 2017. http://bit.ly/2C0S0da-VanHH2org

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2C0S0da-VanHH2org

Nicolas in ‘De genade van de steiger’ →

Joep Nicolas, Intrepiditas stadhuis Breda. Afb. 343 Joep Nicolas, Intrepiditas (onverschrokkenheid) uit de serie deugden (1926-27) in de trappenhal van het stadhuis van Breda. Deze cyclus is in meer opzichten beïnvloed door het werk dat hij had gedaan aan de voltooiing van de glazen van Derkinderen (1925) in de trappenhal van de Algemene Handelsmaatschappij te Amsterdam. ((Afbeelding uit: Claire Nicolas White, Joep Nicolas, p. 41.))

Dit is een doorverwijzingspagina naar ‘Joep Nicolas tussen de glazen’, overgenomen uit mijn boek ‘De genade van de steiger’.

Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract

Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract schreef ik eind 2016 – samen met Marij Coenen als beeld- en tekstredacteur – naar aanleiding van mijn ervaringen met het project #KunstinBreda. Het ligt aan de basis van het doorkijkje op de naoorlogse monumentale kunst in de desbetreffende brochure van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed die begin 2019 uitkwam.1 

Charles Eyck, Het Fatimaraam (1957) in het Fatimahuis (voorheen Fatimakerk) van Pierre Weegels in Weert. Foto Marij Coenen 2016.

Het Fatimaraam van Charles Eyck in het Fatimahuis (voorheen de Fatimakerk) te Weert, uit 1957. Als Eyck de figuren had weggelaten, zou het glas niets aan zeggingskracht hebben ingeboet. Het bleek niet eenvoudig om een begaanbaar pad te kiezen tussen figuratief, decoratief of abstract in de na-oorlogse kerkelijke kunst. Foto Marij Coenen, mei 2016.

_______________

Na de Tweede Wereldoorlog pakten de kunstenaars vrijwel allemaal hun figuratieve stijl op van voor 1940. Maar de nieuwe abstracte kunst drong op. Wat betekende dit voor de kerkelijke kunst? 

Je zou denken dat dit een theoretisch probleem is, maar dat is allerminst het geval. Los van hoe dit de kunstenaars aan het hart ging, heeft dit consequenties voor hoe wij hun werk waarderen. En dat heeft weer gevolgen voor het toekomstige lot van de fysieke objecten.

Het is inmiddels gemeengoed dat we midden in een hausse aan kerksluitingen zitten. En als het zover is, waar blijft dan de uitmonstering? Sterker nog, in hoeverre zijn de interieurstukken van de kerkgebouwen in Nederland geïnventariseerd of gewaardeerd? Want als we als maatschappij gaan besluiten welke kerken wel of niet behouden blijven, tellen de uitmonsteringen natuurlijk mee. Maar die verdwijnen vaak in de handen van opkopers, die hierover geen verantwoordelijkheid hoeven af te leggen. En zo verdwijnen scheepsladingen overzee, zoals ik in mijn artikel ‘De kerk als buit’ heb aangetoond.2 Het helpt niet om tegen te werpen dat er al veel is geïnventariseerd. Zeker, er is veel werk verricht door met name de opgeheven Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland, beter bekend als SKKN, die in een zeer magere vorm is opgegaan in de afdeling Erfgoed in Kerken en Kloosters van het Catharijneconvent. Maar het schort aan waardestellingen en registratie van dit kunstbezit dat niet alleen uit roerende objecten bestaat, maar ook uit aard- en nagelvaste monumentale kunst, zoals glazen, altaren en schilderingen. Dat waarden stellen kan bovendien alleen adequaat gebeuren als we voldoende weten van de kunst in kwestie. Op dit gebied bestaat, zeker wat betreft de twintigste-eeuwse kunst, in de praktijk een vrij grote kennisleemte die onder meer is ontstaan, doordat kunsthistorisch Nederland lange tijd alleen oog had voor de avant garde.3 Maar er is heel wat meer gemaakt tijdens de wederopbouw en de daarop volgende decennia.

In Breda hebben ze op deze problematiek een voorschot genomen met het project #KunstinBreda, waarover ik eerder al enkele blogs schreef. De afgelopen maanden ben ik bezig geweest met de waardering van een groot aantal religieuze kunstwerken in kerken, publieke gebouwen en de openbare ruimte. Een behoorlijk groot aantal hiervan dateert uit de periode 1935-1965, de tijdspanne waarover dit thema in het bijzonder gaat. In de jaren 1930 was het barok expressionisme wat de klok sloeg, zoals ik heb uitgelegd in het item over het wegkruis van Leen Douwes.4 Veel kunstenaars zetten dit voort na de oorlog, waardoor nog tot in de jaren zestig hiervan voorbeelden zijn te zien, zoals het tableau van Joep Nicolas in de Koninklijke Militaire Academie van Breda (1964). Daarnaast had je onder de glaskunstenaars de sterke invloed van Heinrich Campendonk, hoogleraar aan de Rijksacademie in Amsterdam, wiens invloed in naoorlogs Breda onder meer doorwerkte via het oeuvre van Marius de Leeuw, Jan Dijker en Gerrit de Morée. Zoals blijkt uit de recente vondst van een majeur werk van de laatste – het liturgisch centrum in de kerk van Prinsenbeek – zie je onder meer bij hen dat manoeuvreren met de kool en de geit tussen figuratief, decoratief of abstract.5 Collega-onderzoeker Monique Dickhaut, in 2019 gepromoveerd op het debat in de naoorlogse Limburgse kunst, wees me erop dat veel van wat als abstract gepresenteerd werd in feite decoratief was.6 Zelf viel me op dat veel van wat abstract wordt genoemd vanzelf weer figuratief wordt – of lijkt te worden – als gevolg van de spontane mimesis. Ik zal dit hieronder toelichten, maar hier kan al opgemerkt worden dat je in beide gevallen zou kunnen spreken van een ontsnappingsclausule. Dat had niet alleen met esthetische of maatschappelijke vraagstukken te maken – figuratief werd op een bepaald moment geassocieerd met het realisme van de totalitaire staten – maar ook, of liever opnieuw met de kerk.

De kerk en de kunst: figuratief, decoratief of abstract

Wie meer over de strijd van de kerk tegen de moderne kunst wil weten moet het boeiende artikel lezen van Jos Pouls, ‘Tussen Rome en Parijs’.7 Hierin bespreekt hij onder meer de reuring rond de eerste tentoonstelling over moderne kerkelijke kunst in Nederland in het Van Abbemuseum in 1951. Onder het motto dat Nederland wakker geschud moest worden, had Edy de Wilde deze overgenomen van Musee d’Art Moderne in Parijs. Dat wakker schudden lukte, want heel Nederland kwam er op af. Niemand die ook maar iets met kerkelijke kunst te maken had ontbrak. Was het dan zo schokkend wat er was te zien? Vandaag zouden we zeggen van niet – gelet op de expressionistische en kubistische signatuur – maar toen bleek het een graadmeter te zijn voor wat de Kerk (met een hoofdletter) accepteerde.

Kort en goed was er nauwelijks iets veranderd ten opzichte van de situatie van voor de oorlog, ook al was de sterke vernieuwingsbeweging vanuit Frankrijk – waarvan de bovenstaande diaserie een indruk geeft – evenmin te stuiten. Ik heb de belangrijkste jaartallen aan de hand van Pouls in een kroniek gerangschikt.8 Wat blijkt als we ze langslopen:

  • 1920 | De veroordeling van de expressionistische kruisweg van Albert Servaes (hierover vertelde ik al iets bij het wegkruis van Leen Douwes). De waardigheid van Christus was in het geding.
  • 1931 | De veroordeling van de tentoonstelling van expressionistische moderne religieuze kunst in Essen als ‘arte blasfema’: met name de vertekening en misvorming van de door God geschapen ‘werkelijkheid’, die in de visie van de kerk geïdealiseerd hoorde te worden in vorm, factuur en kleur, was onacceptabel.
  • 1946 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Pablo Picasso en Henri Matisse.
  • 1947 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Piet Mondriaan (2.9).
  • 1947 | De encycliek Mediator Dei stelt dat ‘moderne voorstellingen en vormen niet uit vooringenomenheid mochten worden verworpen en dat kerkelijke kunstenaars vrij moesten worden gelaten’. Dit ging niet zonder mitsen en maren, want opnieuw klinkt het verzet tegen moderne kunstwerken die immers ‘misvormingen en verkrachtingen zijn van de gezonde kunst en bovendien menigmaal flagrant in strijd met de christelijke betamelijkheid, zedigheid en vroomheid’.
  • 1947-1949 | Met het voorgaande was de toon gezet voor de strijd rond de ‘blasfemische’ kruisweg van Aad de Haas in Wahlwiller die hij tenslotte zelf verwijderde uit de kerk. Omdat hier nooit een officieel verbod op is gelegd door Rome, kon deze in tegenstelling tot die van Albert Servaes, teruggeplaatst worden.
  • 1947-1948 | De dominicanen M.A. Couturier en P. Regamey – bevriend met onder meer de filosoof Jacques Maritain en zijn netwerk van hedendaagse kunstenaars – starten in hun tijdschrift Art sacré een offensief voor de toepassing van moderne kunst in de kerk.
  • 1948 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: De experimenteelen (Cobra) (dia 2.9).
  • 1948 | P. Régamey is als spreker aanwezig op het con­gres over ‘Nederland’s Nieuwe Kerken’ in Rotterdam, waar hij vernieuwing bepleit. Zijn lezing wordt gepubliceerd in het Katholiek Bouwblad.
  • 1948 | In het Gildeboek (een periodiek voor kerkelijke kunst) wordt verslag gedaan van het congres over moderne religieuze kunst in Parijs, opgezet door M.A. Couturier en P. Regamey.
  • 1950 | Onder invloed van Art sacré worden de eerste moderne kerken in Frankrijk gebouwd en ingericht met behulp van – deels niet-katholieke – kunstenaars. Een van de meest aansprekende voorbeelden hiervan is Notre Dame de Toute Grâce in Assy, waar de dominicaan Couturier onder meer als glaskunstenaar bij betrokken was (dia 1.2). Hier vind je tegeltableaus van Henri Matis­se (dia 1.7) en Marc Chagall (dia 1.4), glazen van onder meer Georges Rouault (dia 1.3) en een bijzonder crucifix van Germaine Richier (dia 1.6). De voorgevel is gesierd met een reusachtig mozaïek van Fernand Léger (dia 1.1). Een ander voorbeeld in dit medium komen we tegen aan de binnenkant en dat is van een kunstenaar die ook in Breda heeft gewerkt: Théodore Stravinsky (dia 1.5). Als we de monumentale kunst in deze kerk onder een stilistische noemer willen samenvatten, dan is het expressionisme, en wel in een vorm die voor de oorlog al gangbaar was. Wat dat betreft hoeft alleen gewezen te worden op George Raoult, van wie werk opgenomen is in het toonaangevende naslagwerk van de kunsthandelaar Clemens Meuleman – Hedendaagsche religieuse kunst – uit 1936.
  • 1950 | Recensie in Limburgsch Dagblad van de tentoonstelling van ‘moderne Franse religieuze kunst in het Palazzetto Venezia’ te Rome, ‘welker welsprekende woordvoerder, de Dominicaner pater Pie Régamey is’: met onder meer werk van Marc Chagall, Alfred Manessier (dia’s 2.4 en 2.8). Henri Matisse, Georges Raoult en Georges Braque. De recensent verwijst onder andere naar Jacques Maritain en meent: ‘ook deze expositie herbergt haar deformaties, haar extremiteiten’, maar het zijn er relatief weinig.
  • 1951-1955 | In een van de meest progressieve bisdommen van Frankrijk, Besançon, kwam hèt icoon van de moderne kerkbouw tot stand: Notre-Dame-du­-Haut in Ronchamp van Le Corbusier (dia 2.2). Hij ontwierp zowel het gebouw als de monochrome glazen die hij zelf gebrand zou hebben.
  • 1951 | Tentoonstelling ‘Moderne religieuze kunst uit Frankrijk’ in het Van Abbe­museum in Eindhoven met een sterke expressionistische nadruk. De reacties varieerden van uitgesproken positief tot negatief. Apart is de vaak positieve aandacht die Alfred Manessier(dia’s 2.4 en 2.8) krijgt die als een van de weinigen met haast volledig abstracte doeken aanwezig is. Hij past bij uitstek in de visie van Couturier en Regamey dat met name de abstracte kunst goed ingezet kon worden om het religieuze ‘binnenleven’ uit te drukken.
  • 1950-1953 | Reactie Vaticaan: veroordelingen, anti-modernistische richtlijnen en verplaatsing kunstvoorwerpen. Casus: crucifix van Germaine Richter werd verwijderd uit de kerk van Assy (dia 1.6).
  • 1951-1955 | Katholieke kunstenaars en hun organisaties omarmen het voorbeeld uit Frankrijk. Exponenten in Nederland zijn onder meer de glaskunstenaar Daan Wildschut (dia 2.5) en beeldhouwer Nic Tummers (dia 2.6).
  • 1957-1958 | Omslag in het Vaticaan met de bedevaartkerk Madonna della Lacrime in Syracuse (Italië) in een futuristische kegelvorm uit gewapend beton (1957) (dia 2.7). Voorts werd het semi-abstracte werk ‘Doornenkroon’ van Alfred Manessier uit 1954 door de kerk in 1958 bekroond (dia 2.8).
  • 1962-1965 | Tweede Vaticaans Concilie.

Ik zou de lijst nog wel wat verder kunnen uitbreiden, maar dit is voldoende om te begrijpen waarom datgene wat we standaard als het gevolg van Vaticanum II karakteriseren, vaak al enige jaren ouder is, terwijl opnieuw duidelijk is dat de uitgesproken en dramatische versie van het expressionisme na de oorlog niet alleen opnieuw ‘modern’ was, maar onveranderd de gebeten hond bleef van Rome. Dit kan een extra aansporing zijn geweest voor al die kunstenaars om vast te houden aan de barokke variant die na 1931 tot ontwikkeling kwam, zoals Leen Douwes en Jacob Ydema.9 Tegelijkertijd valt op dat maar weinig artiesten zich aan de abstracte kunst waagden, zelfs al was deze door de twee dominicaner pioniers gepromoveerd tot volwaardig medium voor de uitdrukking van kerkelijke kunst en religieuze gevoelens. Een van de weinigen die daarin heel ver ging was Alfred Manessier die hier voor de oorlog al mee experimenteerde. Zijn werk geeft aan dat het de mannen van Ars sacré ook echt te doen was om abstract in de zin van optimaal non-figuratief.

Mimesis trouvé

De goede verstaander hoort het al: optimaal non-figuratief. Waarom ik deze nuance introduceer? Omdat het bijna ondoenlijk is pure abstracte kunst te maken. Óf het werk gaat in de richting van de geometrische abstractie, waarbij al snel een decoratieve boventoon doorklinkt. Óf de lijnen en vlakken hergroeperen zich in onze ogen tot herkenbare vormen: de spontane mimesis of mimesis trouvé die vaak geassocieerd wordt met Leonardo Da Vinci. Hij beschreef als eerste (?) hoe zich uit de wolken en – minder romantisch – bevlekte en vol gespogen muren figuren losmaakten.10 De moraal van het verhaal is duidelijk: het menselijk oog kan zichzelf niet beletten om in de chaos van vormen het herkenbare naar voren te halen en de meest elementaire daarvan zien we bij de vroegste tekeningen van ieder kind: de kopvoeters die Cobra tot een artistiek leidmotief maakten (dia 2.9).

Wat het met onze waarneming doet valt goed te illustreren aan de hand van het ‘moderne’ hoogaltaar van de heilig Hartkerk in Breda (dia 2.10). Toen het onder invloed van Vaticanum II regel werd om de mis te vieren met het gezicht naar het kerkvolk toe, was een nieuw hoogaltaar nodig. Het bestaat uit een tombe en altaarblad uit natuursteen met een zeer eenvoudige, maar weloverwogen ornamentiek. De inkepingen in de mensa suggereren stenen plooien. Op de tombe is het kruis in het midden het enige herkenbare embleem dat omringd wordt door omhooggaande, ‘zittende’ lijnen die vanuit de mimesis trouvé geïnterpreteerd kunnen worden als gelovigen rondom Christus. Het is duidelijk een van die voorbeelden waarbij de kerkelijke kunst de zwenking naar het abstracte maakt, maar wel op die manier dat het ook als decoratief geïnterpreteerd kan worden, zodat het geen aanstoot zou geven. Tegelijkertijd wordt de spontane mimesis geprikkeld die tot een figuratieve beleving leidt.

Toets: de Fatimakerk in Weert

In dit verband is het interessant om een uitstapje te maken naar Weert, naar de Fatimakerk van Pierre Weegels (1953) (dia 2.1). Hier ontwierp Hugo Brouwer in 1959 – naar verluidt – de eerste abstracte ramen voor een kerk, nadat Charles Eyck in 1957 zijn grote Fatimaraam boven de orgeltribune zag geplaatst. Dit laatste oogt als een explosie van wervelende zonnen die het centrum vormen van uitschietende vleugels van kleur, waarin de futuristisch beïnvloede zaagtandlijnen voor nog meer snelheid zorgen. Te midden van deze nagenoeg volledig abstracte dynamiek bewegen zich enkele figuren als dragers van het verhaal. De uitdrukking van dit machtige gebeuren gaf de kunstenaar een – mogelijk ook in zijn ogen – legitieme gelegenheid om over de grenzen van zijn figuratieve idioom te kijken. En een sterke expressionistische flair is het resultaat.

Wanneer Hugo Brouwer een paar jaar later, in 1959, opdracht krijgt voor de beglazing van het schip kiest hij voor een heel andere route dan Charles Eyck. Ze hebben dan al eerder aan een project gewerkt: de Catharinakerk van Pierre J.H. Cuypers te Eindhoven, waar door het oorlogsgeweld alle glazen verdwenen waren.11 Eyck heet daar onder meer abstracte roosvensters ontworpen te hebben, maar die zijn nu net bij uitstek decoratief en borduren voort op de geometrische ontwerpmethode waarin de generatie van Joseph Cuypers zo sterk was (dia 2.11). De twee voorbeelden van Charles Eyck vormen een pittig contrast met het werk van Brouwer. In de Fatimakerk ontwierp de kunstenaar liefst twee maal vijf ramen in de lichtbeuk van het schip en twee in die van de apsis, terwijl hij voorts op het niveau van de zijbeuk verschillende medaillons met glas bezette. Hij koos hierbij voor een wisselend palet in verschillende combinaties, waarbij vooral de optische kwaliteit van het gekleurde glas werd benut, met naast elkaar geplaatst vlakken van gelijke kwaliteit. Grisaille werd achterwege gelaten om plastische suggesties van schaduwen te vermijden (dia’s 2.14-2.17).

Opzet was om het lineaire, tweedimensionale karakter van het ontwerp optimaal tot uitdrukking te laten komen. Daardoor wordt ook het decoratieve karakter van dit werk bepaald. De vernieuwing ligt in de stap die Brouwer vervolgens zet. Hij laat zich inspireren door het idioom van toonaangevende kunstenaars uit de Parijse scene om vervolgens met eigen oplossingen te komen. Het is fascinerend hoe hij omgaat met de surrealistische beeldtaal van Joan Miró (dia 2.12). Maar de meest veelzijdige invloed die hij ondergaat is die van Pablo Picasso (dia 2.13). Zo ontstonden ramen, waarin het motief van de stromende lijnen van Miró of Matisse is overgenomen. Hiertussen zijn basale geometrische figuren gevlochten die je bij Miró als geïsoleerde schema’s tegenkomt, ieder met hun eigen archetypische lading. Brouwer heeft duidelijk een voorkeur voor cirkels, driehoeken en ellipsen (dia 2.14). De invloed van Picasso herken je onder meer in een raam, waar uit de lijnen en gesloten omtrekken een grotendeels naakte, gedeformeerde vrouwenfiguur tevoorschijn komt. Hierbij wordt duidelijk ingespeeld op de mimesis trouvé. Dat gaat nog sterker op voor een van de andere glazen, waarin je een soort geabstraheerde, zij het geheel geklede Venus van Milo kunt herkennen. Iconografisch zou je die twee kunnen herleiden tot Eva en Maria of Judith (dia 2.15). Of dat correct is vraagt om een ander type onderzoek.

Behalve de twee vrouwenfiguren zijn er ook enkele dieren te herkennen, evangelistensymbolen nog wel: de vogel (adelaar) van Johannes, de stier van Lucas en de leeuw van Marcus (dia 2.16). Met elkaar maken ze deel uit van een oeuvre waarin de mimesis trouvé voor een groot deel is losgelaten en het decoratieve karakter van de abstracte kunst weer naar voren treedt. Wat bij dit segment opvalt, is de – vermoedelijke – toepassing van het automatische handschrift dat zich vaak uit in enkele alles verbindende lijnen (dia 2.17).12 Hoewel op dit gebied nog veel vergelijkend onderzoek gedaan moet worden, is het wel duidelijk dat Hugo Brouwer een bijzondere prestatie heeft neergezet in Weert, waarbij een serieuze stap is gezet om de eigentijdse abstracte beeldtaal te implementeren in de kerkelijke kunst.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

De * in bovenstaande tekst verwijst naar de volgende bronnen, samengesteld met behulp van Zotero.

  1. Hubar, Bernadette van Hellenberg. Monumentale kerkelijke schilderkunst (1890-1980). Onder redactie van Marij Coenen en Bernice Crijns. Brochures Rijksdienst Cultureel Erfgoed. Amersfoort: RCE, 2019. bit.ly/2TSEmyu-VanHH2Org.
  2. Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “De kerk als buit”. if then is now, 2016. http://bit.ly/2g4EuZd. Deze mirror is samengesteld uit:
    1. Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Spolia”. if then is now, 2016. http://bit.ly/2f4Bvkq; en: 
    2. Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Uitmonstering”. if then is now, 2016. http://bit.ly/2dPFUas.
  3. Positieve uitzondering is onder meer Kuipéri, Judith. “Kerkelijke kunst”. Jan Dijker 1913-1993, 2013. http://bit.ly/2dewvZu. Voorts het hierna geciteerde werk van Jos Poels.
  4. Over het barokke expressionisme zie: Hubar, van Hellenberg, Bernadette, Angélique Friedrichs en G. W. C. van Wezel. De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum. Amersfoort-Zutphen: Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Walburg Pers, 2013, pp. 379-385. Voorts Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Het expressionistische wegkruis van Leen Douwes in vakblad Vitruvius”. VanHellenbergHubar.org (blog), 20 december 2017. http://bit.ly/2B6AMYg-Vitruvius.
  5. Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “#KunstinBreda | Religieuze kunst, Waardestellingen van uitmonsteringen en clusters.” Ohé en Laak, 2017. Dit project werd uitgevoerd in nauwe samenwerking met Marjanne Statema. Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Voor en na Vaticanum II in Prinsenbeek (1963)”. VanHellenbergHubar.org (blog), 2016. http://bit.ly/2fVUrAz. De vondst staat op naam van Door Jelsma
  6. Dickhaut, Monique F.A. Arcadië voorbij: het Limburgse kunstdebat in de wederopbouwperiode (1945-1965). Nijmegen: Vantilt, 2019.
  7. Poels, Jos. “‘Tussen Rome en Parijs’, De context van een omstreden tentoonstelling van moderne religieuze kunst in Eindhoven (1951).” Trajecta. Tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden 11 (2002): 129–54.
  8. De kroniek aan de hand van Pouls is aangevuld met significante momenten, ontleend aan Jobse, Jonneke. De schilderkunst in een kritiek stadium? critici in debat over realisme en abstractie in een tijd van wederopbouw en Koude Oorlog: 1945-1960. Kunstkritiek in Nederland 1885-2015. Rotterdam: nai010 uitgevers, 2014.
  9. Zie voor Leen Douwes noot 4. Voor Ydema zie Hubar, De genade van de steiger, pp. afb. 2, afb. 388, afb. 389, afb. 391, 13, 16-17, 21, 171, 381, 388, 456, 458-460, 463, 465.
  10. Beyst, Stefan. “‘Mimesis: herwaardering van een schijnbaar onbruikbaar geworden concept’.” D-sites. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2dvXY6K.
  11. Zie de volgende bronnen:
    1. “Fatima Huis Historie”. Fatima Huis. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZjrqE.
    2. Reliwiki. “Weert, Coenraad Abelsstraat 31a – Onbevlekt Hart van Maria – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZc1nb.
    3. Thoben, Peter. “De ramen van de St.Catharinakerk – De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven”. Geraadpleegd 26 december 2016. http://bit.ly/2ixF16t.
    4. Brouwer, Jos, Sybrand Zijlstra, en Hugo Brouwer. Hugo Brouwer. Eindhoven: (Z)OO producties, 2013. 
  12. “Surrealisme”. Het modernisme (blog), t.p.q. 2013. http://bit.ly/2jZx2Ue.
  13. Reliwiki. “Tilburg, Ringbaan West 300 – Margarita Maria Alacoque – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZ5sRw.


Jan Dijker, glazen apsis Margarita Maria Alacoquekerk, Ringbaan West 300, Tilburg. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.
Jan Dijker, De abstract-decoratieve glazen in de apsis van de Margarita Maria Alacoquekerk aan de Ringbaan West te Tilburg dateren van 1961.13 Ik heb hier veel herinneringen liggen, omdat dit mijn parochiekerk was. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.

_________

Versies van dit artikel

  • De versie van dit webartikel kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract’, op: Vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/2folRjT (2016). Op deze site is het zowel geplaatst in het hoofdstuk #kerkverhalen als – door middel van een doorverwijzing – op #glas. Het is op 31 augustus 2019 bijgewerkt, onder meer naar aanleiding van de spectaculaire vondst van de kunstenaar van het monumentale liturgisch centrum van de kerk van Prinsenbeek, te weten Gerrit de Morée, door Door Jelsma.
  • Het item is in de oorspronkelijke vorm ook te vinden op het platform ifthenisnow.eu: Hubar, Bernadette van Hellenberg. “#Kerkverhalen | Figuratief, decoratief of abstract?” if then is now, 2016-2017. http://bit.ly/2iA2yq2.
  • Tenslotte is het later enigszins aangepast analoog gepubliceerd als: Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract”. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 10 (2017): 10–15. http://bit.ly/2BI1Hgq-Vitruvius

Sociale media en erfgoed

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media in zowel om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. Centraal hierin staat onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB

Ga eens kijken en ‘like’ onze pagina, zodat de berichten over onderwerpen als de voorgaande een nog grotere actieradius bereiken!

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2folRjT

Terug naar de hoofdpagina #Kerkverhalen!
Terug naar de hoofdpagina #Glas!

‘n Project in verrassend Breda

Theodore Strawinsky, Madonna met kind tussen Mozes en een heilige priester (bvhh.nu 2016)
Théodore Stravinsky, Madonna met kind tussen Mozes en een heilige priester als voorafbeelding en vervulling van de oude en de nieuwe wet (1963). Théodore (1907-1989) was de oudste zoon van Igor Stravinksy en een gevierd kunstenaar in zijn tijd. Deze schildering direct op de baksteen – een kunstgreep die tijdens het interbellum ontwikkeld werd – bevindt zich zich in de herbestemde Fatimakerk van de architecten Alphons Siebers en Wim van Dael (bvhh.nu 2016). ((Voor Théodore Stravinsky zie Wikipedia. Voor Alphons Siebers en Wim van Dael, de inleiding tot de inventaris van het architectenbureau op het Nai/HNI: http://bit.ly/2cYBltJ.)) De schildering behelst een interessant iconografisch raadsel. ((Ten onrechte wordt de figuur rechts van Maria met kind geïdentificeerd als keizerin Helena, vanwege haar vondst van het heilig Kruis. Het is echter ondenkbaar dat een vrouw met een kelk met de hostie wordt afgebeeld en die ontbreekt dan ook in de traditionele iconografie van Helena, die verder altijd met een kroon wordt afgebeeld. Mijn aanvankelijke idee van Christus Eucharisticus heb ik laten vallen, omdat de kruisnimbus ontbreekt die bij het Jezuskind wel aanwezig is. Een iconografische puzzel of een anomalie, waarbij Helena wel met de kelk en de hostie is afgebeeld?))

__________

Bij het project #KunstinBreda staat het schrijven van waardestellingen centraal en dat is werk wat ik heel graag doe, omdat je dan allerlei verbindingen mag, kunt en moet leggen. In Breda heeft de afdeling erfgoed al de gebouw- en ruimtelijk gebonden kunst laten inventariseren. Voor zover deze niet beschermd is als onderdeel van een gemeentelijk of rijksmonument, worden de objecten gewaardeerd aan de hand van de erfgoedmeetlat, een instrument dat Breda heeft ontwikkeld voor het gemeentelijk erfgoedbeleid. Mijn opdracht betreft het kerkelijke erfgoed. Het team bestaat uit collega-onderzoeker Marjanne Statema die de inventarisatie opstelde, en Marc Berens en Diewert Berben van de gemeente Breda.

Met dit werk keerde ik tot mijn verrassing terug naar De genade van de steiger, want enkele vondsten heb ik alleen kunnen doen door de kennis die ik tijdens het onderzoek en schrijven van dat boek heb opgedaan. ((Zie http://bit.ly/GevdS)) Vooraan staat het bijzondere wegkruis van Leen Douwes (1930) die sterk geïnspireerd was door Albert Servaes. Dat viel in de context van de problematische verhouding van de R.K. Kerk tegenover de hedendaagse kunst van toen te plaatsen, dankzij de schier onuitputtelijke collectie digitale bronnen en de zoekmachine van de Koninklijke Bibliotheek, Delpher.

Een eerste blik op de inventarisatie laat overigens al zien dat Breda over een prachtige collectie beschikt van hoge kwaliteit. Aan de ene kant zal te maken hebben met de positie van bisschopsstad, aan de andere kant met de aanwezigheid van de kunstacademie Sint Joost. Helemaal aan het slot van het project ontdekte ik iets dat daar meer licht op werpt en daar kom ik nog op terug. Een spannend project dus, dat hier en daar tot interessante zijlijntjes leidt, zoals mijn item over de Laurentiuskerk in ‘t Ginneken op ifthenisnow.eu illustreert. En dat had ik weer niet kunnen schrijven zonder mijn boek over de nieuwe Bavo, omdat hier in beide gevallen architect Joseph Cuypers en zijn vennoot Jan Stuyt bij betrokken waren.

Met verrassend Breda is trouwens niet miszegt, want er komen heel wat interessante zaken naar voren, zoals:

  • de – raadselachtige iconografie van – de schildering van Théodore Stravinsky.
  • het verhaal over de pyrofotografie in Huize Liesbosch.
  • de speurtocht naar expressionistische wegkruisen: wat maakt het beeld van Leen Douwes zo bijzonder?
  • ook de architecten Pierre J.H. en Joseph Th.J. Cuypers en hun ateliers voor kerkelijke kunst hebben hun stempel gedrukt op #KunstinBreda.
  • wist je dat Breda een van de vroegste werken in glas in lood van Marius de Leeuw bezit?
  • en het meest monumentale profane werk van Joep Nicolas in vermurail?
  • en werk dat getuigt van de opstelling van kunstenaar(s) – zoals Albert Meertens – tijdens de oorlog (de Nederlandsche Kultuurkamer).
  • vermeldenswaard is ook de manier waarop (toch) een individuele artistieke toets wordt gegeven aan de populaire icoon van O.L. Vrouwe van Altijddurende Bijstand.
  • en wat dacht je van de kleine collectie heilig Hartbeelden in de publieke ruimte die  niet – zoals vaak wordt gedacht – fabrieksmatig zijn gemaakt, maar voor het gros uit werk bestaat van professionele kunstenaars en ateliers.
  • een juweel van wederopbouwkunst bleek de uitmonstering van de kerk van Prinsenbeek uit 1963, waarmee wordt bevestigd dat de vernieuwing van de kerkelijke kunst in Nederland al vóór Vaticanum II doorzette.
  • en, en …

Nieuwsgierig naar het project, bekijk dan de twitterlijst via deze link of volg me op twitter (#KunstinBreda).

B. ((Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2eLzFTL))

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Pyrophotographie/pyrofotografie in #KunstinBreda

Pyrophotographie/pyrofotografie was een onbekende term in het erfgoedjargon. Daar heeft dit webitem verandering in gebracht! Voor Vakblad Vitruvius hebben we dit item omgewerkt tot een artikel, waarin een paar mooie nieuwe vondsten zijn verwerkt!

Om de diashow gedetailleerd te bekijken, druk op de pauzeknop en wandel er met de pijltjes doorheen.

________

Bij de inventarisatie van #KunstinBreda spoorde Marjanne Statema onder meer deze decoratieve ramen op in de trappenhal van Huize Liesbosch, het Grootseminarie van de Priestercongregatie van het Heilig Hart van Jezus dat hier in 1912 werd opgericht.* Het werk is van een verzorgd, ambachtelijk karakter en behoort tot een type dat destijds standaard in dit soort gebouwen werd toegepast. In dit geval komen ze uit het atelier van de Gebroeders Wuisman, wier naam in een van de ramen staat. Een apart element vormen de fotoportretten van twee geestelijken die haarscherp in het glas zijn gebrand.

Op zich is de gewoonte om portretten op te nemen in glas in lood al vanaf de negentiende eeuw – internationaal – gebruikelijk. Meestal worden ze dan gecombineerd met heiligenfiguren, zoals onder meer blijkt uit het werk van firma’s als Heinrich Oidtmann (opgericht in 1857) in Linnich, circa 40 kilometer van Roermond in Duitsland, en Nicolas in Roermond (opgericht in 1855). Werden deze aanvankelijk ‘naturalistisch’ geschilderd, Oidtmann blijkt in 1870 een procedé ontwikkeld te hebben waarbij foto’s direct op glas afgedrukt konden worden: pyrophotographie of – in hedendaags Nederlands – pyrofotografie. In feite gaat het om een toen bejubelde vorm van massaproductie die zich niet beperkte tot bijbelse scenes, maar ook de mogelijkheid schiep om portretten op glas vast te leggen. Daar had Oidtmann aparte apparatuur voor ontwikkeld.

Of de Gebroeders Wuisman zelf hiervoor voorzieningen in het atelier hadden of dat dit werk uitbesteed werd aan een Duitse firma is niet duidelijk, maar in Breda is dit procedé ongetwijfeld toegepast. Wat het nog aparter maakt, is dat deze techniek voor een deel gecombineerd werd met glasschilderen, zoals te zien is bij de jas van de man rechts (dia 2). Ook bij gewone portretfoto’s gebeurde dat vaak. Aan deze twee voorbeelden in Breda kan een vrij nauwkeurige datering gehangen worden, omdat dit glas in de trappenhal vrijwel zeker uit de bouwtijd dateert (de uitbreiding onder architect Hubert van Groenendael, 1922). Dat de portretten er niet later zijn ingezet blijkt uit de lijst die één geheel met de decoratie vormt. Ook al kwam dit type glas vroeger vrij vaak voor, er is in Breda nog maar een ander voorbeeld aangetroffen, te weten van Atelier Nicolas (zie hieronder naschrift 2).

De twee geestelijken die hier worden voorgesteld, zijn pater Johannes Leo Dehon (1843 -1925) en pater Andreas Prévot (1840-1913). De een was de stichter van deze priestercongregatie, de ander gold door zijn spiritualiteit als een van de rolmodellen van de organisatie: een klassiek exemplum virtutis (deugdzaam voorbeeld) voor de priesterstudent. Met de Latijnse tekst boven hun portret houdt het tweetal de studenten die hier langs komen een paar van de belangrijkste stellingen van de congregatie voor:

  • Ecce Venio: Hier ben ik. Het betekent dat je er bent voor God en voor de ander, dat je bereid bent een ander bij te staan.
  • Sint Unum: Wees een met alle anderen. Dit betreft niet alleen de gemeenschapszin, maar ook de solidariteit.

Elders in de trappenhal zijn behalve enkele stichtelijke oneliners, de monastieke deugden weergegeven in symbolen en woorden: kuisheid, gehoorzaamheid, armoede en offervaardigheid. Ook voor de ornamenten geldt dat ze niet van hele hoge kunsthistorische waarde zijn, maar wel karakteristiek voor dit soort gebouwen en eveneens van een type waarvan al veel verdwenen is.

B.

Glas Huize Liesbosch, #KunstinBreda. Foto MStatema.nl 2014. Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Naschrift 1

Via de sociale media is de nodige respons gekomen op dit bericht. De meest informatieve reactie kwam van pastoor Henricus Jpt Broers die de rechterfiguur in dia 2 identificeerde als pater Andreas Prévot (1840-1913), een van de kopstukken van de congregatie.* De foto hieronder is niet zomaar letterlijk op het glas geprojecteerd, want daarna is de glasschilder aan het werk gezet om het portret te verouderen. Je maakt werkelijk van alles mee met #KunstinBreda! Overigens loopt voor beide voormannen van de congregatie, Dehon en Prévot, een proces tot zaligverklaring.

Pyrofotografie Huize Liesbosch #KunstinBreda pater Andreas Prevot, foto Henricus Jpt Broers
Pater Andreas Prévot (1840-1913). Foto: Henricus Jpt Broers 2016.

Naschrift 2

Inmiddels is een ander – tevens ouder – voorbeeld in Breda tevoorschijn gekomen, en wel in de Laurentiuskerk te Ulvenhout.

Pyrofotografie in de Laurentiuskerk Ulvenhout #KunstinBreda. Foto's MStatema.nl 2016.
Jacqueline de Grez Mahie is als ‘sponsor’ van het Laurentiusziekenhuis door middel van pyrofotografie in dit glas vereeuwigd. Firma Nicolas en Zonen 1912.

Graag neem ik hier de tekst over van de folder over de bijzondere collectie glazen in deze kerk:

  • ‘Drie ramen In 2011 in bruikleen gegeven door de Stichting Erfgoed de Grez-Mahie Breda. Herkomst kapel van het voormalige Laurensziekenhuis in het Ginneken. Met subsidie van het Prins Bernard Cultuurfonds Noord-Brabant werden de ramen in 2011 in de kerk passend gemaakt. De ramen werden in 1912 voor het ziekenhuis ontworpen bij de firma Frans Nicolas en Zonen. Links het offer van Abraham (Genesis 22) rechts het offer van Abraham aan de priester Melchisedech (Genesis 14) en in het midden de aanbidding van het Lam Gods (Openbaring 5). Links en rechts is het echtpaar De Grez-Mahie afgebeeld. Dankzij giften van de weduwe Jacqueline de Grez Mahie is in de periode vanaf 1910 tot 1917 een groot deel van de bouw van het Laurentiusgasthuis tot stand gekomen. Dit gasthuis was bestemd voor de ouden van dagen van Ulvenhout, Bavel en het Ginneken. Haar steenrijke man Jonkheer mr. Jan de Grez was eigenaar van Villa Valkrust in het Ginneken’.*

Dit is meer opzichten nieuws, want tot dusver was niet bekend dat ook de firma Nicolas pyrofotografie toepaste.


Bronnen
  • Met dank aan Sander van Daal zonder wie ik niet op het spoor was gekomen van Heinrich Oidtmann en de pyrophotographie, die naar hij vertelde ook aangeduid wordt als ‘Glasdruck’. Interessant was ook de sessie hierover met Sander van Daal en Dirk van de Leemputte van Atelier Nicolas (Sociaal Historisch Centrum Limburg te Maastricht) op de Facebookpagina van de laatste, op 14 juni 2016. Spijtig genoeg is deze Facebookpagina offline gehaald, want daarmee is veel nieuwe relevante informatie verdwenen.
  • Oidtmann (lezing), H., en Th. Prümm (samenvatting), ‘Ueber Pyrophotographie’, Photographische Mitteilungen, Zeitschrift des Vereins zur Förderung der Photographie 6 (1870), pp. 88-94. | http://bit.ly/2egD4J5
  • Vogel, Hermann Wilhelm, Die chemischen Wirkungen des Lichts und die Photographie in ihrer Anwendung in Kunst, Wissenschaft und Industrie, Leipzig 1874, pp. 247-250 (Pyrophotographie). | http://bit.ly/2e4XiYL
  • Voor de Gebroeders Wuisman zie het interview met Kees Wuisman junior (*1930), opgenomen in: Raaijmakers, Helma, Nettie Van Doorn, Paul Heye en Rinus Hoondert, 750 jaar geloofsgemeenschap H. Martinus, Religieus erfgoed Sint Martinus Princenhage, Princenhage 2011, pp. 39-40. Er dient dringend meer onderzoek naar dit atelier gedaan te worden.
  • Wikipedia, ‘Huize Liesbosch, op: wikiwand.com, http://bit.ly/2eccNOu, z.j.
  • Kreukels, Jo, ‘Sittard-Prevot’, op: meertens.knaw.nl|evernote, http://bit.ly/2e9Q56U (z.j.)
  • Laurentiuskerk Ulvenhout, Rondwandeling met plattegrond, z.pl., z.j. (Ulvenhout, circa 2008).
  • Nicolas en de pyrophotographie/pyrofotografie: vriendelijke mededeling van Dirk van de Leemput die bij het Sociaal Historisch Centrum van Limburg tot 2018 gewerkt heeft aan het archief van de firma Nicolas en Max Weisman. 

Dit item kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Pyrophotographie/pyrofotografie in #KunstinBreda”. VanHellenbergHubar.org (blog), 2016. http://bit.ly/2ewTUE8.

Verkorte link: http://bit.ly/2ewTUE8

Wegkruis Leen Douwes (1930)

Wegkruis Leen Douwes (1930) — Dit artikel over de zoektocht naar expressionistische wegkruisen is in een herziene versie geplaatst in vakblad Vitruvius dat je onder deze link kunt bekijken.

Om de diashow gedetailleerd te bekijken, druk op de pauzeknop en wandel er met de pijltjes doorheen. Via het pijltje omlaag rechts naast het woord dia kun je direct doorgaan naar de gewenste dia.
________________________________________

Bij het project #KunstinBreda ontdekte Marjanne Statema onder meer dit wegkruis met een houten corpus van kunstenaar Pieter Leendert Douwes, beter bekend als Leen Douwes (1879-1965). Met zijn dramatische corpus is het geen alledaags wegkruis. Vooral niet als je bedenkt dat dit soort objecten, die de meest barre weersomstandigheden moesten trotseren, vaak bestonden uit exemplaren die industrieel waren vervaardigd en dus in principe vervangbaar waren. Met name Frankrijk kende een ware massaproductie in devotionalia, bekend geworden onder de naam van ‘style saint-sulpicien’, vernoemd naar de winkels en magazijnen met heiligenbeelden rond de kerk van Saint Sulpice in Parijs.* Deze ‘zielloze’ reproducties riepen in Nederland met name bij de jonge katholieke voorhoede van het tijdschrift De Gemeenschap veel weerstand op (dia 3). In 1929 klaagde een van de kopstukken, de kunstcriticus Jan Engelman, dat je vroeger onder de volkskunstenaars ‘n gewone timmerman had:

  • ‘die een goeden Christus voor den wegkant schiep. Saint-Sulpice, de Neo-Gothiek, Beuron en het Gesellschaft für Christliche Kunst: het is verder bijna alles cliché en verstarring’.*

Natuurlijk was dit gechargeerd, maar het lijkt wel direct te anticiperen op een actie in Brabant een jaar later om in plaats van fabrieksbeelden een artistiek genre wegkruisen te ontwikkelen en te plaatsen. Dit haalde de pers, waarin fel werd geageerd tegen fabrieksmatige corpussen en elkaar reproducerende afgietsels. De initiatiefnemers menen:

  • ‘Het beeld moet wèl voor zichzelf spreken. En dit zal het ook doen, wanneer het door een kunstenaar wordt vervaardigd, — door iemand die rekening houdt met de omgeving, met den aard der bevolking, met den achtergrond’.*

Het artikel daarover in ‘De Tilburgsche Courant’ blijkt geflankeerd te worden door een bericht dat P.L Douwes opdracht heeft gekregen om een wegkruis ‘geheel uit hout’ te maken. Het wordt ‘een oorspronkelijk kunstwerk […] van een Nederlandschen beeldhouwer’.


Collage details wegkruis Leen Douwes (1930). Foto’s Marjanne Statema (2014).

Met de kwalificatie oorspronkelijk is niets miszegt, ook al is op dit moment nog niet duidelijk hoe oorspronkelijk. Wel bracht het onderzoek een recensie aan het licht die een mooi beeld van de kunstenaar geeft. Collega-kunstenaar Gerrit de Morée vergelijkt hierin het werk van de autodidact Douwes met dat van de Belgische expressionist Albert Servaes: in 1920-1922 speelde de roemruchte affaire rond diens kruisweg die volgens Rome te menselijk en te smartelijk was, waardoor ze afbreuk deed aan de waardigheid van Christus als God, als Overwinnaar van de Dood en Verlosser (dia 6). Hoewel dat eindigde met een veroordeling van dit kunstwerk – nog altijd de enige kruisweg die niet op plaatsen van devotie tentoongesteld mag worden – heeft Douwes zich daar met zijn corpus niets van aangetrokken: Christus wordt met verwrongen gelaat en lichaam weergegeven, ontdaan van zijn waardigheid. Ook al waren er historische precedenten, zoals het beroemde Isenheimer altaar van Matthias Grünewald (1511-1517), Rome kon zich daar anno 1920 niet (meer) mee verenigen (dia 7).*

Gelet op de cause celêbre die de affaire Servaes vormde – tot ver in de jaren dertig heeft dit de katholieke kunstkritiek beïnvloed – heeft Douwes hiermee een veelzeggende boodschap afgegeven. Het moet de situatie in kerkelijke kringen te Breda tekenen, dat een openbaar religieus kunstwerk op deze manier vorm mocht krijgen. In dit verband is het opvallend dat een ander kruisbeeld van Leen Douwes, in de Sacramentskerk, uit hetzelfde jaar, heel anders van opzet is. Qua schema doet het denken aan het werk van een tijdgenoot uit de Roomse Haagse School, Herman van Remmen (1932).* Hier gaat het om een Christusfiguur die op een gesublimeerde manier lijdt, waardoor zijn rol als Overwinnaar en Verlosser niet in het gedrang komt. In die zin lijkt Douwes de regels van het kerkelijk decorum gevolgd te hebben, dat hij op de vooraanstaande liturgische plaats in een kerk veel terughoudender is, dan in de publieke ruimte.

Het beeld van Douwes is gemaakt op een scharnierpunt in de kerkelijke kunst. Dat blijkt als we het vergelijken met een ander wegkruis in de collectie van Breda. Dit eveneens volledig houten exemplaar van een onbekende kunstenaar, lijkt een robuust vertaalde, gedrongen variant van de gewraakte fabrieksproducten. Van dat jaar dateert overigens ook het apert meer individuele werk van Albert Verschuuren in Udenhout, eveneens een kunstenaarskruis. We schrijven dan 1933, één jaar nadat de R.K. Kerk alle expressionistische kunstvormen veroordeeld had als ‘arte blasfema’. Zelfs het behoorlijk ingetogen werk van de Duitse beeldhouwer Ernst Barlach ging in de ban. De actie van Rome leidde in Nederland tot het alternatief van het barokke expressionisme, waarvan de naoorlogse werken van Charles Eyck en Joep Nicolas in Breda nog getuigen.*


Collage van het werk van Leen Douwes en Ernst Barlach (bvhh.nu. 2016).

Wat Douwes vooral met zijn vakbroeders gemeen heeft, is de nadruk op het belang van het persoonlijke handschrift van de kunstenaar: de factuur, die Douwes net als Barlach in de beitelslag tot uitdrukking brengt. Ook diens inspiratie had Douwes bereikt, wat niet vreemd is omdat er al vanaf 1910 artikelen in de pers verschijnen over het werk van deze Duitse beeldhouwer. Niet alleen waren beide kunstenaars autodidact, maar ook zou Barlach het hout als artistiek medium in ere hersteld hebben. Een prachtig voorbeeld van de beïnvloeding is Douwes’ Theresia van Lisieux in het museum van Breda (na 1925), waarin niet de beitelslag, maar – eveneens vergelijkbaar met Barlach – de prachtige houtnerven de factuur bepalen (dia 9). Tot in het latere werk van Douwes, in de Sacramentskerk uit 1951, is het belang van de factuur groot. Daar ijlt overigens de nieuwe barok na in met name het heilig Hartaltaar waarin opnieuw de smartelijke Christus centraal staat en wel in een opzet die herinnert aan een van de beroemde passievoorstellingen van Rubens. Tegelijkertijd houdt Douwes vast aan de lijdende Christusuitbeelding, die de kerk voor de oorlog uitgebannen had.

Positioneren

Er is geen centrale database om wegkruisen systematisch te vergelijken. Jammer genoeg ontbreekt het begrip wegkruis in de indrukwekkende verzameling van René en Peter van der Krogt. Of dat geholpen zou hebben is de vraag, want kijken we naar de big data in deze sector op Wikimedia, dan blijkt opnieuw hoe moeilijk het zoeken (en vergelijken) is bij een teveel aan informatie en een tekort aan trefwoorden. De zoekterm ‘expressionistisch wegkruis’ leverde op Google maar een serieuze treffer op, eveneens uit Brabant, eveneens van een kunstenaar en eveneens uit 1930: het wegkruis van docent van de Amsterdamse Rijksacademie, Jos Rovers (1893-1976) in Berlicum (in de buurt van Den Bosch) (dia 10).* Het resultaat met de zoektermen ‘wegkruis’ en ‘1930’ hield niet over, doordat een groot deel van het beeldmateriaal een te lage resolutie had. Naar het zich laat aanzien, bestaat het gros van de treffers uit de hiervoor genoemde serieproducten. Overigens verdienen ook deze nader onderzoek, want op dit moment is niet duidelijk, of dit soort corpussen inderdaad uit Frankrijk kwam. Wat in Limburg opvalt zijn enkele naoorlogse expressionistische wegkruisen, waaronder een van Cor van Geleuken (dia 11). Op zich is dit fenomeen verklaarbaar, omdat veel kunstenaars, net als Douwes, de draad van voor de oorlog oppakten. Aparter is een tweetal wegkruisen van na 2000 (dia 11)! De lange adem van het expressionisme maakt het nog interessanter om via dit webartikel meer vooroorlogse voorbeelden te vinden, waardoor het wegkruis van Leen Douwes beter gepositioneerd kan worden.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Expressionistisch ogende wegkruisen van na de oorlog én van na 2000. Collage bvhh.nu 2016.

Bronnen en opmerkingen

De * in de bovenstaande tekst slaat op de volgende bronnen en notities:

  • Het begrip expressionisme wordt hier gebruikt op de manier, zoals toegelicht in mijn boek: Hubar, Bernadette van Hellenberg, Angelique Friedrichs en Gerard van Wezel, De genade van de steiger, monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum, Amersfoort-Zutphen 2013, in het bijzonder bij de waardenstellende termen en begrippen. Zie voorts aldaar de affaire rond de kruisweg van Albert Servaes; de regels van kerkelijke decorum; de katholieke kunstkritiek; Jan Engelman; Herman van Remmen: Saint Sulpice; de veroordeling van het expressionisme door Rome in 1932; de opkomst van het ‘barokke expressionisme’. Voor meer informatie volg: http://bit.ly/GevdS
  • Delpher, zoekterm: eenheidskruis (Tilburgsche courant, 17-07-1930).
  • Delpher, zoektermen: Douwes kruisbeeld Breda (Tilburgsche courant, 17-07-1930; De Tijd, godsdienstig-staatkundig dagblad, 12-07-1930, auteur Gerrit de Morée).
  • Folkerts, Reina, ‘Albert Servaes’, op: kruiswegstaties.nl, http://bit.ly/2dcACWU, (l.b. 2016).
  • Folkerts, Reina, ‘Kruisweg van Luithagen (1919)’, op: kruiswegstaties.nl, http://bit.ly/2d9Q9nF, (l.b. 2016).
  • Wikipedia, ‘Style sulpicien’, op: wikiwand.com, http://bit.ly/2etaDs3, z.j.
  • #KunstinBreda:
    • (nr 243) de bronzen plastiek Sint Michael van Charles Eyck tegen de aula van de begraafplaats aan de Bieberglaan, 1965.
    • (nr 285) het vermurail met de allegorie op ‘Kennis, moed, beleid en trouw’ van Joep Nicolas in de KMA, 1964.
  • Wikipedia, ‘Ernst Barlach’, op: com, http://bit.ly/2cLU34E, z.j.
  • Wikimedia, ‘Category: Sculptures by Ernst Barlach’, wikimedia.org, http://bit.ly/2e6zGDg (l.b. 2015).
  • Delpher, zoektermen: Ernst Barlach (Algemeen Handelsblad, 08-02-1910).
  • Eloesser, Arthur, ‘Ernst Barlach’, in: Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 43, 1933, pp. 72-86. | http://bit.ly/2ew1E8Z
  • Breda’s Museum, ‘Portret van de Heilige Theresia, Pieter Leendert Douwes’, op: thuisinbrabant.nl, http://bit.ly/2e60Gmj, z.j.
  • Brouwers, Jan, Bea Hoeks-de Laat, Geert de Jong, Jan van der Kley, Marcel Rensen, Aula Dei, 75 jaar Sacramentskerk Breda, Breda 1996.
  • Wiki Tilburg, ‘Kruis Biezenmortelsestraat’, op: wiki.regionaalarchieftilburg.nl, http://bit.ly/2e5dnxu, (l.b. 2015).
  • Wols, Rien, ‘Christusbeeld aan de Groenstraat als dank’, op: bihc.nl, http://bit.ly/2e25etY, z.j.
  • Dat de invloed van het Isenheimer altaar van Matthias Grünewald voort bleef duren, blijkt ook uit het naoorlogse expressionistische wegkruis (1955-1956) in Wanssum: ‘Koester uw Monument’, in: Digitaal krantenarchief Peel en Maas, weekblad voor Venray en omgeving, d.d. 9 april 2009, p. 19. |  http://bit.ly/2ewfg3Y

De collage met de vergelijking van het werk van Leen Douwes en Ernst Barlach in de diapresentatie is (van links naar rechts) samengesteld uit:

  • Leen Douwes, Theresia van Lisieux, Breda’s museum, na 1925: http://bit.ly/2e60Gmj
  • Ernst Barlach, De dansende vrouw uit ‘der Fries der Lauschenden, 1930-35, Eichenholz, Ernst Barlach Haus, Hamburg’. Foto Rufus46 (2006) op Wikimedia Commons: http://bit.ly/2efK8rS
  • Ernst Barlach, Het bevriezende meisje, 1917, ‘Eichenholz, Ernst Barlach Haus, Hamburg’. Foto Rufus46 (2006) op Wikimedia Commons: http://bit.ly/2efOM9c
  • Ernst Barlach, Lezende monniken III (Stuckskulptur 1932)., ‘Güstrow (Mecklenburg-Vorpommern). Gertrudenkapelle – Barlachsammlung’. Oorspronkelijk was het beeld uit hout gesneden. Daarnaast heeft Barlach een ’Stuckskulptur’ gemaakt en een bronzen exemplaar. Van dit beeld zijn verschillende variaties en voorstudies bekend. Foto: Wolfgang Sauber (2014) Wikimedia Commons: http://bit.ly/2efJzOM
  • Leen Douwes, Crucifix in de Sacramentskerk te Breda, 1930. Foto Marjanne Statema (2014), #KunstinBreda.

Alle rechten op de foto’s in de diapresentatie zijn voorbehouden, op die van Wikipedia en Wikimedia na.

Dit item kwam tot stand in het kader van het project #KunstinBreda en is ook gepubliceerd op ifthenisnow.eu.
Het kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Wegkruis Leen Douwes (1930)’, op: vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/2dS497B (2016).

Verkorte link: http://bit.ly/2dS497B