Meesterteken | Akkoorden

Meesterteken | Akkoorden gaat over de haptische schoonheid van historisch metselwerk en de metaforische inwisselbaarheid van steen en woord. Je vindt dit tweelinggedicht in de bundel Een moment in zijn eeuwigheid uit 2008.*  

Meesterteken, Akkoorden

Meesterteken| Akkoorden kwam tot stand tijdens de tweede excursie die ik met Kunst der Vormen meemaakte, opnieuw georganiseerd door Hanneke Barendregt en Marjan van den Bos, in Bever (2008). Het krijgt hier een plaats in het kader van Gedicht op maandag (#gom). Het verhaal hieronder ontleende ik aan de bundel Een moment in zijn eeuwigheid:

In de mooiste nazomer die je je maar wensen kunt, vond de najaarsexcursie van Kunst der Vormen naar Bever plaats. Ook dit keer leidde de combinatie van gezelschap en ambiance tot ruime inspiratie met als resultaat een cahier van negen gedichten. De titel ervan heeft Hanneke aangereikt met de spreuk van zondag 28 september voor de Kapellekenstocht:

Fotograferen is een spontane impuls die ontstaat door voortdurend kijken en die het moment in zijn eeuwigheid grijpt (Henri Cartier Bresson).

Want dat is toch wel wat we daar allemaal hebben zitten doen: het moment in zijn eeuwigheid betrappen en vastleggen, de een in potlood, de volgende in aquarel of krijt, in pixels of in woorden. Want ook bij de woorden gaat het om wat er op dat moment in de stilte van het observeren gebeurt, bij de kraag te grijpen.

Het meesterteken

De daggestreep als meesterteken van de metselaar staat symbool voor het verlies aan ambachtelijkheid in het bouwvak vandaag de dag. Bij ieder gebreken plan dat Res nova* over een historisch gebouw produceert – en dat gebeurt samen met een van de laatste mensen die ‘restauratie’ in Delft heeft kunnen studeren (over verlies gesproken) – worden we geconfronteerd met de schade als gevolg van verkeerde materialen. Boven aan de top staat het gebruik van cement in plaats van mortel, waardoor het microklimaat van een gebouw ernstig wordt geschaad en een sneeuwbaleffect in werking zet dat met name vochtproblemen in de hand werkt. Met alle gevolgen van dien. Daarnaast is het schrijnend om te zien hoe het grove platvol gevoegde werk de fijne, strakke voegen van de mortel verdringt. Vandaar mijn kleine hommage aan het oude ambacht in de stille hoop dat we nog een renaissance mogen beleven.

Akkoorden

Tegenover het ene ambacht staat het andere ambacht, tegenover de dagge­streep de beeldspraak. Eigenlijk zijn schrijvers op dit punt niet veel anders dan wijnproevers: om wat wij ervaren tot uitdrukking te brengen – en dat geldt al helemaal als het gaat om de observatie van kunst – nemen wij toevlucht tot metaforen. Sommige daarvan zijn heel oud, alhoewel de gedachte op zich dat architectuur te beschrijven valt als een gewaarwording, pas zijn entree maakt in de vroege achttiende eeuw. Ligt de genese daarvan in het Engelse kamp, al snel verspreidt dit nieuwe genre zich over heel Europa en krijgt het een sublieme manifestatie in Goethe’s hymne op de Dom van Straatsburg, waarmee de herontdekking van de gotische architectuur als een kunstvorm doorbreekt. Ook de poëtische visie van Chateaubriand op de gotiek als een stenen woud die ik in een van de gedichten in de Picardie verwerkte, past in deze visie. Architectuur werd in staat geacht grootse gevoelens op te roepen, de mens in contact te brengen met het schone en sublieme en dat was lange tijd wel zo ongeveer het hoogste dat de kunst kon bieden.

Het beeld van de dichter als bouwer ontstond spontaan als reflectie op het Meesterteken en, valt, wat mij betreft, in omgekeerde zin te herleiden tot Lodewijk van Deyssel, die zijn oom (ja heus, Cuypers) als een dichter in steen beschreef. Ouder, veel ouder zelfs, is de herkomst van de muzikale metafoor in architectuurbeschouwingen. Dat is ook haast onvermijdelijk wanneer je bedenkt dat bij zowel het ene als het andere medium de proportieleer haar basis vindt bij Pythagoras die daarom ook een plek kreeg in de kathedraalsculptuur van bijvoorbeeld Chartres.  Maar ook hier treffen we een van de mooiste beelden bij Goethe aan die in 1829 architectuur typeerde als gestolde muziek:

Ich habe unter meinen Papieren ein Blatt gefunden,
wo ich die Baukunst eine erstarrte Musik nenne.[1]

Vanuit deze achtergrond valt de voorliefde te begrijpen voor de ‘toonladderige akkoorden’ van monumentale architectuur of het nu de tempels op het Parthenon waren of de gotische kathedraal van Salisbury: van zowel de een als de ander werd in 1863 gesteld dat ze in “alle lijnen en hoeken (…) harmonisch of toonladderig waren, zonder de minste trilling van wanklank of dissonant, zoodat men uit zijne evenredigheden getoonde muziekchoren zoude kunnen samenstellen”.[2] En was het niet architect Wijdeveld die in gesprek met Cordonnier over een van de arkel­torentjes aan het Vredepaleis riep: “C’est de la musique!”[3]

Wil je de bundel in haar totaliteit doorbladeren, klik dan op deze link.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen en andere informatie
  • De volledige titel van de bundel luidt: Hubar, Bernadette van Hellenberg. ‘Een moment in zijn eeuwigheid’. Kunst der Vormen bezoekt het dal van de Dender. Bever/Ohé en Laak: VanHH.org, 2008. http://bit.ly/2Gl9LF9-Gedichten. Onder de voorgaande link kun je de bundel inzien en downloaden.
  • Ons vroegere bedrijf heette Res nova.
  • [1] Johann Wolfgang von Goethe, 3 maart 1829 aan zijn vriend en medewerker Johann Peter Eckermann.
    [2]  Brouwers, J.W. Aanrakingspunten tusschen wetenschap en kunst, naar het Engelsch van Z.E. den kardinaal Wiseman (vertaling met aanteekeningen). Leiden, 1864.
    [3]  Ontleend aan de prachtige documentaire over Hendrik Wijdeveld van Hank Onrust, die je kunt bekijken op Youtube.
  • De collage bestaat uit foto’s die ik heb gemaakt tijdens de excursies naar Oudenberg en Lessines. 
  • Meer weten over mijn gedichten op locatie, lees dan hier hoe het allemaal begon! Voor #Gom | Gedicht op maandag gebruik je de volgende link.
  • Met Kunst der Vormen zaten we in de B&B Rosario te Bever. Heel bijzonder.

Ben je een keer in Bever, ga dan eens kijken op de locatie waar we verbleven. In de omgeving kun je de plaatsen bezoeken waar we op excursie zijn geweest, zoals Oudenberg en Lessines.

Aan #Gom | Gedicht op maandag wordt steevast aandacht besteed op onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB
Ga eens kijken en ‘like’ de pagina, zodat erfgoedgedichten als deze een nog grotere actieradius bereiken en wie weet, ook anderen inspireren tot dichterlijke reflecties op erfgoed!

Dat kun je ook doen door dit item te delen via de knop delen onderaan de pagina. Het zou helemaal fijn als je daarbij de hashtag #gom gebruikt.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2Fb5pir

Blinde verering …

Blinde verering maakt deel uit van de bundel Poèmes de Picardie uit 2009.* 

Blinde verering - Poemes de Picardie Word2019

Blinde verering schreef ik tijdens de derde excursie die ik met Kunst der Vormen meemaakte, opnieuw georganiseerd door Marjan van den Bos in de Picardie (2009). Soms landt een gedicht in een vloek en een zucht en dat is wat er gebeurde tijdens het bezoek aan ‘le petit cloître’ van ‘l’Ancienne abbaye de Saint-Jean-des-Vignes’ te Soissons. Ook al gaat het hier duidelijk om een vrouw en een man, ze deden me aan het tragische lied van de koningskinderen denken! Die associatie borrelde op toen ik het koppel ontmoette in de voorlaatste travee van het petit cloître. De tragiek waaide me tegemoet … eeuwig gescheiden door de boog van de arcade, werden ze vervolgens nog verder uit elkaar gedreven door de tijd: toen de een zich eindelijk bloot kon geven, mistte de ander zijn ogen … quelle tristesse!

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen en andere informatie
  • De volledige titel van de bundel luidt: Hubar, Bernadette van Hellenberg. Poèmes de Picardie. Art des formes à la recherche de structures du passé. Ressons le long/Ohé en Laak: VanHH.org, 2009. http://bit.ly/Poemes-de-Picardie. Onder de voorgaande link kun je de bundel inzien en downloaden.
  • De foto’s zijn van de hand van Poul de Haan. Hierop zijn alle rechten voorbehouden.
  • Meer weten over mijn gedichten op locatie, lees dan hier hoe het allemaal begon!
  • Een van de andere gedichten in de bundel – die veel bekijks trok – betrof de Grand’ parade in Soissons
  • Met Kunst der Vormen verbleven we steeds in ‘La ferme de la Montagne‘ in Ressons-le-Long. Echt een aanrader voor iemand die nader kennis wil maken met Noord-Frankrijk. 

Ben je een keer in Soissons, ga dan eens kijken op de locatie waar dit gedicht zich afspeelt.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2HEQLRw-Gom

Revisited | Sinterklaas 2011

Revisited — Toen ik vorig jaar (2017) startte met de rubriek ‘Gedicht op maandag’, voelde ik me rond Sinterklaas zowaar overvallen door de Goedheiligman, wat toch vreemd is voor een jaarlijks terugkerend feest. ‘Doe ik nu net alsof er niets aan de hand is, of speel ik er op in?’ Het werd het laatste. Ditmaal gaan we naar 2011, naar het gedicht wat ik voor Annelei Engelberts schreef, nadat ze mij het mooie boekje met ‘Brieven aan een jonge dichter’ van Rainer Maria Rilke als Sinterklaascadeau had gestuurd.* Annelei en ik hadden niet lang daarvoor de bundel Sur place* geproduceerd, zij de tekeningen en ik de gedichten, dus het leek me voor de variatie wel aardig om zelf eens een poging te wagen om lijnen op ‘t papier te zetten. Aandoenlijk vond ze het.

Revisited | Collage Sinterklaas met Annelei Engelberts, 'Sur place' en R.M. Rilke (2011). bvhh.nu 2018

En suivant

Voor 2011 gorden wij ons aan
het kompas gericht op
Spaanse krochten het
kerkhof der verloren boeken
achterna
waar vreemd genoeg
niet veel
te wachten staat

De sjamaan die van Turkije kwam
en schimmel en knecht
kreeg toebedeeld van
Wodan
die allesheerser
wereldwijd opgetuigd
met namen van Zeus
of Allah of Jahweh
of Demiourg, architect
van het universum
Die wijze wit bebaarde man
met tabbard, mijter en staf
als gekerstende insigniën
een koning te paard zijn
zwarte schildknaap
een tegenspeler
archetypes

… aartsbeelden
waarvan ieder
van ons
ze in het gedeelde
geheugen bezit
Daar liggen de verhalen
die oeroud
gezaaid zijn
in ons bloed
en af en toe
ruisend
op onze hartslag
naar boven dringen
tot
bewustzijn hun
een kleed aantrekt
dat wij met
onze zintuigen
omhelzen.

Laat dat het
avontuur zijn
dat in 2011
wacht.

Bernadette van Hellenberg Hubar & Annelei Engelberts in Soissons (2009). Foto Poul de Haan.

__________________________________

Naschrift — Annelei en ik hebben elkaar leren kennen tijdens een van de excursies van ‘Kunst der vormen’.* Ik vertelde haar dat ik al enige tijd zocht naar iemand om een bundel mee te maken: mijn partner de tekeningen en ik de gedichten. Ze reageerde heel spontaan dat zij dit wel wilde proberen. Van haar werk heb ik om te beginnen dankbaar gebruik gemaakt voor de bundel Poèmes de Picardie (2009). Daarna hebben we een jaar samengewerkt aan Sur Place. Met haar Delftse stedenbouwkundige achtergrond leek het haar aardig om iets te doen met een stad, en dan wel een met een interessant stedenbouwkundig verleden. Het werd Roermond, een stad waar ik zoveel onderzoek heb gedaan dat de bijzondere onderwerpen voor het oprapen lagen. Hoogleraar Peter Nissen was dat jaar bezig met zijn grote monografie over Roermond en nog altijd ben ik hem dankbaar dat hij tijd vrijmaakte om mijn historische post scriptum te lezen. Dat is mijn makke … ik kan niet zomaar gedichten over de schutting gooien, ik wil de lezer ook graag voeden met informatie om ze te interpreteren. Of dat nog steeds een taboe is in schrijvend Nederland, weet ik niet en dat boeit me ook niet zo.

En dan Rilke met zijn adviezen aan een jonge dichter. Goede wijn behoeft geen krans en dat geldt ook hiervoor. Je zou iedereen zo’n liefdevolle mentor gunnen en misschien heeft iedereen die ook wel nodig. Wat ik in ieder geval al die jaren ter harte genomen heb is Rilke’s opmerking ‘Kunstwerken zijn van een oneindige eenzaamheid en met niets zo weinig nader te komen als met kritiek. Alleen liefde kan ze omvangen, bewaren en recht doen wedervaren.’* Bij geen enkel poëtengezelschap heb ik me aangesloten, geen enkel forum heb ik opgezocht. Alleen in binaire sferen deel ik de gedichten uit, laat ik ze los in de wereld, geef ik ze vleugels door mijn periodieke rubriek ‘Gedicht op maandag’.

Hoe vreemd dat ook schijnt te zijn, Rilke heeft bij mij een bijzondere plaats gekregen in het boek over de nieuwe Bavo, en wel bij de Unvollendete. Het was de inmiddels oud-plebaan van de kathedraal die me attendeerde op het gedicht uit Das Stundenbuch (1905) over de niet te voltooien kathedraal. Ik heb dit gedicht van Rilke eerder aangehaald bij het gedicht ‘Atomen’ uit de minicyclus over de Medersa Ben Youssef in Marrakesh.*

Tja, en dan het onvermijdelijke onderwerp … Zwarte Piet. Ik herhaal hier wat ik op Facebook in besloten kring al heb gezegd naar aanleiding van de afgewogen blog van Jaïr Cijntje: ‘Dit is zo’n discussie waar ik buiten wil blijven, omdat ik de escalatie op z’n zachtst gezegd verontrustend vind. Maar eerlijk is eerlijk … dit is een evenwichtig verhaal [van Jaïr Cijntje]. En als we alles terzijde schuiven – ook de cultuurhistorische argumenten die heel valide (kunnen) zijn – dan gaat het alleen nog maar om de menselijke maat’.*

In mijn gedicht refereer ik aan archetypen. Hoe sterk dat achteraf voor deze discussie op blijkt te gaan, onthullen twee jonge filosofen in hun artikel over het ‘feest van impliciet racisme’.*

Is december geen mooie maand om te wijden aan de menselijke maat?

Alle Menschen werden Brüder!*

B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!  


Bronnen en verdere informatie

De * in de tekst hierboven verwijst naar de volgende bronnen (opgemaakt met Zotero):

  • Rilke, Rainer Maria, en Theodor Duquesnoy (vertaling). Brieven aan een jonge dichter. Amsterdam: Balans, 2009.
  • Engelberts, Annelei, en Bernadette van Hellenberg Hubar. Sur place, Roermond in dertien beeldgedichten. 1ste dr. Amsterdam/Ohé en Laak, 2011. http://bit.ly/Surplace-2011. Daarna hebben we samen Wikken en wegen gemaakt, in opdracht van de Rechtbank Roermond toen deze opging in de Rechtbank Limburg (2013-2014).
  • Surf daarvoor naar deze link.
  • Rilke, Brieven aan een jonge dichter, p. 16.
  • Hubar, De nieuwe Bavo, p. 163, Rilke, Ranson en Hutchinson, Rainer Maria Rilke’s The Book of Hours, pp. 19-10, 201 (blijkens p. 201 schreef Rilke dit gedicht uit Das Stundenbuch (1905) in 1899). Van Ogtrop had dit gedicht weer doorgekregen van Eric Ottenheijm, assistent hoogleraar Joodse en bijbelse studies. De gecursiveerde woorden zijn van toepassing op het aanzien van de nieuwe Bavo. Het roept natuurlijk de vraag op of Joseph Cuypers dit ooit heeft gelezen. Mocht dat zo zijn, dan is het vast een feest van herkenning voor hem geweest. Surf naar het gedicht ‘Atomen’ uit de minicyclus over de Medersa Ben Youssef in Marrakesh via deze link.
  • Cijntje, Jaïr. “Zwarte Piet: wat is er nou precies racistisch aan?” Ondertussen.nl, 26 september 2018. http://bit.ly/2QCv8br-Evernote. Mijn Facebook bericht dateert van 21 november 2018.
  • Jongepier, Fleur, en Sem de Maagt. “Waarom Zwarte Piet onacceptabel is”. De Groene Amsterdammer, 4 december 2014. http://bit.ly/2U5pddO-Evernote
  • Uit de Ode an die Freude van Friedrich von Schiller uit 1785/1803. Dit gedicht heeft vooral naam gemaakt doordat Beethoven de tekst op muziek heeft gezet in het laatste deel van zijn Negende symfonie in 1823. De tekst is onder meer te vinden op Wikipedia. De ode van Schiller/Beethoven werd in 1972 door de uitgekozen als volkslied. Op Youtube is een hele menigte uitvoeringen te vinden!

 

De genade voorbij | Het Laatste Oordeel in Alkmaar

De genade voorbij

Deze diashow vereist JavaScript.

Ze zijn zich van geen kwaad bewust
en staan verbaasd om
zich heen te kijken
Naakt als in het paradijs
Mooi van lijf en leden
Blij … maar waren ze niet dood?
Kijk daar en daar en daar
Familie, geliefden en die daar …
Zijn dat mijn kindskinderen?

Maar veel tijd voor verbazing is er niet.
De wind steekt op en met iedere vlaag
… trompetgeschal
Engelen uit grimmiger tijden
Hun gewaad in scherpe knipplooien
met in hun handen de weegschaal,
overgedimensioneerd …
neemt Michael de mensheid de maat
De schroeiende hitte van
de hellemond voelbaar

Centraal in het gewelf de wereldrechter
Gods zoon zonder twijfel

met ‘n poker face
sierlijk gebarend naar links en rechts
scheidt hij de goeden van de kwaden
na voorspraak van moeder en doper
de genade voorbij

Jacob Corneliszoon van Oostsanen m.m.v. Cornelis Buys, Het Laatste Oordeel in de Grote Laurenskerk te Alkmaar (1519), gerestaureerd door Willem Haakma Wagenaar en Edwin van den brink (2003-2011). Foto bvhh.nu 2018.

_______________________________

De genade voorbij

Twee jaar geleden was het ‘De wonderlijke klim’ in Den Bosch, dit jaar gooit Alkmaar er nog een schepje bovenop met ‘De klim naar de hemel’.* In het ene geval de aardse microkosmos, in het andere geval het einde der tijden.* Ik was er met ons kwintet, Wim Eggenkamp, Eduard Kimman, Harrie-Jan Metselaars en Gert van Kleef, welke laatste nauw betrokken was bij de organisatie van ‘De klim naar de hemel’ en de feestelijkheden rond het 500-jarig bestaan van de Grote Laurenskerk. Een geweldige ervaring om hoog boven het dak van de kerk te wandelen en over het golvende patroon van de geschubde leien naar de stad te kijken. En dan de stap naar binnen … oog in oog met het Laatste Oordeel van Jacob Corneliszoon van Oostsanen (1519): schilderingen op een houten gewelf die normaal ver boven je uitstijgen en waarvan de details door de afstand en speling van het licht aan je oog ontsnappen. Een geweldige ervaring daar boven op de steigers, zoals je kunt zien aan de laatste foto’s in de diaserie.

Steigers … mijn fascinatie voor steigers houdt nooit op. En waarom dat is? Misschien wel omdat je je eigenlijk in het luchtledige bevindt, even houvast hebt op plaatsen waar buiten alleen vogels kunnen komen, scherend over een dak of langs rijzige gevels; en binnen hooguit de rook van kaarsen of de klanken van het orgel. Eigenlijk bestaat de plek waar je op de steiger staat niet.

Het thema op zich hoeft iconografisch nauwelijks introductie, zeker niet na de belangstelling die het werk van Jeroen Bosch in het jubileumjaar 2016 heeft ondervonden. Met mijn gedicht volg ik de driedeling van het gewelf in de zaligen (links), de voltrekking van het oordeel (midden) en de verdoemden (rechts), waarbij Maria en Johannes de Doper als voorsprekers zijn afgebeeld.


Portret van Jacob Corneliszoon van Oostsanen (c. 1472/77-1528/33), door zijn atelier in Amsterdam, c. 1533. Herkomst Rijksmuseum, objectnumber SK-A-1405.*

Restauratiegeschiedenis | Slepen met een gewelf 

Restaurator Willem Haakma Wagenaar heeft tijdens de restauratie van 2003 tot 2011 een artikel geschreven voor de nieuwsbrief van de stichting Jacob Cornelisz. van Oostsanen, de Jacobsbode, waarin hij de lotgevallen van het houten gewelf beschrijft. Ook hier manifesteerde zich de ‘educatieve roofzucht’ van het rijk (lees het hoofd van de afdeling Kunsten & Wetenschappen van het ministerie van Binnenlandse Zaken, Victor de Stuers en zijn rijksadviseur, Pierre Cuypers). Tussen 1885-1886 werd geregeld dat het gewelf beetje bij beetje naar het Rijksmuseum getransporteerd werd in ruil voor subsidie om een nieuw houten beschot aan te brengen. Los van de discussie over hoe je met dit soort kunst om moet gaan – conserveer je heel terughoudend of streef je naar een evocatie van het origineel – is het voor mij heel interessant dat twee schilders die ik behandeld heb in ‘De genade van de steiger’, gevraagd werden de schilderingen in orde te maken. In eerste instantie, 1902-1904, was dat Jan Dunselman, bevriend met Joseph Cuypers, die vooral bekend is geworden van de uitmonstering van de Nicolaaskerk te Amsterdam.* Mede doordat de houten drager werd ingekort om het gewelf in het Rijksmuseum te kunnen plaatsen, heeft Dunselman er vrij veel aan moet doen.

Als gevolg van gewijzigde inzichten verdween het houten gewelf uit de opstelling van het Rijksmuseum: directeur Frans Schmidt Degener had niet veel op met de educatieve visie van Cuypers en De Stuers, noch met hun belangstelling voor monumentale kunst. Daar kwam bij dat de toeschrijving inmiddels veranderd was van Jacob Corneliszoon naar zijn broer, Cornelis Buys, waardoor de kunsthistorische waarde van het oeuvre kennelijk daalde. Om kort te gaan, het gewelf werd opnieuw gecompartimenteerd en teruggebracht naar Alkmaar, waar het moest wachten tot 1940 om weer op zijn oude plek hersteld te worden. Ditmaal was het Gerhard Jansen die aan de slag ging. Over hem is Haakma Wagenaar nog minder enthousiast dan over Dunselman, vooral vanwege het gebruik van vernis. Ook al zou vandaag de dag – terecht – niemand dat meer doen, Gerhard Jansen was bepaald geen amateur. Hij had grote ervaring als restaurator en als kerkschilder. Toen Antoon Derkinderen aan het experimenteren was met het schilderen direct op de muur, deed hij dat onder meer met Gerhard Jansen in de Doopkapel van de Nicolaaskerk van Jutphaas (1904). Uiteindelijk is dat het enige oeuvre in dit genre dat van Derkinderen behouden bleef, die overigens ook voor het technische kunnen van Jan Dunselman grote waardering had. Het zou goed zijn als tijdens zo’n grote restauratie meer onpartijdig gekeken zou kunnen worden naar de ingrepen van voorgangers, waardoor ook andere aspecten van hun inmenging in het licht komen te staan. Dat maakt gewoonweg deel uit van de geschiedenis van het kunstwerk in kwestie, die nu voor een groot deel is weggepoetst, zoals onder meer uit de aanpak van de Christusfiguur blijkt. Daarnaast vergroot zo’n onderzoek de kennis over de technische vaardigheden van in casu Dunselman en Jansen en die komt weer van pas op het moment dat hun werk wordt hersteld. In het geval van de eerste hebben de laatste decennia al grote conserveringsprojecten plaatsgevonden, met name door Rob Bremer en Wil Werkhoven.*

Daantje Meuwissen legt uit waarom het Laatste Oordeel van de hand van Jacob Czn van Oostsanen is. Screenshot van het artikel in de Jacobsbode uit 2009.
Daantje Meuwissen legt uit waarom het Laatste Oordeel van de hand van Jacob Czn van Oostsanen is. Screenshot van het artikel in de Jacobsbode uit 2009.

Tekenachtig schilderen

Ik noem Derkinderen hier ook, omdat er sprake is van een opvallende synchroniciteit tussen zijn stijl en die van Jacob Cornelisz. van Oostsanen: beiden hadden een tekenachtige manier van schilderen, zoals specialist Daantje Meuwissen bij Van Oostsanen ontdekte en ik bij Derkinderen. Of dat helemaal op toeval berust is zeer de vraag. Derkinderen kende dat andere monumentale werk van Van Oostsanen dat naar het Rijksmuseum was overgebracht, heel goed: het beschilderde houten gewelf van Warmenhuizen dat zich in de ‘kapel’ van de Oefenschool bevond op het terrein. De bedoeling was dat hij dit zou restaureren, maar daar is het door de moeizame verstandhouding met Cuypers en De Stuers niet van gekomen. Wel had Derkinderen als voorbereiding daarop het hele gewelf in 1892 onderzocht en uitgetekend.* Algemeen was de belangstelling voor dit type werk in de tweede helft van de negentiende eeuw groot, zowel bij onderzoekers als kunstenaars: Cuypers’ zwager, J.A. Alberdingk Thijm, Derkinderens docent aan de Rijksacademie, noemt het voorbeeld van Naarden bij zijn transcriptie van de biblia pauperum die hij in 1866 publiceerde. Een van de meest indrukwekkende uitwerkingen van het onderliggende systeem van corresponderende voorstellingen uit het Oude en het Nieuwe Testament uit de late negentiende eeuw is de kruisweg in de Amsterdamse Nicolaaskerk van Jan Dunselman (1891-1898).*

Reformatie

Een van de vragen die steeds weer opkomt bij middeleeuwse kerken die in protestantse handen zijn overgegaan, is waarom dit soort werken de beeldenstorm ontsprong. Dat geldt niet alleen voor schilderingen als deze die op een vrij onbereikbaar niveau zaten, maar ook voor zestiende-eeuws glas in lood zoals in de Oude Kerk van Amsterdam. En wat te denken van het altaarstuk van Jacob van Heemskerck (1538-1542) dat pas na de reformatie, in 1581, naar Zweden ging en nu weer even in de Alkmaarse Grote Laurenskerk te zien is. Tegenwoordig gaat men er vanuit dat dat heeft te maken met de invloed van de schenkers van deze kunstwerken die vaak op de betreffende werken staan afgebeeld. Ook de elite ging om naar het nieuwe geloof, maar dat betekende niet dat hun kostbare investeringen te grabbel moesten worden gegooid. Of dit een urban legend is of gebaseerd is op onderzoek, heb ik niet direct kunnen achterhalen. Indien deze verklaring klopt, dan zal die ondogmatische opstelling vast tot discussies hebben geleid tussen de ‘rekkelijken’ en de ‘preciezen’. In dat geval hebben we aan het stedelijke patriciaat het behoud van bijzondere kunstwerken te danken van een generatie die bij het grote publiek nog maar weinig bekendheid geniet. Des te meer reden om naar Alkmaar te gaan voor ‘De klim naar de hemel’.

;-) Bernadette

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen en verdere informatie

De * in de tekst hierboven verwijst naar de volgende bronnen (deels opgemaakt met Zotero). De volledige inhoud van de afgekorte titels is te vinden in de bibliografie op deze site.

  • ‘De klim naar de hemel’ is mogelijk tot en met 8 oktober 2018!
  • Voor mijn gedicht naar aanleiding van ‘De wonderlijke klim’ volg deze link.
  • Gegevens Rijksmuseum: ‘workshop of Jacob Cornelisz van Oostsanen, Portrait of Jacob Cornelisz van Oostsanen (c. 1472/77-1528/33), Amsterdam, c. 1533′, in J.P. Filedt Kok (ed.), Early Netherlandish Paintings, online coll. cat. Amsterdam: hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.8170 (consulted 27 August 2018). Permalink via deze URL.
  • Deze noot verwijst naar:
    • Haakma Wagenaar, Willem. “De gewelfschilderingen van de Laurenskerk in Alkmaar (I en II)”. Jacobsbode, nieuwsbrief van stichting Jacob Cornelisz. van Oostsanen 4–5 (2005): 1–5; 2–4. bit.ly/2BKjK6M-Oostsanen. Haakma Wagernaar voerde de restauratie uit met Edwin van den Brink.
    • Over de toeschrijving aan J.C. van Oostsanen zie het overtuigende artikel van: Meuwissen, Daantje. “Het plafond van de Laurenskerk in Alkmaar: de hand van de meester”. Jacobsbode, nieuwsbrief van stichting Jacob Cornelisz. van Oostsanen 8 (2009): 3-5. bit.ly/2BKjK6M-Oostsanen
    • De term ‘educatieve roofzucht’ komt van Wies van Leeuwen, De maakbaarheid van het verleden, pp. 117-129.
  • Deze noot verwijst naar:
    • Haakma Wagenaar, “De gewelfschilderingen van de Laurenskerk”, p. 4.
    • Over Jan en zijn broer Kees Dunselman, zie met name Hubar, Tussen Gabriel en Michael (2018), pp. 53-69, waarin de bevindingen in Hubar, De genade van de steiger, pp. 178-208, zijn aangevuld en bijgesteld. Dit was met name mogelijk door de toename van het aantal dagbladen in Delpher.nl en de toegang tot Kerkcollectie Digitaal van het Catharijneconvent. Zie ook de errata op deze site.
  • Deze noot verwijst naar:
    • Haakma Wagenaar, “De gewelfschilderingen van de Laurenskerk”, pp. 4-5. bit.ly/2BKjK6M-Oostsanen. Over de oorsprong van de aanwezige Christusfiguur is Haakma Wagenaar onduidelijk. Niettemin besloot hij deze te vervangen door een figuur waarvan het hoofd ontleend is aan de doek van Veronica op een van de andere gewelven in de Laurenskerk. Behalve dat ik hier bedenkingen tegen heb, heb ik iconografisch twijfel bij de inwisselbaarheid van het ene en het andere type. Dit is een kwestie die ik nog een keer wil voorleggen aan Daantje Meuwissen.
    • Haakma Wagenaar, Willem, en Edwin van den Brink. De gewelfschilderingen in de Laurenskerk van Alkmaar gerestaureerd, 2003-2011. z.pl. (Alkmaar), 2011. bit.ly/2oeUb4n-Oostsanen
    • Hubar, De genade van de steiger, pp. 44 (Jutphaas), 335-336 (Gerhard Jansen), 187-190 (Jan Dunselman). Rob Bremer en Wil Werkhoven hebben onder meer de Nicolaaskerk te Amsterdam gerestaureerd (Jan Dunselman), de Obrechtkerk te Amsterdam (Kees Dunselman), de Jozefkerk te Noordwijkerhout (Kees Dunselman) en de Agathakerk te Lisse (Jan en kees Dunselman).
  • Deze noot verwijst naar:
    • Het hiervoor geciteerde artikel van Daantje Meuwissen.
    • Voor Warmenhuizen: Wies van Leeuwen, De maakbaarheid van het verleden, pp. 126-129.
  • Deze noot verwijst naar:
    • Hubar, De genade van de steiger, met name pp. 44 (abusievelijk staat hier 1861 in plaats van 1866), 189 (Jan Dunselman).
    • Thijm, “De harmonieën van het Oude en het Nieuwe Testament in de beeldende kunst, Biblia Pauperum”, p. 433.*
    • Het thema van Thijm en de biblia pauperum heb ik verder uitgediept in mijn boek De nieuwe Bavo te Haarlem, pp. 84-86, waarop een voorschot is genomen met dit webartikel over de glazen van vader en zoon Cuypers in de apsis van de nieuwe Bavo.
  • Meer weten over de gedichten met de achtergrondverhalen die ik schrijf? Surf dan naar dit item.

Je moet zeker de hemel gaan beklimmen, dus op naar Alkmaar!*

Verkorte link van dit item: bit.ly/2ocXr07-VanHH2Org

Ontzielde handelswaar | Slavernijverleden

Ontzielde handelswaar op Curaçao

Museum Kura Hulanda vertelt over de positie van Curaçao in de internationale slavenhandel. Foto Anja Disselhof 2011 (onder Creative Commons Licentie op Flickr).


Ketens rammelen
in dichte rijen
donkere lijven zij aan zij
in het lichtloos vrachtruim
gestapeld
stank, ontbering,
vervuiling, ontering
weggevoerd uit
de alledag
ontworteld, verkracht
de mensheid voorbij

Levensgevaarlijk deze denkende dieren
wanhoop slaat van de boeien af
brouwt nachtmerries voor de beulen
angst die escalatie broedt
kneedt repressie in barbaarse vormen
gemartelde lijven, stront en bloed

Hebben wij dit inferno geduld?
een stinkende schuld op ons geladen
na anderhalve eeuw
reeds afbetaald?

Het nagebouwde scheepsruim in museum Kura Hulanda te Curaçao, waar slaven zij aan zij geketend lagen gedurende een reis die vele maanden kon duren. Foto Jeroen van Luin 2016 (onder Creative Commons Licentie op Flickr).

Plattegrond van een slavenschip met dicht op elkaar gepakte ontzielde handelswaar, tentoongesteld in museum Kura Hulanda te Curaçao. Foto Jeroen van Luin 2016 (onder Creative Commons Licentie op Flickr).

_______________________________

Ontzielde handelswaar — Het gedicht ‘Ontzielde handelswaar’ komt uit E kas blau | Het blauwe huis, de bundel die ik schreef bij mijn eerste bezoek aan Curaçao in 2011.* Ik heb het vandaag als apart item geplaatst vanwege de herdenking van de afschaffing van de slavernij op de Nederlandse Antillen en in Suriname door het centrale gezag in Nederland op 1 juli 1863.* Wat dit voor mij niet al te bekende facet van ons nationale verleden opriep, had ik, toen ik er was totaal niet aan zien komen.

Boter op ons hoofd, we hebben ladingen boter op ons hoofd. Dat was wat door mijn hoofd ging toen ik de eerste zalen van het slavernijmuseum op Kura Hulanda had bekeken. Natuurlijk weet je het wel, daar ergens in je achterhoofd, dat onze economische bloei in het verleden gegrondvest was op het bittere leed van anderen, maar als je daar met je neus op wordt gedrukt – het in alle omvang krijgt voorgespiegeld – dan overvalt een intense schaamte je. Vooral ook, omdat de Nederlander zich zo gemakkelijk de rol aanmeet van de moreel meerdere van de Duitser. Dat vergaat je wel als je ziet wat wij op ons geweten hebben. Formeel geen georganiseerde genocide – want wie bederft nu zijn eigen koopwaar? – maar niet één kerk heeft zich verzet tegen de massale ontzieling en de wreedheden die met deze nering gepaard gingen. Sterker nog, de kerken leverden de legitimatie van de slavenhandel door middel van pauselijke breven en citaten uit de Statenbijbel.

Curaçao was zo ongeveer het Westerbork van de Cariben en ook Kura Hulanda maakte deel uit van de niets ontziende logistiek. De ruimtes waar het museum in gevestigd is, waren eertijds het decor van hartverscheurende taferelen. Het besef dat je daar nagenoeg fysiek het verleden instapt, is ronduit beklemmend. Op het moment dat ik het nagebouwde scheepsruim betrad, overviel het gedicht me. Stortte zich op me met alle schuld en schaamte. Het was echter niet alleen de wanhoop van de gevangenen die ik voelde, maar ook de immense angst van de overweldigers voor een tegenstander die niets meer te verliezen heeft. Excessieve wreedheid is het gevolg geweest. Een wreedheid die zijn weerslag vond in een van de schakels van de driehoekshandel: gesmede martelwerktuigen, boeien en kettingen.

Omgaan met zo’n verleden is misschien nog te doen in een gepolariseerde constellatie, als je simpelweg of tot de ene of tot de andere partij hoort. Maar dat wordt anders als je allebei de kanten in je hebt. Hoe problematisch dat is ervaren Nederlandse families die zowel collaborateurs als verzetsmensen in hun gelederen hebben, tot de dag van vandaag. Voor hen geen helderheid. Kijken we naar het slavernijverleden dan is een van de meest saillante voorbeelden de uitzending van Verborgen verleden met de cabaretier Jörgen Raymann.* Wat mij betreft de meest indrukwekkende episode in deze bijzondere serie, die je onder deze link kunt bekijken. Neem er de tijd voor, want  … misschien overdrijf ik, maar ik werd er een ander mens van.

B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen en verdere informatie

De * in de tekst hierboven verwijst naar de volgende bronnen (opgemaakt met Zotero):

  • Hubar, Bernadette van Hellenberg. E kas blau | Het blauwe huis. Gedichten op locatie met reisimpressies (Curaçao). Curaçao/Ohé en Laak, 2011. http://bit.ly/2ykneeF-KasBlau. Over mijn beeldgedichten/gedichten op locatie vind je meer onder deze link.
  • “Emancipatiewet”. Wikipedia, 11 mei 2018. http://bit.ly/2NgsKSO. Dit item is verder opgenomen in de rubriek #Gom | Gedicht op maandag (2 juli 2018).
  • Spijtig genoeg staat net deze aflevering niet op Youtube, zodat ik haar niet kan inbedden in dit bericht. Ook via NPO Start gaat dat niet. Maar dat moet je niet beletten om te gaan kijken!
  • Toelichting en herkomst foto’s:
    • Museum Kura Hulanda vertelt over de positie van Curaçao in de internationale slavenhandel. Foto Anja Disselhof 2011 (onder Creative Commons Licentie op Flickr).
    • Het nagebouwde scheepsruim in museum Kura Hulanda te Curaçao, waar slaven zij aan zij geketend lagen gedurende een reis die vele maanden kon duren. Foto Jeroen van Luin 2016 (onder Creative Commons Licentie op Flickr).
    • Plattegrond van een slavenschip met dicht op elkaar gepakte ontzielde handelswaar, tentoongesteld in museum Kura Hulanda te Curaçao. Foto Jeroen van Luin 2016 (onder Creative Commons Licentie op Flickr).
  • De beeldgedichten die ik tijdens mijn werkbezoek een jaar later schreef zijn direct on line geplaatst op Blogger: Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Curaçao revisited”. Homo ludens op Curaçao (2012) (blog), 2012. bit.ly/2tU6upc-dichtwerk.

Ben je een keer in Willemstad op Curacao, ga dan eens kijken bij Museum Kura Hulanda.

Verkorte link: bit.ly/2tJxSXs-VanHH2Org

Le va et vient à Pierrefonds

Le va et vient à Pierrefonds


Le va et vient | E.E. Viollet-le-Duc (ontwerp), Het binnenplein van kasteel Pierrefonds (1861-1885). Foto bvhh.nu (2008). Le va et vient | E.E. Viollet-le-Duc (ontwerp), Het binnenplein van kasteel Pierrefonds (1861-1885). Foto bvhh.nu (2008).

Le va et vient …
het plein van Pierrefonds
lost op in een markt
waar mensen slenteren …
Iedere gevel
als een apart gebouw
organisch gegroeid
tous les temps, tous les lieux
ogenschijnlijk lukraak
maar au fond
resultaat
van een
tekentafel
waar de meester van het werk
zich fronsend over buigt
en ziet dat het goed is.

Le va et vient | E.E. Viollet-le-Duc (ontwerp), De bouwvakker in een van de sluitstenen van kasteel Pierrefonds (1861-1885). Foto Poul de Haan (2008).

______________________________________________________________________

Postscriptum | La va et vient

Dit gedicht met de uitleg in het citaat hieronder komt uit mijn eerste bundel met Kunst der Vormen in de Picardie – Assez de place (2008)* – en is hier geplaatst in het kader van het initiatief Gedicht op maandag | #Gom. Toen ik met deze groep op excursie ging, realiseerde ik me helemaal niet dat we zo dicht bij Pierrefonds zouden zijn.* En dat stond al zo lang op mijn verlanglijstje. Op het notebook dat ik bij me had, had een lezing staan over Pierre Cuypers die ik aanvulde met wat foto’s die Poul de Haan, Marja Langenberg en ik bij een verkennend bezoek hadden gemaakt. En zo kon ik een presentatie geven, voordat we er met het hele gezelschap naar toe gingen. Dat was ook wel nodig: we schrijven 2008, het Rijksmuseum was nog niet herontdekt (dat gebeurde pas na de opening in 2013) en in de groep heerste de nodige argwaan jegens de neostijlen. Er was dan ook geen onverdeeld enthousiasme over dit meesterwerk van Cuypers’ grote voorbeeld, Eugène Viollet-le-Duc. Min of meer schoorvoetend gaf men zich over …

Dit thema dank ik aan Maarten* wiens eerste reactie op het binnenplein van Pierrefonds was dat het zo van de tekentafel kwam. Die opmerking activeerde een paradox die tekenend is voor dit soort complexen: Viollet-le-Duc had als opdracht om in Pierrefonds een microcosmos van het Franse rijk en zijn verleden te tonen, waarvan de organische groei in de verschillende bouwvolumes en geveldelen tot uitdrukking moest komen. In het spoor van Lodewijk XIV wilde keizer Napoleon III zichzelf in het midden van dit rijk plaatsen: het was zijn Versailles. Analoog aan de al wat oudere landschapsparken moesten hier ‘tous les temps et tous les lieux’ verbeeld worden. Marja herkende dan ook direct tijdens de voorexcursie nagenoeg rechtstreekse stijlcitaten van de Sainte Chapelle en van kastelen als Blois en Chambord.

In het spoor van de microcosmos onthult het plein nog een favoriet thema uit deze tijd: architectuur als stad in het klein. Algemeen werd die ‘stad’ alleen als silhouet getoond, zoals Cuypers met name laat zien bij het Centraal Station. Door de bijzondere opgave van Pierrefonds was Viollet-le-Duc hier in de gelegenheid om de stad in het klein ook van binnen te tonen door het plein het aanzien te geven van een markt met verschillende gebouwen.

Van de middeleeuwse bouwkunst hadden Viollet-le-Duc en Cuypers het thema van de recursie overgenomen, dat vergelijkbaar is met het Droste Cacao-effect.* De grote kathedralen zijn een verbeelding van het hemelse Jeruzalem dat ik hiervoor heb aangestipt en bevolkt met heiligenbeelden wier baldakijnen opnieuw een hemels Jeruzalem vormen. Heel fraai zien we dat bij ons broddellapje in het frontispies, waar een prachtig gedetailleerd gotisch Jeruzalem is neergedaald.*

Dit thema werd op verschillende manieren uitgewerkt in Pierrefonds, waar het grote kasteel onder meer een recursie krijgt in de bekroning van de beren van de loge naar de keizerlijke vertrekken. Bij haar speurtocht naar een detail om zich op te concentreren attendeerde Janke me hierop. We zien het dan ook terug in de tekening die zij maakte.

Le va et vient | Janke de Boer, Een van de steunberen van Pierrefonds, bekroond door een miniatuur kasteel. Foto Marjan van den Bos, 2008.
Janke de Boer, Een van de steunberen van Pierrefonds, bekroond door een miniatuur kasteel. Foto Marjan van den Bos, 2008.

Over de foto’s nog het volgende: de twee in de kop zijn van mijn hand. Wat ze bijzonder maakt is dat ze genomen zijn met mijn eerste GSM met fotocamera, een Nokia. Vergeleken met de iPhone die ik nu heb, was het een soort stoommachine, maar wat was ik destijds blij met dit hulpmiddel. Ik heb toen ontdekt hoe gemakkelijk het is om een fototoestel direct bij de hand te hebben.

De foto van de bouwvakker in een van de sluitstenen van Pierrefonds is van Poul de Haan, wiens werk ik voor nagenoeg alle bundels heb mogen gebruiken die ik met Kunst der Vormen maakte. Het was delen in de overvloed wat ook gold voor de andere fotografen en de tekenaars in het gezelschap. Dat maakte het bundelen van de gedichten een dankbaar werk.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen

  • Hubar, Bernadette van Hellenberg. Assez de place pour être heureux. Art des formes visite la Picardie. Gedichten op locatie. Ohé en Laak: VanHH.org, 2008. http://bit.ly/2yS3tYj-Assez, pp. 16-17.
  • Voor zie dit lemma op Wikipedia.
  • Maarten Ruijters, architect en begenadigd topografisch tekenaar. Van hem is ook de tekening op de omslag van Hubar, Assez de place.
  • Voor het Droste-effect of de recursie zie dit lemma op Wikipedia.
  • Het broddellapje slaat op de kerk van Saint Martin au Montigny Lengrain, een onvoltooide symfonie par excellence. Van het frontispies is een foto van Poul de Haan te zien in Hubar, Assez de place, p. 17.
  • Wat betreft de achtergrond van mijn observaties, zie Hubar, Arbeid en Bezieling, zoektermen: microcosmos; Louis de Carmontelle in verband met ‘tous les temps et tous les lieux’; Aart Oxenaar voor de stad in het klein. Het thema van de recursie heb ik verder uitgewerkt in mijn monografie over de nieuwe Bavo.

Ben je in de buurt van Pierrefonds, ga dan zeker kijken!

Verkorte link van dit item: bit.ly/2Iyqt70-VanHH2Org

#Gom | Gedicht op maandag

101 jaar zou ze zijn geworden
Trabzon | Stroom
Meesterteken | Akkoorden
Shete Boka aan de noordkust van Curaçao
Blinde verering …
Ubi sunt …*


Gom — Vanaf 2006 heb ik gedichten geschreven, met name rond erfgoedthema’s, maar ook over andere vormen van ‘human interest’. Eens in de paar weken stof ik er eentje af en zet dat on line onder de titel Gedicht op maandag | #Gom.

Gom | Met Kunst der Vormen in Wylre, bezig met een gedicht over dit werk van Leo Vroegindeweij. Collage bvhh.nu 2010.
Met Kunst der Vormen in de tuin van kasteel Wylre, bezig met een gedicht over dit werk van Leo Vroegindeweij voor de bundel ‘In ‘t Zuie’. Collage bvhh.nu 2010.

Verkorte link: bit.ly/2ySQKG7-Gom

Unieke Tag: 2ySQKG7

Cyclus Rome

Cyclus Rome: het Colosseum
Het Colosseum te Rome (72-80). Foto auteur, 2015.

Van 12 tot 22 juni 2015 was ik met een kleine groep op excursie in Rome onder leiding van Cis Brenders, klassiek archeoloog te Antwerpen, die zich onder meer bezighoudt met de vertaling van De architectura Libri X (De tien boeken over architectuur) van Vitruvius, voluit Marcus Vitruvius Pollio (circa 85 — 20 voor Christus).1 Behalve in de Romeinse kunst – waarbij Brenders veel aandacht besteedde aan een van mijn favoriete onderwerpen, monumentale muurschilderkunst – maakte hij ons ook wegwijs in de vroegchristelijke cultuur. Heel bijzonder was het bezoek aan Ostia waar hij al jaren bezig is met een graffitiproject, klassieke graffiti wel te verstaan.

Daarnaast was er  voldoende gelegenheid voor enkele toppers als de Villa Farnesina, de Villa Borghese, de Agnese van Borromini – om er een paar te noemen – en een superbe ontdekking om de hoek van het hotel: de Joachimkerk met de Hollandse kapel die naar aanleiding van het vijftigjarig priesterfeest van Leo XIII werd gebouwd rond dezelfde tijd als de nieuwe Bavo in Haarlem. Waar ik ook ben, het project waarmee ik bezig ben komt altijd wel een keer om de hoek kijken. Een andere verrassing was het beeld van de zalige Ludovica van Bernini, waar een van de reisgenoten ons op attendeerde. Dit vrijwel onbekende kunstwerk bevindt zich in de Franceso da Ripa in Trastevere en laat – net als beroemde Theresa van Avila van Bernini – de extase zien als gevolg van de mystieke eenwording van de ziel met God.2 Het boeiende hiervan is dat Bernini de iconografie volgt van de Madonna lactans die zo’n prominente rol speelt in de mystiek van Bernardus van Clairvaux.3 Dat vraagt om nader onderzoek!

Bij de verschillende bezienswaardigheden kwamen als vanzelf woorden naar boven die de ene keer resulteerden in gedichten op locatie – gecombineerd met wat reflecties op de achtergrond – en de andere keer inspireerden tot korte essays op vakgebied. De eerste items staan inmiddels on line:

B.4

 


  1. De resultaten van dit project zijn te volgen via www.vitruvius.be. Voor Vitruvius zie ook het lemma op Wikipedia

  2. Zie het betreffende lemma op Wikipedia

  3. Zie daarover in het bijzonder: Kingma, De mooiste onder de vrouwen → Bibliografie

  4. Verkorte link van dit item: http://bit.ly/Cyclus-Rome 

Schoonbrood in de Hubertuskerk te Maastricht

Dit is een doorverwijspagina naar: Interbellumdatabase: Schoonbrood in de Hubertuskerk te Maastricht.

Doorverwijspagina

Meer weten over mijn gedichten? Volg dan deze link.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Blues

Gedichtencyclus Georgië
De reis naar Georgië in 2011 was onvergetelijk!.

Een van de mooiste reizen die ik gemaakt heb, was naar Georgië in 2011, waarbij ook nog een klein stukje Turkije aan de Zwarte Zee in het programma zat.1 Daar kwam een rijke verzameling impressies en beeldgedichten uit voort. Teveel keuze, zeg je terecht. Dus heb ik er, los van de inleiding, drie voor je geselecteerd:

Met name de laatste plek was overweldigend. Daar bleef een stukje van mezelf achter, dat ik later in gedachten op heb moeten halen. De heimwee wilde maar niet overgaan. Wat is de Kaukasus toch mooi.

Ga er heen, nu het nog kan!

B.2

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


  1. Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Georgië, impressies en beeldgedichten’, op: bernadette-van-hellenberg-hubar.blogspot.nl, http://bit.ly/Georgie-2011 (2011). 

  2. Verkorte link van dit item: http://wp.me/p4eh3s-Pt