De luchtboogbeelden onderweg

Onderweg — De aanleiding mag Jeroen Bosch zijn geweest, maar dat had de ‘wonderlijke klim’ bij de Sint Jan van Den Bosch helemaal niet nodig. Het was werkelijk een briljante vondst geweest om deze sculptuur op de steunbogen langs het schip – die globaal tussen 1470 en 1520 tot stand kwam – op deze manier toegankelijk te maken voor een groot publiek. Wie wat vaker verhalen van mij leest, weet dat ik gek ben op steigers, of liever, helemaal weg ben van die wonderlijke wereld tussen hemel en aarde. Toen de Bossche kathedraal de laatste keer in de steigers stond, heb ik daar rond mogen dwalen in het gezelschap van Wies van Leeuwen die de problematiek van de restauratie toelichtte. Was dat al boeiend, nog aangrijpender was de poëtische sfeer op de steigerplanken tussen de beren, luchtbogen en wimbergen, oog in oog met beelden en ornamenten. Een andere wereld, dacht ik toen, een totaal aparte wereld. Datzelfde gevoel overviel me toen ik in 2013 op de steigers stond bij die andere fantastische kathedraal, de nieuwe Bavo in Haarlem, en waar dat toe leidde gaan we 9 september beleven. Maar nu eerst het fata morgana – of was het een fantas morgana? – dat me overviel bij de ‘wonderlijke klim’ in Den Bosch.

Sint Jan Den Bosch, De wonderlijke klim (bvhh.nu 2016).


Zittend op de luchtboog
zetten we ons voorzichtig af
om opwaarts te schuiven
‘n trage dodendans
van heiligen en zondaars
zotskappen en wijzen
de man om de hoek en de koning
tussen dieren en monsters
zestien bogen lang
‘n brug tussen aarde en hemel
waar Cerberus wacht
in vele gedaanten

de muil wijd geopend
gebeurt ‘t ieder moment
kokhalzend spuwend
een zondvloed van water
kolkt op onze lijven
houvast verdwijnt
graaiend, tuimelend,
vallend klauwend
vergeefs grijpen we
naar wapperende panden
‘n arm ‘n voet van hen
die nog sneller
dalen
de aarde tegemoet

aan de voet van de beren
zijn wij als Sisyphus
behept met ‘n taak
die nooit lijkt te voleinden
Steeds weer onderweg
naar waar engelen
zingen: Alleluja

________________

Programma — Je wil nog weten wat er waar is in mijn verhaal in dichtvorm? Of het klopt van die waterspuwers boven de luchtbogen? Zoals zo vaak, is het antwoord ‘ja’ en ‘nee’. Wat de luchtboogbeelden precies betekenen heeft tot dusver niemand kunnen achterhalen, zoals Ronald Glaudemans in zijn boek hierover nog eens benadrukt.* Het onderliggende programma blijft in raadselen gehuld. Sterker nog, mijn promotor, Kees Peeters, meende zelfs dat de cyclus van toevalligheden aan elkaar hing. Ongetwijfeld is er naar de middeleeuwse achtergronden nog veel onderzoek nodig, maar misschien is het ook wel aardig om de menagerie op de luchtbogen te bekijken door een negentiende en vroeg twintigste-eeuwse bril. Want we denken wel dat we naar een middeleeuws toneel kijken, daarboven in de dakgoot van de Sint Jan, maar het gros van wat we zien is negentiende-eeuws. We zijn niet zozeer beland bij de wereld van Jeroen Bosch, als wel bij die van de belangrijkste restauratie-architect, Lambert Hezenmans (1841-1909) , en de man die namens het Rijk de inspectie van de werken uitvoerde, Pierre J.H. Cuypers (1827-1921). De twee kenden elkaar goed, want beiden waren door de afdeling kunsten en wetenschappen van het ministerie van buitenlandse zaken – dat wil zeggen, Victor de Stuers – aangesteld als rijksinspecteur. Niet zelden controleerden ze in die functie elkaars werken. In het geval van de luchtboogbeelden leidde dat tot pittige kritiek van de kant van Cuypers, met name wat betreft de concrete aanpak van Hezenmans, waardoor origineel, gerestaureerd en aangevuld niet goed te onderscheiden waren.*


Lambert Hezenmans, Schetsjes van een aantal luchtboogbeelden (1870-1885). Herkomst: site Bossche Encyclopedie
Lambert Hezenmans, Schetsjes van een aantal luchtboogbeelden (1870-1885). Herkomst: site Bossche Encyclopedie: http://bit.ly/29kyLN3.

Lange tijd is behoorlijk denigrerend gedaan over de kennis die mensen als Hezenmans en Cuypers over de middeleeuwen hadden en wat dat voor een fnuikende gevolgen had voor de middeleeuwse monumenten van ons land. Vanaf de jaren zeventig kwam een herwaardering op gang die startte met een pleidooi voor de erkenning van de intrinsieke oudheidkundige betekenis van dit soort restauraties. Vrijwel niemand vond de negentiende-eeuwse bijdrage in die tijd ‘mooi’, maar dat stond los van de cultuurhistorische waarde. Geleidelijk kwam meer oog voor de ambachtelijke kwaliteit van de negentiende-eeuwse ateliers met hun strak gepolijste technieken. Toen eenmaal die horde tot het ‘mooi’ vinden genomen was, bleek ook nog eens dat men in die tijd veel meer wist van de middeleeuwen dan tot dusver was aangenomen. En dan valt onvermijdelijk de naam van Cuypers’ zwager, J.A. Alberdingk Thijm en zijn standaardwerk De Heilige Linie (1858). Niet dat Thijm de enige was die zich bezighield met de middeleeuwen, maar op het gebied van de iconografie en symboliek kun je hem zeker beschouwen als een vaandeldrager.*

Microkosmos — Voor Thijm en zijn tijdgenoten was de kathedraal een microkosmos, waarin ‘de gedaante der kerk als afbeelding der waereld’ centraal stond: een wereld in het klein, met al het goed en het kwaad wat ertoe behoorde. Zijn petekind, Joseph Cuypers, zou – vast ook geïnspireerd door de Sint Jan die hij onvermijdelijk kende – deze visie tot uitdrukking brengen in de beeldencyclus van de nieuwe Bavo. Dat deed hij niet alleen, want ook vicaris-generaal en later bisschop A.J. Callier droeg bij aan dit programma. Een belangrijk netwerk waar katholieke kunstenaars en geleerden elkaar ontmoeten was De Violier die in 1906 een bezoek bracht aan de kathedraal van Den Bosch. Tot deze kunstkring hoorde onder meer Xavier Smits die al eerder voor De Violier een lezing had gehouden over de Sint Jan en een proefschrift daarover voorbereidde bij de universiteit van Leuven.* Juist hij wordt afgeserveerd door Ronald Glaudemans:

  • ‘Een andere onderzoeker van de bouwgeschiedenis, C.-F.-X. Smits, ‘Doctor in de Archaeologie’, […] beredeneert in 1907 dat de beeldjes ‘de gezamenlijke menschheid’ voorstellen; ‘De geheele menschheid is dan door dat leger van opstijgende beeldjes verpersoonlijkt. Tusschen de rangen der menschen bevinden zich eenige potsierlijke en phantastische typen, die den mensch op zijn weg door het leven bemoeilijken’. Deze minstens zo merkwaardige verklaring verraadt duidelijk de tijdgeest van de periode waarin deze werd opgeschreven en kan vandaag de dag ook niet echt stand houden’.*

Als we het woord mensheid vervangen door schepping dan komen we dicht in de buurt van Thijms visie op de microkosmos die – zoals hij in De Heilige Linie uitlegt – een sterk antropologisch karakter heeft. Al zo lang als de mensheid bestaat hebben de volkeren in hun gewijde gebouwen de wereld in het klein weergegeven; niet alleen in het westen, maar over de hele aardbol. Dit idee werd bij De Violier verder uitgedragen door een andere vriend van Joseph Cuypers, de iconograaf Matthaeus Nieuwbarn die hierbij op Viollet-le-Duc leunde:

  • ‘De kunstenaars der middeleeuwen hebben van de Christelijke Kerk een soort van nieuwe schepping gemaakt; zij hebben er al wat in de zichtbare en onzichtbare wereld geschapen was, als een heldendicht van lijn en steen in samengebracht.’*

In die wereld is de mens op een symbolische pelgrimage op weg naar de hemel, en onderweg ontmoet hij alles en iedereen: naast de man om de hoek en z’n vrouw, de elite van koningen en keizers; naast bekende dieren de meest vreemdsoortige wezen die onder meer staan voor de beproevingen en verleidingen, zoals Jeroen Bosch ze heeft weergegeven op zijn beroemde schilderijen van heilige heremieten. Zo tijdgebonden was de visie van Smits dus niet. Daarbij komt dat de luchtboogbeelden zich bevinden boven het schip, de plek die volgens Thijm bij uitstek staat voor de aarde, de strijdende kerk, waar de gelovigen ‘zich door des waerelds woelige golven trachten heen te werken’.* Sinds ik met de nieuwe Bavo bezig ben geweest, koppel ik dit beeld van goed en kwaad aan de theodicee* van Thomas van Aquino die vanaf 1879 (opnieuw) in het centrum van het katholieke denken stond. Of daarin nog aanknopingspunten zitten voor het middeleeuwse programma van de beeldencyclus van de kathedraal, vraagt om verder onderzoek.



Brochure met de plattegrond en de benaming van de luchtboogbeelden. Net als het informatieve boekje van Ronald Glaudemans (zie hieronder) verkrijgbaar bij de kaartverkoop van ‘De wonderlijke klim‘ van de Sint Jan in Den Bosch.

Klassieke referenties — Maar ja, zul je denken, hoe zit het dan met Cerberus en Sisyphus? Dan komen we toch terecht in de klassieke oudheid? Dat klopt, maar uit het oogpunt van de middeleeuwen was er geen scheiding met die oudheid. Die maakte integraal deel uit van het eigen erfgoed. Een mooi voorbeeld daarvan is de Divina Commedia van Dante uit het eerste kwart van de veertiende eeuw: de auteur gaat hierin met de – let wel! – klassieke schrijver Vergilius op stap. Op zijn reis – die in de vakliteratuur vaak als pelgrimage wordt bestempeld – komt hij onder meer Sisyphus en Cerberus tegen.*

Kijk, dat is het nu het mooie aan gedichten: met een minimum aan woorden roep je een beeld op, waarna heel veel zinnen nodig zijn om uitleg te geven. Terwijl zo’n gedicht ontstaat gebeurt er van alles in je hoofd: in een hoog tempo rijgen zich voorstellingen aan elkaar die vanuit de enorme vergaarbak van het geheugen intuïtief elkaars gezelschap zoeken en vervolgens via je vingers op het scherm belanden. Dit is een proces van ‘n paar minuten, het denken daarna over de achtergrond en de context vraagt heel wat meer. Dat geeft de verdiepingsslag en maakt het – wie weet – wel mogelijk dat je als je daar staat, terugdenkt aan dit verhaal.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

De * in de tekst verwijst naar de volgende bronnen:

  • ‘Luchtboogfiguren’, op: bossche-enyclopie.nl, http://bit.ly/29kyLN3 (2016).
  • Cuypers, Jos. en Jan Stuyt (Constructie) en Xav. Smits (Symboliek), De nieuwe St. Jacob te ’s-Hertogenbosch, ’s-Hertogenbosch 1907.
  • Davidson,Linda Kay en David Martin Gitlitz, Pilgrimage: From the Ganges to Graceland: an Encyclopedia, deel 1, 2002, pp. xviii-xix. | http://bit.ly/29NFwau
  • Divina commedia: zie https://www.wikiwand.com/nl/De_goddelijke_komedie
  • Donkers, Geert, ‘“De parel aan Brabants kroon”: het bezoek van ‘De Violier’ aan ‘s-Hertogenbosch’, in: Bossche Bladen, Cultuurhistorisch magazine over ‘s-Hertogenbosch 3 (2001), pp. 16-20. | http://bit.ly/29AHsPK
  • Donkers, Geert, ‘De Katholieke Kunstkring De Violier, 1901-1920’, in: Trajecta 10 (2001), pp. 112-135. | http://bit.ly/29mBa5Y
  • Glaudemans, Ronald, Een wonderlijke klim, De luchtboogbeelden op de Sint-Jan, Den Bosch 2016, pp. 6; 10-12.
  • Hubar, Bernadette van Hellenberg, Arbeid en Bezieling; de esthetica van P.J.H. Cuypers, J.A. Alberdingk Thijm en V.E.L. de Stuers, en de voorgevel van het Rijksmuseum, Nijmegen 1997, onder meer pp. 325-329 (microkosmos).
  • Kalf, J., ‘Vierde jaarverslag van den Katholieken Kunstkring: De Violier’, in: Van Onzen Tijd 6 (1905-1906), pp. 130-142. | http://bit.ly/VanOnzenTijd (lezing Xavier Smits kathedraal Sint Jan).
  • Nieuwbarn, M.C., Het Roomsche kerkgebouw, leer der algemeene symboliek en ikonografie onzer Katholieke kerken, Nijmegen 1908, p. 9. | http://bit.ly/Nieuwbarn-bouwsymboliek.
  • Theodicee: https://www.wikiwand.com/nl/Theodicee
  • Thijm, J.A. Alberdingk, De Heilige Linie, pp. 73; 197. | http://bit.ly/Thijm-Sterck-Oudheidkunde

Beeldmateriaal

De foto’s in de kop en de diashow zijn van de hand van de auteur (bvhh.nu) en vallen onder http://bit.ly/Copyright-CC-BY-NC-SA.

Dit bericht is tot stand gekomen in het kader van #kerkverhalen en tevens geplaatst op ifthenisnow.eu: http://bit.ly/29PRceK.
Meer weten over #kerkverhalen? Volg dan deze link. Interesse om mee te doen? Meld je dan aan bij menno@ifthenisnow.nl. Je kunt ons ook volgen op Twitter via @kerkverhalen.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/28U5chf

Vagevuur in de Paterskerk

Nota bene — Deze pagina is nog in wording, maar ga rustig je gang, als je alvast een kijkje wilt nemen. Er staat al heel wat interessante informatie op over een onderwerp dat de gemoederen aardig bezig kan houden.

Opmaat

Je komt het vagevuur niet zo vaak tegen in de Nederlandse kerkelijke kunst en al helemaal niet op de oorspronkelijke locatie. Daarom was ik wel verbaasd om kort achter elkaar twee voorbeelden te ontdekken, beide uit het eerste decennium van de twintigste eeuw: een reliëf van de hand van de gebroeders Custers uit Eindhoven in de Paterskerk aldaar (na 1909) op de tombe van het altaar van Nicolaas van Tolentino en een schildering van J.B. Anthony in de kathedraal van Den Bosch (1910). Het zou interessant zijn om te weten of het vagevuur in die tijd weer opnieuw in de belangstelling is komen te staan. Wie weet, kwamen er nieuwe richtlijnen uit Rome om de kerkgangers er aan te herinneren dat er tussen hemel en hel nog iets anders was, waar men op voorspraak van de heiligen – en wel heel in het bijzonder van Maria – uit verlost kon worden.

Detail met het vagevuur op de tombe (boven), het altaar (links) en het retabel (midden) van Nicolaas van Tolentijn in de Paterskerk te Eindhoven, van de hand van de gebroeders Custers aldaar (na 1909). Foto: Barbara Bonfrer van franken-pm.nl (2014). Uiterst rechts: Jan Custers was de leidende artistieke figuur van het atelier.1

Het vagevuur in de theologie

Een mooi lemma over het vagevuur is te vinden op Lucepedia van de Katholieke Universiteit Tilburg. Daar heb ik de volgende uitleg aan ontleend. Als je het leest, ben je bijna geneigd te denken dat het vagevuur het katholieke alternatief vormt op de reïncarnatieleer uit andere godsdiensten. Los je daar je karma op in volgende levens, als katholiek doe je dat in het vagevuur. Typerend genoeg voor de Januskop van de Una sancta werd dat proces vanouds enerzijds aangeduid met de positieve benaming louteren en anderzijds met de sombere noemer straf: de milde kerk tegenover de strenge kerk.2 Aan de ene kant voel je hoe de kerk de gelovige wilde tegemoet komen en aan de andere kant kon men de controle door middel van schuld en boete niet loslaten. Lucepedia kiest voor de eerste benadering:

‘Het vagevuur, in het Latijn ook wel purgaturio genoemd (vergelijk het Engelse purgatory), duidt een proces aan waarbij de menselijke ziel na de dood wordt ontdaan van ‘onzuiverheden’ veroorzaakt door zonde, om na deze periode van loutering toe te kunnen treden in de hemel. Hoewel het vagevuur wordt geassocieerd met verbranden, pijn of straf, moet het eerder als een louteringsproces gezien worden. Het betreft de reinigende liefde van God die menselijke onvolmaaktheden, veroorzaakt door zonden begaan tijdens het leven, wegbrand. Deze reinigende kracht van het vagevuur is in het Latijn (en het Engels) nog wel enigszins terug te vinden, zo betekent het Engelse woord to purge zoveel als ‘reinigen’ of ‘uitbannen’. Vanwege de associatie met vuur wordt het purgatorio ook wel (ten onrechte) in verband gebracht met de hel, en als het ware als een voorportaal hiervan gezien. Het vagevuur is echter eerder een proces dan een plaats, en in tegenstelling tot de verbanning tot de hel, is de loutering in het vagevuur van een eindige aard; nadat alle zonden zijn uitgezuiverd kan de geperfectioneerde menselijke ziel de hemel betreden.’3

J.B. Anthony, Maria en de lijdende, strijdende en overwinnende kerk (1910).

Het altaarstuk van J.B. Anthony uit 1910 met de lijdende kerk rechts (waar het vagevuur centraal staat), de strijdende kerk links en centraal de overwinnende kerk. Het staat in de eerste straalkapel aan de zuidzijde van de kathedraal van Den Bosch. Het beeldsnijwerk is uit het atelier van Hendrik van der Geld aldaar. Foto: auteur (2014).

Het lemma op Wikipedia legt meer de nadruk op de boetende kant:

‘iedere zware zonde, hoe groot ook, kan worden vergeven door een volmaakt berouw (als biechten niet mogelijk is) of middels een berouwvolle biecht, maar de schuld die aan de zonde aankleeft moet nog worden goedgemaakt, uitgeboet. Men kan dit bij zijn leven doen door zijn lijden, ziekte etc. geduldig te dragen, werken van barmhartigheid te doen, gebed, het bijwonen van de heilige Mis, maar is men te kort geschoten dan boet men de rest van de schuld in het vagevuur uit’.4

Dit laatste concept, waarbij je als het ware in je leven een groot deel van je karma oplost, werd als het ware gekwantificeerd in de vorm van aflaten. Zo kon je door de hiervoor genoemde handelingen van goede werken, mis bijwonen et cetera aflaten verdienen die je tijd in het vagevuur bekorten. Wat je ook deed in je leven, er lagen altijd kansen om je te revancheren. Sterker nog, het was ook mogelijk om aflaten voor anderen te verwerven, zoals op Allerzielen voor de dierbare overledenen.5 Op dit systeem werd op allerlei manieren ingespeeld, zoals onder meer blijkt uit het wonderdadige scapulier van de karmelieten. Een van hun grote ordegeestelijken, Simon Stock, zag met leedwezen toe hoe de karmelieten in de loop van de dertiende eeuw een ernstige crisis doormaakten. Biddend tot Maria om hem te helpen beleefde hij in 1251 een verschijning, waarbij hij uit haar handen een hemels geschenk ontving, namelijk het scapulier: twee lapjes stof die door schouderlinten aan elkaar zijn verbonden en door de gelovigen onder hun kleding werden gedragen, een op de borst en een op de rug:

‘Dit hier is een teken voor jou en een voorrecht voor alle Karmelieten: diegene die in dit kleed sterft wordt gespaard voor het eeuwige vuur.’ 6

Door aan het dragen van een scapulier een volle aflaat te verbinden, bleef je niet alleen gespaard voor het eeuwige vuur, maar ging ook het louterende vagevuur aan je voorbij. Een volle aflaat betekende immers dat je terug was in de staat van je doopsel, direct nadat je gereinigd was van de erfzonde. En wat nog mooier was, je kon zelfs een ander uit het vagevuur bevrijden.7 Heel beknopt lijkt dit de boodschap te zijn die J.B. Anthony in het rechterluik van zijn triptiek afgeeft, waarin de scapulier een prominente plaats inneemt. Maar daar kom ik nog op terug.

Overigens ontaardde het systeem van de aflaten tegen het einde van de middeleeuwen in een even oneigenlijke als levendige handel die onder anderen door Maarten Luther aan de kaak werd gesteld.8

De rol van Maria

Zoals de triptiek van J.B. Anthony laat zien, was een bijzondere rol weggelegd voor Maria. Die wordt heel pakkend toegelicht in dit verhaal uit het leven van Dominicus, de stichter van de orde der dominicanen of preekheren, uit de beroemde Legenda aureau:

‘Nog voor de stichting van de orde van predikheren was er een monnik die in extase raakte en zag hoe de gezegende Maagd geknield en met samengevouwen handen tot haar Zoon bad ter wille van de mensheid. Hij wees zijn liefhebbende moeder meermalen af maar zij bleef aandringen. ‘‘Moeder,’’ sprak hij toen, ‘‘wat kan of moet ik nog voor ze doen? Ik heb ze al patriarchen en profeten gestuurd maar ze hebben zich onvoldoende gebeterd. Ik ben zelf naar ze toegegaan en daarna heb Ik mijn apostelen gezonden, maar ze hebben Mij en hen ter dood gebracht. Martelaren en belijders en leraren heb ik ze gestuurd, maar ze hebben geen acht op hen geslagen. Maar u mag Ik niets weigeren! Ik zal de mensen dus mijn predikers geven, door wie zij verlicht en gezuiverd kunnen worden.’ 9

De opvatting dat Christus zijn Moeder niets kon weigeren, versterkte haar positie als middelares.10 Heel karakteristiek zijn de verschillende passages hierover uit de beroemde Glorie van Maria van Alphonsus de Liguori, zoals deze:

‘Op den zelfden oogenblik dat Maria geschikt wierd om de moeder van den Verlosser te zyn, wierd zy ook bestemd om de middelares tusschen God en den mensch te wezen. Daerom zegt den H. Thomas dat Maria zoo eenen overvloed van gratie ontving, dat hy genoegzaem was om alle menschen zalig te maken. En daerom ook noemt den H. Bernardus Maria eenen vollen waterstroom, van wiens volheyd wy allen deelachtig worden. 0 myne Koningin, o middelares der zondaers, oefen uwe bediening yt met voor my ten besten te spreken.’11

Omdat Christus zijn moeder niets kon weigeren, ziet het er naar uit dat op haar voorspraak niet alleen de zonden werden vergeven, maar ook de boetetijd werd bekort. Die overtuiging vond ook haar weg in de kunst, zoals het luik met het vagevuur van J.B. Anthony laat zien.

Inspiratiebronnen van J.B. Anthony

Via Wikimedia kun je verschillende afbeeldingen van het vagevuur bestuderen.12 Er zitten nauwelijks Nederlandse voorbeelden bij, maar een ervan is wel van het allerhoogste niveau, namelijk het exemplaar uit Les Très Riches Heures du Duc de Berry, van de Nijmeegse gebroeders van Limburg uit 1410.13

Gebroeders van Limburg, Vagevuur (1410)

In de miniaturen van het getijdenboek ‘Les Très Riches Heures du Duc de Berry’ (1410) is ook het vagevuur opgenomen. Let op de engelen die de zielen zowel uit het water als uit het vuur verlossen. Vermoedelijk werd op deze manier onderscheid gemaakt in de zwaarte van de vergrijpen die uitgeboet moesten worden. Herkomst: Wikimedia Commons.

Al vanaf de late middeleeuwen zijn voorbeelden bekend, waarin het vagevuur wordt gecombineerd met Maria met Kind, als om te benadrukken dat Gods moeder bij uitstek in staat is om de tijd in het vagevuur te bekorten en een einde te maken aan het lijden van de ziel. Het slot van het Weesgegroet herinnert daaraan: ‘Heilige Maria, Moeder van God, Bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood’. Ik laat hier overigens geen exemplaar uit de middeleeuwen zien, maar een contrareformatorische weergave, geschilderd door Ludovico Carracci, circa 1610:

Ludovico Carracci (1555-1619), Het vagevuur.

Ludovico Carracci (1555-1619), Het vagevuur: de engel die de ziel verlost wijst naar Maria met Kind, omringd door de paus (met de witte mijter) en met name vertegenwoordigers van de belangrijkste religieuze orden.  Mogelijk was de vingerwijzing bedoeld om te benadrukken dat vooral Gods moeder door haar voorspraak de boetetijd kan bekorten. De figuren om haar heen laten op typisch contrareformatorische wijze zien dat dit alleen mogelijk is binnen de enige heilige roomse kerk: de ‘una sancta catholica et apostolica ecclesia’ uit de geloofsbelijdenis. Verblijfplaats: Pinacotheek van het Vaticaans Museum. Herkomst: Wikimedia Commons.

Als Antwerpenaar zal J.B. Anthony ongetwijfeld ook het barokke Vagevuur van Rubens hebben gekend, waarin de engelen druk bezig zijn om de zielen naar de hemel te brengen. Toch was dat niet de tijd waarop hij zich richtte. Dat was het snijvlak van de gotiek en de renaissance, de late vijftiende en vroege zestiende eeuw toen, naar de mening van de kerkelijke kunstenaars rond 1900, de hervorming nog niet had toegeslagen en er dus nog samenhang was tussen kunst, religie en maatschappij. Anthony heeft zich verbazingwekkend goed ingeleefd in die tijd, want zijn aan Maria gewijde altaarstuk vormt een zeer overtuigend ensemble. Toch draagt het onvermijdelijk ook de kenmerken van de religieuze kunst van rond 1900, met name in het thema van de lijdende, strijdende en overwinnende kerk. Maar daar kom ik nog een keer op terug. Laten we samen een detail van het rechterluik bekijken om na te gaan wat de schilder nu precies heeft gedaan.

Detail van het altaarstuk van J.B. Anthony uit 1910, Sint Jan, Den Bosch

Detail van het altaarstuk van J.B. Anthony uit 1910 met de lijdende kerk in de vorm van het vagevuur. Foto: auteur (2014).

Het eerste dat opvalt is dat J.B. Anthony gekozen heeft voor een vuurzee, waardoor de elementen water en vuur tot een geheel zijn gemaakt, als een soort lava-achtige, smeulende stroom. Vervolgens zien we dat de verloste zielen zijn gekleed, terwijl de boetende personages naakt zijn. Dit rijmt met de middeleeuwse associatie van naaktheid met slechtheid, hetgeen nog terug te voeren was op de zondeval: pas nadat hij gegeten had van de appel realiseerde Adam zich dat hij naakt was en daar schaamde hij zich voor. Heel bijzonder is de persoon rechtsonder, omdat dat geen type is, maar door het portretachtige karakter van zijn kop een bestaand iemand lijkt. Met de blik gericht op het middenpaneel (afb. 2) onderstreept hij dat Gods moeder in de verlossing van de ziel bij haar Zoon kan en zal bemiddelen. Concentreren we ons op deze groep, dan zien we dat Maria geheel in de lijn van O.L. Vrouwe van Den Bosch gekroond is als hemelkoningin. De voorwerpen die zij en haar Zoon in hun hand houden zijn scapulieren, zoals ik hiervoor heb uitgelegd. Ongetwijfeld werden in 1910 ook scapulieren uit naam van O.L. Vrouwe van Den Bosch uitgereikt. Later werd de stof vervangen door een medaille die men als amulet aan de onderkleding spelde. Het bericht dat afgegeven wordt, zou je kunnen interpreteren als: ‘Draag deze scapulieren die ik de mensheid geschonken heb om zich te ontlasten van schuld en boete.’

Terug naar de gebroeders Custers

Vergeleken met de epische opzet van J.B. Anthony, waarin meer verhaallijnen voorkomen die elkaar uiteindelijk treffen in één boodschap – namelijk de verlossing van de ziel – zetten de gebroeders met hun reliëf als het ware een on liner neer: of je nu een koning bent of een eenvoudige sloeber, jong of oud, man of vrouw, je kunt pro-actief bijdragen aan de bekorting van je boetetijd in het vagevuur door de voorspraak te vragen van de heiligen, in dit geval de augustijner heilige Nicolaas van Tolentino. De augustijnen wisten wel hoe ze hun devotiekerk zo moesten opzetten dat er een grote aantrekkingskracht op de gelovigen van uit zou gaan. Ook dit altaar getuigt daarvan.

B.14

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Wat nog volgt

  • Een passages over het Concilie van Trente over de voorspraak van Christus en de heiligen.
  • De Gregoriusmis en het vagevuur.
  • Nederlandse contrareformatorische weergave(n) van het vagevuur.
  • Lidwina’s geduldig lijden.

Bronnen

Nota bene — In de voetnoten gebruik ik onder meer verkorte titels die volledig aangehaald zijn in de bibliografie van deze site.


  1. Herkomst: Van Leeuwen e.a., Arbeyd Sere, p. 114, naar een repro van Peter Thoben. 

  2. Hubar, De genade van de steiger, pp. 500-513: register; zoektermen: Una sancta, Januskop, transcendentie 

  3. Zie: Lucepedia, dossier Vagevuur. Omdat Lucepedia regelmatig off line is, heb ik de betreffende items opgeslagen op Evernote, waarnaar deze link verwijst. 

  4. Zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Vagevuur

  5. Zie: Lucepedia, dossier Vagevuur

  6. Zie: De scapulier van de berg Karmel

  7. Zie: De scapulier van de berg Karmel. Voorts: Aflaten

  8. Zie: http://www.dick.wursten.be/aflaten.htm

  9. Hunink, Jacobus de Voragine, pp. 3-4 [vet door mij, bvhh]. Met de predikers worden de Dominicanen of predikheren bedoeld, de ordo predicatores

  10. Voor deze titel zie en.wikipedia.org/wiki/Mediatrix 

  11. De Liguori, Glorie van Maria, 1839, (eerste druk midden achttiende eeuw), p. 402. Alphonsus de Liguori (1696-1787) was de stichter van de orde der redemptoristen en staat voor de verzoenende, barmhartige kant van de kerk. 

  12. Zie de collectie afbeeldingen op Wikimedia met betrekking tot het vagevuur

  13. Zie het lemma Les Très Riches Heures du Duc de Berry op Wikipedia. Voorts de gebroeders van Limburg op Wikipedia 

  14. Het bovenstaande item kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Het Vagevuur in de Paterskerk’, op: vanhellenberghubar.org: http://wp.me/P4eh3s-a4 (2014).

    ← Terug naar de hoofdpagina

Haptisch erfgoed

Lambrisering van reliëftegels in de Jacobskerk van Den Bosch van de architecten Joseph Cuypers en Jan Stuyt (1905).

Lambrisering van reliëf tegels in de Jacobskerk in Den Bosch van de architecten Joseph Cuypers en Jan Stuyt (1905). Foto: bvhh.nu 2014.

Wat heeft een betegelde lambrisering te maken met haptisch erfgoed? Of liever gezegd, bestaat er wel zo iets als haptisch erfgoed? Dat gevoel had ik wel toen ik weer eens een bezoekje bracht aan de Jacobskerk in Den Bosch, van de architecten Joseph Cuypers en Jan Stuyt (1905). Daar bevindt zich in de zijbeuken een prachtige lambrisering van reliëftegels, sowieso al een bijzonder fenomeen. Als je er met je vingers overheen strijkt kun je de lijnen – wat zeg ik, de bladnerven – volgen. Een mooie haptische ervaring die het kijkgenot vergroot.

Er is nog maar weinig onderzoek gedaan naar de ‘vormelijke’ beïnvloeding van de art nouveau op de religieuze kunst en vice versa. Ondanks de weerzin van Cuypers senior tegen de ‘vermicellistijl’, valt op dat in de decoraties van de firma Cuypers & Co rond 1900 vloeiende lijnen doordringen. Het gaat dan vaak om monogrammen en symbolische figuren. In de Jacobskerk herken je ze in de lijnen van de de langstelige bloem, waaraan zowel leliën als rozen ontspruiten. Gaande naar beneden ontvouwt zich een spitse piramide van een in elkaar geslingerd motief met sterk gestileerde bladeren en wortels volgens een module van driehoeken. Daartussen bevinden zich passiebloemen die in een bolvormige structuur zijn gevat. En dit alles gebeurt dan ook nog in tamelijk ongewone kleuren die haast in elkaar overvloeien: tertiaire tinten groen, blauw, geel, bruin en weinig rood, waarbij op de bladeren vlammende toetsen zijn aangebracht. In een woord, bijzonder. Maar het blijft toch dat haptische gevoel van de sterke lijnen onder je vingers dat dit kijkspel afmaakt.

gelde lambrisering onder de kruisweg in de Urbanuskerk van Jospeh Cuypers in Nes aan de Amstel (1889-1891).

Betegelde lambrisering onder de kruisweg in de Urbanuskerk van Joseph Cuypers in Nes aan de Amstel (1889-1891). Foto: auteur (2014).

Hoe de ideeën van met name Joseph Cuypers qua stijl en haptiek gewijzigd zijn, valt op als je de lambrisering uit de Jacobskerk vergelijkt met die van zijn Urbanuskerk in Nes aan de Amstel: ook hier de afwisseling van lelies en passiebloemen, volgens hetzelfde ritme als in de Jacobskerk, maar daar houdt de gelijkenis toch wel mee op. De kleuren zijn helder gedefinieerd ten opzichte van elkaar, met diep donkergroen, warm rood en okergeel, terwijl de zacht getinte kruiswegscenes tegen een diepblauw fond zijn geplaatst. Opvallend is de rol van het wit in de kleding van Christus en in de bloemkronen. Cuypers en Stuyt hebben in Den Bosch weliswaar dezelfde module gebruikt, maar het ontwerp in veel vloeiender lijnen en in een afwijkend palet uitgevoerd. Dat wil niet zeggen dat in Nes iedere golvende lijn ontbreekt, helemaal niet. Juist in de doopkapel, waar vanouds het element water centraal staat, zien we onder de als ornamenten gecomponeerde golven Jugendstillijnen verschijnen in de sierlijk wuivende leliën.* Er valt kortom nog heel wat te ontdekken als het gaat om de toegepaste kunst van de firma Cuypers & Co.

Meer zien? Ga dan eens kijken bij het Nederlands tegelmuseum, waar de kruisweg van de firma Cuypers & Co, afkomstig uit de gesloopte Amsterdamse kerk De Liefde, wordt bewaard. Op dit moment (mei 2018) is deze te zien in de oudste nog bestaande Cuyperskerk, in Kranenburg bij Vorden.*

Wordt vervolgd!

B.
Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen

  • Zie het item over Joseph Cuypers en de Urbanuskerk.
  • “Thematentoonstelling | Heiligenbeeldenmuseum Kranenburg”. Heiligenbeeldenmuseum, 2018. http://bit.ly/2KIjrd9 | http://bit.ly/2rnC5Pt-Evernote.

Dit item kan geciteerd worden als Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Haptisch erfgoed”. VanHellenbergHubar.org (blog), 23 mei 2014. http://bit.ly/1Ot6tzB.

De verkorte link is http://wp.me/p4eh3s-qq | http://bit.ly/1Ot6tzB

< Door naar de nieuwe Bavo!