Dertig jaar later

Nota bene — Deze blog verkeert in statu nascendi. Je mag rustig een kijkje nemen, maar het item is nog niet helemaal af. ((Het woord blog mag mannelijk/vrouwelijk en onzijdig gebruikt worden. Hoewel je de laatste tijd steeds vaker het blog ziet staan, volg ik de voorkeursvorm van het Genootschap Onze Taal door het mannelijke lidwoord de toe te passen.)) Er is zoveel over dit onderwerp te zeggen dat het misschien wel simpelweg onvoltooid moet blijven. Een continuing story?

Kreupele restanten

De Antoniuskapel in Servaaskerk te Maastricht (1874-1900) met een deels wel en deels niet gerestaureerde uitmonstering van Pierre J.H. Cuypers. ((Hubar, Eenheid in het vele, in: http://bit.ly/Themanummer-Servaaskerk-KNOB84, pp. 120, 135, noot 80.)) Foto auteur, 2014.

Zeg niet dat dit mooi is, want dat is het niet, dit kreupele restant van Cuypers’ uitmonstering in de Maastrichtse Servaaskerk (1864-1908). Natuurlijk, het beeld van Antonius onder zijn neogotische baldakijn staat er nog, de geschilderde tapisserie tegen de wand is superbe en de epische schilderingen met scènes uit het leven van de heilige blijven hun verhaal vertellen, maar toch … het klopt niet. Ik heb de kapel nog gekend toen ze helemaal gaaf was: toen waren ook de schalken met de muraalbogen en het gewelf daarboven rijk gesjabloneerd. Op de zware pijlers richting schip zat schijnmetselmerk dat voor een evenwichtige dimensionering zorgde. Decennia verwaarlozing en een zoutuitbloei van jewelste hadden hun tol geëist, maar het gehele polychrome schema in deze ruimte was er nog. Een halfslachtige Cuypers resteerde na de restauratie van de Servaaskerk in 1983-1989.

Waarom ik hier aan denk? Misschien omdat ik er laatst weer eens was. Niet geheel vrijwillig, want ik kom er niet graag. Iedere keer als ik de kerk binnenstap is het een klap in mijn gezicht. Ik mis het geschilderde triforium in het schip, de kloeke blokverbanden van de pijlers en de weelde aan geschilderde tapisserieën die volgens een oeroude iconografische traditie door heel de kerk uit eerbied en pure verering waren aangebracht. Maar soms moet ik er wel naar toe, omdat tussen alle fragmenten bijzonderheden zitten die ik nodig heb voor onderzoek. Neem bijvoorbeeld de litanie van Loreto in de Mariakapel met al die oeroude Mariatitels, waarvan er een aantal op veel oudere culturen dan die van het christendom teruggaat.

Maar ik denk er ook aan, omdat ik laatst mijn eerste artikel over de iconografie van Cuypers, Alberdingk Thijm, De Stuers en hun tijdgenoten onder ogen kreeg. Dat verscheen in 1984 in het themanummer over de Servaaskerk in het Bulletin KNOB. Wies van Leeuwen, met wie ik dat jaar het Cuypersgenootschap heb opgericht, had dit bedacht om een wetenschappelijke bijdrage aan de restauratieproblematiek te kunnen leveren. ((Leeuwen, Wies van, red., ‘Van de redactie’ [themanummer restauratie Servaaskerk Maastricht], in: http://bit.ly/Themanummer-Servaaskerk-KNOB84, pp. 103-104.)) Dat was ook nodig omdat kort ervoor twee publicaties van de restauratiestichting verschenen, waarin Cuypers met vereende krachten naar de verdoemenis was geschreven. Op liturgisch gebied werd dit weerlegd door een helder artikel van Kees Peeters, die dit schreef omdat hij vond dat verantwoording afgelegd moest worden voor het tribunaal van de geschiedenis (een zin die ik nooit meer ben vergeten). Daarna volgden Wies en ik met respectievelijk een evaluatie van wat er in de jaren zestig met de inrichting van Cuypers was gebeurd in de Munsterkerk en het iconografisch programma van de Servaaskerk, en tenslotte het enige artikel dat effect zou sorteren, dat van Jos Koldeweij over het Bergportaal. Toen men daar eenmaal was aangekomen met de werkzaamheden was het kwartje gevallen. Waarschijnlijk heeft men toen al ingezien wat voor een blamage de aanpak van het interieur was gebleken, ook al werd iedere kritiek overstemd door enigszins overspannen jubelgeluiden.

Kapel van het heilig Aanschijn in de Servaaskerk te Maastricht

Een iconografische zeldzaamheid vormt de kapel van het heilig Aanschijn (1893-1894) uit het atelier van Cuypers, waar de doek van Veronica wordt vereerd en de muur bezet is met votiefstenen die qua vorm en kleur passen in het decoratieschema. ((Hubar, Eenheid in het vele, in: http://bit.ly/Themanummer-Servaaskerk-KNOB84, pp. 120, 129-131, 134.)) Rondom het altaar bevonden zich op de muur geschilderde draperieën, niet alleen bedoeld als lambrisering, maar ook om het beeld van gordijnen rondom een heilige plaats op te roepen. Versluiering was een teken van eerbied en paste bij het mysterie. De gordijnen werden verwijderd en geheel tegen de polychrome wetten in vervangen door schijnmetselwerk dat gewoon naar beneden doorgetrokken werd. Hierdoor is ook de dimensionering van de kapel geweld aangedaan. Foto auteur, 2014.

Wies heeft toen doorgezet dat we de restauratie zouden evalueren. En dat gebeurde ook, in het blad van het Cuypersgenootschap, De Sluitsteen. ((Van Leeuwen en Hubar, ‘De beginselloosheid tot adagium verheven’, in: http://bit.ly/Evaluatie-1991-Servaaskerk, pp. 75-97.)) Hierdoor is er een behoorlijk goed gevulde portfolio van deze casus. De opmaat werd gevormd door de publicatie over het symposium van de Jan van Eyckacademie in 1979, geïnitieerd door de latere oprichter van de SRAL, Anne van Grevenstein. Daarna de reeks artikelen van Wies en van mij, waaronder het themanummer van het Bulletin KNOB en de publicaties in Heemschut, en tenslotte onze evaluatie. Het gros van de artikelen kan inmiddels gedownload worden. Zelf ben ik aangenaam verrast dat met name de iconografische artikelen actueel zijn gebleven en nog steeds worden gebruikt.

Ik ben nog altijd trots op wat we toen met die hele groep van het Cuypersgenootschap hebben gedaan, met Jenny Bierenbroodspot die onze artikelen kritisch doorlas en redigeerde, Jules Bonnet die voor foto’s zorgde, Guido Hoogewoud als onvermoeibaar klankbord, Gert van Kleef die z’n eerste schreden op het Cuyperspad zette, wijlen Pieter Singelenberg als onze onbetwiste autoriteit en Ruud van Hövell die ons juridisch advies gaf en leerde hoe we bij de Raad van State moesten optreden. Maar ook al heeft de geschiedenis ons gelijk gegeven – de reconstructie van de uitmonstering van Cuypers in het Rijksmuseum legt daar iedere dag getuigenis van af – de pijn blijft als ik het schip van de Servaaskerk betreed.

Sic erat in fatis, zou De Stuers zeggen.

B. ((Het lag in het lot besloten! Het bovenstaande item kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Dertig jaar later’, op: vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/1QPcsPN (2014).))

Downloads

Bronnen

Nota bene — In de voetnoten gebruik ik onder meer verkorte titels die volledig aangehaald zijn in de bibliografie van deze site.

De Urbanuskerk in Nes aan de Amstel

Urbanuskerk Nes aan de Amstel

De Urbanus van Nes aan de Amstel (1889-1891) geldt als het eerste kerkgebouw dat Joseph Cuypers zelfstandig als architect heeft ontworpen. Foto auteur 2014

Al eens de Urbanuskerk in Nes aan de Amstel bezocht? Dat zou ik zeker een keer doen, want het is echt een juweeltje. Ze oogt wat somber van de buitenkant, maar dat heeft vooral met vervuiling te maken. Aan de binnenkant is het één feest van kleur, licht en glans, ook al lijden verschillende muren aan vochtproblemen en zoutuitbloei. Alles bij elkaar een verbazingwekkende primeur van Joseph Cuypers, die zoals zijn tijdgenoten zeiden, niet alleen een droit de naissance kende, maar ook een droit de conquête (oftewel, je hebt weliswaar een streep voor als zoon van een beroemde architect, maar o, wat is het zwaar om tegen zo’n grootheid op te moeten boksen).

Wat die wisselwerking bij de Urbanuskerk heeft gebracht, kun je vinden onder deze knop.

Joseph Cuypers | Nes aan de Amstel

Op naar Nes

Dit jeugdwerk van Joseph Cuypers is een echte aanrader om te bezoeken! Dankzij de Vrienden van de Urbanuskerk van Nes aan de Amstel is een leuk boekje uitgegeven, geschreven door Rob Mascini, dat je in de kerk kunt kopen. Neem wat cash mee, zou ik zeggen, want alle beetjes helpen en dit gebouw is dringend aan restauratie toe.*

Urbanuskerk Nes aan de Amstel
De Urbanus van Nes aan de Amstel (1889-1891) geldt als het eerste kerkgebouw dat Joseph Cuypers zelfstandig als architect heeft ontworpen. Herkomst: Monumenten Ouder-Amstel, 2013.

Waarom de Urbanuskerk in Nes aan de Amstel in de rubriek van de nieuwe Bavo staat? Heel simpel, omdat het hier allemaal begonnen is. Het zou het eerste werk zijn dat Joseph zelfstandig ontworpen heeft; dat wil zeggen, zonder de slagschaduw van zijn vader die bij andere – ook latere – projecten zwaar leunend op de arm van zijn zoon alles in de gaten hield.

Maar zeker zo belangrijk is het dat Joseph Cuypers bij de kerkwijding hier vicaris-generaal A.J. Callier ontmoette – de rechterhand van bisschop Bottemanne – die de opdracht zou regelen voor de nieuwe Bavo. Op de thuisreis hadden ze, naar Joseph later vertelde, ‘een langdurig en diepgaand gesprek over kerkbouw en symboliek’.* Wat dat heeft gebracht, is in mijn monografie over de nieuwe Bavo te vinden.* Bij wijze van voorschot mag hier gezegd worden dat Joseph in Nes een bijzonder programma heeft gerealiseerd. Dat geldt alleen al voor de iconografie van de doopkapel, waar het geijkte element van het water op een aparte manier is gecombineerd met andere thema’s. Daarnaast is ook aan de standaardonderdelen veel aandacht besteed, zoals de volledig betegelde kruisweg laat zien met haar lambrisering van gestileerde passiebloemen, rozen en lelies.

Interieur van de Urbanuskerk van Nes aan de Amstel
Het verrassend rijke interieur van de Urbanuskerk van Nes aan de Amstel vormt een typisch gesamtkunstwerk, waarbij zowel de kerk als de gehele inrichting ontworpen was door één hand, te weten die van Joseph Cuypers. Foto Judith Bohan 2014.

Juist die rijke keramiek vormt een van de meest opvallende aspecten van de kerk. Bij de doopkapel staat op één van de tegels aangegeven dat ze geproduceerd zijn door de bekende plateelbakkerij Rozenburg in Den Haag. Of dat ook voor de kruisweg en het Benedicite op de vloer opgaat, is niet duidelijk en heb ik ook niet kunnen vinden in het boekje van Rob Mascini over de Urbanuskerk.*

Kruisweg

Over die kruisweg moet ik toch nog iets kwijt. Dankzij het onderzoek dat ik deed voor De genade van de steiger is meer bekend geworden over de receptie van de artistieke idealen van de Beuroner school die haar uitvalsbasis had in de benedictijner abdij van Beuron in de deelstaat Baden-Württemberg van Duitsland. Onder leiding van pater Desiderius Lenz ontstond een type kunst dat heel Europa van conservatief tot progressief – om deze versleten termen maar te gebruiken – in zijn greep nam. In Nederland gebeurde dat na de publicatie van drie opstellen van Lenz in 1899. Joseph Cuypers memoreerde later dat zijn familiebedrijf met haar werk al veel eerder een weg had ingeslagen in die richting, want:

‘Parallel aan dat werk zien wij het type der Beuronner school zich ontwikkelen en reeds vroeger in Engeland de Praerafaelisten.’ *

Joseph Cuypers geeft hier eigenlijk aan dat de kunstzinnige productie van zijn familiebedrijf zich kan meten met deze majeure stromingen. Hoewel dit zeker het geval is, bleef enige wisselwerking niet uit, want we zien al vrij vroeg Beuroner tendensen in de uitmonsteringen van de firma Cuypers, onder meer in de Dominicuskerk te Amsterdam die in 1883-1893 werd gebouwd. Maar dat geldt niet minder voor de kruisweg van de Urbanuskerk in Nes: héél karakteristiek zijn de egale, blauwe achtergronden, waarin vrijwel alleen de stad Jeruzalem in de verte als coulisse toe wordt gelaten. Daarnaast is ook de natuurlijke, weinig gecompliceerde plooival van de gewaden – iets waar Lenz zich zeer druk om maakte – , het zachte kleurenpalet en de ingehouden dramatiek van de haast klassieke poses en gebaren van de figuren zeer Beuronesk. Hét model hiervoor waren de wandschilderingen met de kruisweg in de Mariakerk van Stuttgart van Desiderius Lenz uit 1884. In de vaktijdschriften van die tijd werd daar aandacht aan besteed in 1893.*

Betegelde kruisweg met lambrisering in de Urbanuskerk van Jospeh Cuypers in Nes aan de Amstel (1889-1891).
Met de betegelde kruisweg van de Urbanuskerk van Nes aan de Amstel laat de firma Cuypers & Co zien hoe ze de Beuroner invloeden heeft verwerkt. Foto auteur 2014.

Om de vernieuwende inbreng van Joseph te illustreren kan de kruisweg van Nes het beste vergeleken worden met een ander betegeld exemplaar van de firma Cuypers & Co, te weten de kruisweg uit De Liefde (helaas gesloopt in 1990) die duidelijk de hand van Cuypers senior verraadt. Dankzij het Nederlands tegelmuseum in Otterloo, waar alle staties zijn opgeslagen, kunnen we ons hier een beeld van vormen. Volgens de site van het museum zou de kruisweg vrij snel na de voltooiing van deze Amsterdamse kerk in 1885 tot stand gekomen zijn:

‘Nederland kende al vele eeuwen een rijke traditie van tegelfabrieken, maar halverwege de negentiende eeuw verdwenen deze de een na de ander, omdat ze de concurrentie met industriële buitenlandse fabrieken niet aankonden. Cuypers koos er echter nadrukkelijk voor om zijn tegels bij een oud, traditioneel bedrijf te laten maken, hoewel zijn neogotische ontwerpen in stijl en kleurgebruik sterk afweken van de oud-Hollandse tegels. Hij kwam uit bij de tegelfabriek van Jan van Hulst in Harlingen, waar zijn tegels geschilderd werden door de eerste schilder Joseph Witte (1843-1909). Het gaat hier om één van de grote tegelopdrachten die aan het eind van de negentiende eeuw de herleving van de Nederlandse tegelindustrie inluidden’.*

Beide kruiswegen werden in een gestileerde architectuuromlijsting gevat. Maar die van De Liefde is veel gedetailleerder en vertoont een sterk neogotisch idioom dan de inkadering van het exemplaar in Nes die haast tot het hoognodige gereduceerd is. De blauwe fonds hebben de beide werken gemeen, maar als je kijkt naar de figuren valt in het Amsterdamse exemplaar de uitbundige middeleeuwse plooival van de gewaden op, met bijna gebeeldhouwde geknikte driepunten. Een ander verschil is de klassiek aandoende anatomie van de personages in het exemplaar in Nes tegenover de wat schrale en tanige actoren in dat van De Liefde. Opvallend is ook het gebruik van de gotische minuskel in de al even gotische banderollen tegenover de veel neutralere tekstband in de Urbanuskerk. Daar is ten slotte de bloemenrand eveneens minder gedetailleerd en qua opzet kloeker dan die in De Liefde.

Kruisweg uit De Liefde van Pierre J.H. Cuypers (na 1885)
De kruisweg uit De Liefde van Pierre J.H. Cuypers (na 1885) ligt opgeslagen in het Nederlands tegelmuseum. Vergeleken met die van de Urbanuskerk in Nes, ontworpen door Joseph Cuypers, valt op hoeveel neogotischer van signatuur die van zijn vader is. Herkomst: Nederlands Tegelmuseum 2008. In de zomer van 2018 is de kruisweg tentoongesteld in het Heiligenbeeldenmuseum in de oudste nog bestaande Cuyperskerk te Kranenburg bij Vorden.*

Al vanaf 1979 ben ik met Cuypers bezig, en hoewel we met een groot aantal kunst- en architectuurhistorici – vooral binnen het Cuypersgenootschap – veel onderzoek hebben gedaan en gepubliceerd, valt telkens weer op hoe weinig we van bepaalde zaken weten. Nu de tijd gekomen is om Joseph uit de schaduw van zijn vader te halen, zal daar ongetwijfeld verandering in komen.

Wordt vervolgd!

B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Problematiek van vocht en zoutuitbloei bij de Urbanuskerk van Nes aan de Amstel.
De Urbanuskerk van Nes aan de Amstel is dringend aan restauratie toe. Met name vocht en zoutuitbloei – hier bij de doopkapel – vormen een ernstig probleem. Foto: auteur 2014.

Archiefbericht

Zondag 9 februari 2014 organiseren de Vrienden van de Urbanuskerk van Nes aan de Amstel een lezingenmiddag bij gelegenheid van het 125-jarig bestaan van dit vroegste zelfstandige werk van Joseph Cuypers. Centraal staan Pierre en Joseph Cuypers als bouwmeesters, en hun relatie als vader en zoon. Het programma is als volgt:

  • 14.15 uur: leven en werken Pierre Cuypers door Dick Keizer.
  • 15.00 uur: pauze met koffie en thee (tegen betaling voor de kerk).
  • 15.30 uur: leven en werken Joseph Cuypers door Pierre Cuypers junior, kleinzoon van Joseph Cuypers.
  • 16.15 uur: plenair: gelegenheid tot stellen van vragen aan de inleiders.
  • 16.30 uur: afsluiting, waarna samenzijn met een drankje.

De bijeenkomst is toegankelijk tegen een vrijwillige bijdrage ten behoeve van de restauratie van de kerk.

Voor informatie over dit jeugdwerk van Joseph Cuypers zie de site van Monumenten Ouder-Amstel en Reliwiki. Meer over de Vrienden van de Urbanuskerk van Nes aan de Amstel vind je op hun site.

Nes Amstel bvhh 19 juni 14 (19) bew
De ark van Noah vaart als het ware de doopkapel binnen van de Urbanuskerk van Nes aan de Amstel, ontworpen door Joseph Cuypers. De golven zijn gestileerd tot een decoratief repeterend patroon. Foto: auteur 2014.

Verwijzingen

  • Dit item is aan bewerking toe. Sedert ons schrijverscollectief – Marij Coenen en ik – bezig zijn met de Joseph Cuypers Collectie in Roermond hebben zich nieuwe inzichten voorgedaan. Bovendien zijn in dit webartikel nog niet de gegevens verwerkt van Timmermans, Huub, Margaret Timmermans, en Elly van Rooden. “125 jaar Sint Urbanuskerk – Nes aan de Amstel 1891 – 2016 – jubileumkrant”. UrbanusparochieNes.nl, 2016. http://bit.ly/2ukgf1l. Dat zit in de pijplijn!
  • Voor de bezoektijden, raadpleeg de site of bel anders met de pastorie: 0297-582 232. Mascini, Rob, Urbanuskerk Nes aan de Amstel, Nes aan de Amstel, z.j. Interessant is ook de brochure on line die uitgekomen is bij gelegenheid van het 125-jarig bestaan: Timmermans, Huub, Margaret Timmermans, en Elly van Rooden. “125 jaar Sint Urbanuskerk – Nes aan de Amstel 1891 – 2016 – jubileumkrant”. UrbanusparochieNes.nl, 2016. http://bit.ly/2ukgf1l, http://bit.ly/2jATu2P-Evernote.
  • Het citaat over de ontmoeting met Callier komt van Looyenga, in: Erftemeijer, Getooid als een bruid, p. 40 (zie bibliografie).
  • Kijk op het register van de monografie met de zoekterm Urbanuskerk, Nes of Nes aan de Amstel. Het boek kan besteld worden onder deze link.
  • Zie het lemma op Wikipedia: http://nl.wikipedia.org/wiki/Plateelbakkerij_Rozenburg. Heel informatief is ook de brochure van de RACM, thans de RCE: Nijenhuis, Henk, Tegels in de twintigste eeuw, brochure cultuurhistorie 13, RACM Amersfoort 2008.
  • Hubar, De genade van de steiger, p. 227 (zie bibliografie).
  • Hubar, De genade van de steiger, pp. 468-469: over de Beuroner school en haar invloed; pp. 227-238: over de Beuroner school en Joseph Cuypers; pp. 190-191, 222, 263, 339, 469: de kruisweg van Desiderius Lenz in de Mariakerk van Stuttgart uit 1884. Op één voorstelling na is deze tijdens de Tweede Wereldoorlog geheel vernietigd (zie bibliografie).
  • Spijtig genoeg is deze informatieve pagina over de Amsterdamse Cuyperskerk De Liefde van de site van het tegelmuseum verwijderd.
  • “Thematentoonstelling | Heiligenbeeldenmuseum Kranenburg”, Heiligenbeeldenmuseum, 2018. http://bit.ly/2KIjrd9 | http://bit.ly/2rnC5Pt-Evernote.
  • Dit item kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Joseph Cuypers | Nes aan de Amstel”. VanHellenbergHubar.org (blog), 2014-2018. http://bit.ly/1Ot6l2T.

← Terug naar de inhoudsopgave van de nieuwe Bavo!

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/1Ot6l2T

Wil je de Urbanuskerk bezoeken, controleer dan van te voren de openingstijden op de site!

Matthieu Wiegman schildering in de Obrechtkerk

Nota bene — Het fragment uit het boek volgt na deze kleine terugblik op de aanbieding van het boek aan Henk van Os in 2013.



Heilig Hart schildering van Matthieu Wiegman in de Obrechtkerk te Amsterdam. De centrale Christusfiguur met het heilig Hart wordt omringd door engelen die de passiewerktuigen dragen (1930). Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2012.

Bij de presentatie van De genade van de steiger, november 2013, kreeg Henk van Os het eerste exemplaar aangereikt vanwege zijn inzet voor de restauratie van de schilderingen in de Obrechtkerk te Amsterdam. Hij was aangenaam verrast door het boek, zoals ook uit bijgaand signalement in Kunstschrift blijkt.

Over de heilig Hartschildering van Matthieu Wiegman vertelt Van Os:

Toen ik in 1990 voor het eerst in die kerk kwam samen met wijlen Wim Beeren, overviel me de totale onverschilligheid waarmee een halve eeuw lang met de kunst in die kerk was omgegaan. Een kapel met muurschilderingen van Otto van Rees – een van zijn belangrijkste werken – was volledig ontmanteld. De schilderingen waren grotendeels overgeschilderd. Schilderingen van Matthieu Wiegman en anderen waren vrijwel verdwenen onder het vuil. Wim en ik knielden tijdens de misviering voor een Christusgestalte met zo veel zoutuitbloei (die eufemistische benaming heb ik uit het boek gehaald!) dat zijn gelaat bijna onzichtbaar was geworden.

Wat Van Os betreft, is de moraal van het verhaal:

Misschien zal er niet veel van de monumentale kerkelijke kunst uit het interbellum overblijven. Eén ding is zeker: zo’n voortreffelijk boek als dit helpt om de winter van verguizing en verwaarlozing door te komen. Deze kunst is dankzij dit boek waardig gebleken kunstgeschiedenis te worden. En ook nog goede en interessante kunstgeschiedenis. Ooit zal de geschiedenis van de kunstproducten van de negentiende en twintigste eeuw geheel bevrijd worden van de letterlijk verwoestende vooroordelen die het modernisme met zich mee heeft gebracht. Aan dat proces van vrijmaking levert dit werk van Bernadette van Hellenberg Hubar en kompanen een belangrijke bijdrage.

Het boek is inmiddels uitverkocht!

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Fragment uit ‘De genade van de steiger’ (pp. 422-423)


Heilig Hart schildering Matthieu Wiegman in de Obrechtkerk te Amsterdam uit 'De genade van de steiger' (2013). Screenshot bvhh.nu 2014.
De pagina met de Heilig Hart schildering van Matthieu Wiegman in de Obrechtkerk te Amsterdam uit ‘De genade van de steiger’ (2013). Screenshot bvhh.nu 2014.

7.5.4 Reflectie op de beeldspraak

In de inleiding van dit hoofdstuk werd al opgemerkt dat Wiegman op een eigen manier invulling gaf aan de traditionele iconografie door deze te transformeren tot persoonlijke duidingen en dragers. Van de manier waarop hij dat deed, wist hij ook anderen te overtuigen, zoals blijkt uit zijn gesprek met de sociale priester Henricus Poels die onder de mijnwerkers in Limburg werkte. Aalmoezenier Poels bezocht met een aantal van hen in 1929 de tentoonstelling die Jean Adams op Rolduc had georganiseerd:

  • ‘Hij zei toen tegen zijn mijnwerkers: “De kunstenaar was vast dronken toen hij deze schilderijen maakte!” Matthieu, die op de tentoonstelling aanwezig was, hoorde dit, ging naar PoeIs toe en stelde zich voor als de schilder van deze werken. “Wat U vertelt over mijn dronkenschap”, zei Matthieu, “zou ik graag willen toelichten”. Zo wees Matthieu hem op het spel van de muggen in het zonlicht; het spel van de paring en het rythmisch spel van de vruchtbaarheid. “De kunst”, zo ging Matthieu verder, “is het rythmisch spel van de vruchtbaarheid van alles wat leeft, het rythme van de drift en [423] met die drift kristalliseert de kunstenaar een hogere wereld”. Toen vroeg Mgr. Poels: “Waarom schilder je de bloemen die daar staan niet precies zoals ze zijn?” Matthieu antwoordde: “Waarom zegt U in uw gebeden tot Maria: Geestelijke Roos, Toren van David, Deur des hemels, Morgenster? Bent U dan niet even dronken als ik? Ook U stijgt met die woorden boven Uzelf uit, U wordt een dichter, die met de beeldspraak zijn gevoelens onder woorden brengt!” Toen zei Poels: “Wiegman, je hebt een tien!” “ja”, ging Matthieu verder: “De doelstelling van de kunst is een moeilijk onderwerp. Een boom kun je tweeërlei zien: als een zakelijk object waar je planken uit kunt zagen, maar ook als een verbinding tussen hemel en aarde. De doelstelling van de kunst is zwarter dan zwart en witter dan wit, dus uitersten. Dan hindert het niet of je heiligen of appeltjes schildert!”’[152]

Niet alleen onthult het antwoord van de schilder de fel zinnelijke en puur metafysische visie op de kunst, die ook Engelman en Maritain graag naar voren brachten, maar ook de rol van de beeldspraak bij het vertolken van gevoelens. Of die beeldspraak nu traditioneel en talig van inhoud was, of dat zij een beroep deed op letterlijk klassieke sentimenten als de pathos, of dat ze berustte op het intuïtieve stemmingsteken dat de kunstenaar uit de ritmische driften van de natuur naar boven haalt, maakte voor Wiegman niet uit. Voor beide, heiligen én appeltjes, ritme én drift, het apollinische en het dionysische, het klassieke én het barokke, en vooral niet te vergeten, het optische en het haptische is plaats.[153] Zijn werk in de Obrechtkerk vormt daar een bijzondere getuigenis van. Deze paragraaf wordt dan ook afgesloten met de apotheose van Wiegman in de H. Hartkapel (1930) (afb. 361).

De H. Hartkapel vormt als ruimte eigenlijk niet meer dan een apsidiool in de noordoostelijke transeptarm. Wiegman buitte hier de ronding van de concha uit die benadrukt wordt door de belijning van de penseelstreken in de factuur van de achtergrond. De beschouwer ervaart de centripetale kracht van de holling door de bijna minimalistische compositie. Deze start met de figuren links en rechts aan de voet, die als het ware de voorhoede vormen van de kerkgangers rond het altaar. Zij leiden het oog naar het hart van de apsidiool waar Christus, zwevend in de concaaf, op een bolvormige kosmos is weergegeven. Rond is het aureool om zijn hart, rond is zijn nimbus, terwijl de engelen om hem heen cirkelen in een ovaal die deels in goudachtige en deels zilverachtige schakeringen is weergegeven. Alles is erop afgestemd om de bezoeker dit concave universum binnen te trekken, waarin de onvoorwaardelijke – mystieke – liefde centraal staat. De opzet daarvan legde Wiegman aan Poels uit in het hierboven gegeven citaat. De kunstenaar brengt in een persoonlijke, religieuze beeldspraak – stemmingsdragers – zijn gevoelens bij dit thema over, waarbij hij zuiver ‘schilderlijk’ te werk gaat, om een term van Engelman te gebruiken, en zich optimaal van de architectonische ambiance bedient om de toeschouwer te bereiken. In dit werk heeft Wiegman de barokke opmaten op superbe wijze tot klassieke rust gesublimeerd. De beoogde, intieme sfeer van devotie, van mens tot God, was bereikt.

 


Postscriptum

Voor een beter begrip van de tekst hierboven, is het handig om de inleiding van dit hoofdstuk te lezen, waarin een herzien beeld wordt geschetst van de expressionisten in de monumentale kunst. Dit wordt gedragen door de criteria die met name uit het kunstkritische onderzoek van hoofdstuk 4 naar voren kwamen.

Noten
  • 152) Worm en Wiegman, Matthieu, pp. 105, 180
  • 153) Voor dat laatste zie paragraaf 5.6.3 Aardse en hemelse stijl: Riegls dichotomie.

De verkorte titel verwijst naar de bibliografie in het boek.